22 februari 2026

Zacht verzet


Een week met gezichten. Je zult veel mensen zien, je kunt kijken.

Je stukje vertrekt naar de wereld. (Of gewoon: vertrekt.) Je laat iets los. (Iets in je is een klein beetje zenuwachtig. Misschien laat je te veel zien. Of misschien is het net goed voor jou.)

Je stuurt je tekst door naar een vriendin, je denkt dat zij misschien blij zal zijn met wat je geschreven hebt. (Ze ziet het, je wist het.)

(Je denkt aan water.)

Een middagafspraak. Je zegt hem, op jouw manier, dat je trots bent op hem.

Een afspraak. Het is goed dat je je verhaal nog eens kunt vertellen aan haar. Het is goed dat je haar kunt horen. (Je maakt je een beetje zorgen.)

(Je krijgt een heel mooi bericht, het maakt je vloeibaar.)

Weer thuis, ze belt aan. Je bent blij haar weer te zien. Ze knipt je haar. (Wat is de geschiedenis van die grijze krullen? Waar kom je vandaan?) Haar verhalen ontroeren je. (Je bent blij dat ze in je leven is.)

Een andere dag. Je bent niet alleen op het werk. Verhalen. (Soms begrijp je iets over hoe oud je bent.)

(Je hoort iets over drijven. Beelden. Je herinnert je beelden van wat er nog niet was.)

Een afspraak. Je hebt net je plekje gevonden wanneer ze binnenkomt. Een verhaal over drijven. Een traag gesprek, iets over bewegen in je huid. En over wat niet weggaat. (We doen dat goed, denk je. Je bent dankbaar.)

Een andere dag. De kinesiste deukt je uit, zoals elke week. (Zacht blijven.)

(Je tekst beweegt rustig verder, zie je. Het mag, misschien. Misschien zijn jouw woorden niet van jou alleen.)

(Je denkt aan water.)

Je ploegt verder door de beleidsnota’s. Je ziet wonderlijke varianten van eloquent weinig tot niets zeggen. (Zouden de woorden ook pijn voelen? Zouden ze kunnen denken: ik wil niet in deze zin staan?)

Een lijstje met puntjes. (Iets aarzelt.)

Die avond. Je moet nu echt wel de recepten gaan kiezen voor het etentje in het weekend. (Zodat je er enkele dagen naartoe kunt denken.)

Een volgende dag. (Iets is opgewekt aan deze dag, merk je.)

De vergadering is kort. (Het is goed.)

Die avond, de schouwburg. Blij dat zij erbij is, een avond van mooie woorden. De schrijvers komen op het podium, een voor een. Verhalen over de liefde. Je kijkt naar de woorden. (Even denk je: ik weet weer waarom hij niet mijn ding is, ik moet het haar vertellen.) Je hoort haar voorlezen uit het boek dat je vorig jaar nog las, en het is alsof wat je toen las, ineens anders klinkt, met terugwerkende kracht.

Na de voorstelling. Je aarzelt, maar zegt haar dan toch dat je haar boek zo goed vond. Ze bedankt je. Je praat nog even met die andere vrouw op het podium, bedankt haar voor het mooie gedicht, en hoe ze het las. (Je bent verlegen, zoals steeds. Je beweegt in de amateurwoordafdeling.)

Een andere dag. Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. (Er zijn ondertussen eigenlijk twee vrijdagteksten, besef je.) De vrijdagteksten, dus.

Je krijgt bericht dat je rugzak hersteld is. Je vertrekt, en op weg naar huis haal je de rugzak op. Je vertelt aan de mevrouw iets over je rugzakherstelervaring. (Sommigen zouden het een klantenreis noemen, denk je.) Weer thuis vul je de rugzak terug, je bent blij.

Op de muur net naast je huis heeft iemand in licht oranje de woorden ‘Bijna lente!’ geschreven. Je moet goed kijken om het te zien. (Sommige woorden wachten tot ze door jou bevrijd worden.)

De vergadering met de hoofden op het scherm. Je ziet een strategie.

Op tijd voor je afspraak. Ze komt even later binnen. Goed om bij te praten. (Je probeert iets te vertellen over zachtheid.)

Weer thuis nog de boodschappenlijstjes maken voor het etentje van de volgende dag.

De volgende dag. (Al lichtjes nerveus.)

Heen en weer fietsen door de regen om al je boodschappen te doen. Weer thuis. Alles ligt klaar, je hoeft niet meer naar buiten. Nu kun je alleen met het eten en het huis bezig zijn tot ze komen vanavond. Je herhaalt in je hoofd nog eens de volgorde van alles wat je te doen hebt. (In het kader van het bevorderen van de kookstress maak je zoals elk jaar dingen die je nog nooit eerder maakte.)

(Zien die gnocchi die je net maakte er wel uit als echte gnocchi? Zijn die ribbeltjes wel goed?)

Ze zijn er, zitten aan de tafel. Alles is klaar, je hoeft alleen nog maar bij hen te zijn de rest van de avond. Je kijkt, je luistert, je bent zo blij dat ze er zijn. (Een zachte plek die er al zo lang is.) Je zou hun graag willen zeggen hoe bijzonder het voor je is, dat ze al zo lang in je leven zijn. Je probeert. Verhalen die voor het eerst verteld worden.

Na het feest, alles een beetje opruimen, de afwas is voor morgenvroeg. En zoals elk jaar op dat moment dezelfde plaat opleggen, met dat ene nummer.

Een nieuwe dag. Na het ontbijt rustig de afwas doen. Het gaat snel, zoals steeds. De planten fluisteren je nog iets toe.

(Je denkt aan water, je denkt aan vloeien.)

Een mooie wandeling met een vriendin, een bezoek aan de abdij. Verhalen. Even op het kerkhof naar het graf van je vroegere dokter. (Zijn achternaam is weg van het graf, zie je.) Je vertelt over hem, wat hij voor je betekende, hoe hij je in het leven hield, maar er zelf niet in kon blijven. Je praat nog even met de vrouw aan het onthaal. Ze lijkt blij je te zien. Het is wederzijds.

En nog. Verhalen, over zijn in afwezigheid. Over kiezen voor zachtheid. (Kiezen voor de rivier.)

14 februari 2026

Hart


De nieuwe week begint. Een nieuw jaar begint. Het is je verjaardag.

Je denkt nog aan het concert van de vorige dag. Die wonderlijke vrouw, die vanaf de eerste noten op haar banjo iets neerlegde in de ruimte, in dat droevige lied. En dat je dacht: hier wil ik zijn, in dit hier, in dit nu, ik moet alleen maar ademen. (In het helen voel je soms wat er pijn deed, denk je.)

(Je bent een beetje verlegen, in je verjaardag. Je weet niet helemaal zeker hoe je jezelf daarin neer kunt leggen. Zoveel berichten. Alsof er zoveel liefde naar je toe stroomt, en je niet weet wat je moet doen. Je probeert alleen maar te ademen.)

Je denkt vooral: het is fijn om aan al die mensen te kunnen denken. Zij zijn je landkaart, door hen weet je waar je bent. Je kunt lijnen trekken, en zo zien waar jij bent, zou kunnen zijn, misschien mag zijn. Het is goed, je kijkt.

Je haalt nog chocolade, voor de vergadering die je die avond hebt.

Pakjes wachten op je, geduldig.

Een veilig plekje in de trein, je loopt zacht naar de vergadering. (Iets in je stem is traag, het mag.) Kijk, ik heb chocolade meegebracht, voor jullie.

Laat op de avond, weer thuis. (Je kijkt naar de laatste momenten van de dag, je buigt.)

Een andere dag. (Misschien wen je al een beetje. Misschien heb je het uiteindelijk toch goed gedaan met dat jaar zestig. Anders dan je had verwacht, maar misschien toch beter.)

Voorzichtig in de dag schuiven, ritme zoeken.

Die avond, een nieuwe klimaatwake. Eigenlijk ben je een beetje stil, maar het geeft niet. Je had geen zin om dingen te doen, eigenlijk, maar het is goed. Mooie gesprekken. En kijken naar het web van het leven. (Misschien wil je gewoon een beetje droef zijn.)

Die nacht. Je kijkt naar het onderwerp dat zich aandient, voor het stukje dat je de volgende dag moet schrijven. (Dat zal het dus zijn.)

Een andere dag. In het journaal hoor je een reportage over een onderzoek over 60-plussers. Ineens besef je dat jij met je 61 nu dus 60-plusser bent. Lichte schok. En dan weer glimlachen.

Je hebt tussendoor ook nog je stuk te schrijven. Iets over zachtheid. (Het heeft iets te maken met die balans, denk je. Iets is je duidelijk geworden. Het is heel moeilijk uit te leggen zonder dat het raar klinkt, maar je ziet het in je lichaam, waar de weg is. Je kent iemand die het zal begrijpen.) Het is moeilijker dan je dacht, het komt dichter bij iets dat week is. Het is. (Zo is het goed, het zal wel blijken.)

De avondvergadering. (En nog een cadeau, het blijft duren. Het mag.)

Traag naar huis.

Een volgende dag. Je haalt lekkers, voor je collega’s. (Het ruikt zo lekker, terwijl je in de trein zit.)

Het is een glimlachdag, denk je.

Je ziet hallucinante beelden van de ondervraging van een procureur-generaal. Hoe kan die vrouw in de spiegel kijken, vraag je je af. Hoe ver kun je gaan in je vrijwillige onderwerping aan een zieke man, een fascist?

Op weg naar huis. Onverwacht kom je een stoere meid tegen die je al lang niet meer zag, je bent zo blij haar te zien. Haar vriendin vraagt wie jij bent. Ze zegt dat jij haar tweede vader bent. (Je smelt.)

Het concert die avond, met een dierbare vriendin. Na het voorprogramma is het even wachten tot ze met hun tweeën op het podium komen. Ze lijken zo zacht, zo aandachtig, zo vriendelijk. Ze beginnen te spelen, en er gebeurt iets. Het is onwaarschijnlijk mooi. Soms is het alsof ze zelf kijken naar de muziek die daar ontstaat. Die muziek heeft twintig jaar tijd genomen, zo blijkt. Misschien hebben ze heel die tijd traag gekeken. (Tranen.) Het is alsof ze je laten zien hoe je heel zou kunnen zijn. Het is alsof je als een ander mens uit de schouwburg komt. (Je bent dankbaar.) (En je weet, zacht, ja, dat is het, het mag.)

Een nieuwe dag. De vrijdagtekst. Je knutselt de dingen in elkaar.

Het is fijn dat je uiteindelijk toch niet alleen bent.

Een vergadering, je kijkt naar de bewegingen op het scherm, ogen en rimpels.

De dag mag zich neerleggen. Je leest nog een verhaal dat je erg ontroert, en een beetje droevig maakt.

Je komt van ver, in de ochtend.

De boodschappenronde. Gesprekjes aan de kassa.

Je staat je zus en je schoonbroer op te wachten op het perron. (De wind is koud.)

Op de wagon van een wachtende trein staat een soort Valentijnboodschap. I want to hold you as the stars hold the night.

Een mooi bezoek. Je kijkt naar de verhalen. (Soms leggen ze zich neer, soms vertrekken ze, soms zoeken ze zichzelf nog.)

Je neemt afscheid op het perron.

Op weg naar huis kom je, op dezelfde plek, een stoere meid tegen. Je glimlacht. (Die vraag is voor een andere keer.)

08 februari 2026

Monsterlijk moederschap


Monsterlijk moederschap
van Jozefien Van Beek is veel dingen tegelijk. Dit boek bestaat uit vijf essays die samen een groter verhaal vertellen. De teksten bewegen tussen verschillende plekken. Er zijn interessante beschouwingen over de manier waarop moeders en moederschap worden weergegeven in films en boeken. Je krijgt een feministische lezing van het genre van de horrorfilm, een persoonlijke fascinatie van Van Beek.

Moeders zijn vaak monsterlijk in die cultuurvormen. Dat zegt veel over onderliggende patriarchale mannelijke ideologische visies en structuren. De clichématige rozige verhalen over hoe fantastisch en geweldig en vervullend het moederschap is horen misschien wel thuis in dezelfde ideologische kaders. Ze leggen enorm veel druk op vrouwen die moeder willen worden, zichzelf voelen falen omdat ze niet beantwoorden aan de verwachtingen, wat voor een diepe eenzaamheid kan zorgen. Vertellen over de in allerlei opzichten lichamelijk verscheurende ervaring van het moeder worden, over duistere gedachten tegenover een kind, over spijt of leegte, het is niet gemakkelijk in een context waarin je blijkbaar alleen maar mag zeggen dat het allemaal fantastisch is.

Jozefien Van Beek verweeft haar boeiende reflecties met haar eigen ervaringen als vrouw die een kind wilde krijgen. Niet meteen zwanger worden. Bevallen en niet weten hoe je moeder moet zijn. Voelen dat je faalt bij het zoeken. Die ervaringen komen in een spiegel van de relatie met haar eigen moeder. Ontroerend, ontwapenend en confronterend. En even verwarrend als de liefde is.

Al die reflecties werken op een fascinerende manier op elkaar in, in essays die heel goed geschreven, helder, intiem en moedig zijn. Ze zeggen veel over de ervaringen van heel wat moeders. Er is een monsterlijke dimensie aan moederschap. Die in de ogen kijken is misschien de beste manier om alle verhalen over de werkelijkheid van het moederschap in beeld te krijgen en zo de vaak immense druk van een eenzijdige moederideologie die je niet los kunt zien van patriarchale structuren op vrouwen te verminderen. Je weg vinden tussen al die verwarrende gevoelens en verwachtingen is geen falen, maar een realiteit die meer aandacht verdient. Jozefien Van Beek heeft met Monsterlijk moederschap een heel dapper en bijzonder boek gemaakt dat veel lezers verdient.

07 februari 2026

Een balans


Een nieuwe week. Je denkt nog aan de mooie, heftige, droevige film die je op zondagavond zag. Iets over generaties vrouwen. Het geluid van het vallen. Ze vallen in hun pijn.

Alle treinen rijden weer. Het station lijkt blij.

(Het is de laatste week van het jaar 60, besef je ineens. Het is zo snel gegaan.)

Afspraak met een vriend. Doorpraten. (Iets over leven in waarheid, iets over strategie.) Het stelt je gerust. (Het is er nog.)

(Je bent na twee weken terug waar je wilde zijn. En toch is er iets veranderd, misschien is dat goed. Je hebt iets geleerd.)

Je bereidt de documenten van de vergadering voor. (Iets aarzelt nog.)

Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel legt uit dat hij vijf talen spreekt. Je bent blij voor hem. (Zou hij vaak die vraag krijgen?)

Je kijkt naar het lijstje.

Je denkt: misschien moet ik een opiniestuk schrijven. Je schrijft een opiniestuk. (Multitasken tijdens de middagpauze.)

(De stroom aan gedachten wordt rustiger, legt zich neer, na de woorden. Je hebt ze heel zorgvuldig gekozen. Je zult wel weer te zacht zijn. Het is niet erg, denk je. Het zijn jouw woorden.)

Die avond. De theatervoorstelling, een musical, eigenlijk. Je was een beetje moe, neemt je voor om gewoon mee te gaan met wat je zult zien. Het duurt even eer je mee bent. (Iets met woorden.) Je voelt – zoals zoveel anderen in de zaal – iets als: dit gaat ook over mij. Het beweegt mooi naar een vorm van verzet die jij ook zoekt. (In jouw woorden.) Laten we zeggen dat dit of dat bullshit is. Laten we het ownen, dat we Gutmenschen zijn, wat al die cynische politici ook zeggen. (Nooit cynisch worden, dat was het plan.)

Een andere dag. Eerst even koffie drinken met een vriend. Misschien kan hij het gebruiken. (Je bent blij dat je er mag zijn.)

Je probeert met je collega de finesses te begrijpen van het registratiesysteem. (Het is niet helemaal te begrijpen, is de conclusie. Wat misschien wel een vorm van troost is.)

Je krijgt een positief antwoord voor je opiniestuk. Even wachten nog. (Het is goed, denk je, je zult het minstens geprobeerd hebben. En voor daarna verlang je naar andere woorden.)

De mevrouw in de trein doet haar best om de hele rit zo hard en zo ver mogelijk te hoesten.

Je praat met een vriendin over een tekst. Je probeert te vertellen hoe de tekst werkte voor jou. (Teksten zijn aanraakbaar. Teksten kun je zien.)

Je denkt na over troost, probeert iets te verwoorden. (De dingen trekken zich terug in de woorden, er zijn geen franjes. Ze zijn doorzichtig.)

Een volgende dag. Op weg naar de conferentie. Een uitgebreid gesprek in de trein.

Je luistert naar de presentaties. Het is heel interessant. Je kijkt rond, stelt vast dat je mogelijk bijna de oudste bent in de zaal.

In de namiddag, mooie gesprekken, boeiende verhalen. (Ik moet vertrekken, sorry.) Bij het buitengaan praat je nog even met een van de sprekers. Je vertelt dat er ooit een link was tussen de winkel van je ouders en het bedrijf waar zij werkt. (Het lijkt ineens zo lang geleden.)

Een beetje verdwijnen in de treinrit. (De woorden van het tijdschrift, het ritme, meer wil je niet.)

Even over huis, en dan weer vertrekken voor de boekvoorstelling.

In de trein lees je verder in het boekje over moederschap. Het ontroert je, wat ze schrijft.

Je zoekt een zachte plaats, in de marge van de boekvoorstelling. Je maakt nog enkele foto’s, stuurt ze door.

(De buik.)

(Je had met jezelf afgesproken dat je die balans van het jaar dat je zestig werd zou af hebben voor dat jaar voorbij zou zijn. Je hebt nog even tijd, niet veel meer.)

Een nieuwe dag. (In je droom probeerde je heel erg hard om op je fiets vooruit te komen, het lukte nauwelijks. Je benen leken loodzwaar. Je wordt wakker met stijve benen, bijna verkrampt.)

Een vroegere trein, om wat eerder aan de vrijdagtekst te kunnen beginnen. Je bent helemaal alleen op het werk. De collega’s zijn allemaal al op de conferentie, jij gaat straks. Alleen de poetsmevrouw zul je zien die ochtend.

Alles net op tijd klaar, nog even de plantenronde, en dan loop je naar de metro. Je bent nog netjes op tijd voor het namiddaggedeelte.

Je zit op het podium, modereert het gesprek met die vijf mensen. Je probeert het een zachte stroom te geven. Het lijkt te lukken.

Even praten over de telefoon met je zus. (Je vertelt over de vorige week, over schaamte, over wat je leerde.) (En de films die ze zou moeten zien.)

Die avond schrijf je verder aan de balans. (Elk stuk vraagt toch veel energie. Alsof je jezelf moet modelleren of zo, onvermijdelijk.)

(Misschien had je vooraf, bij het begin van dat jaar, grotere antwoorden op grotere vragen verwacht. Het is anders gegaan. Maar bij het schrijven merk je dat er dingen veranderd zijn, dat zich een lijn lijkt aan te dienen. Iets met zachtheid. Misschien is dat de bedding.)

De volgende ochtend. Je bent weer eerst in de winkel. (Zoals elke week.) Jij bent onze klok, zegt de mevrouw van de winkel. Er is nog een man in de winkel die even voorspelbaar is als jij.

De rugzak met die scheur erin wegbrengen voor reparatie. (Helen, het is een mooi woord.)

Koffie drinken, met je maatje en zijn vrouw. En een mooi cadeau. Dit jaar begint te kantelen, het is daar.

31 januari 2026

Iets met schaamte


Je weet niet goed hoe je aan de week moet beginnen, je past niet in jezelf.

(Het droeve moment van het weekend beweegt nog in je lichaam. Diepe huidlagen. Verdriet van een familie, het raakte meer dan je had verwacht. Die gesprekken met vrienden, en wat ze bij jou leken te leggen. Die heel mooie en heftige film de vorige avond. Iets gedacht over troost. De plotse adempaniek, niet kunnen landen. Nauwelijks geslapen. Uitzonderlijk.)

Je moet iets vertellen, je hebt het in je hoofd voorbereid, al dagen. (Iets heeft je in de hoek gedrumd, zo lijkt het.) Het gaat niet zoals je wilde, je maakt een fout, zoals je normaal niet zou doen, je bent alleen maar onrust. (In de grote orde der dingen is het niet zo erg waarschijnlijk, maar voor jou wel.)

(Honderd dingen gaan door je heen. Diepe huidlagen. Je probeert tegen jezelf te zeggen dat je moet kijken naar wat er gebeurt. Het lukt niet. Waar kwam dat allemaal vandaan? Het gaat over liefde, zou je later kunnen zeggen, voor je zelfgekozen familie. Kwaad op jezelf. Extreem alleen. In de war.)

Je stuurt een bericht naar een vriendin. Ze zegt de juiste dingen. (Een kleine haven.)

(Je weet dat het nog enkele dagen zal duren, eer het door je heen is. Je zult moeten terugkeren, naar jezelf. Je kunt alleen maar wachten. Het is de herinnering van je lichaam die sprak.)

(Schaamte.)

Je zoekt een ritme voor de rest van de dag. Je collega is aanwezig, het doet je goed, terwijl jij afwezig bent, in het daar zijn.

(Zoeken naar een positief aanknopingspunt. Iets doen, trots, terug aansluiten bij die kant.)

Nacht in etappes. (Je huid blijft nog lang natrillen, je ademt het niet weg.)

Een andere dag. Je stapt naar de trein. Zal het ook vandaag meevallen? Er zijn genoeg treinen.

(Iets wacht nog steeds op een definitief onheil, een definitieve afwijzing. Het is een stem, weet je.)

Je werkt verder aan de dingen. Het lijstje geeft rust. Je betast de toetsen heel zorgvuldig. Ritme.

Je bent niet alleen op het werk, de dingen gaan gewoon verder. Iedereen herkent je, alles is gewoon, zoals het ook vorige week was.

(Iets wacht.)

(Een idee, je zou dat kunnen doen. Verbinden, zoals je altijd doet. Niet te snel, zeg je. Het kantelt.)

Je gaat langs bij de samenkomst die het begin is van een campagne. Blij om met enkele mensen te kunnen spreken. Het is mooi, hun gedrevenheid zien.

Daarna het concertje. Je vindt een plekje waar je stil kunt zijn, alleen maar hoeft te kijken en te luisteren. Het is zo mooi, hoe hij heel zacht zingt en speelt. En hoe zij met de contrabas omgaat. (Het was ooit je droom, contrabas.)

Je loopt door de stad naar huis. Het lijkt een gewone week.

Die nacht, een zin voor het gedicht.

Een andere dag. De handen van de kinesiste doen je goed. (Een beetje landen.)

Het is goed daar te zijn, denk je, terwijl je van zo hoog naar de stad beneden kijkt. Je ziet vliegtuigen die zich klaarmaken om te gaan landen.

(Iets in je huidlagen begint zich te ontspannen. Alsof het gevaar bijna weg is.)

(Lichte schaamte.)

De dingen doen. Kantelen in doen, strijdbaar zijn.

Een boeiende lange vergadering. De begeleider prikkelt je hersenen. Een heel mooi gesprek. (Je mag, er gebeurt niets.)

Die avond. Het is tijd voor het gedicht. Je hebt die ene zin. Je kijkt naar de woorden die volgen. Ze gaan een richting uit die als een omweg is. (Dat zeggen ze je.) Je laat hen een andere kant gaan. Een open kant, zonder omwegen. Je volgt het ritme. De woorden schrijven zichzelf. (Het is ook dit keer natuurlijk weer geen goed gedicht geworden, maar het is er. Het lijkt rustig, het lijkt zichzelf niet te verbergen, het is goed zo.)

Een andere dag. Het gedicht vertrekt. (Het is een deel van het ritueel, zoals elk jaar. Het is goed.)

Je denkt aan je zus. (Dit gaat over onze familie, zeg je haar.) Het legt zich neer.

De vergadering. Je kijkt naar je stem.

Op tijd weer naar huis, om dan daar straks op tijd te kunnen vertrekken.

Je wacht aan de bushalte. De mevrouwen naast je zijn app-professionals, kunnen van alle bussen die nog gaan komen zeggen of ze al onderweg zijn. Jouw bus heeft een half uur vertraging. Daar is ze.

In de bus krijg je een bericht van een vriendin. (Ze heeft dezelfde huidlagen, je kent de hare, zij de jouwe. Ze ziet het gedicht.)

De nocturne in het museum. De tentoonstelling raakt je diep. Je kijkt naar een pijnlijke bladzijde uit de geschiedenis. Je rijdt terug met een vriend. Je luistert naar mooie verhalen die je ontroeren.

Je antwoordt nog rustig op het bericht. (Ze zal je begrijpen, dat weet je. Jullie delen een huid.)

Een andere dag. Er rijden nog steeds genoeg treinen voor jou.

Je mag een bericht in de wereld sturen. Je bent zo trots. (Daar wil je zijn, daar mag je zijn, het is goed.)

Je volgt de vergadering op het scherm. Je geeft de planten water. Je werkt nog enkele dingen af, maakt een lijstje met alle nog in te halen puntjes. (Rustige controle.)

Die avond ga je nog even met een vriendin naar een nieuwjaarsreceptie. (Men herkent je.) Je hoort iets dat je een beetje droevig maakt. (Alleen.) (Je hebt iets geleerd deze week.)

Net voor middernacht. Toch nog verse lakens op bed leggen, het is een goed moment.

Een andere dag. De boodschappenronde.

Dingetjes van je lijstje afwerken. (De dingen zijn teruggekeerd, het kan. Je legt bruggetjes.)

Met een vriendin naar een boekvoorstelling. Een verhaal over kanker. Het is soms alsof jij in je hoofd antwoordt op de vragen van de moderator. Sommige antwoorden lopen gelijk, andere gaan een andere kant uit. Je begrijpt iets over je ziekte. Alsof een intuïtie die je al langer had wordt ondersteund door wat je hoort. Het is goed.

(Je bent weer aan de andere kant. Genoeg.)

 

29 januari 2026

24 januari 2026

Waar het leven hapert


De week lijkt een beetje transparant in je agenda. (Verlangen naar een ritme.)

Anderen vergaderen daar, jij zit hier. (Thuisfront. Zoals elke dag zeg je merci tegen de poetsmevrouw, die elke dag verlegen iets terugmompelt.)

Je probeert de procedure te begrijpen voor de koffie. (Een van je kerntaken is de koffie-, thee- en chocoladebevoorrading. Soms ook koekjes, al moet het niet te wild worden natuurlijk. Er is nu een nieuwe ingewikkelde procedure, zo blijkt. Tot nu toe was de procedure zoals thuis voor je keuken: even in je hoofd overlopen wat er nog in de kasten staat, en dan op tijd aanvullen. De nieuwe procedure werkt niet zoals je hoofd, dat is de samenvatting.)

Een andere dag. De meneer in de krantenwinkel herkent je. Tot volgende week, zegt hij. (De wereld kan voorspelbaar zijn.)

(Onderhuids een onrust in je lichaam. Wat zal er gebeuren de volgende dagen? Die eikel is toch zo eindeloos vermoeiend. De brief die hij verzond: de woorden van een misbruikende echtgenoot. Koude rillingen.) (Een laag diep in je laat zich zien, is gealarmeerd. Immer alert.)

Het namiddagseminarie. Je had alles netjes voorbereid. (De vorige dag nog een boek gehaald voor de spreker. Niet volgens de geijkte procedure.) Het is boeiend. Je bewaakt de timing strak. Iedereen lijkt tevreden.

Hollen om die trein te halen om op tijd op je afspraak te zijn. De wagon zit vol met scholieren uit Eupen. De mevrouw naast je, uit Luik, legt uit dat ze de hele tijd van plaats wisselen. Je vraagt haar of zij dan ook mee moest doen. Voorlopig niet, zegt ze.

Een volgende dag. (Ergens, daar in de wereld, bouwt de spanning zich op. Je voelt het tot hier.)

(Je probeert iets te formuleren, heel omzichtig, heel voorzichtig. Je kijkt naar hoe je de woorden kiest.)

In je hoofd stuiteren de zinnen over elkaar heen, gedachten flitsen heen en weer. (Misschien moet je morgen een stuk schrijven? Misschien zal dat helpen?)

Die avond sta je tegen het scherm te roepen.

(Je ziet in je hoofd een soort lijn, die al die zinnen zou kunnen ordenen. Tijdens de nacht bewegen de zinnen verder, autonoom.)

Een nieuwe ochtend. Je hoofd is een beetje mistig. Het nieuws. (Beweging, lichte opluchting, lichte verwarring.)

(Toch maar een stuk schrijven? Een stuk schrijven. De woorden razen op het scherm, je kunt je vingers nauwelijks volgen. En naar de krant sturen. Iets legt zich een klein beetje neer.)

(Hoe één zieke, akelige, wrede, zielige, weerzinwekkende, gevaarlijke, walgelijke man zoveel mensen tegelijk kan uitputten, het is een raadsel.)

(Antwoord van de krant, dat het toch niet zal lukken. Een andere plek afspreken.)

Een nieuwe dag. De tekst gaat de wereld in. (Niet meer dan een kleine rimpel. Maar je hebt het gedaan, iets zegt je dat dat goed is.)

Een mooi gesprek met een vriend, je wilt er voor hem zijn. Je kijkt naar hoe hij denkt, je mag kijken. (Plekken.)

Die avond. Je schrijft verder aan je balans van een jaar. (Als je het zo zegt, klinkt het zo belangrijk.) Je probeert iets te zeggen over verdriet. Hoe zou je dat in lichte woorden kunnen omschrijven? (Zorgen de woorden voor een vorm, voor iets dat heelt, of voor afstand?) Het maakt je moe.

Een volgende dag. (Je keek niet uit naar deze dag, dat voelde je, de voorbije dagen.)

Je bent te vroeg aan de bushalte, zoals steeds. Je kijkt.

Je loopt door het park waar de doden zijn. Er is zoveel licht, het gras lijkt niet te wachten, het is gewoon.

De dienst begint. Je zit tussen je familie. (We zijn er weer, denk je.) Het weegt.

Voor je zie je hoe kinderen heel zachtjes hun mama troosten. Het is zo breekbaar mooi. (En dat wat weegt, het is zo groot.) Je zou het willen, zonder dat iemand het zou zien. Je zou het zo graag willen, zwaarte wegnemen in dit hier. Dit hier is als een eindpunt van geaccumuleerde zwaarte.

Je luistert naar de verhalen, je ziet de foto’s.

Ze gaat naar voor, zegt de woorden. Over haar zus die er niet meer is. Het is hartverscheurend. Je ziet alle woorden, je ziet alles. (Woorden beschermen.) De lichtheid is zo zwaar. Ze is omringd door kleuren, de schilderijen van haar zus. (De kleuren waren haar leven, toch waren de kleuren niet sterk genoeg om haar in het leven te houden.) Je zou het willen, zonder dat ze het zou merken, dragen, al is het maar even.

(De rivier in je. Er is zoveel verdriet in deze familie. Intens droef. Intens kwaad.)

Mooie gesprekken, een geschenk. (Je voelt je klein.)

Het is goed, bij je familie zijn, in dit hier. Je kijkt. (Je zou zoveel verhalen willen horen.)

Je bent te vroeg aan de bushalte. Je kijkt.

Onderweg vult de bus zich langzaam. Het maakt je rustig. De hele wereld zit in de bus, zo lijkt het. Het maakt je zacht. Kom maar naast me zitten, zeg je tegen de vrouw die even lijkt te aarzelen. Je zou het willen vragen, wat haar verhaal is. Je doet het niet. Je kijkt naar haar handen. Je bedankt haar bij het uitstappen. Ze glimlacht.

Je fiets heeft rustig op je gewacht. Tijd voor de boodschappen. Het ritme. Het leven.