04 januari 2026

Tot alles in beweging komt


Hoe vertel je een verhaal, hoe vertel je jouw verhaal? Mag je je de dingen toe-eigenen in je verhaal? Het heeft iets met macht te maken. Het heeft iets te maken met het trekken van lijnen, van zeggen wie aan de ene of aan de andere kant staat. Maar als je de verhalen laat bewegen, komt misschien in het licht wat in de schaduw stond, en omgekeerd. Misschien zijn de grenzen minder helder dan we dachten of wilden. Misschien leven we in lagen, in verhalen, in verdwijnen. Wie is vrij, wie kan ontsnappen aan dwang? Het mooie van het heel bijzondere boek Tot alles in beweging komt, van Ester Naomi Perquin, is dat je al die lagen en vragen steeds beter begint te zien naarmate je lang genoeg in dit boek verblijft. De ingenieuze opbouw zorgt voor een ritme, waarbij telkens nieuwe facetten worden toegevoegd. En dat in heel mooie, zelfbewuste zinnen, die bewegen in verschillende registers. Ze worden bijeengehouden in een bedding van lichamelijkheid. Een fascinerend boek, dat zich niet laat vatten. Zoals het leven.

Het verhaal wordt verteld vanuit Ela. Zij werkte ooit een tijd als bewaker in een gevangenis en vertelde nadien ook veel over die ervaringen. Ze had al twee zonen en krijgt nu een dochter. Haar vader stierf toen ze nog jong was. Met haar moeder, die in haar rol niet echt aanwezig was, heeft ze een moeilijke en afstandelijke relatie. Ze heeft twee broers. De oudste doet het maatschappelijk goed, de jongste is psychisch kwetsbaar. Het nulpunt in de tijd van waaruit het boek verteld wordt is de periode waarin de dochter pas geboren is. Ela had het idee om een ‘ontsnappingsboek’ te maken, met allerlei verhalen die ze verzamelde over mensen die ontsnapten uit hun situatie (uit een of andere vorm van gevangenis). Maar ze voelt dat ze dat project moet loslaten om het te kunnen hebben over de verhalen van haar familie en over hoe die verhalen inwerken op haar eigen leven en haar rol als verhalenverteller.

Je zou het boek kunnen lezen als het naast en op elkaar leggen van die verhaallagen en tegelijk als de zoektocht van een boek naar zichzelf. Het boek beweegt door de tijd en doorheen verschillende tekstsoorten en –registers. Hoewel de tekstonderdelen helemaal niet fragmentair geschreven zijn vormen ze op zich fragmenten die omheen een leven cirkelen. Ervaringen over hoe het was om in een gevangenis te werken lijken te komen uit notitieboekjes. Het beleven van een zwangerschap en het kwetsbare want steeds rusteloze moederschap wordt verwoord in een relaas dat heel erg vanuit het lichaam beweegt. Het reconstrueren van wat er in het gezin van Ela vroeger is gebeurd is een proces van herinneren en benoemen en het al dan niet invullen van lege plekken. Haar verhaal staat naast andere verhalen. Haar broers zaten in hetzelfde gezin, maar beleefden de dingen anders, hadden in die zin dezelfde en tegelijk ook een andere vader en moeder. Het is ook een proces van onder ogen zien van alles wat niet gezegd werd, wat werd afgeschermd door de stilte.

Het is fascinerend hoe je als lezer langzaam maar zeker opgenomen wordt in dit bewegende boek, waarin uiteindelijk heel veel vragen en lijnen samenkomen en op elkaar inwerken. Zo zijn er de verhalen over het leven in de gevangenis. Het eenvoudige schema is: wij (buiten de gevangenis) zijn goed, zij (in de gevangenis) zijn op een of andere manier slecht. De werkelijkheid is veel genuanceerder. Heel wat mensen die daar verblijven, zijn niet ‘slecht’. Slechts een zeer kleine minderheid beantwoordt aan het beeld dat velen zouden willen hebben, omdat dat een soort veiligheid biedt. Mensen die zogenaamd ‘gek’ zijn, leven in hun eigen wereld, die niet zomaar frontaal tegenover de ‘normale’ wereld staat. Ela zoekt de afgeslotenheid en controle van die gevangenissetting op deels om te kunnen ontsnappen aan de ‘gevangenis’ die een slechte relatie was. Ze wil graag verdwijnen in dat gevoel van controle om zich te beschermen tegen de complexiteit van het leven daarbuiten. Wanneer ze lezingen begint te geven over haar ervaringen wil een deel van het publiek alleen maar de sensationele verhalen over ‘het’ kwaad horen. Zo kunnen ze zichzelf opsluiten in hun veilige schema’s. Ela wordt als verhalenverteller steeds meer gedwongen in een soort dwangbuis van het vertellen. Nu ze met afstand terugkijkt naar toen, ziet ze ook goed hoe ze zelf af en toe over de grens ging die ze moest bewaken.

Het reconstrueren van de dynamiek in het gezin van Ela is eveneens een complex proces. Er is de vroege dood van haar vader, en de grote impact die dat op haar en de anderen had. Ela merkt dat ze voor zichzelf daarvan een verhaal heeft gemaakt, waarin ze zelf ook een duidelijke plaats krijgt. Maar haar ene broer maakt haar duidelijk dat de verhalen niet van haar alleen zijn. Hoe zit het met die moeder? Zij voelt vooral afstand, haar ene broer heeft een sterke band met haar. Haar jongere broer worstelt met zijn psychische kwetsbaarheid, leeft in het bewegende tussengebied tussen werkelijkheden, die misschien echt zijn, misschien alleen een verhaal. Door een familiefeest waarbij onverwacht dingen worden onthuld die een heel ander licht werpen op wie haar vader werkelijk was, komt een keten van dingen op gang die de stabiliteit van het tot dan toe geëigende verhaal onderuit haalt. De macht van de (georganiseerde) stilte komt in beeld. Wat werd er stilgehouden en wie wist wat? Zodra de dingen in beweging komen, passen ze minder in de veilige eenduidige verhalen en zijn ze misschien alleen te begrijpen in hun complexiteit en weer te geven in fragmenten.

Er zijn de verhalen over relaties. Er is het eigen gezin van Ela, in het nu, en er is een verstikkende toxische relatie die ze als jonge vrouw had met een veel oudere man. In het boek spreekt de oudere Ela haar jongere zelf toe. Er is het besef van hoe fout het was, en tegelijk ook een zien van dingen die bijzonder waren. In het vermelden van andere relaties spaart Ela als verteller zichzelf niet en laat ze zich zien als een kruispunt van tegenstrijdigheden. En dan is er het erg mooie en aangrijpende verhaal over de zwangerschap van de dochter en hoe die lichamelijk beleefd wordt. Hoe doe je dat, moeder zijn? Dat alles spiegelt dan weer mooi met verhalen over haar eigen vader en moeder. Soms kan je lichaam, kan je rol in het leven of in een relatie of gezin ook een gevangenis zijn.

Het boek is heel erg goed geschreven in soepele zinnen, die veel vertrouwen uitstralen en mee kunnen bewegen tussen verschillende tekstsoorten en registers. Ze worden mee voortgestuwd en bij elkaar gehouden door een sterke lichamelijkheid, die werkt als een motief of structurerend principe. Er is het aftakelen van Ela’s vader. Er is de sterk lichamelijke beleving van de gevangenis als een soort pulserende plek, die ook een merkwaardige opwinding veroorzaakt. Er zijn verschillende relaties waarin lichamelijke grenzen worden opgezocht en overschreden. En er is die intense en verwarrende ervaring van een zwangerschap die anders verloopt dan de vorige. Er zijn de verschillende lichamelijke rollen van jongens en meisjes, mannen en vrouwen. Ook bij dit alles is de dynamiek van vormen van macht complex, niet te vatten in één verhaal of schema.

Met Tot alles in beweging komt heeft Ester Naomi Perquin een boek gemaakt dat indrukwekkend beweegt. Er komen veel lijnen en vragen in samen, en dat had een onevenwichtig boek kunnen opleveren. In dit boek werkt het wel, en heel goed. Het duurt misschien even eer je als lezer in het ritme zit, maar dan begin je alle verbanden steeds beter te zien, voel je hoe al die elementen op elkaar inwerken, als lagen of spiegels. Het is in die zin goed dat het boek zijn tijd neemt. Je ziet levens die niet te vatten zijn in eenduidige categorieën of verhalen. Verhalen vertellen is nooit onschuldig, je gebruikt ook verhalen van anderen, en misschien gebruik je hen zo ook een beetje. De werkelijkheid ontsnapt deels aan de verhalen, en is tegelijk alleen maar te zien dankzij verhalen. Als je toestaat dat ze bewegen, dat ze fragmenten zijn, dat ze verschillend kunnen klinken, kom je misschien dichter bij de verwarrende beweging die een leven is. Een heel bijzonder boek, dat nog lang nabeweegt in je lichaam.

 

02 januari 2026

De zee is moe


De laatste dagen van het jaar. (Een klein beetje zenuwachtig, al weet je niet waarom.)

Je bent in het andere ritme. (De eerste dagen van de vakantie lijkt je lichaam altijd een beetje in de war. Het duurt even, en dan merk je hoe je in het andere ritme zit, waarop je hoopte.)

Toch een nuttig ding doen. (Zeer lichte mate van plichtsgevoel. Zeer lichte.)

Nog even langs de boekhandel. (Dat ene boek, dat je woensdag cadeau wilt doen.)

Het boek verder lezen, tot het uit is. (Je weet nog niet helemaal zeker wat je ervan vindt. Het moet nog even indalen. Het zal zich wel tonen.)

Soep maken. (Denken aan warm.)

Een andere dag. (De voorlaatste.)

Je wacht boven op de berg, bij het standbeeld. De stad ligt daar beneden.

Ze komen eraan gefietst. Je ziet dat mooie nieuwe kleine mensje voor het eerst. (Je smelt.) Er is ineens veel beweging, er zijn verhalen, en het is gewoon. Een wandeling. De kinderen verzamelen al het zwerfvuil. (Iets in je is heel rustig. Het is.) Nog enkele verhalen, en dan vertrekken ze weer. (Het heeft je erg ontroerd, meer dan je kunt zeggen.)

Weer thuis. Straks komt je bezoek. Je leest de teksten bij het mooie fotoboek over de zee. (Adem.)

Ze is er. (Eindelijk is het gelukt om af te spreken.) Een heel mooi gesprek. (Er is iets dat onvoorwaardelijk is, denk je.) Voor ze vertrekt, kijkt ze nog even naar de krullen in je haar. (Ze mogen nog even, tot in het nieuwe jaar.)

Je schrijft de bespreking van het boek. (Zoals zo vaak begin je pas tijdens het schrijven te beseffen wat je eigenlijk dacht over het boek.) Zodra je tekst klaar is, wordt iets rustig.

Een volgende dag. De laatste.

(Nuttige dingen.)

Op de valreep nog een veggie kookboek kopen, voor je collectie.

Je krijgt een mooie nieuwjaarskaart. (Wat ze zegt blijft de rest van de dag dicht bij je. Je ziet iets.)

Je begint in het nieuwe boek.

(Onderhuids beetje onrustig voor wat komen gaat.)

Je vertrekt op de fiets. (Zul je weer de eerste gast zijn?) Je fietst zorgvuldig, of zoiets. (Je bent hier, denk je.)

Je geeft haar het boek.

Een mooie avond, bijzondere mensen, lekker eten, fijne spelletjes. Een geschenk, dat je er zomaar bij mag zijn. Je volgt de rivier van de avond. (Iets van je kijkt.)

Het jaar is gekanteld. Zoals elk jaar vertrek je al vroeg. Je fietst rustig naar huis. De kinderen naast de weg roepen naar je: gelukkig nieuwjaar! Je hoort nog knallen in de lucht. Traag fiets je de berg naar beneden. Je bent weer thuis. (Je bent blij dat je thuis bent. Iets kan rustig worden.)

Een nacht in lagen. (Je moet gewoon wachten, tot je lichaam van de ene naar de andere laag kan gaan. Het is.)

Je buik maakt je wakker. (…) Je staat op, in de nieuwe dag, het nieuwe jaar, het is nog vroeg. Het is goed.

(En de dingen die je niet begrijpt. De dingen die je niet kunt. Het is. En het is goed.) (Iets met een ritme en een adem.)

Het ritueel van nieuwjaarsdag begint. Je post je wens. (Je denkt aan de zee, de zee is moe, de zee is blij met jouw woorden, denk je.)

Het invullen van de agenda. (Zo ben je even bij alles, bij iedereen, het is bijna aan te raken.)

Je krijgt nog even bezoek. Je bent blij hen te zien. (Is het niet te rommelig in huis? Het is.)

En dan het andere deel van de traditie. Onder het dekentje kijken naar Jools Holland Hootenanny. (Het ontroert je heel erg. Wat een wonderlijke stemmen.)

Je hoofd is een beetje mistig, maar je wilt nog een stukje lezen uit het boek.

De nacht is rustiger, draagt je.

Een nieuwe dag. De dingen lijken zich stilaan te hervatten daarbuiten.

De kaart op de post. Cadeautjes voor de jarigen. Een nieuwe pan voor jezelf. Nog een stukje poetsen.

Voor de middag mag je nog een stukje lezen uit het dikke boek over de moderniteit. (Beetje studeren.) Na de middag het andere boek. (Zeer lichte neiging tot ordenen. Zeer lichte.)

(Hoe staat het met de voornemens voor het nieuwe jaar? Ze zijn nog in de voorwoordelijke fase.) (Iets met een ritme en een adem.)

Je krijgt een mooie nieuwjaarskaart. (Je gedicht deed haar denken aan de mooie tentoonstelling met foto’s van de zee.) (Warm.)

Je kijkt naar het blad van de plant op je tafel. Misschien wil het je iets zeggen.

01 januari 2026

30 december 2025

Big Kiss, Bye-Bye


Hoe raast het leven door je heen? Hoe ziet een liefde (of het verdwijnen ervan) eruit in je hoofd? Wat zie en voel en hoor en ruik je tegelijkertijd op een moment van grote lust? Wat zijn de dingen die je uit de werkelijkheid plukt en waar je aan blijft vasthangen? Hoe bewegen al die processen door de taal? Als je dat alles zou willen beschrijven, of tonen, kies je dan voor een klassieke verhaalvorm of kies je voor het in woorden proberen te benaderen van een constante stroom van indrukken en woorden en gewaarwordingen? En wat is er dan meer ‘echt’? Hoe laat je die woorden in je hoofd reageren of spiegelen op bestaande literaire teksten en welke soms exotische woorden heb je daarvoor nodig? Met zo’n vragen aan de slag gaan kan een boek opleveren dat heel erg saai of aanmatigend of volstrekt ondoordringbaar is. Het kan ook een boek opleveren dat een avontuur is. En dat laatste heeft Claire-Louise Bennett gedaan met Big Kiss, Bye-Bye (vertaald als: Dikke kus, dag-dag). Het is een fascinerend, soms weerbarstig, soms heel grappig, soms heel opwindend, soms enerverend, soms aangenaam verwarrend boek. Het is moeilijk uit te leggen waar het eigenlijk over gaat, en het is moeilijk uit te leggen wat voor boek het eigenlijk is. Het stuwt zichzelf voort, bewegend tussen tekstsoorten, met ritmische patronen en herhalingen, via allerlei zijwegen. En misschien is dat het wel, dat het leven iets met zijwegen is.

De vrouw die als ik-verteller aan het woord, komt verhuist van de stad naar een huisje in het bos, ergens in Ierland. Ze had een relatie met Xavier, een veel oudere man van 75, maar die is voorbij, waarschijnlijk toch. Zij is schrijver. Ze blikt terug op de voorbije relatie, met verwarrende gevoelens. Ze zegt tegen zichzelf dat het goed is dat het voorbij is, maar tegelijk blijft ze er in haar hoofd naar terugkeren. Ze denkt terug aan andere relaties. Via een brief krijgt ze contact met een vroegere leraar Engels uit de middelbare school, en dat is dan een opstapje naar een affaire die ze in die periode had met de leraar filosofie die waarschijnlijk best al grensoverschrijdend kan worden omschreven.

Als lezer volg je dat alles in de binnenwereld. Je zou je kunnen voorstellen dat wat je leest de notitieboeken zijn van de vrouw. Soms lijken het dagboeknotities, die zoekende reflecties zijn over wat er in haar gebeurt. Via allerlei alledaagse gebeurtenissen of dingen of voorwerpen kijk je mee in een soort intieme verwarring. Soms lijken het meer bewerkte teksten die een deel zouden kunnen zijn van een literair werk. Soms zijn ze vrij eenvoudig beschrijvend. Soms zijn ze een taalstroom die aandacht vraagt voor conventies in het weergeven van dialogen, door eindeloze herhalingen. Soms zijn ze een zinderende rivier aan woorden die als een stream of consciousness de gelijktijdigheid proberen te vatten van allerlei in alle richtingen stuitende gedachten in je hoofd. Misschien maakt het helemaal niet uit wat het juiste statuut is van die teksten. Als het zo is dat je de complexe en steeds wisselende werkelijkheid niet zomaar kunt vatten in de illusie van één lineaire en ‘vattende’ tekst, dan is een collage van verschillende fragmenten in een diversiteit aan registers misschien wel waarheidsgetrouwer.

Als lezer krijg je door die vorm een fascinerende inkijk in hoe een lichaam een soort kruispunt van betekenisprocessen is. De vrouw denkt terug aan vroegere relaties en herhaalt allerlei momenten uit haar contacten met Xavier. Hij lijkt een nogal zelfingenomen man. Vroeger was hij rijk, nu mogelijk niet meer. Hij idealiseert haar, en wil haar zo controleren. Zij wil zich niet zomaar schikken in die rol, maar voelt zich tegelijk toch ook aangetrokken tot iets in die relatie. Er is een machtsdynamiek. Hij wil haar telkens bloemen geven, wat dan leidt tot een formule dat zij elke week op zijn kosten bloemen mag/moet ophalen in de winkel of laten brengen. Wat eerst fijn is, wordt tegelijk dwingend (het moet telkens over een relatief groot bedrag gaan) en verstikkend. Ze komt er in haar beschouwingen eindeloos op terug. Dat zegt dan weer iets over hoe zo’n dingen werken in je hoofd. Je wilt de werkelijkheid als geheel benaderen, maar doet dat via concrete ankerpunten die het proces verhelderen en tegelijk in de weg staan. Alle tegenstrijdige gevoelens tussen die jongere vrouw en oudere man komen aan bod, in het beleven ervan. Er is geen verteller die nadien of vanuit een overzichtelijke hoogte kan duiden of ordenen. En hoewel we zelf wel eens denken dat processen van reflectie en beslissen relatief rechtlijnig of ‘rationeel’ verlopen, verloopt dat alles in je hoofd veel rommeliger. Een fascinerend voorbeeld daarvan in het boek is de manier waarop de vrouw het mailverkeer met die leraar Engels aanpakt. Het is een amalgaam van twijfels, strategische zetten, zelfverfraaiing, irritatie en niet weten. De eindeloze rituele dans van aantrekken en afstoten met Xavier is een ander voorbeeld.

Als lezer moet je je gewoon een beetje uit handen geven aan het eigenzinnige avontuur dat dit boek is. Het is misschien in eerste instantie – als toegangspoort – vooral een tekstueel avontuur. Als je je gewoon zou afvragen wat er nu zo boeiend zou kunnen zijn aan Xavier en wat zij in hem ziet, dan loop je mogelijk al snel vast. Als je een min of meer afgerond ‘verhaal’ zou willen dat je ook netjes zou kunnen navertellen, dan zul je mogelijk verdwalen. Je zou dan in beide gevallen hopen op iets als een ‘hoofdweg’, die min of meer herkenbaar van a naar b gaat. Maar hier krijg je een beleving van teksten in verschillende lagen en registers, die in hun meerstemmigheid iets proberen te vatten van de complexiteit en onvatbaarheid van de (lichamelijk) beleefde menselijke ervaring. In de zijwegen gebeuren de dingen, zou je kunnen zeggen. In die teksten vind je dan ook nog verwijzingen naar bestaande literaire werken of films. Het is allemaal, in verschillende tempo’s, heel ritmisch. Als lezer moet je dat ritme volgen. Soms gaat het trager dan je zou willen, soms raak je buiten adem. Af en toe stelt het je geduld op de proef en moet je jezelf bij de les houden. Maar vaak voelt het als een groot genot om je te laten meevoeren. Het is uiteindelijk zo dat je het gevoel krijgt dat je door dit merkwaardige boek iets hebt begrepen over hoe de liefde beweegt en hoe het leven zich laat voelen, met alle verwarring en onvatbaarheid die daarbij horen. Het is een boek dat zich niet laat ‘vatten’, en dat maakt het zo goed.  

27 december 2025

Treinverdwijnen


Het is gekanteld, denk je. We zijn aan de andere kant van de lijn. De dagen gaan weer inademen. Elke dag een beetje meer. (Misschien kun je het horen als je goed luistert.)

Nog twee dagen te gaan, en dan. Eigenlijk ben je een beetje moe, maar het is goed. Er is al weinig volk in de trein. Misschien is het wel goed om nog even daar te zijn. Alles netjes opruimen, de dingen neerleggen.

Zoals elke dag zeg je merci tegen de poetsmevrouw. Zoals elke dag fluistert ze verlegen iets terug. (Wat zou ze zeggen? Misschien mag het altijd een mysterie blijven.)

De laatste dingen van het lijstje. En iets als een soort nieuwsonderhoud, om klaar te zijn in het nieuwe jaar.

Namen schrijven op omslagen, boodschappen op nieuwjaarskaarten, een stapel.

In het postkantoor, een lading postzegels.

In de boekhandel. De kerstcadeaus voor de familie. Een mooie stapel.

De nieuwjaarskaarten afwerken.

Een nieuwe dag. Op weg naar het werk de kaart binnensteken bij je dokter.

Alles zit in de postbus, nu gaan ze hun weg wel zoeken. (Iets valt van je schouders, en iets is ook een beetje verdrietig, al weet je niet waarom.)

Alles netjes achterlaten. Een lege afwasmachine. De planten nog extra water. De papierbak leeg.

Je lunchafspraak valt weg, zal voor later zijn.

Het is goed geweest denk je, je mag vertrekken. (Je zegt nog iets tegen de plek.)

Naar de winkel voor de kaasjes voor het kerstfeest. (Ze zijn er gek op, elk jaar.) Zo, dat is ook gedaan.

De volgende dag. (Het is vakantie nu, al dringt het nog niet helemaal door.)

De kinesiste duwt de deuken eruit.

Nog een korte vergadering, op het scherm.

Je fietst rond om nog enkele kaarten te bezorgen, en gaat op zoek naar nieuwe handschoenen. In de winkel valt het stangetje met alle handschoenen op de grond. Je verontschuldigt je bij de mevrouw. Voor de laatste kaarten wandel je de berg op. (De handschoenen zijn super. De warmte mag bij je blijven, denk je, het mag.)

(In de wereld daar maken mensen zich klaar voor kerstavond, je kunt het zoemen van de activiteit vermoeden. Je bent blij voor hen. En je bent blij dat je hier bent. Daar is het ‘zoveel’. Zoveel van alles. Zo samen, zo feest, zo gezellig, zo druk, zo veel, zo moeten.)

(De eerste dagen van een vakantie zijn altijd een beetje moeilijk. De vermoeidheid valt over je. Je ziet alles wat je zou moeten doen in het huis. En het zijn de laatste dagen van het jaar. Heb je alle nog resterende existentiële vragen opgelost? Niet echt.)

Je zit te lezen, in de stoel bij het raam. (Een plek aan de rand, aan de warme kant.) Je weet niet of je de planten buiten genoeg hebt beschermd. (Je zou het willen kunnen, die ijzige wind omleiden, zodat ze hen niet kunnen raken.)

Avond. Je zit te eten. Het is zo stil buiten. (Misschien zijn er nog meer mensen daar die zich, hoewel ze tussen anderen zitten, ontheemd voelen. Je wenst hen iets toe.)

Je krijgt enkele mooie berichtjes, stuurt iets naar twee meiden, ergens in de verte.

Een nieuwe dag. Je springt vroeg uit je bed en maakt alles klaar voor de grote reis naar je zus. (Hopelijk zullen alle treinen rijden.) Je vertrekt, met een zak vol boeken, en een zak met kaasjes. In het station praat je nog even met de mevrouw aan het loket.

De treinmeneer maakt er een heuse kerstshow van. Bij elke aankondiging hoor je belletjes rinkelen en spreekt hij met een voorname kerstmanstem. Terwijl hij door de gang loopt, roept hij: “Ho ho ho!!!” Je bedankt hem.

Een klein half uurtje bij de eerste overstap. Je loopt heen en weer over het perron. (Sommige mensen lopen gewoon in een korte broek of in een t-shirt…) Bij de tweede overstap heb je een half uur. Het is ijzig koud. Je gaat even zitten in het glazen huisje. Hier en daar op het perron zie je mensen die gestrand lijken, misschien hebben ze die nacht in het station geslapen, misschien is dit hun eindhalte in het leven. Bij de derde overstap loop je blij naar de trein. (De overdekte perrons zijn zo mooi hier, merk je telkens.) Het laatste stukje, je bent er bijna.

Het kerstfeest bij je zus. (Je bent zo blij dat je er bent.) De kinderen druppelen binnen. (Je hoort geweldig nieuws!) Ze vliegen op de kaasjes. Verhalen. (Proberen uit te leggen welke existentiële vragen je nog niet hebt opgelost.) Het ontroert je zo, gewoon naar hen zitten kijken. (Ineens zie je hoe oud je bent.) De cadeautjes. (Het is tijd om te vertrekken, je wilt nog op tijd weer thuis zijn vanavond.)

Een beetje verdwijnen in de trein. Je leest de laatste bladzijden van je boek. (Je moet er nog even over nadenken wat je ervan vindt.) Je bent een beetje bang voor de volgende overstap. Daar op dat station gaat het vaak fout, blijkt de internationale trein ineens niet meer te rijden. (En het was er al zo koud die ochtend.) Ineens verdwijnt de trein van het scherm. Hij is niet afgeschaft, zo blijkt, alleen een kwartier vertraging. De mensen op het perron die op die trein stonden te wachten, doen hun best om de koude niet te voelen, zo lijkt het. De trein rijdt binnen, eindelijk. Het is warm in de trein. (Nog één overstap straks, maar je ziet al dat er snel een andere trein komt na de aansluiting die je niet meer zult halen. Een warme gedachte.)

Weer thuis. Warme soep.

De volgende ochtend, vroeg. Je zet de vuilniszak en het oud papier buiten. Je probeert buiten op straat de wanordelijke hoop zakken en dozen een beetje beter te organiseren, zodat de ophalers die al snel zullen komen beter hun werk kunnen doen. (Waarom is het zo moeilijk voor sommigen om daar rekening mee te houden?)

Moet je vandaag ook één nuttig ding doen? (Je doet een nuttig ding.)

Je gaat op zoek in de stad naar dat ene boek dat je al een tijdje zou willen lezen, in het Engels. (Je vindt ook nog een ander boek.)

(Er is ook een sluimerend verdriet, tussendoor. De stille dagen zijn goed om te kijken.)

Je begint in je nieuwe boek. De stoel bij het raam. Je denkt na over het vorige boek, en wat je erover zult schrijven in je stukje.

Een nieuwe dag. Je bent zoals steeds de eerste klant in de winkel. Je geeft je nieuwjaarskaart af.

De rest van de dag mag gewoon komen. (Je kijkt.)

26 december 2025

Wild van een woeste droom


Wie ben je in het leven? Welke rol heb je wanneer te spelen? Moet je weggaan om bij jezelf uit te komen, of was er altijd al een onkenbare plek waaraan je niet kon ontsnappen? Misschien zijn dat vragen die iets zeggen over Wild van een woeste droom, van de Duitse Julia Schoch. Het gaat over liefde, maar misschien nog meer over het schrijven. Een leven schrijven, een geschreven leven zijn. Kijken naar de verhaalfragmenten die je zelf bent. In woorden die aanraken wat echt belangrijk is, en er tegelijk ook afstand van houden.

De ik-figuur in het boek is in het begin een jonge vrouw die aan de universiteit werkt en een beetje door toeval terechtkomt in een kunstenaarskolonie in het noordoosten van de VS. Op dat moment zou ze moeten werken aan haar proefschrift, maar dat lukt niet echt. Er dient zich ook de mogelijkheid van een literaire tekst aan, een boek dat ze zou kunnen schrijven dat cirkelt rond een gebeurtenis uit haar jeugd. Op die plek leert ze een man kennen, die enkel als “de Catalaan” wordt omschreven. Ze voelt zich – onverklaarbaar, want ze vindt hem niet knap – sterk tot hem aangetrokken. Hoewel ze thuis een man heeft, ontstaat er een soort vanzelfsprekende relatie. Het gebeurt. Er is een fysieke aantrekkingskracht. Hij lijkt een zekere macht over haar te hebben, maar zij beseft met terugwerkende kracht dat ze dicht wil zijn bij een man die schrijft, en dat blijkbaar als zijn hoogste doel heeft. Zo zelfzeker als hij is, zal zij nooit zijn, maar er is iets in gang gezet.

In het boek beweegt de stem van de verteller heen en weer tussen toen, een korte periode in het begin van haar huwelijk, en nu, nadat haar huwelijk voorbij is en haar kinderen groot. Al die tijd is de Catalaan ergens in haar achterhoofd gebleven, als een soort onbewust referentiepunt, als de mogelijkheid van een verhaal. Als ze hem bij het einde van het boek opnieuw in het echt tegenkomt, is er nog weinig magie. (Misschien was die magie er wel nooit.)

Het verhaal van de Catalaan wordt verbonden met het verhaal van de soldaat. Het vertellende hoofdpersonage groeide op in de voormalige DDR, en woonde als kind in een garnizoensstadje. Haar vader was officier in het leger. Als kind maakt ze in het bos kennis met een jonge soldaat die duidelijk niet op zijn plaats is in het leger. Ze krijgen een sterke band. Hij is een romantische ziel, die zich een beetje vastklampt aan de droom die hij in het meisje ziet. Zij zegt dat ze later boeken wil schrijven, al denkt ze dat ze dat niet zal kunnen. Hij wil haar overtuigen dat dat haar weg is.

Het is de volwassen vrouw die in die Amerikaanse kunstenaarskolonie in haar gesprekken met de Catalaan voelt dat het verhaal van de soldaat en het meisje haar boek zou kunnen zijn. De mannen uit die twee verhalen vormen voor haar een soort katalysator die haar er uiteindelijk toe zal brengen om voor de literatuur te kiezen.

De ik-verteller observeert de fragmenten van haar eigen leven, en observeert tegelijk het schrijven. Anderen geven misschien de indruk dat ze ‘grote’ keuzes maken, op allerlei kruispunten in hun leven komen, en dan heel bewust de juiste weg kiezen en niet meer omkijken. Zo gaat het niet in het leven van de vrouw in dit boek. Je voelt wel dat de uiteindelijke bestemming het schrijven is. Maar ondertussen zijn er nog al die rollen die je in te nemen hebt. Je bent iemand die aan de universiteit werkt. Je bent de vrouw van. Je bent de moeder van. Het loopt allemaal in elkaar over. Het trekt je aan en duwt je ook weg. Je bent ook mee bepaald door de plek waar je geboren bent, in die fase van de geschiedenis.

De ik-verteller is een twijfelende observator, die terugkijkt met een ingehouden nuchterheid. De vrouw is de optelsom van al die fragmenten. De jonge soldaat lijkt heel duidelijk voor een ander te weten wat haar enige goede bestemming is en welke prijs je daarvoor moet betalen. De Catalaan kan op een nogal arrogante zelfbewuste manier praten over de auteur die hij is. Bij haar is er uiteindelijk wel een plek waar ze terecht zal komen. Het was in zekere zin de enig mogelijke plek, maar elk moment is toch ook een moment van twijfel, van onbestendigheid. Ze beschrijft alles, reflecteert, twijfelt, en maakt de fragmenten die ze is. Je voelt dat er veel onderhuids is gebeurd, of je vermoedt dat toch. Veel wordt niet gezegd. Er blijft in de woorden ook veel afstand. Dat is soms als lezer ook een beetje moeilijk. De stijl van de zinnen is zeer uitgekleed, zonder franjes. Het is soms alsof je door de ogen van de ik mee probeert te begrijpen wat nu eigenlijk hoe heeft gewerkt. Je ziet dat die Catalaan een heel leven ergens aanwezig was als iets dat maar niet wegging, maar tegelijk voel je niet echt wat er nu eigenlijk zo bijzonder was aan die man. Het is soms alsof de emoties een beetje naar de achterkant van de woorden worden geduwd. Tegelijk zijn er veel reflecties, ook al even beknopt, over het schrijven zelf, wat het kan zijn en hoe het zich verhoudt tot het echte leven. Je voelt hoe het hoofdpersonage zelf worstelt met de woorden en alleen in het schrijven een soort rust lijkt te vinden. Woorden kunnen maar één keer gebruikt worden. Als je ze uitspreekt, kun je ze niet meer in een tekst gebruiken.

Als lezer worstel je soms een beetje met dit boek. Alles is heel helder en compact beschreven. Veel dingen worden niet gezegd, moet je zelf invullen. Je krijgt geen duiding van de verteller, die niet boven het verhaal staat. Je voelt dat er onder die gecondenseerde tekst een grote complexiteit schuilt. De stijl van het boek is in dat verband een kracht, en tegelijk een soort drempel die je als lezer een beetje weg lijkt te duwen. Het is een beetje alsof je als lezer mee het proces volgt van de ik-verteller die reconstrueert wat er gebeurd is en hoe dat doorwerkte in een leven. Dat is een proces van observeren van fragmenten die deels onkenbaar zijn en zo tegelijk construeren van een leven in woorden. De gecondenseerde woorden houden je als lezer wat op afstand. Die afstand is tegelijk een afstand in de verteller zelf, een vorm van constructieve twijfel die in zekere zin ook wijst op woorden die onontkoombaar zijn. Dat is dan misschien het enige antwoord op de “ontroostbaarheid” die blijkbaar een kenmerk is van het vertellende hoofdpersonage. Als je een ‘wilde droom’ hebt, dan moet je ervoor gaan, en moet je je leven schrijven.

19 december 2025

Bewegen in Bach


Een aftelweek, misschien is het dat wel, denk je. (Die dingen die je nog moet doen, op het lijstje. En daarna…) (Er mag nu geen enkele vraag meer bij komen, denk je. Geen ‘zou je ook nog even…’.)

Je denkt nog aan de vorige dag. Kinderen die er niet meer zijn. (Zouden ze de lichtjes zien? Je probeert te voelen, ergens in je, waar ze zijn, hoe het zou zijn om hen te verliezen. Je buigt het hoofd.)

Je krijgt een mail. Er is hard over de woorden nagedacht, zie je. Je antwoordt snel. (Misschien was je al verdrietig.)

Je wist het al. (Je bent hier nu.)

Die avond. Je schrijft het stukje over dat boek dat je zo goed vond. Het beweegt. (Je bent blij voor haar, hoopt dat zij alle aandacht zal krijgen.)

(Je kijkt naar jezelf. Hoe iets je terug wil trekken, na een afscheid. Het zal nog even aan je trekken, en dan verdwijnt het wel. Het maakt je moe.)

Een andere dag. Je maakt een kort praatje met de meneer van de krantenwinkel.

Je kijkt naar horloges. (Wat als hij dat oude horloge niet terug aan de praat krijgt? Waar moet je dan een nieuw kopen? Waarom zijn al die horloges die je op je scherm ziet zo lelijk? Ze zijn zo venterig.)

Je gaat naar de voorstelling van het verslag. Je luistert naar de verhalen. (De mensen die in het filmpje komen zitten naast je, zie je ineens. En ja hoor, uit de Kempen.)

Op weg naar huis. Je brengt het horloge binnen, hoopt dat die man met een nieuwe batterij het ding terug levend kan krijgen. (Het was het horloge van je moeder.)

Na de andere boodschappen ga je terug naar de winkel. Het is gelukt! Je bent zo blij. (Dingen die niet stuk gaan.) Je kijkt naar de secondewijzer. (Een geschenk.)

Die avond. Je maakt een lege plek in je hoofd. Het is het moment voor de tekst van je nieuwjaarskaart, nu moet het gebeuren. (Je wacht op een beeld. Er komt een zin. Er komt een beeld. Je schrikt er zelf een klein beetje van. Dit zal het worden, denk je.)

Nadien is iets in je heel rustig, merk je.

Een andere dag. De dag van de grote conferentie. In de voormiddag loop je de hele tijd rond met het fototoestel. Je luistert terwijl naar de verhalen op het podium. (Het is zo interessant allemaal.) Na de middagpauze heb je een panel te modereren. (Het horloge ligt naast je op de bank.) Je probeert het gesprek te zien, hoe het beweegt.

Daarna neem je het fototoestel weer over. Je kijkt en luistert naar de mensen in het volgende panel. (Wat is ze goed, die vrouw in het panel.) (Gedurende tien seconden ben je even helemaal verliefd op haar. Misschien wel elf.) Na de conferentie ruim je mee op. Je maakt je klaar om nog wat spullen terug naar kantoor te brengen. Op de trap loop je ineens naast de mevrouw uit het panel. (Zou je iets tegen haar durven zeggen?) Ze spreekt je zelf aan. Je stottert een beetje terwijl je haar de vraag stelt die je haar wilde stellen. Ze weet meteen waar je het over hebt, je krijgt een interessant antwoord.

Die avond. De dansvoorstelling. (Je hebt onverwacht nog een kaart over, gaat die afgeven aan het onthaal. Geef ze maar aan iemand op de wachtlijst. Als je zo iemand gelukkig kunt maken, ben jij het ook.)

De vrouw stapt langzaam op het witte dansoppervlak. De klaviermuziek van Bach begint. Ze danst. Je probeert te lezen wat je ziet. Ze is een beetje ouder dan jij bent, denk je. Het is alsof ze elke keer weer, letterlijk of figuurlijk, in het vlak moet stappen waar het gebeurt. En dan is het telkens alsof de pianoklanken door haar heen bewegen. Ze lijkt soms te observeren wat die klanken met haar doen. Alsof het elke keer de eerste keer is. Het is niet de muziek die je ziet. Er lijkt telkens iets te rafelen, net naast de muziek. De klanken lijken niet te twijfelen aan zichzelf, het lichaam wel. Na het stuk spreekt ze nog even het publiek toe. Voor het eerst zie je haar glimlachen. Ze roept haar danspartner erbij, ze zullen nog een toegift doen. Ze dansen samen nog op twee stukjes uit hetzelfde boek van Bach. En het is zo mooi. Ineens lopen de tranen over je gelaat, onverwacht.

Traag loop je door de nacht weer naar huis. Je bent blij dat je niets moet zeggen nu tegen iemand. (Al zou je het niet erg vinden als iemand met haar arm zou inhaken, om zo samen zwijgend verder te stappen.)

Een andere dag. Je moet die ochtend nog enkele dingen maken voor het kerstetentje straks op het werk.

Wanneer je vertrekt, zie je die wonderlijk mooie lucht. (Alsof je even niet alleen bent. Alsof iets je omhult.)

Tussen de drukte door probeer je nog wat te werken. (Je hebt nog dingen in te halen, door de conferentie van de vorige dag.) Je bent blij dat die voorziene vergadering is weggevallen.

Samen rond de tafel. Veel verhalen. (Terwijl buiten op straat de boerenbetoging voorbij trekt, met veel lawaai.) Je bent een beetje stil, kijkt naar de dingen. Het is goed. Je schuift al vrij snel weer weg van de tafel. (De afwasmachine vullen en laten draaien. Terug naar je bureau gaan om in die lege plek verder te werken.) En later zijn er ook nog cadeautjes.

Die avond. Je ziet iemand die je kent in het journaal. Je stuurt haar een berichtje.

Nog een dag. Het zal al een beetje stil zijn op het werk. Je puzzelt de vrijdagtekst in elkaar. (Na vandaag mag die twee weken in vakantie. Het mag, denk je.) Je luistert naar de muziek van Bach van tijdens de voorstelling. (Een plek, denk je. Je kunt die plek al aanraken. Je weet niet of je ook in die plek zou kunnen staan.)

In de trein op weg naar huis. Je begrijpt iets over hoe oud je bent.

Thuis. Misschien is het nu wel tijd om dat kleine houten kerstboompje op te stellen. Met de lichtjes.