(En misschien is het wel weer eens tijd voor de Goldbergvariaties.)
De week van het kantelen, besef je ineens.
Je bent nog een beetje stram van het weekend, merk je. Je bent nog een beetje te vroeg bij de dokter, voor de jaarlijkse controle. (Je kijkt naar je adem.)
Ze controleert je bloeddruk, je hartslag. (Alles is heel goed.) Ze neemt bloed. Je ziet hoe de buisjes zich vullen. (Nog enkele dagen wachten.) De kans is groot dat alle onderzoeken zullen bewijzen dat je nog in leven bent. (Waarom ben je diep vanbinnen een heel klein beetje zenuwachtig?)
De trein. (Je kijkt naar je handen. Als om je weg terug te vinden, heel even.)
Verhalen van de collega’s.
Het lijstje wordt stilaan korter, denk je.
Thuis, en snel weer vertrekken voor de vergadering aan de andere kant van de stad. (Zou het nu wel of niet regenen? Een beetje.) Je bent natuurlijk weer de eerste. De zaal is in de serre van de plukboerderij, een heuvel met uitzicht op de stad. (Je bent een beetje moe.) Je kijkt naar de vergadering. (Iets neemt je mee, iets duwt je weg, denk je. Iets is nodig, iets klopt niet.) Een fijne kennismaking. Later dan gehoopt fiets je over de donkere weg weer naar beneden. Je probeert aan de hand van de gezichten van de mensen die je onderweg ziet uit te maken hoeveel de score van de voetbalmatch was.
(Een wat rusteloze nacht, iets blijft heen en weer gaan.)
Een andere dag. Nog even thuis werken, zoveel mogelijk doen.
De vergadering. Je bent niet de enige die zich had gestoord aan iets, merk je.
Op weg naar de conferentie. De middagpauze is nog bezig als je aankomt. Je loopt rond, praat met enkele mensen. Het namiddaggedeelte begint. (Wat een mooie zaal. Er zijn verhalen, denk je.) Een sessie met academici. De vrouw die een week eerder zo vreselijk werd aangevallen door die nitwit. (Je roept het even, wat je van hem denkt. Niemand spreekt je tegen.) Het slotdeel. (Ze zijn wel een beetje braaf precies, denk je.) Een mooi gesprek. Je haast je naar de trein.
Die avond. Lijstje met in te halen punten. Twee verslagen. (En je had ook nog willen bellen naar je zus.)
Een nieuwe dag. (Het zal warm worden, dus.)
Het overleg. Je krijgt een fijne vraag voor een panelgesprek.
Die middag. Je gaat even langs het kantoor aan de overkant, zoals je had beloofd. Hij is niet alleen. (De sfeer is een beetje raar. Het is niet aan jou, denk je, om dit weg te nemen. Ze zegt iets, het maakt je verdrietig.)
Het ritme. Gewoon dingen afwerken. Meer moet het niet zijn. Je maakt je presentatie voor de volgende dag. (Zou het lukken om hen te doen lachen?)
Naar de trein. (Misschien is het omdat het zo warm is. Misschien is het vuile lucht. Benauwd wacht je op de trein. Er is iets, denk je.)
(Iets blijft rusteloos, tot de volgende dag, zul je merken.)
Een hoopje mails antwoorden. (Eindelijk bijgewerkt.) (En je had ook nog willen bellen met je zus.)
Een andere dag. De algemene vergadering. Je maakt de foto’s. (Je begrijpt iets van de onrust in je lichaam, je kijkt ernaar, en voelt hoe de dingen zich langzaam terugtrekken.)
Je presentatie. Je radiostem in de microfoon en de voorzichtige ironie en de foto’s van lachende mensen. (Ja, ze lachen.)
Een vroegere trein, om niet in de spits in de warmte te zitten. Thuis verder werken. (De trein lijkt anders te ademen dan die van de vorige dag.)
Je werkt je presentatie voor die avond af. (Zou het goed inhaken op wat er in de vorige avonden van de reeks gebeurde?)
Een bijzondere plek. Je verhaal vertelt zichzelf. Je luistert naar verhalen. (Je bent moe.) Buiten is er regen, zie je. Naar het einde van de avond is het alsof je hoofd blokkeert. (Het is goed geweest.) Het gaat nog verder, tot het gedaan is. Je ruimt nog mee op, doet de afwas en vertrekt.
(Een rusteloze nacht. Ergens halverwege schrik je wakker. Een akelig verhaal probeert je telkens weer naar zich toe te trekken, je probeert je eruit te ademen.)
De volgende dag. (Het wordt de warmste dag van de week.) Je werkt thuis.
Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. (Het duurt iets langer dan je had gehoopt.)
(Iets is zo verdrietig, merk je. Misschien ben je alleen moe.)
Het is koel in huis, buiten is het heel warm.
Je krijgt een bericht van je dokter, de uitslag van de bloedtest. Alles is goed, behalve dat ene dingetje, een tekortje. Je bedankt haar, en loopt meteen naar de apotheker. (Het temperatuurverschil beneemt je even de adem.) Weer thuis. (Hoe komt het dat het goede nieuws je zo emotioneel maakt? Misschien gaat het nog altijd over toen. En dat je aan de anderen had beloofd dat je zorgvuldig met dat leven zou omgaan, dat je dankzij hen had kunnen houden. Misschien ben je gewoon moe. Misschien voel je dat het seizoen bijna kantelt.)
(Een diepe nacht, die voorzichtig over je waakt.)
Een nieuwe dag. Je laat de frisse lucht door het huis bewegen.
De boodschappen, mooie gesprekken met de twee vrouwen van de winkel.
Koffie drinken met je maatje. Je bent zo blij dat je hem ziet. Hij ziet er goed uit.
In de boekhandel, allerlei bekende gezichten.
(Het kantelen is voor jou iets anders dan de drukte in de stad.)
Je wilt traag bewegen door de rest van de dag, van het weekend. (Je verlangt zo naar traag.)
(Je voelt het kantelen. In je hoofd zie je hoe je het deelt met iemand. Je had iets gelezen die ochtend, over veiligheid, je ziet ineens iets. Je kijkt naar je handen, je ziet hoe oud ze zijn, en hoe jong, je leest. Er is dankbaarheid in het kantelen, er is verdriet in het kantelen. Je kijkt.)






