De dagen schuiven verder. (Over de helft.)
Tijd voor de ramen. (Op zo’n moment zou je – heel even – helemaal van rubber moeten zijn. Op zo’n moment zou je met een eenvoudige vingerknip ineens al die dingen die daar staan moeten kunnen wegtoveren.) De ramen dus. (Dit keer gaat het lukken!) Na enkele minuten merk je – zoals altijd – dat het ook dit keer niet zal lukken, die ultiem schone en volledig streepvrije ruiten. Het is een oefening in omgaan met onbestendigheid. (Ja ja, zal wel…)
Even op en neer naar Gent, voor een afspraak. Lekker lezen in de trein. (O wat is dat een geweldig boek…)
Je kijkt naar de tekst die je kreeg. Iets als: je langzaam in een tekst inademen, telkens opnieuw kijken en de woorden voelen. (Hopelijk komt het goed over.)
Die stramme spier, in de buurt van je schouder, heeft nog geen zin om tijdens de nacht over te gaan tot de totale ontspanning. (Je hebt blijkbaar iets niet, over overgave.)
Een nieuwe dag. Je werkt verder op de tekst. Nu is het kneden. Hier een stukje weg, daar een stukje erbij, hier een stukje opschuiven. En kijken, hoe de tekst beweegt naar een ander evenwicht. (Je moet enkel volgen.)
Terwijl je het boek verder leest, bijna uit, moet je regelmatig aan iemand denken. (Het is iets voor haar, denk je. Je zult het haar cadeau doen. Ze zal het wel begrijpen waarom.)
(En al een wat rusteloos lichaam. De spanning wordt opgebouwd naar de volgende dag, naar het verdwijnen van de zon. Alsof er iets moet, alsof iedereen, terwijl het voor jou iets is van toen.)
Een stukje schrijven over het boek. Het stroomt.
Een volgende dag. Even op en neer naar het werk, om een scan te maken. Er is niemand daar. Het is wel fijn om er even te zijn, je plek te voelen, het licht te zien.
(Straks gaat het gebeuren, dus. De zon die even zal verdwijnen. Het is raar wat het met je lichaam doet. Toen, in 1999, was de zonsverduistering een kantelpunt, het begin van een hele periode. Je weet waar je nu bent. En toch, ergens is er een stem die zegt dat je terug naar toen zou kunnen kantelen.)
(En je denkt aan de mensen die je toen door alles door hebben gehaald, je hebt je leven aan hen te danken. Je gaat het hun nog eens zeggen.)
(Je denkt aan iemand. Op een of andere manier zou je haar iets willen laten voelen. Iets als: in jouw en mijn lichaam heeft dezelfde ziekte iets ingeschreven, maar we zijn er nog, met onze littekens. Een traag beeld. Misschien komt het wel bij haar.)
En dan is het moment daar. Je gaat op je terras zitten, leest in het tijdschrift, en kijkt en luistert naar het licht, voelt het licht. Je bent aan de andere kant, je blijft aan de andere kant. Je schrijft enkele zinnen, het heelt zich.
Een nieuwe dag. (Straks enkele berichtjes sturen, zoals je je hebt voorgenomen om hen te bedanken voor toen, voor zoveel leven dat bij je bleef.)
Een afspraak met een dierbare vriendin. Een heel erg mooi gesprek, het raakt je erg. (Je bent een watje, en dat is prima.) Een geschenk.
Een heel warme dag.
Je afspraak voor de jaarlijkse controle van je oordoppen. Er zijn geen lekken, zo blijkt. Dat dat al zoveel jaar zo is, is uitzonderlijk, zegt de mevrouw. (Ze wil precies nog vanalles zeggen, maar het komt niet echt.)
Je leest het boek uit.
(De zomer toen, de zomer nu. Beelden.)
Je schrijft een stukje over het boek. (Je weet nooit van tevoren of het zal lukken, je weet pas tijdens het schrijven of je het boek goed vond.) (Je hebt trouwens ook dat dikke boek over verlies uit, maar daarover ga je niets schrijven, denk je)
Een verse dag. Je beseft ineens dat je je weekendboodschappen moet doen.
De mevrouw in de winkel is terug, ze was een hele tijd weg. Je bent blij haar te zien, het is wederzijds.
Het wekelijkse tekstje. (Het vraagt je veel energie. Je bent nog altijd zo eindeloos kwaad, je probeert zachte woorden te vinden die genoeg zeggen. Je roept iets … over de eerste minister die de weergoden gaat aanroepen. Dat kon er nog wel even bij, na eerder de barbecue en het zwembad, nu de weergoden. Je roept iets … Zouden ze trots zijn op zoveel brutaal cynisme? Je roept: SHAME ON YOU!)
Het is de warmste dag van het jaar. (Het begint een beetje te wegen, merk je, het maakt je zo moe.)
Een nieuw boek. Over wat een vader aan zijn dochters vertelt, over een ontrafelende wereld. Het ontroert je. (En het boek zelf is ook mooi. De letters zijn mooi, het voelt goed in je handen.)
Van die serie wil je het laatste seizoen zeker helemaal nog eens zien. (Het ontroert je erg. Het zal de vader in jou zijn.)
En nog eens vroeg op, zoals al wekenlang, om de koelte binnen te laten. Vaststelling: er is nauwelijks koelte buiten, maar het huis is wel blij.
En toch nog even naar de winkel. Een praatje aan de kassa. Ze kijkt zo uit naar regen, en koelte, zegt ze.
Je zoekt even naar het boek dat ooit van je grootvader was. “Onze bouwmaterialen. Deel IV. Hout.” (Van Prof. J.A. Van Der Kloes.) Hij kreeg het ooit als prijs, op de vakschool waar hij werd opgeleid tot schrijnwerker. Op een andere manier maakt het je rustig, te lezen over al die soorten hout en waarvoor ze kunnen gebruikt worden. Je zou het hem graag willen vragen nu, dat hij zou vertellen over het hout.
Je hoort het nieuws van de grote (de grootste) natuurbrand. Een gehucht moet ontruimd worden. Ooit was je daar, voor enkele dagen vakantie met een vriendin. Je stuurt haar een bericht.
(De weergoden blijken niet onder de indruk van cynisme. De Rijn is het ook nog steeds niet.)






