Een week met gezichten. Je zult veel mensen zien, je kunt kijken.
Je stukje vertrekt naar de wereld. (Of gewoon: vertrekt.) Je laat iets los. (Iets in je is een klein beetje zenuwachtig. Misschien laat je te veel zien. Of misschien is het net goed voor jou.)
Je stuurt je tekst door naar een vriendin, je denkt dat zij misschien blij zal zijn met wat je geschreven hebt. (Ze ziet het, je wist het.)
(Je denkt aan water.)
Een middagafspraak. Je zegt hem, op jouw manier, dat je trots bent op hem.
Een afspraak. Het is goed dat je je verhaal nog eens kunt vertellen aan haar. Het is goed dat je haar kunt horen. (Je maakt je een beetje zorgen.)
(Je krijgt een heel mooi bericht, het maakt je vloeibaar.)
Weer thuis, ze belt aan. Je bent blij haar weer te zien. Ze knipt je haar. (Wat is de geschiedenis van die grijze krullen? Waar kom je vandaan?) Haar verhalen ontroeren je. (Je bent blij dat ze in je leven is.)
Een andere dag. Je bent niet alleen op het werk. Verhalen. (Soms begrijp je iets over hoe oud je bent.)
(Je hoort iets over drijven. Beelden. Je herinnert je beelden van wat er nog niet was.)
Een afspraak. Je hebt net je plekje gevonden wanneer ze binnenkomt. Een verhaal over drijven. Een traag gesprek, iets over bewegen in je huid. En over wat niet weggaat. (We doen dat goed, denk je. Je bent dankbaar.)
Een andere dag. De kinesiste deukt je uit, zoals elke week. (Zacht blijven.)
(Je tekst beweegt rustig verder, zie je. Het mag, misschien. Misschien zijn jouw woorden niet van jou alleen.)
(Je denkt aan water.)
Je ploegt verder door de beleidsnota’s. Je ziet wonderlijke varianten van eloquent weinig tot niets zeggen. (Zouden de woorden ook pijn voelen? Zouden ze kunnen denken: ik wil niet in deze zin staan?)
Een lijstje met puntjes. (Iets aarzelt.)
Die avond. Je moet nu echt wel de recepten gaan kiezen voor het etentje in het weekend. (Zodat je er enkele dagen naartoe kunt denken.)
Een volgende dag. (Iets is opgewekt aan deze dag, merk je.)
De vergadering is kort. (Het is goed.)
Die avond, de schouwburg. Blij dat zij erbij is, een avond van mooie woorden. De schrijvers komen op het podium, een voor een. Verhalen over de liefde. Je kijkt naar de woorden. (Even denk je: ik weet weer waarom hij niet mijn ding is, ik moet het haar vertellen.) Je hoort haar voorlezen uit het boek dat je vorig jaar nog las, en het is alsof wat je toen las, ineens anders klinkt, met terugwerkende kracht.
Na de voorstelling. Je aarzelt, maar zegt haar dan toch dat je haar boek zo goed vond. Ze bedankt je. Je praat nog even met die andere vrouw op het podium, bedankt haar voor het mooie gedicht, en hoe ze het las. (Je bent verlegen, zoals steeds. Je beweegt in de amateurwoordafdeling.)
Een andere dag. Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. (Er zijn ondertussen eigenlijk twee vrijdagteksten, besef je.) De vrijdagteksten, dus.
Je krijgt bericht dat je rugzak hersteld is. Je vertrekt, en op weg naar huis haal je de rugzak op. Je vertelt aan de mevrouw iets over je rugzakherstelervaring. (Sommigen zouden het een klantenreis noemen, denk je.) Weer thuis vul je de rugzak terug, je bent blij.
Op de muur net naast je huis heeft iemand in licht oranje de woorden ‘Bijna lente!’ geschreven. Je moet goed kijken om het te zien. (Sommige woorden wachten tot ze door jou bevrijd worden.)
De vergadering met de hoofden op het scherm. Je ziet een strategie.
Op tijd voor je afspraak. Ze komt even later binnen. Goed om bij te praten. (Je probeert iets te vertellen over zachtheid.)
Weer thuis nog de boodschappenlijstjes maken voor het etentje van de volgende dag.
De volgende dag. (Al lichtjes nerveus.)
Heen en weer fietsen door de regen om al je boodschappen te doen. Weer thuis. Alles ligt klaar, je hoeft niet meer naar buiten. Nu kun je alleen met het eten en het huis bezig zijn tot ze komen vanavond. Je herhaalt in je hoofd nog eens de volgorde van alles wat je te doen hebt. (In het kader van het bevorderen van de kookstress maak je zoals elk jaar dingen die je nog nooit eerder maakte.)
(Zien die gnocchi die je net maakte er wel uit als echte gnocchi? Zijn die ribbeltjes wel goed?)
Ze zijn er, zitten aan de tafel. Alles is klaar, je hoeft alleen nog maar bij hen te zijn de rest van de avond. Je kijkt, je luistert, je bent zo blij dat ze er zijn. (Een zachte plek die er al zo lang is.) Je zou hun graag willen zeggen hoe bijzonder het voor je is, dat ze al zo lang in je leven zijn. Je probeert. Verhalen die voor het eerst verteld worden.
Na het feest, alles een beetje opruimen, de afwas is voor morgenvroeg. En zoals elk jaar op dat moment dezelfde plaat opleggen, met dat ene nummer.
Een nieuwe dag. Na het ontbijt rustig de afwas doen. Het gaat snel, zoals steeds. De planten fluisteren je nog iets toe.
(Je denkt aan water, je denkt aan vloeien.)
Een mooie wandeling met een vriendin, een bezoek aan de abdij. Verhalen. Even op het kerkhof naar het graf van je vroegere dokter. (Zijn achternaam is weg van het graf, zie je.) Je vertelt over hem, wat hij voor je betekende, hoe hij je in het leven hield, maar er zelf niet in kon blijven. Je praat nog even met de vrouw aan het onthaal. Ze lijkt blij je te zien. Het is wederzijds.
En nog. Verhalen, over zijn in afwezigheid. Over kiezen voor zachtheid. (Kiezen voor de rivier.)






