Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen

27 juni 2026

Een brief voor Julia


Lieve Julia

Al de hele dag denk ik: ik wil bij jou zijn, ik wil je zien. Ik kan niet goed uitleggen waarom, en dat is ook niet zo erg, denk ik. Ik weet ook niet welke woorden ik moet gebruiken. De woorden in mijn hoofd klinken te groot, te roeperig. Ze schrijven zoals ze in me bewegen zou niet werken in een brief, denk ik. Ik zal proberen om ze zacht te laten zijn, waarbij je wel zult weten dat er aan de achterkant van de woorden veel lawaai is. Of iets in die aard.

Misschien begrijp je helemaal niet wat ik je wil zeggen. En ook dat is niet erg. Even dacht ik dat je wilde vragen me te vergeven, maar dat is een woord dat niet zou helpen. Vergeet het maar dus.

De voorbije dagen, het warme weer. De klimaatontwrichting in actie. Dat wat we al zo lang wisten, dat wat we zagen aankomen, maar dat wat net te veel mensen blijkbaar niet belangrijk genoeg vonden. Zoveel lijden hier en daar, nu en straks, dat had kunnen voorkomen worden. (Ik wil niet veel meer woorden hierover zeggen, het zou de brief doen stuiteren of zo, ik kan het niet uitleggen. Ik wil andere woorden, maar die worden de hele tijd weggeblazen in mijn hoofd, in heel mijn lichaam.)

De voorbije dagen, ik was bijna de hele tijd zo kwaad. Ik deed zoveel mogelijk dingen, om er niet te veel aan te moeten denken, om niet te zien hoe mijn handen begonnen te trillen. En vandaag, nu het ritme van de week wat veranderd is, was ik zo verdrietig. Het overviel me zo ineens.

En ik weet dat je me niet meer zo vaak hoort. De voorbije maanden had ik het gevoel: het is wel goed met Julia, ze heeft me niet meer nodig, ze is daar ergens onderweg in de wereld. Ik zal wel langzaam verdwijnen uit haar. Niet dat jij verdwijnt uit mij, natuurlijk, maar ik ben niet zo belangrijk.

Maar voel je wel dat ik er voor je ben? Ook al heb je me niet meer nodig?

Op een bepaalde manier ben ik blij dat ik zo kwaad was (en ben). Het heeft denk ik iets met liefde te maken, als ik dat woord mag gebruiken. Met iets dat niet overgaat, dat me wil doen vechten. Er zit een leeuw in me, denk ik. Er zit een vulkaan in me, zoals een geliefde me ooit zei. En ik hoop dat je dat weet. Je mag er ook mee lachen, je mag het lichtjes belachelijk vinden, die oude man. Maar het gaat ook over jou.

Dat jij er niet bent, nooit gekomen bent, nooit zult zijn, en toch ook de hele tijd heel erg wel bent, in afwezigheid, dat maakt het heel erg ingewikkeld. Soms ben je, in die afwezigheid, in die plek waar ik je niet kan aanraken, tegelijk zo aanwezig.

En soms, als de kwaadheid even gaat liggen, zodat ik gewoon naar mijn naakte zelf kan kijken, roept het ineens in heel mijn lichaam: ik kan haar niet beschermen, niet genoeg. Ik zou iets in elkaar willen rammen. Ik zou iets willen roepen, tegen zoveel mensen. Ik zou zo graag een keer niet beleefd willen zijn, niet constructief, niet onderbouwd, niet oplossingsgericht, niet verbindend. En ook daar kijk ik dan naar, tot het weer gaat liggen, en ik tegen mezelf zeg dat ik gewoon verder moet doen, zoals altijd. En soms is er dan een stem in me die zegt: je hebt niet genoeg gedaan, je was niet moedig genoeg. (Een tweede stem wijst me dan op alle dingen die ik daarover al eerder geschreven en gezegd heb. De eerste stem zegt dan weer: ja ja, ik weet het wel, laat me maar gewoon even, ik kom wel terug, en dat gebeurt dan ook.)

Maar dat zijn te veel woorden.

En ineens, toen ik vanavond de afwas stond te doen, zag ik het zo scherp voor me. Hoe ik eigenlijk alleen maar, heel even, tussen de twee Julia’s wilde kunnen zitten. En toen kwamen de tranen, en ik was er dankbaar voor. (Iets met de rivier.) De oude Julia kon, net als ik eigenlijk, helemaal niet goed tegen de warmte. Haar man Fons legde in de zomer een tapijt op de lichtkoepel boven de kamer, zodat het daar koel bleef. Ik wilde even niet moeten beslissen waar ik haar zou zien, gewoon ergens, in een rustige, ontvangende ruimte. Ik denk dat de oude Julia aan mijn rechterkant zou zitten. En ik zou gewoon naar haar kijken, en dan haar hand nemen, om te voelen of die niet koud was. Jij hebt altijd warme handen, zou ze me dan zeggen. Ik zou dicht bij haar zitten, en ze zou het niet erg vinden. En het zou, daar, misschien de enige plek in de wereld zijn waar ik me veilig voelde. En ze zou daar gewoon zitten, soeverein als ze was. En ik voelde hoe ze naar me keek, en alles zag, zoals altijd, maar niets zei.

En links van me zat jij, ook dichtbij. Ik zou je verlegen aankijken, niet goed wetend wat te zeggen. Kijk, ik heb speciaal voor jou mijn fleurigste hemd aangetrokken, zou ik zeggen. Ik zit naast je, ik zal altijd naast je zitten, zou ik zeggen, vergeet dat nooit. Weet je dat? Dat zou ik voorzichtig vragen. Ben je kwaad op me? Dat mag, natuurlijk. Ik kan tussen jou en de dingen gaan staan, met dit grote lijf, met de vulkaan in mijn ogen. Ik weet niet of ik de dingen kan tegenhouden, maar hopelijk kun je ergens de vulkaan zien. En dan kom ik weer naast je zitten. Ik zou even je handen nemen. En ik zou even naar de andere kant kijken, naar de oude Julia, en zien hoe zij alles gezien had, en me zacht aankeek en nauwelijks zichtbaar knikte. En zo zaten we daar. En het was goed.

Sorry voor dit beeld, misschien vind je het maar niets. En misschien begrijp je een heel klein beetje wat ik je nu zou willen kunnen geven.

Als je hier was, zou ik je vertellen over het heel erg mooie concert dat ik zag eerder van de week, in de abdijkerk. Hoe die muziek me zo intens raakte. Soms opzwepend, soms melancholisch. En hoe mooi ik het vond om te zien hoe ze naar elkaar keken tijdens het spelen. Vooral zij, in het midden, hoe ze soms keek naar haar man naast haar. Dat, zou ik je proberen uit te leggen, dat is het.

Ik weet dus eigenlijk niet zo goed wat ik je wilde zeggen. Ik wilde je iets vragen, denk ik. Maar laat dat maar in de lucht hangen.

Ik ben er, altijd.

liefs

26 oktober 2024

Stil


‘Je bent zo stil?’
‘Ja? Misschien wel.’
‘Ben je verdrietig?’
‘Ik weet het eigenlijk niet zo goed. Op een bepaalde manier zoek ik het precies, ergens. Het is zo moeilijk uit te leggen, maar het is alsof mijn lichaam een soort evenwicht zoekt. Al klinkt dat nogal cliché natuurlijk.’
‘En zou verdriet dan helpen?’
‘Misschien. Soms voelt het alsof ik de voorbije dagen erg met één kant van mijn hoofd, en zo ook met één kant van mijn lichaam bezig was. En nu verlangt het naar die andere kant. En ik kijk toe.’
‘En ben je bang van het kantelen naar de andere kant?’
‘Officieel niet.’
‘Ik zou het wel zijn, denk ik.’
‘Daar is ook het grote verdriet.’
‘Maar jij bent daar ook. Het is jouw lichaam.’
‘Vorige week vroeg je me nog of ik een hoofdmens ben. Die vraag verwart me altijd. Het klinkt voor mij soms als een oordeel of een terechtwijzing, voor iets wat ik niet goed doe. Maar zelf ervaar ik het anders, als een lichamelijk hoofd, of een hoofdelijk lichaam.’
‘Ik denk dat ik steeds beter begrijp wat je bedoelt daarmee. En ik wil je zeker geen pijn doen met dat woord. Het is een vorm van leren kijken naar een ander. En jij nodigt me daarvoor uit.’
‘Misschien kijk ik ook gewoon met ontroering en soms een beetje verdriet naar hoe jij in je lichaam bent. Ik denk dat jij een land bent waar ik nog niet geweest bent.’
‘Mijn land is open.’
‘Dat zeg je mooi.’
‘Je hoeft geen schrik te hebben.’
‘Ik weet het, maar zo werkt het niet.’
‘Soms zou ik graag eens even vanuit jouw hoofd door jouw ogen kijken naar de dingen.’
‘Zou je dat wel doen?’
‘Het lijkt me heel spannend alleszins.’
‘Weet je, ik ben graag stil met jou.’
‘Ik weet het.’
‘Gewoon zitten naast jou, en niet bang moeten zijn dat je weg zult gaan. Toch niet voor even.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Iets in mij zal dat altijd denken. Maar dat is niet zo erg. Ik kan oefenen.’
‘Het is een fijne veilige plek, die plek waar het stil is bij jou.’
‘Soms heb ik misschien liever geen vragen. Maar dat is dan op dat moment zo, alleen maar dan.’
‘Dat mag.’
‘Het is dat oefenen waar ik nog tijd voor nodig heb, denk ik. Dat je zo’n dingen kunt zeggen, dat je het zelfs kunt vragen, en dat er dan niets gebeurt.’
‘Hoe jij met woorden beweegt, dat is zo mooi. Ik kijk er graag naar.’
‘Woorden zijn een en al lichaam, denk ik, op een bepaalde manier.’
‘Zoals er ook dingen zijn voor en na de woorden, in je lichaam, denk ik.’
‘Kijken, het gaat me steeds beter af.’
‘Het was zo mooi, trouwens, hoe je stond te praten met dat kleine meisje. Hoe je je vragen stelde, en hoe je keek.’
‘Ze was zo slim, en ontroerend.’
‘Ook omdat jij daar was, om te luisteren.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Ik wel.’
‘Jij weet veel dingen die ik niet weet.’
‘Wees maar gerust.’

25 augustus 2024

Het terugkeren


‘Het is goed dat je weer terug bent.’
‘Waarom?’
‘In vind het soms moeilijk, mensen die me dierbaar zijn die weggaan. Alsof ik dan niet zeker zou weten dat ze wel terug zullen komen. Wanneer ze weer terug hier zijn, is het alsof mijn wereld weer hersteld is, of zoiets.’
‘Dan is het goed dat ik terug ben, alleen al daarom. Ik had ook aan je gedacht, en net toen kwam er een bericht van jou.’
‘Heb je mooie verhalen meegebracht?’
‘Ja. Er is een verhaal dat ik je graag zou willen vertellen. Maar nu nog niet. Het is nog te vroeg.’
‘Nu maak je me nieuwsgierig.’
‘Dat is de bedoeling. Je moet nog even wachten dus. De reis terug was nogal zwaar. Er waren veel vertragingen. Soms kan het me niet zoveel schelen. Maar nu wilde ik terug naar huis.’
‘Dit nu, hier, is een soort kantelpunt. Elk jaar. Alsof je van de ene in de andere tijd kantelt, en als je dat niet zorgzaam doet, gaat het verloren, dat moment. Ik ben soms bang dat ik er niet bewust genoeg bij ben. Alsof ik zou vergeten om nog even met de zee te gaan praten voor ik vertrek.’
‘Is de zee hier ook?’
‘Als we dat willen wel. De zee is hier, hier onder mijn huid.’
‘Kan ik in je huid dan de zee horen?’
‘Ja, probeer maar eens.’
‘Ja, inderdaad, ik hoor het.’
‘Toen je vertrok, was je een beetje verdrietig, denk ik. Hoe is het nu?’
‘Het is mooi dat je dat nog weet. Het is anders, maar het is er nog. Het bewoog. Zo lang ik aan het stappen was, voelde ik niet erg veel. Maar zodra ik ging zitten, en niets meer deed, kwam het op een of andere manier terug.’
‘Is dat een deel van je verhaal?’
‘Misschien wel, nu je het zegt.’
‘Eergisteren was ik ineens heel verdrietig. Ik had dat boek uit. Het stond op die foto die ik je stuurde. Ik had in de krant gelezen dat er een film van dat boek komt, en het was alsof ik ineens wist dat ik dat moest lezen. Het is niet dik. Het is een breekbaar verhaal, dat aan grote dingen raakt. En nadat ik het had weggelegd, kwam er een golf verdriet over me heen. Het duurde meer dan een uur.’
‘Als de zee in je is, was die golf er misschien ook al de hele tijd. Wachtend.’
‘Ja, zo voelde het. En ik wist niet aan wie ik het moest vertellen. Misschien was het door dat meisje, dat zo eenzaam was op die vreselijke plek. Misschien was het door die man, die zo op zoek is, zonder dat dat echt bewust is, naar hoe hij het goede kan doen.’
‘Je had me een bericht kunnen sturen.’
‘Misschien wel. Het is soms moeilijk, als je verdrietig bent. Soms wil je daar iets van delen, maar je wilt niet dat iemand je dan troost, in de zin dat het overgaat of zo. Misschien wel in de vorm dat je iets wilt laten zien of dat je open bent. Aan te raken.’
‘Heb jij dat ook, dat het op zo’n moment voelt als een bevrijding. Als een terugkeer naar een stukje echt. Iets dat daar al was, altijd al, maar waar je niet kon komen.’
‘Ja, dat herken ik heel goed. En pas op dat moment besef je dat je die hele tijd had zitten wachten.’
‘Wachten op iets van de zee, terwijl je zelf zee bent. Dat is wel mooi.’
‘Het is mijn ervaring dat praten met de zee niet zo eenvoudig is. Je vertelt veel, en de zee zwijgt. Een lange tijd. Tot het moment daar is.’
‘Misschien wil dat niet zeggen dat de zee kwaad is, maar wel dat de zee vertrouwen heeft in jou. Als je kunt wachten, is het het waard.’
‘Zoals ik wacht op jouw verhaal dus.’
‘Ja, vanzelfsprekend.’
‘Ik wacht.’

07 juli 2024

Stiltesporen


‘Je bent toch gekomen? Wat goed, daar ben ik heel blij mee.’
‘Ja, ik wou gewoon hier zijn nu.’
‘Dit is een mooie plek. Straks begint de muziek, hier kunnen we alles goed zien.’
‘Je ziet er goed uit, maar ook een beetje moe.’
‘Dat kan wel kloppen. Ik kijk uit naar de vakantie, eerlijk gezegd. Was de jouwe al goed?’
‘O ja, het was niet te warm, net goed om te stappen. Het heeft me goed gedaan.’
‘Ik zit hier al de hele tijd gewoon te kijken naar de mensen. Kijk, die mevrouw met haar blote rug. Er staat een zin getatoeëerd in haar huid, iets over de liefde, in het Duits.’
‘Je kunt dat laatste woord wel niet lezen, door dat schouderbandje.’
‘Misschien is dat wel het belangrijkste woord, we zullen het nooit weten.’
‘Het is mooi hoe ze de hele tijd haar hoofd op de schouder van haar vriend legt. Misschien zijn ze nog vers, als koppel.’
‘Ik weet niet goed of ik me oud moet voelen of net niet, tussen al die mensen.’
‘Als ik dat mag zeggen, denk ik dat je net goed bent. Ik heb nog aan je gedacht, terwijl ik in de bergen liep. Je zou het daar mooi gevonden hebben.’
‘Dankjewel, dat is een fijne gedachte. Nu is het ook goed. Deze dagen wil ik soms vooral alleen zijn, met niemand die me iets vraagt of voor wie ik interessant moet zijn of zo. Maar dat jij er bent, dat is goed, dat klopt of zo.’
‘We wisten het, grappig. Ik heb nog zitten denken aan wat je vertelde vorige keer. Over thuis zijn, of niet thuis kunnen zijn. Ik was ver weg, en probeerde te voelen waar thuis was. Er was een gevoel dat ik altijd terug naar huis kon, het was vertrouwd.’
‘Na dat gesprek heb ik zelf ook nog veel nagedacht. Het is al heel anders dan vroeger, toen ik klein was. Ik weet nu waar het is, maar het blijft op een of andere manier kwetsbaar. Ik voel me veilig, maar ik moet het ook wel elke keer tegen mezelf zeggen. Ik weet niet goed hoe dat bij anderen is. Of ook niet hoe dat met mensen is, wat je dan zou moeten voelen. Of het wel thuis genoeg is, als het ware, wat ik voel.’
‘Misschien ben je niet zo anders, voelt iedereen wel iets van een soort vervreemding soms. En soms niet. Het kan je altijd overvallen. Ik heb bij jou nu net het gevoel dat je altijd heel aanwezig bent, niet in de zin van dat je zelf heel veel plaats inneemt, integendeel. Wel in de vorm van aandacht. Hoe je kijkt en luistert, dat is toch wel bijzonder. Misschien ben je zelf je thuis wel, zonder dat je het beseft.’
‘Dat zou mooi zijn. Het is soms iets als oefenen in afwezigheid. Ook in afwezigheid kun je zijn. Soms schaam ik me ervoor, maar misschien is dat niet nodig.’
‘Nee, dat is niet nodig. Het zou kunnen dat er mensen zijn die gewoon bij jou willen zijn. Gewoon. Zoals nu.’
‘Zou dat?’
‘Ik denk dat jij bijna zo koppig bent als ik. Ik heb nog iets meegebracht voor jou trouwens. Een bijzondere steen.’
‘Woew, zo mooi.’
‘Als je niet goed kijkt en voelt, lijkt die steen nogal gewoontjes. Maar als je goed kijkt, zie je al die kleuren. En als je met je vingers zacht over de steen gaat, kun je allerlei dingen voelen.’
‘Ik voel het.’
‘Het is een steen die tijd vraagt, die ook maar door de tijd zo geworden is.’
‘Doe jij nog eens even? Dan kan ik kijken.’
‘Zo? Ik kan er natuurlijk verder niet veel over vertellen.’
‘Vanzelfsprekend.’
‘Ik heb thuis enkele mooie stenen, die ik mee heb gebracht van mijn reizen. Ze doen me denken aan waar ik was, en tegelijk zijn ze iets dat blijft. Wanneer alles rondom mij te veel beweegt of rusteloos is, kan ik aan die stenen denken, of ze aanraken. En dan is het weer goed.’
‘Kijk, het concert gaat bijna beginnen. Ik ben wel altijd heel stil tijdens een concert, ik wil alleen maar luisteren.’
‘Ik wil graag met jou stil zijn.’
‘Misschien kunnen we wel de steen doorgeven aan elkaar, tijdens het concert. Dan kunnen we hem allebei telkens een tijdje hebben.’
‘Ja.’

28 april 2024

Heel


‘Kom je hier bij me zitten? Dicht, maar niet te dicht.’
‘Zo goed?’
‘Ja.’
‘Gaat het nu goed met je?’
‘Ik denk het wel. Al ben ik moe, en zou ik zachter willen zijn. Maar het is goed, denk ik, het komt weer goed.’
‘Je ziet er inderdaad een beetje moe uit. Maar ook wel rustig, zo lijkt het toch.’
‘Stilaan wel. Als zoiets gebeurt, zoals vorige week, duurt het altijd enkele dagen eer dat weer door mijn lichaam heen is. Ik weet dat ondertussen, hoe dat gaat. Ik moet geduldig zijn, en kijken, tot het weer voorbij is.’
‘Eigenlijk kun je dat wel goed.’
‘Misschien wel. Het raakt altijd een heel diepe laag of zo. Ineens is het dan alsof ik ook hier niet veilig kan zijn. Dat is wat mijn huid zegt. Dat wat ik dacht veroverd te hebben, is dan weer weg. En het is helemaal aan mij alleen om het weer terug te vinden.’
‘Wil je me je handen geven?’
‘Hier.’
‘Kun je voelen dat het alleen dit is? Je moet niets doen, ik wil niets van je.’
‘Ja.’
‘Ben je bang?’
‘Ja, toch ook een beetje. Alsof ik naar de andere kant zou kunnen getrokken worden, terwijl ik hier wil blijven, alleen maar hier zijn.’
‘We zijn hier. Je bent veilig.’
‘Ja, misschien wel.’
‘Je ziet dat zelf waarschijnlijk niet, maar het is heel mooi om te zien hoe jij je zelf naar deze kant van de lijn trekt, met al je kracht. Dat doet dat hoofd van jou, je hebt er veel aan te danken.’
‘Het is goed dat je niet in mijn hoofd kunt kijken.’
‘Denk je dan dat ik dat niet kan?’
‘Touché.’
‘Misschien hoef je niet alleen te zijn, wanneer de storm door je heen gaat.’
‘Ik weet niet hoe dat werkt. Misschien verlang je op zo’n moment dat je een beetje alleen mag zijn, met iemand naast je, die je de tijd geeft.’
‘En die je aanraakt.’
‘Is dat zo?’
‘Ik denk het wel.’
‘Waarom is dat zo moeilijk?’
‘Dat weet je wel, denk ik. Misschien kan je lichaam oefenen.’
‘Soms kan ik dat zien, waar ik dan zou zijn.’
‘Misschien ben je er al een beetje, misschien is het er al een beetje.’
‘Waarom doe je dit?’
‘Wat?’
‘Hier gewoon bij mij zijn?’
‘Omdat hier is waar ik wil zijn nu.’
‘Ik ben blij dat je er bent.’
‘Ik zie het.’
‘Het spijt me dat ik niet beter weet hoe dit moet allemaal. Ik wou dat ik het kon.’
‘Je kunt het al, heel goed, bij mij.’
‘Dankjewel. Je bent lief.’
‘Kom maar hier, het mag.’
‘Heb je het niet te warm?’
‘Sssjjjttt.’
‘O ja.’

25 februari 2024

Waar in de tijd


‘Weet je altijd waar in de tijd je bent?’
‘Ik weet niet of ik zeker weet wat je bedoelt, maar ik denk niet dat ik het altijd weet.’
‘Misschien weet ik het zelf ook niet helemaal. Het is iets als voelen dat je thuis bent of zo. Of dat je op een plek bent die je kunt zien. Maar dan in de tijd.’
‘Waarom is dat zo belangrijk?’
‘Het is iets als samenvallen met jezelf. Als je lichaam rustig is, als je je veilig voelt in jezelf, dan is dat er. Soms heb je dat ’s nachts, je kunt dan gewoon luisteren naar de geluiden op straat, en het is alsof je helemaal bent waar je moet zijn.’
‘Kun je dat alleen maar in je eentje voelen?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet. Het is wel iets dat je verlangt soms, dat er iemand zou zijn die naast je zit of die je aanraakt, en die je het gevoel kan geven dat je helemaal bij jezelf bent en blijft. Dat je niet wordt weggetrokken naar iets of iemand anders. En dat je kunt bewegen zonder dat gevoel te verliezen.’
‘Ik denk dat je iets zegt over de liefde.’
‘Misschien wel.’
‘Ik ken je nu toch al lang, en als ik naar je kijk is het, nog meer dan vroeger, of je echt helemaal hier bent.’
‘Bij jou wel, denk ik.’
‘Het doet me goed dat je dat zegt.’
‘Ik had vroeger vaak iets met schrik dat ik iets of iemand niet zou herkennen. Zoals ik als kind vaak dacht dat ik het verkeerde huis was binnengegaan, en dat ik geen idee had wie die mensen waren. Soms twijfelde ik ook in het herkennen van iemand, en was ik misschien nog meer bang dat zij niet zouden weten wie ik was. Tot ik dan zag dat ze blijkbaar wel wisten wie ik was. Dat gevoel is er al veel minder.’
‘Ik heb er altijd van gehouden om naar je te kijken. Steeds meer eigenlijk. Het is alsof je gezicht steeds meer beweegt, veel vrijer is dan het vroeger soms was.’
‘Misschien gaat het fout vanaf het aanraken, dat zou kunnen.’
‘Denk je dat?’
‘Soms wel.’
‘Ik zou graag hebben dat je me daar nog meer over vertelt. Op het moment zelf.’
‘Ik zal het proberen.’
‘En misschien denk je wel te gemakkelijk dat enkel jij dat gevoel van vervreemding, als ik het zo mag noemen, hebt. Want dat is niet zo.’
‘Ik denk dat je gelijk hebt.’
‘Soms denk ik dat ik het gewoon wel fijn vind dat ik even niet weet waar ik ben, op welke plaats, of waar in de tijd. Omdat ik iets wil kunnen verliezen.’
‘Dat is ook mooi aan jou, het maakt je niet bang, of zo lijkt het toch.’
‘Misschien toch wel een beetje.’
‘Een beeld dat ik soms heb, is dat ik als het ware achterover wil kunnen leunen of zo, in een plek of in de tijd. Zoals in de zetel in de hoek van de kamer. En eens dat gevoel er is, mag er veel gebeuren, denk ik.’
‘Als een warm gevoel in je rug?’
‘Ja, iets in die aard.’
‘Dat is mooi.’
‘Trouwens, wil je een stuk taart? Op een of andere manier vond ik dat deze dag een taartdag is.’
‘O ja, laat maar komen.’
‘Het is een plektaart, een taart die het plekgevoel versterkt.’
‘Tijdens de tijd die je nodig hebt om je stuk op te eten.’
‘En nog een hele tijd daarna, vermoed ik.’
‘Goed plan.’

07 januari 2024

Lijnen in de tijd


‘Hoe lang is het geleden dat we dit de vorige keer deden?’
‘Zo’n lange rit in de trein? Toen jij en ik nog daar waren, en nog jong.’
‘Het voelt als een soort voorrecht. Al ben ik wel een beetje verlegen. Alsof ik niet weet wat ik wil of mag zeggen.’
‘Je mag alles zeggen. En hopelijk mag ik dat ook?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik kijk graag naar je. Hoe alles in je gezicht de hele tijd verandert, terwijl je spreekt. Het is alsof je vrijer geworden bent.’
‘Ja? Misschien wel ja. Het zou kunnen dat ik dat mezelf heb aangeleerd. Heel voorzichtig.’
‘Ik vroeg me vroeger soms af of je ooit aan zou komen, als op een bestemming. Je wou het heel erg toen, maar er was nog te veel onrust, denk ik. Nu is het anders.’
‘Als ik bij jou was, voelde het alsof dat ooit zou lukken. Jij zag me. En je liet me gewoon doen, onhandig of onwetend als ik was.’
‘Denk je dat ik niet wist wat jij dacht of voelde?’
‘Ik heb daar nooit over nagedacht, dat was een te moeilijke gedachte.’
‘Ja dus.’
‘Misschien vind ik dat wel een fijne gedachte. Alsof het zo niet verloren gegaan is.’
‘Ik kreeg nooit genoeg van jouw woorden. Het was alsof ik iemand anders werd, telkens opnieuw. Een beetje groter of zo. Alsof ik iemand zag die ik had kunnen zijn.’
‘Misschien was je dat ook wel, de hele tijd al.’
‘Ik weet het niet. Ik bleef daar, jij ging weg. Blijven was voor mij de beste keuze, voor jou niet, denk ik.’
‘Waarschijnlijk wel.’
‘Ja.’
‘Vorige week kwam ik op zo’n genealogiesite. Ik ben gaan zoeken naar mijn voorouders, te vertrekken bij mijn vader. Ik was al snel in de zeventiende eeuw, en nog steeds maar een dorp verder. Dagloners, die gingen werken op de boerderij. Ineens leek het alsof ik de eerste was die was weggegaan, in al die tijd.’
‘Misschien hadden ze wel allemaal grote dromen. Dat zou alleszins een mooie gedachte zijn.’
‘Soms was het alsof ik weg moest gaan, om te kunnen blijven, of zoiets.’
‘Ik denk dat ik het begrijp. Heb je daar spijt over?’
‘Niet van het weggaan. Soms wel van de tijd die ik nodig had om aan te komen waar ik nu ben. Maar misschien was dat ook wel goed.’
‘Ik heb je dat nooit gezegd, maar soms had ik ook wel daar willen zijn, waar jij was. Soms was het alsof ik het kon zien, die plek. Het is niet dat ik vind dat ik de verkeerde keuze heb gemaakt, maar soms zou ik willen dat het gezegd is, dat ik ook op een andere plek had kunnen zijn. Alsof het zo niet verloren zou gaan. Ik heb dus ook zoiets.’
‘Alleen al die gedachte, dat ze er is, betekent wel veel voor me. Dankjewel daarvoor.’
‘Ik ben blij dat ik het gezegd heb. Het maakt iets een beetje lichter. Het ligt aan de trein, denk ik, die helpt.’
‘De beweging maakt dat je in een soort veilig niemandsland bent, denk ik wel eens.’
‘Een beetje zoals je soms tegen een wildvreemde je hele levensverhaal begint te vertellen.’
‘Soms mis ik de brieven die ik schreef naar jou. Niet dat ze zo bijzonder waren, helemaal niet waarschijnlijk. Maar het gevoel dat ik had, tijdens het schrijven. Vanmorgen dacht ik er nog aan. Ik probeerde enkele woorden te schrijven met een mooie oude pen die ik heb geërfd. De zwarte inkt, die voorzichtig droogde. En ineens kwam het beeld van die brieven terug.’
‘Ik keek er altijd zo naar uit om weer een brief van je te krijgen. Al die woorden, ze leken te ademen. Ik voelde me een beetje machteloos, omdat ik niet terug kon schrijven.’
‘Het voelde gewoon heel goed, dat het kon. Misschien moet ik dat ooit gewoon terug gaan doen, brieven schrijven, zoals vroeger.’
‘Zou je dat dan met die oude pen doen?’
‘Ja, dat denk ik wel. Ze voelt zacht aan in mijn hand. Ze draagt iets van de tijd in zich. Ze zou nog moeten wennen aan mij, maar dat zou wel goed komen, denk ik.’
‘Duurt het nog lang eer we moeten overstappen?’
‘Ja, toch nog wel even.’
‘Zullen we gewoon even kijken?’
‘Ja.’

26 november 2023

Traagwarm


‘Is het warm genoeg zo?’
‘Ja, ik denk het wel. Ik ben eigenlijk vooral gewend aan koud ondertussen. Alsof warm niet zou mogen, misschien.’
‘En nu is het er gewoon.’
‘Wat niet wil zeggen dat ik het al vertrouw. Geef me gewoon nog wat tijd. Misschien kan ik wel voelen dat dit gewoon mag, en dat er niets gebeurt of dat ik niets moet doen.’
‘Er is tijd, veel tijd. En er is alleen maar dit.’
‘Soms verlang je naar een herinnering die er niet is. Het is alsof je lichaam iets weet, ook in afwezigheid. Een beetje alsof je een kleurplaat zou zijn. Er zijn stukken die zouden kunnen ingevuld worden, die een kleur zouden kunnen krijgen. Soms kun je die zien. Soms niet.’
‘En soms verlang je naar verdriet. Bij mij is het toch soms zo. Of misschien naar dat wat je voelt wanneer het begint te komen. Waarbij je dan ineens weer voelt. Alsof je dan zachter bent of zo.’
‘Heb jij dat ook? Ik herken het wel. Alleen durf ik het niet zo goed.’
‘Waarvoor ben je bang dan?’
‘Ik weet het niet. Dat het ineens veel zou worden, en dat ik dan alleen ben, en dat ik zou willen dat iemand gewoon naast me zit, en dat ik dan denk dat ik dat niet mag willen. Als ik het zo zeg, klinkt het wel heel onnozel.’
‘Nee hoor, helemaal niet. Soms denk ik dat er ergens in mij, als een soort onderaardse rivier of zo, een verdriet is. Een oud verdriet. Het is daar gewoon, het stoort verder niet. Misschien wil ik die af en toe kunnen voelen.’
‘Kun je die zien?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet zo goed. Soms wel, denk ik.’
‘Het klinkt alsof je er wel vrede mee hebt.’
‘Ja, dat denk ik wel eigenlijk.’
‘Voel eens aan mijn handen, ze beginnen langzaam warm te worden. Dat is een goed teken.’
‘Ze hadden hun tijd nodig.’
‘Ja, zo is dat. Soms is het alsof het niet wil komen. Anderen begrijpen dat niet altijd. Ze willen me dan te veel aanraken of zo, ik kan het niet goed uitleggen. Waardoor er niets gebeurt, en ik eigenlijk een beetje sluit.’
‘Wat helpt je dan?’
‘Wachten. Alleen zijn. Of dat denk ik toch.’
‘Soms helpt het me als ik in mijn hoofd kijk, naar een plek hier zo ongeveer, en dan tegen mezelf zeg dat ik hier en nu ben, alleen maar hier en nu. En soms krijg ik het dan ineens terug warm.’
‘Ja? Dat moet ik ook eens proberen. Leg het me later nog maar eens uit hoe je dat doet.’
‘Dat zal ik doen.’
‘Ik was vanmiddag nog buiten bezig, en het was anders koud dan de vorige dagen. Het voelde een beetje als een uitnodiging. Om te bewegen in die koude, om iets te laten zien. Ik kan het niet uitleggen. Het heeft iets met overgave te maken of zo.’
‘Dat is een moeilijk woord, vind ik.’
‘In sommige dingen kun je dat nochtans heel goed, denk ik. Misschien besef je dat niet.’
‘Dat zou kunnen. Het woord is een beetje te groot voor mijn lichaam, denk ik.’
‘Ik begrijp je wel denk ik.’
‘Als ik je zo buiten bezig zie, heb ik wel het gevoel dat je je weg kent daar. Al weet ik niet wat dat zou willen zeggen.’
‘Dat is een mooi beeld. Ik heb me altijd goed gevoeld buiten. Al heb ik sinds een tijdje het gevoel dat ik ook een binnen moet hebben, om buiten te kunnen zijn.’
‘Een binnen waar het warm is.’
‘Ja, onder meer.’
‘Hoe gaat het met je handen?’
‘Goed, voel maar.’

01 oktober 2023

Laten


‘Het is fijn dat we nu in het echt verder kunnen praten.’
‘Ja, ik voelde trouwens ook, een tijdje al, dat ons gesprek nog niet voorbij was.’
‘Misschien wel nooit, dat zou wel een mooie gedachte zijn.’
‘Ja, waarom niet?’
‘Jij bent zo anders dan ik, zo lijkt het toch. Misschien heb ik wel een beetje schrik van jou, of van het soort leven dat je hebt. Het mijne is waarschijnlijk veel saaier. Maar tegelijk voel ik me voor sommige dingen ook helemaal veilig en rustig bij jou. Alsof ik sommige gesprekken alleen met jou kan voeren.’
‘Misschien zijn we wel helemaal niet zo verschillend. Misschien weet jij niet hoe ik kijk, hoe ik je zie.’
‘Nee, dat weet ik niet. Maar ik denk dat ik daar geen recht op heb of zo.’
‘Eigenlijk ben je heel grappig, in alle dingen die je blijkbaar niet beseft.’
‘Laten we het daarop houden. Ik moest nog aan je denken vanmiddag. Ik las dat artikel in de krant over die vrouw die reageerde tegen het geluid dat je overal hoort, dat je zo nodig aan zelfzorg moet doen, altijd. En dat je alles vooral moet loslaten. Het was alsof ze iets verwoordde wat ik al een tijd voel, maar nog nooit tot bij de woorden heb gebracht. Het was een verademing om het te lezen.’
‘Ja, ik las het ook. En raar, ik dacht ook aan jou.’
‘Het is zo individualistisch allemaal, zo ‘je moet alles zelf doen, en je moet alles kunnen’. Onderliggend voelt dat als een geweldige druk de hele tijd. Alsof we in een markt bewegen, en we vooral niet mogen voelen of denken of ervan uitgaan dat we afhankelijk zijn van elkaar. En dan al die clichés die je overal de hele tijd hoort, dat je moet loslaten. Ik begrijp wel waar het soms om gaat, en hoe belangrijk dat is, maar het heeft ook iets van: we zijn losgeknipt van alles, met niets of niemand verbonden, we moeten ons door niets laten raken, we moeten alleen maar aan onszelf denken, en voor onszelf zorgen.’
‘Het is op zich natuurlijk wel belangrijk om zacht genoeg te zijn voor jezelf, maar dat is het punt niet, denk ik. Mij stoort dat verhaal ook wel. Ik heb steeds meer de overtuiging, ook uit wat ik leer uit mijn relaties, dat we rafelige, aanmodderende wezens zijn. Dat idee dat je alles alleen moet kunnen, en dat alles wat je bent je eigen verdienste is, en dat geluk gewoon iets is dat je je maar moet voornemen, dat is zo fout. Zo kapitalistisch eigenlijk ook. Ik weet dat je altijd een beetje huivert van dat woord, maar het is wel terecht denk ik.’
‘Je weet natuurlijk wat je moet zeggen, en welke concepten politiek correct zijn en zo, maar soms denk ik gewoon: waarom moet ik alles, en dan nog alleen, kunnen? Ik wil soms niet alles moeten kunnen. En als ik daaraan denk, is er meteen een stemmetje in me dat zegt dat ik dat niet mag denken, want dat ik mijn geluk niet afhankelijk mag maken van een ander. En dan zeg ik tegen dat stemmetje dat ik het daar natuurlijk mee eens ben. Maar het is toch menselijk dat je heel af en toe verlangt dat iemand je iets uit handen neemt, en het voor je oplost, of gewoon even je hand vasthoudt terwijl jij dat doet. Het gaat over dat afhankelijke, en misschien is dat gewoon wie we zijn, en is het een moderne illusie dat we dat veel te veel willen ontkennen.’
‘Ik ben het helemaal eens met jou. Ook als het over de lichamen gaat, waar we het vaak over hebben. Ik vind het met het ouder worden een steeds beter beeld dat we gewoon zoekend zijn, en dat ook mogen zijn. Dat we onszelf niet in hokjes moeten duwen die ons zouden doen denken dat we iets moeten zijn. Want net daardoor komen we niet bij die kwetsbare afhankelijkheid die zo sterk verbonden is met wat we zelf zijn. Dat is ook wat die vrouw in dat artikel zei. Wie zijn we nu eigenlijk? De ene dag ben ik zo, de andere dag weer zo, en heel vaak weet ik niet wie ik ben. Dat aanvaarden, en daarmee proberen bij een ander te zijn, en elkaar aan te raken, of niet, dat is misschien wel beter.’
‘Jij kunt het altijd veel beter verwoorden, en ik denk dat jij het al veel beter gevoeld hebt ook, maar ik herken me daar wel in. Ik verlang steeds meer naar niets mogen zijn, of beter: niet iets. Gewoon vloeiend, en dan zal aan de andere kant van het water misschien wel duidelijk worden wie ik ben, en kan ik ook een oever zijn of zo. Er zijn te veel beelden in mijn lichaam die pijn doen en die telkens te veel oproepen. Ik wil graag zonder woorden zijn, zonder iets te moeten, en zonder dat iemand me claimt of me in een bepaald woord probeert te duwen. Iets in die aard.’
‘Ik denk dat je het eigenlijk beter weet dan je zelf beseft.’
‘Denk je? Ik denk altijd dat het voor jou veel gemakkelijker is dan voor mij.’
‘Ik denk dat je je daarin vergist.’
‘Dat denk ik niet, maar goed. Ik moet nu ineens aan de tango denken, ik weet niet waarom. Het is mooi om jou tango te zien dansen. Je kunt de vormen zien, de patronen, en ik zie ook altijd hoe vrij je daarin bent.’
‘Maar je durft het nog altijd niet om eens met mij te dansen?’
‘Nee, dat durf ik niet. Ik zou eerst nog tien jaar moeten oefenen.’
‘En opnieuw denk ik dat je je vergist.’
‘Ja, sure, zal wel. Zullen we nog een koffie bestellen?’
‘Ja, graag.’

02 september 2023

Een stille dans


‘Hoe gaat het nu met jou? Is je leven erg anders nu?’
‘Niet echt eigenlijk. Ik ben wel meer thuis, nu toch nog. In het begin wou ik de hele tijd iets doen, maar dat is wel veranderd.’
‘Je ziet er rustiger uit. Is er nog veel verdriet?’
‘Officieel niet, zou ik zeggen. Ik denk dat het zich wel een beetje terugtrekt, maar soms is het er ineens weer.’
‘Misschien is dat wel goed, dat het een beetje met je mee beweegt.’
‘Hoe doe jij dat?’
‘Ik probeer eraan te denken als aan een vertrouwde reisgezel. Soms loop je naast elkaar, en soms hoeft dat niet. Dan weet je dat je elkaar wel weer zult zien bij de volgende stop of zo.’
‘Dat is wel een mooi beeld. Het is niet zo moeilijk om jou zo te zien, samen onderweg.’
‘De voorbije dagen was hij dicht bij me, alsof hij me iets wilde zeggen.’
‘En weet je al wat?’
‘Misschien om nog trager naar mezelf te kijken, zonder illusies. Naar alles wat er is, en alles wat er niet is. Alleen maar kijken.’
‘Zou ik dat alles ook allemaal zien als ik lang naar jou keek?’
‘Dat is een goede vraag. Ik zou waarschijnlijk meteen ja zeggen. Maar misschien zou ik niet alles laten zien, uiteindelijk.’
‘Alsof ik dat niet zou weten.’
‘Ja, inderdaad, jij weet hoe je moet kijken. Ben jij soms ook bang van wat je zult zien bij jezelf, als je traag kijkt?’
‘Waarschijnlijk wel, of zeker wel. Ik denk dat ik meer schilden heb dan jij. Hoewel het misschien lijkt alsof ik veel meer laat zien.’
‘Ja, dat is wel zo. Jij hebt een trage zelf waar ik nog niet veel van gezien heb. Ik heb een vermoeden hoe je daar bent. Maar ik zou het niet zomaar kunnen beschrijven.’
‘Dat was ook in dat boek dat je me gaf, dat het beschrijven van iets in woorden, vooral dan in de zin van het min of meer vatten, ook iets moderns is. Jij bent wel van de woorden, hoewel die bij jou tegelijk minder vattend en meer omcirkelend zijn.’
‘Ja, dat was me ook opgevallen in dat boek. Ik las het, en begon meteen mezelf te bevragen, bijna met een soort schuldgevoel. En toen besefte ik dat ik daarmee net aan het doen was wat het boek beoogt. Voor mij kunnen woorden nooit anders dan fysiek zijn, op een of andere manier. In hun aanwezigheid en hun afwezigheid.’
‘Naar jezelf kijken zonder woorden is niet altijd gemakkelijk. Niet dat je woorden ziet. In het kijken ben je eerst in iets dat heel zintuiglijk is, waar ook je angst zich laat voelen, of waarin je voelt wat er niet is, zoals veiligheid in je huid. Ik vind het nog altijd oefenen om op die plek te gaan staan, waar je de woorden nog niet toelaat.’
‘En zou je kunnen zeggen wat je dan ziet? En weet je dan of de woorden die je daarvoor nodig hebt dienend zijn, of overnemend?’
‘Dat is een goede vraag. Ik denk dat ik het soms weet.’
‘Ik ben wel blij dat je hier bent. Begrijp me niet verkeerd, maar ik kijk graag naar jou. Soms denk ik dat ik je kan zien bewegen in jezelf. Het is niet zo gemakkelijk om het te zien, maar het is er wel.’
‘Ik denk dat jij dat ziet ja, en dat is goed. Ik ben bij jou in goede ogen.’
‘Dat is mooi.’
‘Ik weet dat je er een beetje schrik van hebt, maar zullen we dansen?’
‘Ik heb er op zich geen schrik van, maar wel een beetje van dansen met jou. Ik ben bang van het falen. Jij kunt het zo goed. En ik kan voelen wat ik zou willen kunnen, en wat ik zou kunnen, als ik lang genoeg rustig zou kunnen oefenen. Maar tot dan zit mijn lijf een beetje in de weg van wie ik wil zijn.’
‘Maar misschien wil ik dat ook graag zien bij jou, het aarzelen. Je bent fluïde, niet vergeten.’
‘Maar wil je dan nog even niet te veel zeggen over volgen en leiden, en wat ik zou moeten doen. Mag ik ook gewoon in afwezigheid zijn?’
‘Er is niemand die ons ziet, alleen wij zijn hier. En we hebben de hele avond. Wil je falen met mij?’
‘Ja, dat zou fijn zijn.’ 

01 juli 2023

Ik zag het water


‘Ik ben zo blij dat je gekomen bent.’
‘Misschien dachten we allebei los van elkaar hetzelfde, en nu zijn we hier. Weer.’
‘Ik zag het water vanmorgen. Op dat blad. Ik was de boodschappen aan het uitladen, en toen zag ik het water. En het was alsof ik alleen maar wilde blijven staan, daar, in de regen. Om naar dat blad te kijken. Kijk, hier is een foto.’
‘O, zo mooi. Zo breekbaar, en sterk tegelijk. Ik kan het niet goed uitleggen.’
‘Ik begrijp wat je bedoelt, denk ik. Misschien zag ik wel hetzelfde.’
‘En waarom ben je niet blijven staan?’
‘Ik weet het niet. Er was nog zoveel te doen, waarschijnlijk. En misschien was ik wel bang dat ik door te blijven staan iets zou kwetsen van dat moment. Misschien mocht ik maar alleen in dat ene moment dat alles zien. Als een geschenk.’
‘Zo ben je altijd geweest.’
‘Hoe?’
‘Het klinkt onnozel, maar als in dat de dingen die goed zijn voor jou niet lang mogen duren. Dat je er eigenlijk geen recht op hebt.’
‘Dat zeg jij altijd. En het verwart me telkens.’
‘Verwarring is goed.’
‘Niet dat ik van onderwerp wil veranderen, maar je haar is beter zo. Met dat grijs.’
‘Vind je?’
‘Ja. En het verandert je ogen.’
‘In goede zin?’
‘Ja.’
‘Als jij het zegt, zal het wel zo zijn. Daarnet, op weg naar hier, dacht ik al helemaal aan deze plek. Er is iets van ons, hier, denk ik, nog altijd. De dagen waren zo zwaar, de voorbije week. Het was een beetje alsof ik uit elkaar getrokken werd. En mijn lichaam werd hard, en ver weg. En ik wou weg daar, en nu ben ik hier. En het wordt zachter. Mag ik die foto nog eens zien?’
‘Kijk.’
‘Het water lijkt zo sterk. Al zouden het ook tranen kunnen zijn. Misschien zijn ze wel dichtbij.’
‘Dat had ik de voorbije dagen ook. Dat er niet veel moest gebeuren, of ze zouden er zijn.’
‘Je ziet er wel een beetje moe uit. Net als ik waarschijnlijk.’
‘Misschien geeft dat nu niet, mag het gewoon. Je zag er wel een beetje verdrietig uit toen je binnenkwam.’
‘Misschien liet ik het gewoon zien, omdat ik me hier rustig voel.’
‘Alles is goed. Ik kan het niet uitleggen, maar de kleur van de planten is op dit moment van de dag altijd heel bijzonder. Het is intens en rustig tegelijk, al weet ik niet wat dat wil zeggen.’
‘Ik denk dat ze blij zijn dat ze bij jou zijn.’
‘Zou dat? Ik denk zo vaak dat ik faal, in alles. Ik heb me daar wel mee verzoend. Maar misschien verdienen zij beter?’
‘Ik denk dat je het eigenlijk wel weet. Het is een beetje zoals wanneer je een baby vasthoudt. Je moet gewoon vertrouwen dat je het kunt, want het is er allemaal. Je moet alleen even over je eigen drempel. Meer niet.’
‘Hoe is het met jouw drempels tegenwoordig?’
‘Niet zo goed, denk ik. Vraag het me straks nog eens, nu wil ik er even niet over praten.’
‘Is dat een traan?’
‘Misschien.’
‘Wat zal ik doen? Een verhaal vertellen? Je in bad steken? Een ijsje halen?’
‘Gewoon niets, dat zou ik het liefst willen. Dat je gewoon hier blijft, zoals nu. En dan niets, dat zou ik wel willen. Soms verlang ik zo naar niets.’
‘Dan zal ik jouw niets zijn.’

11 juni 2023

Daar waar je niet komt


‘Hoe gaat het met je leven nu?’
‘Oei, dat is een grote vraag. Maar ik denk dat het wel goed gaat. Ik denk dat ik stilaan in mezelf pas, of zoiets.’
‘Was dat dan vroeger nog niet zo?’
‘Het voelt nu alleszins anders, denk ik. Alsof ik meer met mezelf samenval, niet meer op de vlucht. Dat zijn wel grote woorden, maar misschien zijn ze wel goed.’
‘Ik denk dat ik wel begrijp wat je bedoelt. Ook in de zin dat ik zelf vaak niet weet waar ik ben. Dan kijk ik rond, om te zien of ik ergens ben. Het is raar, om soms zonder mezelf te gaan slapen.’
‘Stel je voor dat ik dan gewoon naast je kom zitten, om te wachten. Tot je er weer bent, en dan zou ik stilletjes vertrekken.’
‘Dat is een mooie gedachte.’
‘Het is wel mooi, dat je met het ouder worden ziet dat je toen minder verdwaald was dan je dacht. Dat je nadien wel de weg ziet of zo.’
‘Daar ben ik nog net niet, denk ik. En zie jij dan ook de vader in je? Die er had kunnen zijn, en die er ook al die tijd wel was, heb ik toch altijd gevonden.’
‘Dat blijft een moeilijke vraag. Ik denk dat het een plek geworden is waarvan ik weet dat ze er is, waar ik zelfs ook naartoe kan gaan, soms. Maar eens ik daar ben, kunnen er geen woorden zijn. Soms zien anderen die plek veel beter dan ik ze zelf kan zien. En misschien is dat wel niet zo erg.’
‘Het is helemaal niet moeilijk om dat te zien bij jou. De plek, en je aarzeling.’
‘Ja, stel je voor dat ik ook als vader te veel ruimte zou innemen in de wereld.’
‘Onnozelaar. Zul je dat dan nooit afleren? Waarschijnlijk niet.’
‘Sorry, ik had het niet moeten zeggen. Het is niet nodig. Ik las het nog in een interview in de krant. Die vrouw had het over mensen die het gewoon vanzelfsprekend vinden dat ze er zijn, en hoe raar ze dat nog altijd vond. Ik begreep wel wat ze wou zeggen. Maar het is ondertussen wel heel mooi om te zien welke moeder jij geworden bent. Je hebt het denk ik ook een beetje moeten veroveren.’
‘Ja, dat is wel een goede omschrijving. Het is wel rustig nu, denk ik, dat er een moeder in me woont. Ook al heb ik geen kinderen uit mijn buik.’
‘Ik wou het je vaak kunnen zeggen: blijf nu gewoon even zitten, je bent er al. Ik zag het zo goed bij je, de hele tijd. Je moest gewoon gaan zitten en het op je schoot nemen of zo. Dat wat je al was.’
‘Jij zag het altijd, dat is waar.’
‘Ik denk dat ik soms bang was van de vader die er in mij had kunnen zijn. Wat een vader is, was sowieso al een beetje een soort leeg blad in mij. Je kijkt daarnaar, en ziet een blad dat had kunnen beschreven zijn. Afwezigheid kun je ook zien, op zo’n blad. En dan had ik nog zelf mijn eigen blad moeten toelaten. Hoe had ik mijn kinderen kunnen beschermen? Hoe had ik ervoor kunnen zorgen dat ze helemaal veilig waren? En ik weet wat jij zult zeggen.’
‘Ja, je zou het gedaan hebben, denk ik. En ik weet wat jij nu gaat zeggen. Ik denk dat je mag kijken naar de vader die er nu in je is, kijken naar hoe die het zou gedaan hebben. Meer moet je niet weten, denk ik. Dat is genoeg. De rest mag je open laten.’
‘Dat is wel een mooie gedachte, dankjewel. Je ziet me. En dat is bijzonder.’
‘Het is mooi, dat we deze dingen kunnen zeggen, gewoon. Dat dit blijft.’
‘Misschien zijn wij wel een plek.’
‘Dat wisten we toch al lang.’
‘Ja, eigenlijk wel.’

26 maart 2023

Hier


‘Hier gewoon te zitten met jou, aan de rand van het water, hoe goed dat is.’
‘Het is zo lang geleden dat we hier nog zaten.’
‘Weet je dat nog dan?’
‘Ja, natuurlijk. Ik zei het al eerder. Jij denkt misschien dat die dingen weg zijn bij mij, maar dat is niet zo. Ze zullen er altijd zijn, wat er ook gebeurd is.’
‘Dat is een warme gedachte. Gaat het goed met jou? Je ziet er een beetje moe uit.’
‘Dat ben ik ook. Maar het is niet erg. Misschien voel ik me gewoon wel heel rustig hier en is er iets aan het ontspannen.’
‘Dat licht op het water, daar heb ik altijd van gehouden. Misschien streelt het water het licht.’
‘Of omgekeerd.’
‘Ja, dat kan ook.’
‘Op weg naar hier was er nog een mooie herinnering. Hoe ik je dat kon vragen vroeger, om gewoon samen te zwijgen. Het deed me zo goed.’
‘Dat herinner ik me ook nog. Soms was ik een beetje bang dan. Alsof een stuk van mij dat niet helemaal durfde vertrouwen. Alsof je eigenlijk weg wilde gaan.’
‘Nee, dat was het nooit. Het was meer dat ik kwam van een plek waar er veel lawaai was, in allerlei opzichten. En jij was een plek waar het stil was. Soms was ik gewoon te moe van al die woorden die ik achter me liet op weg naar jou.’
‘Waarom was ik zo bang altijd toen? Ik weet het antwoord wel natuurlijk, en ik weet dat ik nu anders ben. Soms is het gewoon een beetje droevig, te zien wie ik toen was.’
‘Je was wel heel oprecht de hele tijd. Het was gewoon wat het was. En ik was ook een beetje op de dool soms.’
‘Soms is het verwarrend en soms is het een heel rustige gedachte. Je hebt zo’n groot stuk van je leven nodig – ik dan toch – om op een punt te komen waar er iets van vrede komt, waar je voelt dat je eindelijk je plek in jezelf gevonden hebt, met je eigen stem. Het is goed om te voelen dat je daar bent aangekomen, en tegelijk is het soms droef dat het zoveel tijd heeft gevraagd.’
‘Ik denk dat je dat heel goed hebt gedaan allemaal. Ik bewonderde vaak de moed waarmee je met jezelf in de clinch ging. Ik besef nu dat ik dat eigenlijk niet durfde toen.’
‘Jij was zo goed, in alles wat je deed, vond ik altijd.’
‘Ik weet dat je dat vond, en dat betekende altijd veel voor me, hoe je in me geloofde. Maar ik denk dat er toen nog te veel dingen waren waar ik met een boogje omheen ging. En dat deed jij niet.’
‘We hebben nog altijd de rest van de eeuwigheid.’
‘Ja, laten we daarvan uitgaan. Dat dit er altijd zal zijn.’
‘Hoe gaat het nu met je zoon?’
‘Hij komt er, denk ik steeds vaker. De voorbije jaren waren soms heel moeilijk. Soms nog meer voor mij dan voor hem, zo leek het wel af en toe. Het is moeilijk dat je je eigen kind soms niet kunt beschermen. Hij heeft dat waarschijnlijk anders ervaren. Maar hij komt wel altijd terug naar mij, en dan komt hij zo dicht tegen me aan zitten. En nu, de voorbije weken, is het alsof alle stukjes in elkaar beginnen te vallen. Hij komt er wel, ik voel het. En jouw dochter? Hoe gaat het nu met haar.’
‘Die komt er ook wel, denk ik. Het gaat goed. Ik denk dat het rustig wordt in haar hoofd. Ze moet de dingen op haar manier kunnen doen, maar ze weet steeds beter wat ze wil. Ik hoop dat ze al die tijd heeft gevoeld dat ik in haar geloof.’
‘Wees daar maar zeker van. Ik weet dat je dat niet bent, maar probeer het toch maar. Ze weet dat jij er altijd bent, dat zie je toch aan haar? Je bent als een soort vuurtoren voor haar, al zal ze dat niet zomaar hardop zeggen.’
‘Nee, dat zou helemaal niet cool zijn.’
‘Inderdaad.’
‘Het is zo mooi, dat water. Het beweegt de hele tijd, en het blijft. Ik besef steeds beter hoe dat iets is dat ik altijd wilde. Iets dat blijft, ook al beweegt het.’
‘Een beetje zoals wij, hier.’
‘Ja.’

26 februari 2023

Warm


‘Waar denk je aan?’
‘Warm water.’
‘Hoezo?’
‘Gewoon. Dat het me helemaal zou omhullen. En dat het lang zou duren.’
‘Mmm. En mag ik er dan ook bij komen zitten?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Vanmiddag was ik in huis. Het was niet bijzonder koud of zo, maar het was alsof het koud was in mij. Zelfs dat dekentje hielp niet.’
‘Was er iets gebeurd?’
‘Ik weet het niet. Misschien was het het moment van de week. Het gebeurt me wel eens dat ik net dan een beetje in mezelf plooi. In een soort bewegingsloosheid. En dan is het alsof mijn lichaam volgt, en koud wordt.’
‘Kun je dan niets doen?’
‘Ja, bewegen. Dat wat net niet zo dichtbij lijkt, dat is dan het beste waarschijnlijk. Op zich is het ook niet zo erg, denk ik, om dat gevoel gewoon een beetje te laten zijn, en het te observeren. Als een plek waar ik terechtkom en waar ik ook weer kan vertrekken.’
‘Zo klinkt het wel gemakkelijk.’
‘Ja, het klinkt iets gemakkelijker dan het is. Je hebt het natuurlijk vroeger wel vaker met me meegemaakt, dat ik leek te bevriezen op bepaalde momenten. Waardoor er alleen maar afstand leek. Nu begrijp ik beter wat er gebeurde toen. Dat is al iets.’
‘Ja, ik herinner me zo veel momenten. Maar jij was natuurlijk niet alleen daar. Ik was er ook. Misschien had ik iets kunnen doen. Maar ik deed het niet.’
‘Nu zouden we het misschien anders doen, maar dat maakt nu niets meer uit natuurlijk.’
‘Los daarvan is het idee van warm water natuurlijk wel erg aantrekkelijk. Het was al zo koud vandaag. Soms heb je dan geen zin om jezelf warm te maken, zou je jezelf uit handen willen kunnen geven. Warm water lijkt dan heel erg overzichtelijk.’
‘Het blijft me wel fascineren hoe dat werkt allemaal. Soms heb je het gevoel dat iemand iets zegt of dat er iets is in de situatie waardoor je het ineens koud kunt krijgen. En ook omgekeerd. Soms kan een bepaalde gedachte ervoor zorgen dat je het ineens weer warm krijgt in je buik.’
‘Ik denk dat het goed werkt bij jou, misschien is dat wel een mooie gedachte.’
‘Ja, misschien wel. En waar denk jij nog aan?’
‘Ik dacht aan weinig. De voorbije dagen en weken was er altijd zoveel in mijn hoofd. Te veel dingen die iets van me vragen, die me soms een beetje onzeker of moe maken. En onderweg naar hier dacht ik: weinig, dat is wat ik zou willen. Ik hoopte dat je geen grote plannen zou hebben, dat we alleen maar samen weinig zouden doen. Zoals nu.’
‘Dat is wel een mooie gedachte, waar ik me ook helemaal in kan vinden.’
‘Zo even voelen dat de dingen aan zichzelf genoeg hebben, dat de gedachten gewoon het water mogen volgen, om even in dat beeld te blijven.’
‘Ja. Hoe mooi het is trouwens, dat het licht al zo lang bij ons blijft deze dagen.’
‘Het voelt als een geschenk.’
‘Zullen we gewoon even naar het licht kijken?’
‘En denken aan warm water?’
‘Ja.’

22 januari 2023

En wiegen


‘Ik ben blij dat je gekomen bent. Misschien was ik een beetje bang dat je niet zou komen.’
‘Waarom zou ik niet komen?’
‘Ik weet niet, zomaar.’
‘Ik ben er, voel maar, ik ben echt.’
‘Je ontroert me, maar dat wist je al. Hoe gaat het met de wind?’
‘De wind geeft geen cadeaus, dat dacht ik gisteren. Soms heb je natuurlijk wind in de rug bij het fietsen. Soms is de wind net wat je huid nodig heeft, wanneer je de dingen even niet meer weet. Maar je kunt geen eenvoudige vraag stellen aan de wind, zo werkt het niet. Je moet kijken.’
‘Soms neemt de wind je wel een beetje over, dan kun je er als het ware in gaan liggen.’
‘Soms zie ik de wind in jouw ogen. Dat is mooi.’
‘Misschien laat de wind zich aan jou zien op dat moment.’
‘Het was vanmorgen heel stil in mijn huis. Zo wou ik het ook. Ik wou zo graag gewoon even alleen zijn. Even niemand die iets van me wou of voor wie ik iemand moest zijn. En het was goed. Al deed het ook pijn, veel pijn.’
‘Wat voor pijn is dat dan?’
‘Pijn die wacht, denk ik. Wacht op zo’n leeg moment. Het is goed, denk ik. Op alle andere momenten doe ik wat ik te doen heb, en dat gaat eigenlijk wel goed. Maar een stuk van mij is ook die pijn. Het is oude pijn, denk ik.’
‘Voel je je dan alleen?’
‘Ja en nee. Het is goed om dan alleen te zijn, en de dingen gewoon even te laten komen, om ernaar te kijken. Zonder verzet. En tegelijk heb je soms ook dat verlangen dat er net dan iemand zou zijn die je wiegt of zo, heel traag, en lang.’
‘O ja, heb jij dat ook? Je weet dat het een soort kinderlijk verlangen is. En je weet dat je natuurlijk niet bij een ander mag leggen wat je zelf te doen hebt. En toch. Soms zou je niets anders willen dan dat.’
‘Ja, inderdaad.’
‘Ik zag onlangs nog een filmpje dat me hetzelfde gevoel gaf. Het leek even alsof ik een van die twee mensen was, en het maakte me rustig. Daar wil ik zijn, dacht ik. Daar waar zij zijn.’
‘Misschien moet je me daar ooit eens mee naartoe nemen. Naar daar.’
‘Misschien doe ik dat wel. Ik zal het eens aan de wind vragen.’
‘Ik zag onlangs een goede film. Twee mannen die allebei een kind hadden verloren spraken met elkaar. Die ene, die al langer zijn dochter kwijt was, zei iets tegen die andere, die net zijn kind had verloren. Je moet op een bepaald moment de pijn toelaten, zei hij, anders zul je ook alle herinneringen aan haar verliezen. Je zult niet meer met haar kunnen praten, ze zal weg zijn, als je je helemaal afsluit. Iets in die aard. Ik denk dat ik een beetje begreep wat die man probeerde uit te leggen. Iets van de pijn is goed, om zacht te kunnen blijven. Al aanvaard je daarmee misschien ook wel dat iets van die pijn er altijd zal zijn.’
‘Ik ben het nog aan het leren, denk ik.’
‘Ik vind dat jij dat heel goed doet.’
‘Dankjewel, dat is lief. Het overvalt je soms, wanneer je het niet verwacht. Ik was vorige week nog iets aan het uitleggen aan een vriendin. Ze vroeg me iets te vertellen over het huis waar ik als kind woonde en hoe het nu voelt, als ik daar kom. En ik dacht dat ik dat verhaal al vaak genoeg verteld had, dat iets ervan achter me lag. Misschien is dat ook wel zo, maar dat zorgt er niet zomaar voor dat je het gewoon kunt vertellen. Als ik het dan gewoon vertel, merk ik, zonder het groter of kleiner te maken, stroomt het wel, of zoiets.’
‘Misschien is het wel goed dat je dat op zo’n moment weer kunt voelen, zonder dat het je verlamt.’
‘Wat niet wegneemt dat we misschien de cultuur van het wiegen weer in moeten voeren.’
‘Stel je voor, hoe mooi dat zou zijn.’
‘We kunnen straks al even oefenen. Maar laten we nu maar eerst aan tafel gaan. Het eten is klaar.’
‘Mmmm.’

26 november 2022

We doen dat goed


‘Hier zitten we, terug op deze plek.’
‘Ja, het is stil hier, en goed om hier te zijn. Hier zijn mooie herinneringen.’
‘Ja. Het is goed om dat gewoon te horen, dat je dat vindt. Soms ben ik bang dat de dingen alleen in mijn hoofd zijn. Onterecht waarschijnlijk. Soms wil je dat een ander naar iets kijkt, een plek die speciaal was, en dat je allebei hetzelfde denkt, zonder het uit te spreken. Dat je de herinnering erkent of zo.’
‘Jij was daar altijd bang voor, dat weet ik. En ik begreep het ook goed, ook al zei ik dat niet. Misschien bleef ik te veel in mezelf, dat was al genoeg. Ik kon het vaak niet zeggen, maar dat wil niet zeggen dat het er niet was.’
‘Dat is lief. Het is iets van ons, misschien is dat wel genoeg. Als je naar het landschap zou kijken, naar hoe het landschap beweegt in de tijd, dat je dat dan zou kunnen zien: daar, dat zijn zij.’
‘En nu zitten we hier. Het is zo gemakkelijk om naast je te zitten. Misschien heb ik dat pas later beseft, toen we al voorbij waren. Dat ik graag in jouw veld ben. Dat is een raar woord, ik weet het. Ik hoorde het onlangs van een vriendin, die het gebruikte. En ik begreep wat ze bedoelde.’
‘Je onthoudt hoe iemand beweegt, merk ik telkens. Ik zag het weer, toen je aankwam daarnet. En het is alsof je in je eigen lichaam kunt voelen hoe een ander beweegt die je zo goed hebt leren kennen. Ook als je stil naast elkaar zit. Ik kan het niet goed uitleggen.’
‘Ik begrijp wat je wilt zeggen, heel goed.’
‘Soms heb ik dat thuis ook. Op een of ander onbewaakt moment. Dat het is alsof jij er bent, en dat je meekijkt. Niet meer dan dat.’
‘Stel je voor dat ik dan net op dat moment aan je zou zitten denken, dat zou wel akelig zijn.’
‘Misschien moeten we dat maar gewoon een beetje een mysterie laten. Stel dat ik je een berichtje zou sturen, dat ik denk dat jij meekijkt, en dat je dan antwoordt dat je net gewoon de wortelen aan het schoonmaken bent.’
‘Misschien zijn wortelen wel een soort kosmische brug, wie weet?’
‘Ik zal er nog eens aan denken wanneer ik morgen soep maak.’
‘Met veel peper?’
‘Met veel peper, vanzelfsprekend.’
‘Soms vind ik het jammer dat jij vaak zo veel zei, en ik zo weinig. Sommige dingen begrijp je pas wanneer ze voorbij zijn.’
‘Dat is voor mij niet anders, denk ik. Als ik toen had kunnen zijn wie ik nu ben, zou er misschien iets anders gebeurd zijn. En misschien ook niet. Je kunt maar zijn wie je bent in de tijd, wanneer de tijd daar is. Soms is dat een rustige gedachte, en soms voelt het alsof je daardoor elkaar misloopt of zo. Soms maakt me dat verdrietig. Maar steeds meer is daar ook wel een zacht gevoel bij.’
‘Soms denk ik dat iets in mij zich aan het neerleggen is, diep in me. Heel traag nog, denk ik, maar toch. Dat eindeloos rondlopen, alsof er iets zou zijn dat op me wachtte, dat is er stilaan niet meer. Dat wat ik zocht, daar, is ergens hier, dat weet ik nu.’
‘Ik voel dat bij jou, en het is mooi. Ik heb het je altijd toegewenst.’
‘Dat weet ik.’
‘We doen dat goed eigenlijk, vind je niet?’
‘Wat?’
‘Dit.’
‘Ja, we doen dat goed.’
‘Heb je het koud?’
‘Een klein beetje maar.’
‘Dan schuif ik nog een beetje op.’
‘Ja, doe maar.’

06 november 2022

En de wind


‘Ik ben blij dat je er bent. Op weg naar hier voelde ik hoe het me al rustiger maakte, te weten dat ik jou zou zien.’
‘Dat is mooi. Voor mij is het ook zo. Ik kan me een beetje neerleggen in de gedachte dat ons gesprek gewoon al jaren duurt en nog jaren verder zal gaan. Als ik soms iets nog niet weet of nog niet kan verwoorden, weet ik dat het rustig mag drijven naar het volgende gesprek. Ik kan je moeilijk uitleggen hoeveel dat gevoel voor mij betekent.’
‘Ik weet dat wel hoor, denk ik toch. Het is soms alsof je elke keer opnieuw verrast bent dat dit blijft.’
‘Ja, dat is ook zo. Let er maar niet te veel op. Dat stukje van mij zal wel nooit veranderen.’
‘Er was zoveel wind, op weg naar hier. En het was koud. Op een of andere manier voelde ik me dankbaar. Het was goed om die weerstand weer te voelen, om terug te kunnen keren naar iets.’
‘Je ziet er goed uit trouwens. Er is iets veranderd aan jou de voorbije weken.’
‘Ja, dat is ook zo. Ik ben blij dat je het ziet.’
‘Ik zie altijd alles. Jij ook.’
‘Soms heb ik de wind nodig. Niet altijd. Soms ben ik een beetje bang van de wind. En soms wil ik vooral mijn geliefden uit de wind zetten, wil ik hen kunnen beschermen. Maar soms heb ik de wind nodig. Dan moet ik naar buiten en gaat het alleen tussen ons tweeën, tussen de wind en mij.’
‘Ik herinner me nog een lange wandeling aan zee, met de vrouw die toen mijn geliefde was. En we konden stilstaan en gewoon achterover leunen in de wind. We konden onszelf een beetje uit handen geven.’
‘De wind is gebleven, de zee ook, maar die vrouw niet.’
‘Nee, dat is waar. Misschien is het ook wel beter zo.’
‘Ik weet dat niet. Je vertelt er zo weinig over tegenwoordig.’
‘Is dat zo? Ik denk er wel veel over na, en ik begin ook wel dingen te zien. Maar ik heb ook een beetje schrik, denk ik. Het is alsof ik heel vloeibare woorden zoek, terwijl anderen vaak meer hoekige woorden gebruiken. Ik wil soms woorden voor wat ik nog niet weet, of zo.’
‘Ik vind overigens dat jij die wel altijd hebt eigenlijk.’
‘Ja?’
‘Ja, toch wel. Je kunt goed kijken naar die nog drassige onbestemde plek.’
‘Dat is mooi gezegd.’
‘Toen we de vorige keer praatten, was je erg aan het zoeken naar iets dat niet kwam precies.’
‘Ik weet het ondertussen. Die angst. Aan de ene kant is er dat gevoel. Ik kan iets zien, iets als een weg, waar nog geen woorden voor zijn. En ik zie dat die goed zou zijn voor mij. Ik zie ook hoeveel tijd ik er voor nodig zou hebben. En aan de andere kant is er iets dat is ingeschreven in mijn huid. Dat iedereen altijd weg zal gaan van mij, net wanneer het goed zou kunnen worden. Ik weet ondertussen dat ik nu hier ben, en mijn lichaam ook. Maar er is nog een restant of zo. Een fossiel.’
‘Gelukkig ben jij geen fossiel. Je hebt meer van de zee dan je soms zelf wilt geloven, denk ik.’
‘Ja?’
‘Jij hebt andere mensen nodig die je daar af en toe op wijzen. En dat is een van die dingen die ik graag doe.’
‘Je doet dat goed.’
‘Laten we de volgende keer gewoon verder praten, waar we vorige keer gestopt waren. En vertel het me in woorden van de zee.’
‘En de wind.’
‘Ja, de zee en de wind.’

09 oktober 2022

Waar de muziek je heen brengt


‘Hee, wat goed je nog eens te zien, het is al zo lang geleden.’
‘Ja, te lang, zoals altijd.’
‘Het is goed, je bent er altijd wel, ergens. Dat is wat ik voel. Gaat het goed met jou?’
‘Ja, ik denk het wel. Ik moet even nadenken. Soms is het moeilijk de tijd in je hoofd te halen en te kijken naar wat was. De voorbije weken waren soms moeilijk. Er was een verdriet dat zich niet kon neerleggen, alsof het wachtte op mij. En ik wist niet goed waar ik moest gaan staan. Toen ik gewoon bleef staan, ging het door me heen. Nu is het weer vertrokken. En nu staan we hier, aan de rand van het bos.’
‘Ja, nu staan we hier. Je ogen zien er goed uit, alsof ze iets gezien hebben. Ik wou hier met je afspreken om de geur hier. De geur van de vroege herfst. Zo zag ik het ineens in mijn hoofd: als ik haar weer zie, zou het fijn als die geur erbij is.’
‘Misschien praat je anders met die geur. Misschien adem je anders.’
‘Het klinkt een beetje onnozel, maar ik was een beetje geschrokken begin deze week. Er waren enkele wat warmere dagen. En in de stad zag ik overal mensen die precies heel hardnekkig op een terras wilden zitten, zomers bijna. Iets daarvan maakte me droef, en een beetje opstandig. Het zal wel heel normaal zijn dat mensen die stukjes zon willen voelen, maar voor mij was het alsof ze de herfst probeerden weg te duwen.’
‘De herfst was altijd al een seizoen dat goed bij je paste. Jij hebt aanleg voor herfst, denk ik wel eens. Maar ik begrijp wel wat je zegt. Al vond ik het ook wel fijn de voorbije dagen om nog even in de zon te kunnen zitten.’
‘Het was raar, net voor je me belde had ik nog aan je gedacht. Het was alsof ik het me ineens goed kon voorstellen, dat jij er zou zijn, en dat ik gewoon naar je zou kunnen kijken terwijl je iets zat te vertellen, of misschien wel niet. Het leek zo vredig dat beeld. Als een plek waar je naartoe kunt gaan.’
‘Dat is een mooie gedachte. En ben je er nu? Op die plek?’
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Dan is het goed. Mijn dochter vroeg me gisteren of ik soms bang ben van de nacht.’
‘En wat zei je?’
‘Alleen maar soms, ondertussen. Vroeger was het anders, als ik eerlijk ben. Maar misschien lag dat aan het huis waar we toen woonden. De nacht voelde soms zwaar, als iets dat op me drukte. En dan was er niemand die dat gevoel kon wegnemen. Het huis nu is anders, en ik ook, denk ik. Nu ben ik af en toe nog wel bang in de nacht, maar niet meer van de nacht.’
‘Dat is mooi. Vanmorgen moest ik vroeg naar de trein vertrekken. De nacht was zich aan het terugtrekken. Het licht was zo mooi, ongelooflijk. Ik liep door de stad naar het station. Er was niemand op straat, alleen in de verte enkele mensen die na een nachtje uit weer op weg naar huis waren. En ik voelde me bevoorrecht of zo, dat ik dat licht mocht zien. En later reed de trein door het landschap, dat werd aangeraakt door de mist.’
‘Ik zie het zo voor me. Misschien was ik er wel graag bij geweest, ik zie het nu voor me.’
‘Ja, dat zou goed geweest zijn. Ik zou wel niet veel gezegd hebben, maar jij ook niet denk ik.’
‘Nee, waarschijnlijk niet. Ik herinner me nog, hoe we vroeger soms samen in de trein zaten. En dat ik je vroeg of ik zo tegen je aan mocht zitten, om wat te slapen.’
‘En ik hoopte dan steeds dat de trein nooit zou aankomen.’
‘Onnozelaar.’
‘Vanmorgen in de trein dacht ik nog aan de muziek. Ik was op weg om een verhaal te gaan vertellen. En ik wou iets vertellen over de muziek. Gisteren was ik in een concert, en soms was het alsof ik de muziek kon zien. De nacht was kort, mijn lichaam wilde precies nog niet verdwijnen in de nacht. Maar de muziek was bij me gebleven, merkte ik vanochtend. Dat heb ik ook verteld, voor ik aan mijn verhaal begon.’
‘Misschien is dat wel wat muziek doet, je beschermen tegen de nacht.’
‘Ja, dat zou kunnen. Na een concert kom je buiten, in de nacht, maar het is altijd of de muziek nog om je heen beweegt, terwijl je naar huis gaat. Je komt anders binnen dan je er vertrok.’
‘Ik wil ooit nog wel eens meegaan met jou naar een concert. Ook dat is al zo lang geleden.’
‘Dat is goed. Heb je het niet koud nu?’
‘Nee, helemaal niet.’
‘Kijk, dat jongetje daar. Hoe hij loopt. De hele tijd net niet omvallen. Hoe wonderlijk moet het zijn dat te voelen, dat je dat kunt voor het eerst.’
‘Zullen we hier even gaan zitten, en alleen maar kijken?’
‘Ja, met de geur van de herfst. Die geur staat jou wel goed trouwens.’

04 september 2022

En zo gaat het verder


‘Ik ben blij dat we hier nu zo zitten. Het voelt zo rustig.’
‘Ja, het doet me goed. Het is al zo lang geleden dat we nog eens bij elkaar konden zijn.’
‘Het voelt goed, dat je gewoon kunt aansluiten waar je de dingen neerlegde de vorige keer, of zoiets. Ik houd daarvan, een gesprek dat verder gaat, en dat daardoor blijft.’
‘Ik schrok er een klein beetje van, hoe vertrouwd je me bent, na al die tijd. En dat dat blijft.’
‘Bij sommige mensen of in sommige situaties voel je dat je anders begint te ademen. Iets trekt samen in je huid, je ademt op je hoede. Alsof je telkens een meter achter je adem zit of zo, ik kan het niet uitleggen. En nu is het alsof ik gewoon in mijn adem kan zijn.’
‘Heb je dat ooit bij mij gehad?’
‘Ja, misschien wel. Soms. Maar dat lag ook aan mij natuurlijk.’
‘Ik begrijp wel wat je zegt. Soms zie ik het gebeuren, en is het te veel tegelijk om het uit elkaar te rafelen, als dat een goed beeld is.’
‘Dat is een heel goed beeld.’
‘Ik denk dat jij dat beter kunt dan ik. Soms ben ik nog zo rusteloos, alsof iets me opjaagt.’
‘Maar nu niet, denk ik.’
‘Nee, nu niet.’
‘Hoorde je dat? Die mama die achter haar kind aanliep en aan het zingen was? Met soms ineens een woord dat harder werd uitgesproken, als om een teken te geven aan haar kind.’
‘Ja, ik hoorde het. Maar ik had het meisje niet gezien.’
‘Kijk, ze staat daar, met die geweldige krulletjes.’
‘Het is wel mooi, hoe jij dat altijd ziet.’
‘Het houdt me zacht, denk ik weleens, kijken.’
‘Misschien moet ik ook af en toe kijken naar het meisje. Zoals jij dat doet, met het jongetje.’
‘Gewoon wachten, en vertrouwen, en dan zie je het. Je weet nooit vooraf waar het zal zijn, hoe oud het is, hoe het naar je zal kijken. Kijken, en dan zie je het. En daar begin je dan.’
‘Dat is een mooie gedachte.’
‘Het wordt steeds vertrouwder, voel ik. En dat is als een geschenk.’
‘Ja.’
‘Op weg hier naartoe vroeg de treinmevrouw of ze mocht weten welk boek ik aan het lezen was. Ik vertelde er iets over, en we hadden een heel gesprek over mooie boeken, en over hoe geweldig het is om te lezen in de trein.’
‘Zou ze daarom treinmevrouw geworden zijn?’
‘Ja, dat vroeg ik me ook af. Misschien zorgen mensen die boeken lezen in de trein voor een magische onzichtbare mist waardoor je anders, breder, kunt ademen of zo. En misschien verlangt zij ernaar om zo vaak mogelijk dicht daarbij te kunnen zijn.’
‘Heb je haar naam gevraagd?’
‘Nee, natuurlijk niet. Het hoort bij de magie, dat ik haar misschien ooit nog eens zal tegenkomen in de trein, en dan zal vragen in welk boek ze aan het lezen is. Of misschien zie ik haar nooit meer.’
‘Ik zou het wel gevraagd hebben, denk ik. Of misschien toch niet, ik weet het niet.’
‘Misschien moet ik ervoor zorgen dat ik altijd een extra boek bij me heb, om aan haar te geven, wanneer ik haar weer eens zie.’
‘Dat zou wel scoren zijn natuurlijk.’
‘Ja ja… Scoren is niet zo mijn afdeling.’
‘Daar zal ik maar niets op zeggen.’
‘Wil je nog een latte?’

17 juli 2022

Voor je weggaat


‘Ik ben blij dat je nog even gekomen bent.’
‘Dat is toch maar normaal, natuurlijk zou ik nog gekomen zijn.’
‘Ik vind het bijzonder, telkens weer.’
‘Ik zal er altijd zijn. Misschien mag je dat geloven.’
‘Het is gewoon deze tijd van het jaar, denk ik. Iedereen gaat weg, en het maakt me steeds een beetje rusteloos.’
‘Waarom zou dat voor mij anders zijn denk je?’
‘Ik weet het niet.’
‘Misschien ben je er wel niet meer wanneer ik terugkom.’
‘Waar slaat dat nu op?’
‘Zie je wel.’
‘Je hebt gelijk. Heb je trouwens mooie gedachten om mee te nemen straks?’
‘Ik weet het niet zo goed. Er zijn dingen waarover ik moet nadenken. En dan is het goed om even weg te gaan.’
‘Is er iets dan?’
‘Misschien niet. Soms is het alsof ik op een soort kantelpunt ben gekomen of zo. Soms denk ik dat ik te weinig beweeg. Niet letterlijk. Maar soms lijkt het alsof ik de dingen rondom mij te veilig heb gemaakt. Ik heb dat ook wel nodig, maar misschien niet zo.’
‘Ben je bang?’
‘Af en toe wel ja. Ik denk dat ik iets te doen heb in dit leven, iets dat ertoe doet. Ik zou moeten voelen dat het me raakt, dat het pijn doet en dat het me vooruit duwt. En nu voel ik dat niet, denk ik.’
‘Soms zie ik dat aan je, denk ik, als ik dat mag zeggen. Soms is er iets in je ogen. Alsof ze zich terugtrekken, heel even. En daarna zijn ze er weer zoals ik ze altijd kende.’
‘Misschien heb je wel gelijk.’
‘De zee zal je wel helpen.’
‘Ik hoop het.’
‘En ik zal aan je denken.’
‘Dat weet ik. En misschien moeten we, wanneer ik weer terug ben, nog eens wat meer tijd maken om te praten. Gewoon. Met jou kon ik dat altijd goed. En niemand kent me zoals jij me kent, dat is niet veranderd.’
‘Ja, dat zullen we doen.’
‘Heb je schrik om alleen te zijn nu?’
‘Nee, dat ook weer niet. Ik kijk er ook wel naar uit. Het is goed om mezelf tegen te komen en een beetje te botsen en te schuren. En daarna komen de dingen wel die goed zijn voor mij.’
‘Jij kunt dat goed. Beter dan je zelf beseft, denk ik soms.’
‘Denk je dat?’
‘Ik weet het wel zeker. En ik heb nog iets meegebracht voor jou. Hier. Om bij te houden terwijl ik weg ben.’
‘Dat ontroert me.’
‘Vroeger schreef je brieven. Dat zal ik nooit vergeten. Ik heb ze nog allemaal, denk ik.’
‘Wie weet heb ik wel zin om nog eens een brief te schrijven.’
‘Dat zou fijn zijn.’
‘Misschien moet je onderweg gewoon even iets zeggen aan de zee. Ik fluister het nu even in je oor.’
‘Ja, dat zal ik doen.’
‘Ze weet al dat je komt, trouwens.’
‘De zee?’
‘Ja. Ik heb het haar al gezegd.’
‘Dan kan er niets fout gaan dus eigenlijk.’
‘Nee.’