16 augustus 2026

Think Like a Forest


Het zijn vragen die voor velen van ons verscheurend kunnen zijn. Hoe breng je je kinderen groot in een wereld die elke dag meer wordt geconfronteerd met de aan de gang zijnde klimaatontwrichting? Wat zeg je tegen je kinderen? Hoe kun je een goede vader of moeder zijn, je kind beschermen, en tegelijk eerlijk zijn over de staat van de wereld? Hoe kun je je kinderen leren om weerbaar te zijn zodat ze zo goed mogelijk hun weg kunnen vinden in de tijden die komen?

Ben Rawlence maakte er een heel oprecht, hartverwarmend en ontroerend boek over, Think Like a Forest, dat de klimaatcrisis niet verbloemt of minimaliseert. Hij schreef kinderen naar zijn twee dochters. Hij begon eraan net voor zijn eerste dochter geboren werd, en bleef nog twaalf jaar schrijven. Ondertussen startte hij zelf, in Wales, met een instituut waar mensen opleidingen kunnen volgen om hun weerbaarheid te versterken in een toekomst die niet eenvoudig zal zijn.

In de brieven spreekt hij als jonge vader in eerste instantie eigenlijk ook tegen zichzelf. Ze zijn een ingedikte weergave van zijn eigen zoektocht naar een zinvolle grondhouding in een wereld die op de rand van een ecologische ineenstorting staat. Is het net wel of net niet een goed idee om kinderen in deze wereld te brengen? En als ze er zijn, hoe kunnen we dan goede ouders zijn? Het komt allemaal aan bod.

Naarmate de twee meisjes opgroeien worden de brieven – die ze officieel maar zullen mogen lezen wanneer ze volwassen zijn – steeds meer een dialoog. In elke brief gaat het over een bepaalde kwestie of vraag. De ervaringen van de kinderen die hun weg zoeken in het leven veranderen de inzichten van de vader. Het verandert ook zijn gevoel van verantwoordelijkheid.

De kinderen kunnen opgroeien in een natuurrijke omgeving die ook nog eens de drager is van oude verhalen en geschiedenissen. Soms moet je als vader of moeder gewoon kijken. De jonge meiden hebben op hun manier een heel vanzelfsprekende band met de rest van de natuur om hen heen, waar ze zichzelf een deel van voelen. Daarmee hebben ze ook een van dé sleutelelementen om te komen tot een andere meer toekomstgerichte grondhouding.

Het blijft altijd een moeilijke afweging. Wat vertel ik wel, en wat vertel ik niet? De auteur kiest ervoor om eerlijk te zijn, maar op een manier waarbij hij telkens ook vanuit zijn kinderen probeert te denken. Zij weten heel erg goed in welke wereld ze zijn terechtgekomen. Ze willen dat hij eerlijk is. En tegelijk is dit alles maar een deel van al die andere dingen die horen bij de kindertijd. Het is heel moeilijk om te voelen hoe alles op een rustige manier beweegt.

Je merkt dat er nog hard is gewerkt aan de brieven, om ze in een mooi evenwicht te krijgen en ook aantrekkelijk te maken voor andere lezers. Je merkt goed hoe Lawrence heel erg waakt over de toon van wat hij schrijft. Bij dat alles werkte hij ook samen met een bekende Britse klimaatpsychologe. Maar het didactische ligt er nooit te dicht op, het zijn reflecties gericht aan zijn dochters.

Het is heel erg mooi hoe inzichten groeien bij de schrijvende vader. Uit zijn eigen overtuiging, en uit wat hij bij kinderen ziet, wil hij meegeven dat het belangrijk is om te leren denken als een bos, vanuit samenhang met al het andere dat leeft. En ruimer, naar de maatschappij toe, voelt hij hoe belangrijk het is dat we terug leren kijken naar de wereld door de ogen van een kind.

Het is ontroerend hoe deze vader probeert zijn rol in te vullen vanuit een ‘leven in waarheid’. Hij wil geen illusies meegeven aan zijn dochter, hoezeer het hem ook verdrietig en soms machteloos maakt. In zijn zoektocht zie je de confrontatie met het grote verlies dat we als mensheid organiseren en de vraag hoe je je daar tegenover moet verhouden. Het is een combinatie van eerlijk kijken naar het nu om daarin te kunnen leven en handelen, en tegelijk de wereld van morgen voorbereiden, niet vanuit de logica die ons in de huidige noodtoestand heeft gebracht. Het is interessant hoe Rawlence daarbij regelmatig verwijst naar zijn ervaringen in de humanitaire sector in Afrika. Een van de dingen die hij daar leerde is dat aanvaarding van (de ernst van) het heden een voorwaarde is voor hoop. Dat impliceert ook onder ogen zien wat het kan betekenen dat maatschappelijke structuren zoals we die kenden in elkaar kunnen klappen.

Think Like a Forest is een boek dat een heel zachte en eerlijke menselijkheid uitstraalt. Het kan voor velen een inspiratie zijn om een weg te vinden in turbulente tijden. Het boek gaat de moeilijke vragen niet uit de weg, maar geeft ze een plaats in een ontroerend gesprek tussen een vader en zijn dochters. En zoals zo vaak hebben we als ouders soms vooral veel te leren van onze kinderen. Misschien is het vooral belangrijk dat we onze kinderen niet in de steek laten, nooit in de steek laten, in de tijd die komt. Laten we naast hen zitten en kijken naar alles wat is.

Naar het einde van het boek merk je – we zijn ondertussen in 2025 – hoezeer Rawlence zich zorgen begint te maken over nieuwe uitdagingen. Het gaat niet alleen over de klimaatcrisis, maar ook over een mogelijk oprukkend fascisme. Maar ook hij moet op een bepaald moment zijn kinderen loslaten in de wereld. En dan moeten zij het verhaal verder schrijven (en dat aan hem vertellen).

15 augustus 2026

De zon kwam terug


De dagen schuiven verder. (Over de helft.)

Tijd voor de ramen. (Op zo’n moment zou je – heel even – helemaal van rubber moeten zijn. Op zo’n moment zou je met een eenvoudige vingerknip ineens al die dingen die daar staan moeten kunnen wegtoveren.) De ramen dus. (Dit keer gaat het lukken!) Na enkele minuten merk je – zoals altijd – dat het ook dit keer niet zal lukken, die ultiem schone en volledig streepvrije ruiten. Het is een oefening in omgaan met onbestendigheid. (Ja ja, zal wel…)

Even op en neer naar Gent, voor een afspraak. Lekker lezen in de trein. (O wat is dat een geweldig boek…)

Je kijkt naar de tekst die je kreeg. Iets als: je langzaam in een tekst inademen, telkens opnieuw kijken en de woorden voelen. (Hopelijk komt het goed over.)

Die stramme spier, in de buurt van je schouder, heeft nog geen zin om tijdens de nacht over te gaan tot de totale ontspanning. (Je hebt blijkbaar iets niet, over overgave.)

Een nieuwe dag. Je werkt verder op de tekst. Nu is het kneden. Hier een stukje weg, daar een stukje erbij, hier een stukje opschuiven. En kijken, hoe de tekst beweegt naar een ander evenwicht. (Je moet enkel volgen.)

Terwijl je het boek verder leest, bijna uit, moet je regelmatig aan iemand denken. (Het is iets voor haar, denk je. Je zult het haar cadeau doen. Ze zal het wel begrijpen waarom.)

(En al een wat rusteloos lichaam. De spanning wordt opgebouwd naar de volgende dag, naar het verdwijnen van de zon. Alsof er iets moet, alsof iedereen, terwijl het voor jou iets is van toen.)

Een stukje schrijven over het boek. Het stroomt.

Een volgende dag. Even op en neer naar het werk, om een scan te maken. Er is niemand daar. Het is wel fijn om er even te zijn, je plek te voelen, het licht te zien.

(Straks gaat het gebeuren, dus. De zon die even zal verdwijnen. Het is raar wat het met je lichaam doet. Toen, in 1999, was de zonsverduistering een kantelpunt, het begin van een hele periode. Je weet waar je nu bent. En toch, ergens is er een stem die zegt dat je terug naar toen zou kunnen kantelen.)

(En je denkt aan de mensen die je toen door alles door hebben gehaald, je hebt je leven aan hen te danken. Je gaat het hun nog eens zeggen.)

(Je denkt aan iemand. Op een of andere manier zou je haar iets willen laten voelen. Iets als: in jouw en mijn lichaam heeft dezelfde ziekte iets ingeschreven, maar we zijn er nog, met onze littekens. Een traag beeld. Misschien komt het wel bij haar.)

En dan is het moment daar. Je gaat op je terras zitten, leest in het tijdschrift, en kijkt en luistert naar het licht, voelt het licht. Je bent aan de andere kant, je blijft aan de andere kant. Je schrijft enkele zinnen, het heelt zich.

Een nieuwe dag. (Straks enkele berichtjes sturen, zoals je je hebt voorgenomen om hen te bedanken voor toen, voor zoveel leven dat bij je bleef.)

Een afspraak met een dierbare vriendin. Een heel erg mooi gesprek, het raakt je erg. (Je bent een watje, en dat is prima.) Een geschenk.

Een heel warme dag.

Je afspraak voor de jaarlijkse controle van je oordoppen. Er zijn geen lekken, zo blijkt. Dat dat al zoveel jaar zo is, is uitzonderlijk, zegt de mevrouw. (Ze wil precies nog vanalles zeggen, maar het komt niet echt.)

Je leest het boek uit.

(De zomer toen, de zomer nu. Beelden.)

Je schrijft een stukje over het boek. (Je weet nooit van tevoren of het zal lukken, je weet pas tijdens het schrijven of je het boek goed vond.) (Je hebt trouwens ook dat dikke boek over verlies uit, maar daarover ga je niets schrijven, denk je)

Een verse dag. Je beseft ineens dat je je weekendboodschappen moet doen.

De mevrouw in de winkel is terug, ze was een hele tijd weg. Je bent blij haar te zien, het is wederzijds.

Het wekelijkse tekstje. (Het vraagt je veel energie. Je bent nog altijd zo eindeloos kwaad, je probeert zachte woorden te vinden die genoeg zeggen. Je roept iets …  over de eerste minister die de weergoden gaat aanroepen. Dat kon er nog wel even bij, na eerder de barbecue en het zwembad, nu de weergoden. Je roept iets … Zouden ze trots zijn op zoveel brutaal cynisme? Je roept: SHAME ON YOU!)

Het is de warmste dag van het jaar. (Het begint een beetje te wegen, merk je, het maakt je zo moe.)

Een nieuw boek. Over wat een vader aan zijn dochters vertelt, over een ontrafelende wereld. Het ontroert je. (En het boek zelf is ook mooi. De letters zijn mooi, het voelt goed in je handen.)

Van die serie wil je het laatste seizoen zeker helemaal nog eens zien. (Het ontroert je erg. Het zal de vader in jou zijn.)

En nog eens vroeg op, zoals al wekenlang, om de koelte binnen te laten. Vaststelling: er is nauwelijks koelte buiten, maar het huis is wel blij.

En toch nog even naar de winkel. Een praatje aan de kassa. Ze kijkt zo uit naar regen, en koelte, zegt ze.

Je zoekt even naar het boek dat ooit van je grootvader was. “Onze bouwmaterialen. Deel IV. Hout.” (Van Prof. J.A. Van Der Kloes.) Hij kreeg het ooit als prijs, op de vakschool waar hij werd opgeleid tot schrijnwerker. Op een andere manier maakt het je rustig, te lezen over al die soorten hout en waarvoor ze kunnen gebruikt worden. Je zou het hem graag willen vragen nu, dat hij zou vertellen over het hout.

Je hoort het nieuws van de grote (de grootste) natuurbrand. Een gehucht moet ontruimd worden. Ooit was je daar, voor enkele dagen vakantie met een vriendin. Je stuurt haar een bericht.

(De weergoden blijken niet onder de indruk van cynisme. De Rijn is het ook nog steeds niet.)

13 augustus 2026

Beste Michele


Mensen die brieven schrijven naar elkaar, en zo een wereld onthullen van verbondenheid, falen, geheimen, zoeken, en nog veel meer. En dat in een heel directe, vaak heel grappige stijl, die menselijke tragiek en een beklemmende maatschappij laat doorschemeren. De Italiaanse Natalia Ginzburg doet het in Beste Michele, een boek dat in Italië verscheen in 1973 en nu een nieuwe Nederlandse vertaling kreeg.

Begin jaren 70 zat Italië volop in de zogenaamde ‘loden jaren’, een periode van veel geweld. Met aan de ene kant een opnieuw oplevend extreemrechts, met terroristische aanslagen, en ook extreemlinkse groepen als de Rode Brigades die door gewelddadige acties van zich lieten horen. Veel jongeren ‘verdwenen’, en bleken dan aangetrokken te zijn door extremistische groeperingen.

In die context – die verder niet uitdrukkelijk benoemd wordt in het boek – is de jonge Michele plots verdwenen uit Italië. Hij is op de vlucht voor de politie en gaat naar Engeland. Veel details kom je niet te weten, maar hij was waarschijnlijk op een of andere manier betrokken bij de activiteiten van een linkse groep. Het boek gaat niet zozeer over zijn belevenissen of daden, maar veeleer over hoe het thuisfront met die nieuwe situatie omgaat.

In het boek, dat voornamelijk uit brieven bestaat die de verschillende personages naar elkaar sturen, maken we onder meer kennis met de moeder van Michele, zijn zussen, een vriend, zijn tante, een vriendin die net een kind kreeg dat mogelijk van Michele zou kunnen zijn. Het begint met een heel aangrijpende brief van moeder Adriana waarin ze aan haar zoon zegt dat hij dringend langs moet gaan bij zijn vader, die erg ziek is. Ze vertelt waar ze in haar dagelijkse leven mee bezig is. Maar tussen de regels kom je alles te weten over hoe ze haar zoon mist, en hoe ze hem eigenlijk ook wel terechtwijst en op meer of minder subtiele wijze tot de orde wil roepen, over haar eigen onrust en teleurstellingen in het leven, over allerlei ergernissen. En vanaf dan gaat het verder in de ene na de andere brief. Michele blijkt dus ondertussen niet meer in Italië te zijn. Hij antwoordt soms zelf, in heel korte feitelijke brieven waarin hij geld vraagt of waarin hij aan zijn zus vraagt om uit zijn kamer een verborgen mitrailleur op te halen en die in de rivier te gooien. Als hij antwoordt, is het vooral aan de anderen, niet zo vaak aan zijn moeder. In de verschillende brieven vraagt de ene om dingen door te zeggen aan de andere. Zo krijg je steeds meer zicht op een ingenieus web van mensen die met elkaar praten of niet praten en op hun soms onhandige of stotterende manier dat web in stand houden.

Als lezer voel je de onderhuidse onrust over die jonge man die uit beeld is verdwenen. De snippers die terugkeren doen vermoeden dat hij zich afschermt, misschien nog in contact is met zijn vroegere kameraden of misschien helemaal niet meer. Hij weet niet zo goed wat hij met zijn leven wil, gaat van het ene naar het andere baantje, blijkt dan ineens getrouwd te zijn, verdwijnt dan weer. Soms geeft hij instructies of reageert kort. De anderen praten veel uitgebreider in hun brieven aan hem en aan elkaar, en praten soms vooral over zichzelf en hun eigen haperende leven. De jonge vrouw Mara, die pas een kind kreeg dat mogelijk van Michele zou kunnen zijn, of misschien ook niet, werkt zich op een ontwapenende en stuntelige manier telkens in de nesten. Een van de zussen van Michele, Angelica, probeert de brokstukken van het disfunctionele gezin wat bij elkaar te houden, maar is zelf ook niet zo gelukkig in haar eigen leven. Er is de wat sullige of brave vriend Osvaldo die als een soort loopjongen tussen de anderen de gaten vult. De partners van de twee oudste zussen blijven een beetje uit beeld, net als de jonge tweeling. Er is een uitgever die eerst de minnaar is van de ene en daarna de andere. Adriana en de vader van Michele zijn al lang uit elkaar, maar blijven in een merkwaardige dans om elkaar heen draaien.

Er zijn grappige verhaalmotieven, zoals het eindeloze gedoe van Adriana om thuis een telefoonaansluiting te krijgen of zoals een bouwvallige toren die is aangekocht en die al dan niet een verbouwing zou moeten krijgen.

De structuur van een boek met voornamelijk brieven geeft het geheel een grote spankracht. Die hangt verder in grote mate samen met de heel heldere en directe stijl die Ginzburg hanteert. Het is wonderlijk hoe haar zinnen bijna onopvallend heel trefzeker zijn en een grote empathie uitstralen. De toon is licht, maar ook melancholisch, vaak heel grappig en heel direct.

Naarmate je verder in het boek zit, begin je je te hechten aan die personages die allemaal op hun manier verkeerde keuzes maakten en maken. Je ziet hun kleine kanten, maar ze worden toch ook met veel liefde gepresenteerd. Op de achtergrond kun je een heel onzekere en grimmige maatschappij vermoeden, maar vooraan en in die brieven krijg je een haperende normaliteit. Het is heel mooi hoe die mensen, via die brieven, een soort web maken waarin ze elkaar bij de hand houden en op een of andere manier voor elkaar zorgen of de zorg van een ander zoeken. Zoveel dingen worden of zijn niet gezegd. Ze hengelen naar elkaars aandacht, soms op een tedere manier en soms nogal bot. Als het tragische lot toeslaat davert de hele constructie, maar ze laten elkaar niet los. De brieven zijn bruggen, in een onzekere wereld. Beste Michele is een heel mooi boek, in een heel vloeiende vertaling die het boek op geen enkele manier gedateerd maakt. Het is merkwaardig hoe het boek je op een of andere manier lijkt te verzoenen met het leven. Heel bijzonder en de moeite.

12 augustus 2026

Je kunt je neerleggen in de tijd


Het is die tijd van het jaar. En het is ook nog dat kantelen, even in en uit het licht.

Zoals elk jaar ga je even terug naar toen. Soms komt het vanzelf, soms moet je een stap zetten, om weer daar te zijn.

Die zomer van 1999. Al de hele tijd een lichte koorts, net onder je huid. Je dacht dat het wel over zou gaan.

En toen was er die zonsverduistering in augustus. Je had afgesproken bij een dierbare vriendin in de tuin, samen met heel wat anderen.

En het werd donker, en het werd fris. En jij begon helemaal te rillen.

Een dag later, naar de dokter. Enkele dagen later, een eerste onderzoek. Nog enkele dagen later, opname voor observatie. En nog enkele dagen later, de man tegenover je vertelt met ingewikkelde woorden wat uit de onderzoeken bleek. Beneden in de hal, na het gesprek. Je vraagt aan je huisarts, die erbij was of die man gezegd heeft dat je kanker hebt. Ja dus.

En toen ging het allemaal snel.

Je werd lid van de familie.

Pas later zou je beseffen hoe ongelooflijk veel geluk je hebt gehad.

Soms is het al zo ver weg. Soms is het ineens weer zo dichtbij.

Je was er niet op voorbereid dat je door ziek te worden anderen verdriet deed, dat dat zou kunnen. Er waren zoveel mensen in het ziekenhuis, er was je dokter, zij hielden je in het leven. En er waren al die dierbaren, zoveel. Je was er niet op voorbereid, dus. Zij hebben je gedragen, de hele tijd. En je besefte: ik ben niet van mezelf alleen.

Het is goed, denk je, om elk jaar even stil te staan bij toen. Om hen te eren. Je buigt het hoofd.

En evenzeer om te denken aan zoveel naasten die er ondertussen niet meer zijn, door diezelfde kloteziekte. Het is alsof zij je gevraagd hebben om ook voor hen verder te leven. Je weet nog altijd niet goed hoe je dat moet doen. Je probeert. Je koos ervoor om lid te blijven van de familie. Om dankbaar te blijven, om hun naam te blijven noemen.

Elke avond buig je voor het leven. Elke avond ben je dankbaar, dat je zomaar een dag extra gekregen hebt. Elke dag voelt nog altijd als een dag extra, sinds toen. Het is goed om die nederigheid te oefenen.

Dat lichaam, dat al onveilig was, of gewoon ‘niets’, was er ineens, liet je in de steek. Het werd een beetje uit elkaar getrokken, was daar, en het was lang zoeken naar een hier. Je bent vrienden geworden, denk je. Het verhaal dat de ziekte in je lichaam schreef, is als een gast, die je hebt leren verwelkomen, die is blijven plakken, die altijd mag blijven. Je leert nog elke dag, en daar ben je dankbaar voor. De littekens en de deuken zijn er nog, ze zijn deel van je aanraakbaarheid.

Je bent bij de gelukkigen, die in het leven mochten blijven. Waarom, dat weet je niet. Als je blijft, hoef je die vraag niet te beantwoorden. Als je de anderen in jou blijft voelen, als zij mogen blijven, kun jij blijven.

Het duurde jaren eer je erop durfde te vertrouwen dat je misschien wél oud zou kunnen worden. Het zoeken vervlocht zich met zoveel andere verhalen die in je lichaam waren geschreven. Ze namen hun tijd om samen te helen, en dat was goed. Je adem beweegt nu mooi om de littekens en deuken heen, en iedereen mag ze zien.

Vaak is het niet meer dan een vaag achtergrondgeruis, dat zich zo nodig laat oproepen. En soms is het er ineens, op een onbewaakt moment. Als een niet zichtbare kleine bliksem die inslaat. En dan wacht je gewoon.

En toen was er ineens die nieuwe zonsverduistering. (In diezelfde zomer dat voor jou ook iets werd afgesloten in dat ziekenhuis.) En het was raar. Naarmate iedereen gekker leek te worden, begon je lichaam te twijfelen, leek het zich achter de linies terug te trekken.

Alsof er iets zou gebeuren, in dat moment waarin het licht zich zou terugtrekken. Alsof iets van toen zich tussen die spleet zou wringen in het nu, om je terug te halen. Alsof je het weer zou horen: jij zult altijd toen zijn. Alsof al dat hollen voor niets zou zijn geweest.

Je zou gewoon gaan zitten buiten, en kijken. Niet naar de zon, maar naar het licht rondom je. De zachte koele wind leek je al iets te willen zeggen. En het kwam, en het ging, en dat was het. En het licht leek te lachen. Het licht leek te ademen.

En alles wat er door je heen was gegaan, het legde zich neer. Alsof het zei: je kunt je neerleggen in de tijd, het mag.

Misschien had je iemand iets willen vertellen, iets laten zien. Misschien had je traag willen kijken. Als een dans in het blijven. Het is, en dat is genoeg.

En straks buig je weer voor de dag. Voor jou. Voor hen.