Het is die tijd van het jaar. En het is ook nog dat kantelen, even in en uit het licht.
Zoals elk jaar ga je even terug naar toen. Soms komt het vanzelf, soms moet je een stap zetten, om weer daar te zijn.
Die zomer van 1999. Al de hele tijd een lichte koorts, net onder je huid. Je dacht dat het wel over zou gaan.
En toen was er die zonsverduistering in augustus. Je had afgesproken bij een dierbare vriendin in de tuin, samen met heel wat anderen.
En het werd donker, en het werd fris. En jij begon helemaal te rillen.
Een dag later, naar de dokter. Enkele dagen later, een eerste onderzoek. Nog enkele dagen later, opname voor observatie. En nog enkele dagen later, de man tegenover je vertelt met ingewikkelde woorden wat uit de onderzoeken bleek. Beneden in de hal, na het gesprek. Je vraagt aan je huisarts, die erbij was of die man gezegd heeft dat je kanker hebt. Ja dus.
En toen ging het allemaal snel.
Je werd lid van de familie.
Pas later zou je beseffen hoe ongelooflijk veel geluk je hebt gehad.
Soms is het al zo ver weg. Soms is het ineens weer zo dichtbij.
Je was er niet op voorbereid dat je door ziek te worden anderen verdriet deed, dat dat zou kunnen. Er waren zoveel mensen in het ziekenhuis, er was je dokter, zij hielden je in het leven. En er waren al die dierbaren, zoveel. Je was er niet op voorbereid, dus. Zij hebben je gedragen, de hele tijd. En je besefte: ik ben niet van mezelf alleen.
Het is goed, denk je, om elk jaar even stil te staan bij toen. Om hen te eren. Je buigt het hoofd.
En evenzeer om te denken aan zoveel naasten die er ondertussen niet meer zijn, door diezelfde kloteziekte. Het is alsof zij je gevraagd hebben om ook voor hen verder te leven. Je weet nog altijd niet goed hoe je dat moet doen. Je probeert. Je koos ervoor om lid te blijven van de familie. Om dankbaar te blijven, om hun naam te blijven noemen.
Elke avond buig je voor het leven. Elke avond ben je dankbaar, dat je zomaar een dag extra gekregen hebt. Elke dag voelt nog altijd als een dag extra, sinds toen. Het is goed om die nederigheid te oefenen.
Dat lichaam, dat al onveilig was, of gewoon ‘niets’, was er ineens, liet je in de steek. Het werd een beetje uit elkaar getrokken, was daar, en het was lang zoeken naar een hier. Je bent vrienden geworden, denk je. Het verhaal dat de ziekte in je lichaam schreef, is als een gast, die je hebt leren verwelkomen, die is blijven plakken, die altijd mag blijven. Je leert nog elke dag, en daar ben je dankbaar voor. De littekens en de deuken zijn er nog, ze zijn deel van je aanraakbaarheid.
Je bent bij de gelukkigen, die in het leven mochten blijven. Waarom, dat weet je niet. Als je blijft, hoef je die vraag niet te beantwoorden. Als je de anderen in jou blijft voelen, als zij mogen blijven, kun jij blijven.
Het duurde jaren eer je erop durfde te vertrouwen dat je misschien wél oud zou kunnen worden. Het zoeken vervlocht zich met zoveel andere verhalen die in je lichaam waren geschreven. Ze namen hun tijd om samen te helen, en dat was goed. Je adem beweegt nu mooi om de littekens en deuken heen, en iedereen mag ze zien.
Vaak is het niet meer dan een vaag achtergrondgeruis, dat zich zo nodig laat oproepen. En soms is het er ineens, op een onbewaakt moment. Als een niet zichtbare kleine bliksem die inslaat. En dan wacht je gewoon.
En toen was er ineens die nieuwe zonsverduistering. (In diezelfde zomer dat voor jou ook iets werd afgesloten in dat ziekenhuis.) En het was raar. Naarmate iedereen gekker leek te worden, begon je lichaam te twijfelen, leek het zich achter de linies terug te trekken.
Alsof er iets zou gebeuren, in dat moment waarin het licht zich zou terugtrekken. Alsof iets van toen zich tussen die spleet zou wringen in het nu, om je terug te halen. Alsof je het weer zou horen: jij zult altijd toen zijn. Alsof al dat hollen voor niets zou zijn geweest.
Je zou gewoon gaan zitten buiten, en kijken. Niet naar de zon, maar naar het licht rondom je. De zachte koele wind leek je al iets te willen zeggen. En het kwam, en het ging, en dat was het. En het licht leek te lachen. Het licht leek te ademen.
En alles wat er door je heen was gegaan, het legde zich neer. Alsof het zei: je kunt je neerleggen in de tijd, het mag.
Misschien had je iemand iets willen vertellen, iets laten zien. Misschien had je traag willen kijken. Als een dans in het blijven. Het is, en dat is genoeg.
En straks buig je weer voor de dag. Voor jou. Voor hen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten