28 januari 2024

Annalena


Ik zag haar voor het eerst in de trein. Eigenlijk moet dat zijn: in het halletje. Het was erg druk in de trein. Papa’s en mama’s liepen heen en weer met hun kinderen, in de hoop dat er ergens nog plaats zou zijn. Ik zat op de grond, naast de deur, probeerde wat te lezen in mijn tijdschrift. Mijn gedachten dwaalden regelmatig af, een gesprek eerder die dag bleef in mijn hoofd bewegen. 

Ze kwam naast me zitten, keek me aan, en vroeg me toen of het interessant was, dat wat ik aan het lezen was. Ik zei dat ik dacht van wel, al was ik niet zeker, ik bleef de hele tijd haperen in de tekst. Ik stopte het tijdschrift weg in mijn tas en vroeg me af welke vraag ik haar zou stellen.

‘Heb je al mooie gedachten gehad vandaag?’

Annalena, zo heette ze. Ze glimlachte, en zei dat dat een mooie vraag was.

‘Het is zo’n vraag waarvan je hoopt dat iemand ze je zal stellen. En dat gebeurt bijna nooit. Behalve nu dus.’

Het was alsof haar ogen nog groter werden. Ze keek naar het jongetje in de kinderwagen net naast ons en leek even te zuchten.

‘Ja, eigenlijk wel. Vanmiddag dacht ik ineens: waarom zou ik geen goede moeder kunnen zijn? En dat verraste me. Laten we zeggen dat ik thuis niet altijd heb gezien wat dat is, een moeder die rust heeft in zichzelf, en haar kinderen veiligheid en geborgenheid kan geven. Ze deed haar best, denk ik, en ze wilde het allemaal wel, maar het lukte niet altijd. Ik ben vroeg weggegaan thuis, ik wilde op mijn eigen benen kunnen staan en mijn eigen plek hebben.’

Ik vroeg haar of dat was meegevallen, of ze had gevonden wat ze zocht.

‘Een beetje wel, een beetje niet. Het was moeilijker dan ik had gedacht. Ik heb zo vaak gehoord dat ik het wel niet zal kunnen, dit of dat. Ik kan soms nogal onrustig zijn, terwijl ik eigenlijk alles zo graag wil. En dan denken mensen soms al eens dat ik niet zo slim ben, of gewoon geen zin heb in de dingen. Maar dat is niet zo. Ik heb moeten leren zien dat ik wel veel dingen kan en dat er mensen zijn die bij me blijven en in me geloven.’

Of ze grote dromen had, vroeg ik haar.

‘Ik denk dat ik tot voor kort nooit durfde denken aan mijn dromen. Dat was te gevaarlijk. Als je van iets droomt, kun je het ook altijd weer verliezen. Je denkt al snel dat alleen anderen dromen mogen hebben of zo. Misschien zal het wel altijd moeilijk blijven. Maar ja, ik heb veel dromen, denk ik. Ik droom van een plek die een beetje groter is dan waar ik nu woon. Het moet niet veel zijn, maar het zou fijn als het er warm is. Misschien een appartementje, in een groter huis, waar ook nog andere mensen wonen, leuke mensen.’

Ik vroeg haar of moeder worden ook een droom was.

‘Die vraag is een beetje te moeilijk, het is alsof ik ze niet aan mezelf mag stellen. Dat dacht ik toch altijd. Alsof ik het alleen maar zou kunnen verknallen, alsof ik er geen recht op zou hebben of zo. En vanmiddag zat ik even buiten, en ik keek naar het mooie licht. Twee meisjes waren aan het spelen, hun mama’s waren er ook bij. Het ene meisje probeerde op rolschaatsen vooruit te gaan, haar mama bleef de hele tijd naast haar. Het andere meisje liep er omheen, haar mama stond toe te kijken. En ik vroeg me af hoe het bij mij was geweest. Ik denk dat ik het gewoon alleen heb geleerd, letterlijk met veel vallen en opstaan. En het leek me ineens zo fijn, dat je zoiets kunt leren terwijl er iemand naast je loopt. In het begin toch. Ik weet niet hoe dat voelt. Maar het leek me ineens zo normaal, op een bepaalde manier, al kende ik het niet, en toen dacht ik: waarom zou ik het niet kunnen zo, waarom zou ik geen goede moeder kunnen zijn?’

Het ontroerde me heel erg, wat ze zei. Misschien zag ze dat ik heel even een traan moest wegpinken, het geeft niet. Misschien mogen we dat laten zien aan elkaar.

‘Het is wel een beetje raar dat ik dat nu allemaal zomaar zit te vertellen. Misschien straal jij dat uit of zo, dat verhalen bij jou veilig zijn. Het is wel een fijn gevoel. Kun jij trouwens rolschaatsen?’

Ik vertelde haar dat ik dat niet kon, als kind ook al niet. Het had iets te maken met die operatie aan mijn voeten, zo was het toch in mijn herinnering.

‘Maar misschien kun jij wel goed lopen naast iemand die het aan het leren is. Ik denk het wel eigenlijk.’

En toen kwamen we aan in het station waar we allebei uitstapten. Zij ging in de ene richting van het perron, ik in de andere. Ik draaide me nog even om, en net op dat moment deed zij het ook. Ze wuifde me nog na. En ik was misschien wel klaar voor mooie gedachten.

26 januari 2024

Gentle


(Je hebt die grote tekst te maken. Het gaat maar zo snel als het gaat. Je kunt enkel het ritme van de tekst volgen, de woorden in je handen. Eens je het ritme hebt gevonden, schuif je elk overschotuurtje in de tekst, die rustig verder beweegt. En zo gaan de dagen, lijkt het wel.)

De ritmes van de dag. En soms denken aan het licht van februari, dat zich laat vermoeden. Als een geschenk.

(Wat zul je koken, binnen enkele dagen, wanneer je bezoek krijgt? O ja, je ziet iets.)

Wachten op de trein. (Vertragingen, afgeschaft, en zo.) Laat die trein maar voorbij gaan, je wilt zitten. (Het blijkt later dat staan het nieuwe zitten is. Alles is goed.)

Een andere dag.

Teksten kneden. Hun spieren losmaken, met een zachte toets.

Die vrouw uit dat filmpje, hoe ze zo golvend beweegt, terwijl ze viool speelt.

Op bezoek bij de minister. (Wat een heerlijk gesprek.)

Je zegt aan de mevrouw in de winkel dat je het zult overleven dat het brood al gesneden is. (Sommige kwesties zijn overzichtelijk.)

Een andere dag. (Je kunt het hebben, dat kneden, op de tafel van de kinesiste.)

Je wordt verwacht op de vergadering. (Je stelt vast dat je daar gewoon moet zitten, meer niet. Je doet je best om intelligent voor je uit te kijken.)

Rustig wachten tot het verkeerslicht groen wordt, het is een oefening in zen, zou je willen zeggen aan die mensen. (Ze hebben geen zin in zen, denk je.)

Je ploegt je door de beleidsnota’s van de ministers. (Die laten zich niet kneden.)

(Een bericht dat het etentje niet doorgaat. Alles zat al in je hoofd, je had het recept al gecontroleerd. Oefenen in later.)

Je komt haar tegen in de winkelstraat. Of ze ook een gedicht zal schrijven, de volgende dag?

Je krijgt een spraakbericht. Het is fijn, haar stem te horen. (Ze is zomaar over de oceaan gevlogen.)

Je kijkt naar de acteur die oefent in dirigent zijn. Hoe mooi het is allemaal. (Welk stuk zou jij kiezen?)

Een andere dag. O ja, het is gedichtendag, je hebt een gedicht te schrijven. Welke woorden zullen naar je toe komen?

(Onderweg naar het werk, wachten op de woorden. Je ziet een woordloos beeld, daarna komen de woorden. Ze kneden jou, misschien wel. Het beeld is zwaar en licht tegelijk, misschien zullen de woorden alleen maar licht lijken.)

Je komt aan, enkele zinnen zijn er al. Je kijkt naar de woorden, op je scherm.

Het mag weg. Het lijkt lichter dan het droef is. (Iets in je lichaam is wel blij, het mag.)

(Je krijgt een mooie reactie.)

De nieuwe aflevering van die serie. Hoe mooi het is, hoe zacht die twee oudere mensen elkaar aanraken, hoe ze elkaar vinden.

Een nieuwe dag. Voor de vergadering probeer je nog zoveel mogelijk van de puzzeltekst klaar te krijgen.

Tijdens de vergadering wiebel je een beetje op je stoel.

De trein is zacht. (Ergens is er een verdriet, deze dag, je weet niet waarom, denk je.)

Je ziet een film over de gentle touch. (Alsof het klopt, dat je net vandaag die film ontdekt.) Je ziet je aanraakbaarheid. (Woordloos.)

Je schikt woorden in een tabel. 

Je loopt door de stad naar huis, met een tas vol boeken. Ze laten zich gewillig dragen, ze hebben het naar hun zin, denk je.

Je komt thuis, en kijkt naar het licht dat er nog is. Hoe mooi het is. (Februarilichtverlangen.)

Misschien kan het licht ook gentle zijn.

21 januari 2024

Oefenen


Daar waar de dingen het overnemen, en je je nadien afvraagt hoe je daar terechtkwam.

Hoe het dan traag door je lichaam moet, en hoe je gewoon kunt kijken.

Hoe klein het ook was, hoe anders al dan al het andere.

Het is, meer niet.

Dankbaar voor het falen.

Oefenen ook in kijken naar de dooi.

Niet weten waarom het zo droef lijkt.

Als een verlies van iets.

Misschien wou het water gewoon even wachten.

Misschien wil ook het water even winteren.

Waarna het weer kan bewegen.

Oefenen in oud zijn.

Of toch een beetje.

Oefenen in wachten, en vertrouwen.

Dat de dingen terug in elkaar schuiven, gewoon.

En dan kijken.

Kijken naar je handen.

En wat je zou zeggen.

Over dat trage bewegen.

Misschien is het aan te raken in afwezigheid.

Misschien niet.

Het is.

En kijken naar wat zich in de winter terugtrok.

Als in een tijdelijke dood.

En dan in zwart en wit.

Oefenen in vormen van winterverlangen.

Wat je daar zou benaderen.

Op die plek.

Misschien is kijken naar het water genoeg.

Wat blijft in verdwijnen, wat verdwijnt in blijven.

Je zou nog antwoorden op die ene vraag.

Besef je nu.

Zacht als een lotus.

En.

Hoe zou de nacht klinken?

Zonder sneeuw.

Iets met overgave.

19 januari 2024

Wie raakt jouw stem aan


Een week die zich wit aankondigt.

Je haalt een nieuwe lading boeken op. Met de speciale (letterlijk) boekentas. (Die er nog altijd een beetje onnozel uitziet.) Je glimlacht.

Je geeft het pakje af in het postkantoor. (Dit keer is het net niet te dik. De dikte bepaalt de identiteit, of brief, of pakje. Dus een briefpakje of een pakjespakje.)

Ze komen door de lichte sneeuwbui naar je toe. Je ziet hen komen. Om de samenkomst binnen enkele weken voor te bereiden. Je hebt soep gemaakt voor hen.

Een andere dag. Je fietst naar je vergadering, in de abdij. Je aarzelt nog wat bij het laatste stuk, waar het nog glad is.

Later in de trein. Je krijgt een berichtje van een stoere meid, die een melodie zoekt en noteert. Of die eerste maten al goed zijn. (Je glimlacht.) Ze zijn helemaal goed, kun je later melden. (Je bent trots.) (Heb je dat al gezegd?)

Net als de voorbije dagen bel je even met haar. Hoe gaat het vandaag? (Ze doet dat goed.)

Je werkt verder aan die grote tekst. (Eens je binnen bent, kun je beginnen kneden.) 

Merkwaardige dromen, iets dat blijft.

Een andere dag. Je blijft thuis werken, klaar voor de sneeuw.

Een bericht van je maatje, hij heeft een cadeau voor jou. (Woew!)

De sneeuw is er. Eerst voorzichtig, dan voluit.

Na de middag ga je al een eerste keer ruimen, als om een laagje leeg onder de nieuwe sneeuw te leggen.

De mysterieuze stilte die meekomt met de sneeuw, die vond je altijd al zo mooi.

Het heeft iets met overgave te maken, denk je. (Wat de sneeuw van je vraagt.)

De kinderen hebben het helemaal naar hun zin daar buiten. (Je glimlacht.)

De man in het journaal die met een uitgestreken gezicht vertelt dat de sneeuw wel fijn is, maar dat het toch wel jammer is dat die niet kwam tussen kerst en nieuwjaar. Dat zou blijkbaar beter zijn uitgekomen of zo. Alsof hij ergens recht op heeft of zo. (Grrr…)

Die avond, je bent op weg naar het concert. Je zoekt plekken met weerstand. (Misschien moet je je overgeven aan het zoeken.) Er komen toch nog andere mensen naar het concert, een beetje schuifelend door de sneeuw. Ze is nog op tijd daar.

Tijdens een concert of een film ben je eigenlijk een beetje behoorlijk onverdraagzaam. (De dingen die je niet zegt. Nee, je hebt je smartphone echt niet nodig nu. Nee, je hoeft niet te praten nu. Nee, je hoeft niet zo rusteloos heen en weer te schuiven. Nee, je hoeft niet te drinken. Nee, je hoeft niet de hele tijd foto’s of filmpjes te maken. Kun je niet gewoon stil zijn en luisteren, en kijken, en verdwijnen in dit nu. Straks tijdens de pauze kun je nog praten en wat dan ook.) Er gebeurt iets daar. Eerst is er die vrouw alleen. Met haar diepe stem. Daarna is er het duo. Hij aan de gitaar, zij zingt en speelt fluit. Pas nadien zie je iets in je hoofd van wat je hoort daar. Het is alsof hun stemmen worden aangeraakt door iets, alsof hun stemmen iets aanraken. Er is een wereld van verdriet en pijn en onrecht die die lage stem aanraakt, die door die stem heen spreekt. De stem volgt, zo lijkt het wel. En er is die andere stem, die zo vrij in de hoogte kan gaan, maar telkens vertrekt uit iets aards. Er is verdriet, er is ergens iets als rondtollend water, vol emoties, en daarop beweegt, bijna sierlijk en licht, die stem, zo vrij en zo aangeraakt tegelijk. 

De stilte van de sneeuw legt zich neer in de nacht. Je luistert naar de stilte, geeft jezelf uit handen.

Een andere dag, heel vroeg. Nu het grote werk van het ruimen van de sneeuw, je probeert een pad te maken, rondom het huis. 

Op weg naar het werk. (Je kunt het eigenlijk niet verdragen, dat zoveel mensen zich niets lijken aan te trekken van wat ze zouden moeten doen. Gewoon een veilig pad maken, tussen sneeuw en ijs. Je denkt aan die blinde man die je gisteren zag lopen. Hoe zou hij nu veilig op weg kunnen gaan? Die mensen vinden ongetwijfeld dat ‘men’ dat maar moet doen, zolang zij het maar niet zijn.) (Luidruchtige interne dialoog.)

Je verzendt foto’s van spelende kinderen in de sneeuw, thuis en gezien vanuit je bureau op het werk, over de oceaan. (Het blijft je fascineren, dat dat zomaar kan, foto’s die vliegen.)

Onderweg naar huis zoek je paadjes, kijk je naar mensen die behoedzaam paadjes zoeken. Misschien is het een mooie gedachte, dat de aarde waarop je je voeten zet, niet zomaar vanzelfsprekend is. Dat je mag beseffen dat ze je aanraakt.

Een andere dag. Onderweg naar het station in de ochtend zoek je krakende plekken. De twee jongens die je elke ochtend voorbij fietsen, in hun korte broek, ook nu. Ze lijken zo gelukkig, altijd.

De vergadering verloopt vlotter dan gedacht, netjes binnen de tijd.

Enkele treinen zijn afgeschaft, je neemt een stoptrein. Je komt een vriend tegen, een fijn gesprek. Bij elke halte wordt de trein iets minder overvol.

Het pad is groter geworden, denk je, op weg naar huis. Je loopt behoedzaam, de aarde voelt je stappen wel.

13 januari 2024

Mãe


De week begint met iets winterigs. Het is een beetje dubbel. Je weet dat het goed is, dat het eindelijk zo koud is. Je hoort het, ergens: dit is goed. En je moet ook even wennen. Hoe de koude je omhult, hoe het binnen in je warm is.

Bij de dokter zie je je nieuwjaarskaart, ze hangt daar zo mooi rustig. (Je dankt de woorden.)

Onderweg naar het werk. Iemand slaapt op straat, op een matras, onder een hoop dekens. Hoe koud zou het zijn daar?

Ineens zie je de sneeuwvlokken aan het raam. Je gaat kijken. De Kruidtuin ontvangt de sneeuw heel rustig. Straks zal de sneeuw weer weg zijn. Tussen nu en straks is er een foto.

Die avond loop je door de stad naar de vergadering. Je denkt aan de planten, op je terras, onder het witte doek. Zouden ze zich geborgen voelen, een klein beetje?

Een andere dag. Je knutselt verder aan de tekst. Je schuift met stukjes, hoopt dat ze samen een geheel zullen worden, dat ze elkaar zullen vinden, en vasthouden.

De CD die je bestelde is aangekomen. Je bestelde er twee, ook eentje voor haar, ze was erbij toen bij het concert. Het is iets met die muziek, en ook met de foto. De muziek is de moeder, dat wil de zangeres zeggen, las je.

Ergens in de nacht. Hoe je je veilig en warm voelt. Je denkt even aan het oude huis, hoe het je niet kon beschermen.

Een andere dag. Je bereidt de vergadering voor met je vrienden. Ineens zie je iets, hoe lang jullie al in elkaars leven zijn. Het is goed, denk je.

Het leven zou gemakkelijker zijn als iedereen zich netjes zou houden aan de deadline (die je overigens al weken geleden doorgaf), denk je. Dat het leven onbestendig is, zegt de zenstem in je. (Je kunt van alles een spirituele oefening maken.) Het is waar, denk je, en toch…

Tijdens de vergadering. Je schrijft traag in je schriftje. Zorgvuldigheid in een moment. (Ook dat is een oefening, zegt iets.)

Een andere dag. In de treinwagon is de verwarming uitgevallen. Je zit er met enkele bekenden, dicht bij elkaar. Menselijke warmte, dat is het plan.

Je hebt een afspraak. Het grote gebouw naast die drukke straat. Je moet even zoeken naar een manier om binnen te geraken. (Je was natuurlijk weer eens veel te vroeg daar, zoals gewoonlijk.) Het is warm binnen.

Je krijgt bericht dat ook het tweede verjaardagscadeau is aangekomen. (Iets legt zich neer.)

Die avond zit je nog steeds te knutselen aan de tekst. (Iemand wil alsnog iets insturen. Je antwoordt in mildheid.) (Oefenen.)

Een andere dag. De vrijdagtekst, als een ritueel. (Zorgvuldig en licht de toetsen betasten, oefen je.)

Je wilt op tijd weer thuis zijn voor je afspraak. Iets over de muziek, en de dingen die je zou willen. (Misschien moet je haar eens meenemen naar een concert?)

Je vertrekt daarna ook weer op tijd. In de trein blader je nog eens snel door je boek, even jezelf nog eens inoefenen.

Je zit op de stoel, vertelt over je boek. Je volgt de gedachten, zoals ze zich aandienen. Je bent blij dat je bij hen mag zijn, ze luisteren zo mooi. Nadien blijken er veel Julia’s te zijn.

Je loopt nog langs de receptie. Het is druk binnen, je wurmt je tussen de mensen door. (Je denkt aan kinderen.) Je geeft haar de CD, ze is er heel blij mee. (Fadovriendin.)

Ingewikkelde dromen.

De boodschappenronde. Nog een verjaardagscadeau. (Januari is een drukke verjaarmaand.)

Je moet verder werken aan die grote tekst. Het is alsof je eerst alles aan kant moet hebben voor je echt aan de slag kunt. Al die kleine dingetjes eerst afwerken, zodat ze weg zijn. Dan in je hoofd iets als alle papieren netjes klaar leggen op de tafel. Zo kun je zien hoe je kunt bewegen in de tekst. En dan beginnen. (Zo gaat het altijd, net voor een grote tekst, besef je.)

De boodschappen op het aanrecht rustig inladen. (Rituelen brengen je in het hier en nu, denk je.)

Een gesprek over hier en nu, en hoe je er kunt zijn.

07 januari 2024

Lijnen in de tijd


‘Hoe lang is het geleden dat we dit de vorige keer deden?’
‘Zo’n lange rit in de trein? Toen jij en ik nog daar waren, en nog jong.’
‘Het voelt als een soort voorrecht. Al ben ik wel een beetje verlegen. Alsof ik niet weet wat ik wil of mag zeggen.’
‘Je mag alles zeggen. En hopelijk mag ik dat ook?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik kijk graag naar je. Hoe alles in je gezicht de hele tijd verandert, terwijl je spreekt. Het is alsof je vrijer geworden bent.’
‘Ja? Misschien wel ja. Het zou kunnen dat ik dat mezelf heb aangeleerd. Heel voorzichtig.’
‘Ik vroeg me vroeger soms af of je ooit aan zou komen, als op een bestemming. Je wou het heel erg toen, maar er was nog te veel onrust, denk ik. Nu is het anders.’
‘Als ik bij jou was, voelde het alsof dat ooit zou lukken. Jij zag me. En je liet me gewoon doen, onhandig of onwetend als ik was.’
‘Denk je dat ik niet wist wat jij dacht of voelde?’
‘Ik heb daar nooit over nagedacht, dat was een te moeilijke gedachte.’
‘Ja dus.’
‘Misschien vind ik dat wel een fijne gedachte. Alsof het zo niet verloren gegaan is.’
‘Ik kreeg nooit genoeg van jouw woorden. Het was alsof ik iemand anders werd, telkens opnieuw. Een beetje groter of zo. Alsof ik iemand zag die ik had kunnen zijn.’
‘Misschien was je dat ook wel, de hele tijd al.’
‘Ik weet het niet. Ik bleef daar, jij ging weg. Blijven was voor mij de beste keuze, voor jou niet, denk ik.’
‘Waarschijnlijk wel.’
‘Ja.’
‘Vorige week kwam ik op zo’n genealogiesite. Ik ben gaan zoeken naar mijn voorouders, te vertrekken bij mijn vader. Ik was al snel in de zeventiende eeuw, en nog steeds maar een dorp verder. Dagloners, die gingen werken op de boerderij. Ineens leek het alsof ik de eerste was die was weggegaan, in al die tijd.’
‘Misschien hadden ze wel allemaal grote dromen. Dat zou alleszins een mooie gedachte zijn.’
‘Soms was het alsof ik weg moest gaan, om te kunnen blijven, of zoiets.’
‘Ik denk dat ik het begrijp. Heb je daar spijt over?’
‘Niet van het weggaan. Soms wel van de tijd die ik nodig had om aan te komen waar ik nu ben. Maar misschien was dat ook wel goed.’
‘Ik heb je dat nooit gezegd, maar soms had ik ook wel daar willen zijn, waar jij was. Soms was het alsof ik het kon zien, die plek. Het is niet dat ik vind dat ik de verkeerde keuze heb gemaakt, maar soms zou ik willen dat het gezegd is, dat ik ook op een andere plek had kunnen zijn. Alsof het zo niet verloren zou gaan. Ik heb dus ook zoiets.’
‘Alleen al die gedachte, dat ze er is, betekent wel veel voor me. Dankjewel daarvoor.’
‘Ik ben blij dat ik het gezegd heb. Het maakt iets een beetje lichter. Het ligt aan de trein, denk ik, die helpt.’
‘De beweging maakt dat je in een soort veilig niemandsland bent, denk ik wel eens.’
‘Een beetje zoals je soms tegen een wildvreemde je hele levensverhaal begint te vertellen.’
‘Soms mis ik de brieven die ik schreef naar jou. Niet dat ze zo bijzonder waren, helemaal niet waarschijnlijk. Maar het gevoel dat ik had, tijdens het schrijven. Vanmorgen dacht ik er nog aan. Ik probeerde enkele woorden te schrijven met een mooie oude pen die ik heb geërfd. De zwarte inkt, die voorzichtig droogde. En ineens kwam het beeld van die brieven terug.’
‘Ik keek er altijd zo naar uit om weer een brief van je te krijgen. Al die woorden, ze leken te ademen. Ik voelde me een beetje machteloos, omdat ik niet terug kon schrijven.’
‘Het voelde gewoon heel goed, dat het kon. Misschien moet ik dat ooit gewoon terug gaan doen, brieven schrijven, zoals vroeger.’
‘Zou je dat dan met die oude pen doen?’
‘Ja, dat denk ik wel. Ze voelt zacht aan in mijn hand. Ze draagt iets van de tijd in zich. Ze zou nog moeten wennen aan mij, maar dat zou wel goed komen, denk ik.’
‘Duurt het nog lang eer we moeten overstappen?’
‘Ja, toch nog wel even.’
‘Zullen we gewoon even kijken?’
‘Ja.’

06 januari 2024

Een heel mooie film


De eerste week in het nieuwe jaar. Je houdt ervan, terug thuiskomen in de nacht van oud naar nieuw. Het huis dat rustig op je heeft gewacht. Weten dat je er alleen bent, dat je veilig bent, dat je even voor een hele tijd niets moet. Dankbaar dat je bij je dierbare vrienden mocht zijn, dat je daar ook gewoon een uur mocht zitten kijken naar hoe zij het gezelschapsspel speelden (waarvan je de regels pas na een hele tijd begreep). Nog even rondhangen, en dan de rest van de nacht.

Terug in de dag. Je vindt het wel fijn dat je gewoon de hele dag binnen bent, dat je mogelijk geen woord zult zeggen. Alleen de vaste rituelen. Het invullen van de nieuwe agenda. Naar dat ene muziekprogramma kijken, onder het dekentje, en de dag gewoon voorbij laten schuiven.

Een andere dag. Het werk begint weer terug, rustig aan, nog thuis. (Herinner je je de routines nog? Het voelt goed dat ze een beetje van ver moeten komen.)

Die stoere meid vroeg je om haar te helpen bij haar opdracht voor de muziekles. Je moet ver terug in je hoofd, het is zo ongeveer van de lagere school geleden dat je nog melodisch dictee deed, denk je. (Die akkoorden, dat gaat allemaal wel, maar die melodieën…) Je maakt kennis met programma’s waarmee je op je scherm partituren kunt maken. (Hoe spannend dat is, het gepruts, en dat het er dan net echt uitziet.) Het gaat nog een hele tijd verder in je hoofd.

Een andere dag. Na de kine terug in de trein naar het werk. (Glimlach.) Eerst nog een hoop opruimwerk, de afwasmachine is nog even vol als voor de vakantie. Er zijn dozen op te halen aan de loskade. Alles valt weer een beetje in de plooi. (Het is ook wel fijn dat het nog zo rustig is in de gang.)

Je brengt de nieuwjaarskaarten weg. (Rituelen.)

Je staat klaar om de opleiding te geven. (Apparaten zouden altijd moeten doen wat jij wilt dat ze doen, of zoiets.) (Niet dus.) De vrouw vraagt of zij het even mag komen proberen. (Iets met een scherm opzij schuiven of zo.) Het werkt.

De buren hebben blijkbaar ook nog een nieuwjaarsfeestje op het werk. Ze hebben blijkbaar ook alleen maar zin om al hun rommel op het aanrecht te zetten. (Opruimen zal wel iemand anders doen, of zo.)

Je vindt nog belangrijke informatie voor je muziekopdracht. (Glimlach.) Die avond werk je alles netjes af. (’s Nachts in bed bedenk je nog enkele leuke of nuttige dingen.) (Hoe zou je vader het gedaan hebben?)

Een andere dag. Het is ineens weer heel druk op het werk, zo lijkt het wel. (En alles stond er nog, op het aanrecht. Grrr.)

Tussendoor denk je aan muziekjes. (Jij zou het trouwens ook niet allemaal zomaar kunnen, denk je.)

Op tijd weer terug thuis. Op tijd weer kunnen vertrekken voor je afspraak. Het wordt een mooie avond.

Het gesprek ontroert je erg. Je loopt nog even met haar mee naar de trein.

(Je hebt een aandachtbuik. Dag en nacht.)

Een nieuwe dag. (Een fijn vooruitzicht dat je weer helemaal alleen op het werk zult zijn, voor de vrijdagroutines.) De trein vertraagt.

Je vertrekt die namiddag op tijd weer terug, je hebt nog een afspraak. (Je kijkt wel uit naar het gesprek, je zult er toevallig al goed op tijd zijn om haar op te wachten.) De trein heeft vertraging.

Het gesprek valt onmiddellijk heel erg mooi in zichzelf, alsof het al meteen wist dat het thuis was. De zinnen ademen. Je bent haar dankbaar, hoe een gesprek een geschenk kan zijn.

Je wilt nog snel iets te eten maken voor je moet vertrekken naar de grote receptie. (Daar eten zal te laat zijn voor jou, zegt je buik.) (O ja, je moet die batterij van je achterlicht ook nog opladen.)

Er is veel volk in de zaal. (Misschien heb je dit keer niet zo heel veel zin in te veel babbeltjes.) Je zoekt een plekje aan de tafel bij de vrienden. Een geweldig gesprek over series. (Blijkbaar verandert er daardoor iets aan je imago.)

Je vertrekt op tijd weer. (De muziek voor het dansgedeelte staat wel erg luid, denk je.) Je maakt je een beetje zorgen over de mevrouwen die de hele avond in de hal de jassen bewaken, je vraagt hun of het niet te koud is. Bij het buitengaan doe je iets te veel je best om de deur snel weer dicht te krijgen, ze knalt tegen je hand.

Je fietst weer naar huis. Lekker buitje is nog een serieus understatement. Je komt kletsnat thuis.

Een andere dag. De boodschappenronde. (Met een interessante uitleg over verwarmbare sokken.) Boeken zoeken voor de verjaardagscadeaus. Nog een afwasje doen (met Die Kunst der Fuge).

(Het middagdutje ligt wel lekker eigenlijk, maar je moet weer weg.)

Samen met de vrienden op de nieuwjaarsdrink, voor het stadhuis. Naarmate het steeds drukker wordt, voel je de gure tocht minder. Ze vraagt je om zeker te laten of de film goed was.

Je vertrekt, om op tijd in de bioscoop te zijn. Er staan daar al veel mensen aan te schuiven. (Zijn al die andere mensen ouder?)

Vanaf de eerste minuut zit je bijna ademloos te kijken. De film is zo onbeschrijflijk mooi. (Je oefent je in geluidloze tranen.) Hoe de liefde beweegt, tussen vroegere, huidige en mogelijk toekomstige levens.

Weer thuis stuur je haar nog een berichtje om te zeggen dat de film heel mooi is.