Terug. De vakantie is voorbij. Weer op weg naar de trein. (Je sprong gezwind uit bed.)
De plek daar is blij dat je terug bent. De planten vertellen het. De poetsmevrouw is ook blij dat je er weer bent.
Lijstje met in te halen dingen. (Het gaat iets trager dan je had gehoopt.)
(Ander ritme zoeken, terug.)
Het licht is anders, weer. (De toetsen zijn zacht, alsof je je woorden op het scherm fluistert.)
De trein terug. De mevrouw bij de deur is lichtjes in paniek. Ze had moeten uitstappen, maar was net te laat. Ze heeft een beperking, legt ze uit. Ze zal dus mee moeten tot in Leuven. Je stelt haar gerust, het is niet lang. Je zoekt de verbindingen op voor haar, zodat ze zo snel mogelijk weer in Brussel kan zijn. Ze bedankt je omdat je haar zo snel weer gekalmeerd hebt. Die ene verbinding nog halen zal moeilijk zijn, zeg je. (Ze zou op twee minuten naar een ander perron moeten gaan.) Ze kijkt je guitig aan en zegt dat ze soms zo snel is als Lara Croft. En soms dus niet. Voor de volgende verbinding heeft ze nog een kleine vijftien minuten. Je helpt haar uit de trein, en wijst waar de lift is. Bijna had je ‘dag Lara Croft’ gezegd, maar je durft het niet.
De vergadering, op het scherm. Je hebt alles netjes voorbereid. Een boeiend gesprek. (Op een of andere manier geef je soms aanleiding tot mansplaining, zo blijkt weer. Iets met naïef zijn of zo.)
(De nacht hapert een beetje, je lijf is nog niet in het andere ritme.)
Een nieuwe dag. De meneer van de krantenwinkel is blij je te zien, zoals elke week.
Een rustige dag, met een lijstje.
De vergadering, op het scherm. Je ben blij haar weer eens te zien. Het is mooi hoe ernstig ze altijd is, op een rustige manier. En dat mooie accent in haar Nederlands.
In je hoofd begin je de tekst al een beetje te zien.
Op weg terug. Of je iets zou willen lezen. Ja natuurlijk. Het is zo mooi, ontroert je zo. (Zo bijzonder dat je dat mocht doen, denk je.)
(En je ziet weer, dat wat er niet is. Bij jou. En het is goed.)
De laatste afleveringen van die serie, mooi hoe de verhalen in elkaar geschoven worden.
Een nieuwe dag. De meneer met de fiets in de trein vertelt dat hij gaat babysitten bij zijn kleinkinderen. Je bent blij voor hem.
De poetsmevrouw vertelt je over wat er allemaal mis gaat op haar andere werkplek. Hoe hard ze daar moet werken. Ze heeft er buikpijn van gekregen en heeft een kop thee gemaakt. Je begrijpt niet alles wat ze zegt helemaal, maar probeert het je voor te stellen. (Hopelijk is dit een plekje van rust voor haar, denk je.)
De vergadering, op het scherm. Je collega klinkt bitter. Je begrijpt zijn frustratie.
(Je buik wil je iets over de nacht zeggen.)
Een andere dag. Ze zijn er weer allemaal.
De nota waar je zo lang aan had gewerkt. (Elke stap had je uitgelegd.) Een lange discussie. Toch maar en andere strategie, zo blijkt. (Iets begrijp je, iets niet. Het is.)
Verhalen.
(Je denkt aan iemand.)
Een nieuwe dag. Even langs die maandelijkse vergadering. Je bent er maar voor één punt.
Onderweg. Iets zit in je hoofd, misschien moet je er straks een opiniestuk over schrijven.
De vrijdagtekst, de dingen zijn weer terug. Je puzzelt de tekst in elkaar, in een lange beweging
De wekelijkse plantenronde is ook weer terug. De planten vertellen je dingen.
Dus toch maar een opiniestuk schrijven, snel nog. (Het zal wel weer niet sexy of scherp genoeg zijn. Het zal wel weer te soft of te genuanceerd zijn. En toch vind je het belangrijk, al zal het geen kans maken. Waarom is het zo moeilijk om samen het lijden en het verlies onder ogen te zien?)
Ook die mysterieuze mevrouw in de trein is terug.
Weer thuis, je hoort veel stemmen buiten. Alle buren zijn weer terug. De buurmeisjes zijn zo blij om elkaar weer te zien, ze lopen achter elkaar rondjes.
(Het andere ritme zoekt nog een plek in je lichaam.)
Een nieuwe dag. De boodschappenronde.
Op de markt zie je een bord met ‘super zoete mini watermeloen van Hoogstraten’. Na de aardbeien zijn er in je geboortedorp nu dus ook watermeloenen. Die had je niet zien komen. (Op een of andere manier lijkt dat wat te wulps of zo.)
Je spreekt de mevrouw in de winkel met haar naam aan. Laura. Toen ze vorige keer haar naam zei, begon je iets te zeggen over Petrarca en zijn Laura. (Waarna je al meteen dacht dat dat wel belachelijk zou overkomen. Waarna je meteen begon te twijfelen, of het wel Laura was, bij Petrarca.) Dag Laura. En ze kent jouw naam ook nog.
De buurvrouw vraagt of je haar kunt helpen met het slot. Je probeert een paar dingen, maar het lijkt niet echt te helpen. Ze is aan het verhuizen, al enkele weken, dit is het laatste weekend. Je vraagt hoe het met de poes is. Die lijkt al enkele weken in de war te zijn, loopt een beetje droef rond buiten. Ze is bang, zegt ze.
Je past nog enkele dingen aan, en dan vertrekt de tekst naar de krant. (Het wordt zeker niets, maar je hebt dan toch geprobeerd. Een mens moet toch iets.)
Je krijgt een telefoon die je verdrietig maakt. Het is een mooi gesprek ook, tegelijk. Een gesprek over een gesprek dat nog komt. (Iemand zou je mogen troosten.)
Je zit te lezen op het terras, met de regen naast je. Je kijkt naar de bloemen.




