26 april 2026

Niemand kan terug


Acht jonge vrouwen op het kantelpunt tussen een jeugd en het volwassen leven, binnen en buiten, verwachtingen en eigen keuzes. En dat in het Italië dat in de jaren dertig in het fascisme kantelt, al is dat een ver achtergrondgeruis. In de roman Niemand kan terug van Alba de Céspedes, die uitkwam in 1938, volgen we hen aan de rand van het grote leven. Het boek, dat zeer populair was bij het verschijnen, werd in de ban gedaan door de fascisten, blijkbaar omdat de vrouwen in het boek niet zouden beantwoorden aan het ideaal van wat zij verwachtten van vrouwen. Vrouwen moesten thuis blijven, leven in dienst van hun man en kinderen krijgen. Dat ze zelf keuzes zouden willen maken, voor een leven dat niet zomaar past in de idealen van de mannelijke fascisten, werd als immoreel beschouwd. In dit opmerkelijk frisse en wervelende boek gaat het enkel over vrouwen, die complexe levens leiden en proberen te navigeren tussen hun verlangens en de geplogenheden van de buitenwereld.

De acht jonge vrouwen verblijven in het Grimaldi-college in Rome. Ze komen uit verschillende streken in Italië, uit verschillende maatschappelijke klassen. Ze studeren, al dan niet met veel gemak. Een van hen wil schrijfster worden maar het ene na het andere manuscript wordt afgewezen. Een van hen zegt niet dat ze daar is om zo dichter te zijn bij het kind dat ze kreeg toen ze nog maar zestien was en dat in een kostschool in de buurt verblijft. Het college wordt beheerd door een groep nonnen in het aansluitende klooster. De dagelijkse regels zijn streng. Maar ’s avonds zien de vrouwen elkaar wanneer ze op een van hun kamers samenkomen, met kaarslicht. Ze delen verhalen, studeren samen, dromen over een toekomst, verzwijgen elkaar belangrijke dingen uit hun leven, zetten stappen op weg naar hun latere leven. De groep is door het lot daar samengekomen. Ze delen hun tijd samen, maar weten van elkaar dat ze later niet in elkaars leven zullen blijven.

Het is bijzonder hoe alle vrouwen een heel eigen gezicht krijgen in het verhaal. De toon is niet sentimenteel of romantisch. Als lezer kijk je telkens door de ogen van elke vrouw afzonderlijk. Met tegenstrijdige verlangens en gedachten, de hele tijd in beweging. Stap voor stap groeien ze uit elkaar, wordt de groep in het college kleiner. Naar hoe het was vroeger, kunnen ze niet terug. Ze willen zelf kunnen kiezen naar welk later ze willen, al moeten ze daarbij rekening houden met wat de maatschappij verwacht of mogelijk maakt. De ene wil na haar studies toch terug naar het landelijke gebied waar ze vandaan komt. De andere stopt met haar studies en wil ‘arriveren’ in het leven. De pragmatische afwegingen die ze daarbij maakt, brengen haar financiële rijkdom maar ook eenzaamheid. Nog een andere gaat als assistente werken voor een professor en vindt daar tijdelijk een veilige plek. Er is een besef, gepaard met angst, dat er een kans is dat ze in het leven vast zullen lopen in een huwelijk of een baan als leerkracht zonder veel perspectieven op verdere zelfontwikkeling. Er is het worstelen met het geheim van een kind dat maatschappelijk het symbool is van een immoreel leven. Moet je dan proberen jezelf in te schakelen in een ‘veilig’ huwelijk, of moet je toch je eigen weg gaan? Kun je aan de andere kant van de brug geraken, en hoe zal het daar dan zijn?

Het is mooi hoe de plek van dat college heel dubbel aanvoelt. Aan de ene kant is het een plek van controle, strikte regels en discipline. Het is een plek die officieel een soort haven wil zijn als toevlucht voor een gevaarlijke en verdorven buitenwereld. Het kader dat de nonnen maken voor hun meisjes is tegelijk hyprocriet en rekkelijk. Onder elkaar kunnen de nonnen hard zijn, maar ze hebben de jonge vrouwen ook nodig om het leven te voelen. Het echte leven is aan de andere kant van de muren, en daar loert het gevaar. De plek binnen kan versmachtend zijn. Aan de andere kant is het ook een soort ‘safe space’ waar de vrouwen bij elkaar kunnen zijn, zonder mannen, zonder de directe dwang van de maatschappelijke systemen. Ook al weten ze dat het tijdelijk is, ook al vertellen ze niet alles aan elkaar, ook al zien ze niet altijd hoe een van hen ontspoort, het is een plek waar ze kunnen verlangen, in de war zijn, worstelen met zichzelf.

Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend misschien voor de lezer van vandaag. Maar het besef dat op de achtergrond van dit alles een dwingend misogyn systeem in opbouw is, maakt dat je wel ziet waarom de vrijheid die uit de focus van dit boek spreekt bedreigend zou kunnen zijn voor autoritaire mannen die niet willen erkennen dat vrouwen hun eigen levenskeuzes willen en moeten kunnen maken. Er zit een sterke subversieve kracht in dit boek, door de hele opbouw, maar ook door de beschrijving van de personages zelf. Ze passen niet in afgeronde morele categorieën, ze zijn niet zomaar goed of lief, ze worstelen met opgelegde of verwachte afhankelijkheid en maken keuzes die niet altijd dapper zijn, of die lang op zich laten wachten.

Het zegt veel over de kracht van dit boek dat het zo fris en helemaal niet gedateerd aanvoelt. De personages zijn modern. De manier van vertellen, van het ene naar het andere personage, is wervelend en dynamisch, in de zin dat je verschillende persoonlijke verhalen voelt samenkomen die naast elkaar bewegen en schuren en hun eigen weg gaan. Er is geen alwetende verteller die alle lijntjes bij elkaar brengt en in de toekomst kan kijken. De stijl is direct. Als lezer zit je dicht op de personages, kun je soms in hun hoofd kijken, en soms ook helemaal niet. Het is alsof dit boek een stuk uit de tijd knipt. Als lezer van nu weet je wat er op de achtergrond in het Italië van toen aan het bewegen was. Het voelt als heel erg krachtig dat alleen de leefwereld van vrouwen in beeld komt. Dat wat normaal zou moeten zijn door vermoeiende bange mannen als een soort ‘statement’ werd ervaren dat moest worden gecensureerd zegt veel over hun bekrompenheid en tegelijk over de kwaliteit van dit boek. Heel terecht dat dit ‘herontdekte’ boek weer in de aandacht is gekomen.

25 april 2026

Misschien troost, of zoiets


Een week die gevuld lijkt met aanwezigheden. (Terwijl je ook afwezig zou willen zijn, af en toe.)

(Je denkt nog aan wat er door je hoofd ging, tijdens de uitvaart, in het weekend. Welke woorden zou men voor jou gebruiken, wanneer het jouw tijd is om te verdwijnen?)

(Je maakt een lijstje in je hoofd van alles wat zal komen de volgende dagen. Waar je moet zijn. Je probeert het al vooraf te zien. Van hier naar daar. Vertrekken en aankomen. Leunen in onderweg zijn.)

De dingen. (En je denkt al aan troost, en wat je zou kunnen zeggen.)

De afspraak. Die uiteindelijk niet doorgaat. Je kunt sneller naar de trein, ook goed.

Op weg voor het gesprek. (In je hoofd oefen je nog een beetje wat je hebt voorbereid in je schriftje.)

Een heel mooi gesprek. Haar vragen laten je bewegen naar plekken. Je probeert woorden te zoeken, zinnen te maken. Hebben we troost nodig? (Het is zo groot, maar je probeert er iets over te zeggen.) (Zou je weten waar het verlangen naar troost huist in je lichaam? Zou je durven weten wat je verlangt?) En muziek.

Op weg naar huis komt Wayfaring Stranger in je hoofd. (Er is iets met het verlangen naar thuis, naar eindelijk thuiskomen, in dat lied. Misschien is troost ook iets met thuis?) Je weet niet altijd hoe je ontheemd moet zijn.

Een volgende dag. De conferentie. Je luistert naar de toespraken en de panelgesprekken. De EU-commissaris spreekt zacht en zorgvuldig, tot dat ene stuk, midden in haar toespraak. Hier, op deze plek, wil ze heel duidelijk een punt maken. Het ontroert je.

Een boeiend gesprek met de Amerikaanse vrouw naast je. Ze diende ooit in het leger. Ze doet nu onderzoek, iets met pijn.

Die avond, werk inhalen.

Een nieuwe dag. Op de tafel van de kinesiste. (Binnen enkele weken stopt dit, je weet nog niet zeker wat je daarmee gaat doen.) Je bent een beetje kneedbaar.

Een boeiende afspraak. Het gaat over geld. Maar eigenlijk ook over dromen, denk je.

Die avond. De vergadering van het appartementsgebouw. Je kijkt naar het gesprek, kijkt naar de woorden. (Misschien gaat het ook over een plek innemen. Je staat op en vertelt je verhaal, alsof het mag. Het mag.)

(Misschien zou je daarna enkele uren willen drijven, nat of droog. Om vloeibaar de nacht in te kunnen gaan. Het is niet.) Ingewikkelde dromen.

De volgende dag. Op weg naar de commissie. Je studeert je dossiers nog even in.

De commissievergadering. Je probeert te formuleren waarom je zo of zo hebt geoordeeld. Met alle nuances. (Niet iedereen ziet je nuances, denk je. Zou het aan jou liggen?)

Op weg naar de conferentie. Je studeert het schema nog eens in voor de sessie die je straks moet begeleiden. (Je probeert te zien in je hoofd wat er zal gebeuren.)

In de zaal, het is pauze. Je loopt nog even rond, praat met enkele mensen, en vertrekt dan voor je sessie.

Een heel mooie stille plek, zo voelt het. Bewegen in stilte, bewegen naar stilte. Je kijkt naar de woorden. Je kijkt naar het luisteren. (Hoe heerlijk is het, alleen maar luisteren.) Je voelt je dankbaar. Je zegt iets over de volle leegte.

Het laatste stuk van de conferentie. Het is boeiend, maar je bent moe. (Je zou zomaar kunnen wegdommelen, in die zachte zetel in de zaal.)

Die avond, werk inhalen. Daarna nog een late afwas. (Oei, de gasketel werkt niet, geen warm water. Niet nu! Niet nu! Je bent zo moe. De gasketelmeneer had je uitgelegd hoe je het probleem zelf kon oplossen. Je probeert, het lukt niet. Zucht.)

Een nieuwe dag. Je krijgt het bericht dat de gasketelmeneer langs zal komen.

Even in de vergadering, snel weer naar huis. Verder werken aan de vrijdagtekst.

De gasketelmeneer is er. (Wat de vorige dag niet lukte, lukt nu natuurlijk wel, zucht.) (Hij zegt niet dat je dom bent.)

Je haast je naar je afspraak. Je keek er erg naar uit om haar nog eens te zien. Zoals steeds bij haar vindt het gesprek zichzelf meteen. Ze vraagt iets over je woorden, over plek innemen. (Ze stelt altijd de juiste vragen.) Ze vertelt je iets. Je ziet haar zinnen, ziet alles. Je begrijpt iets, misschien voor het eerst. (Hoe een gesprek als een warm bad kan zijn.) Dankbaar.

Je werkt de vrijdagtekst af.

De vriendin die verantwoordelijk is voor je haarconcept komt langs. Het haar wordt identiteitskaartklaar gemaakt. Het is heerlijk bijpraten, zoals steeds. (Je ziet iets van jullie weg.) En de kinderen, hoe we het doen, hoe we ouder kunnen zijn, hoe we willen beschermen, en hoe niet.

(Je blijft drijven, denk je.)

Een volgende dag. Na de boodschappenronde vertrekken naar die andere stad, voor de vergadering. Een druk gesprek onderweg.

De vergadering verloopt goed. (Je kijkt rond, denkt: dit is mijn familie.) Het is jouw taak om het gesprek te omheinen, te laten bewegen. (Je probeert iets uit te leggen. Over een plek waar je staat, waar je wilt staan, over leven in waarheid.)

De terugreis. Een druk gesprek. Het is boeiend, daagt je uit, inspireert. Maar je bent ook moe, zou wat afwezigheid willen hebben.

Onderweg zoek je een beeld. Je ziet de witte bloemen in het gras. Ze hebben op je gewacht.

Na de afwas ga je nog even naar de vredeskerk, zoals je beloofd had, ook al ben je moe. Je hoort de Toccata en Fuga. (Die dans erbij hoeft voor jou niet, denk je.) Je kijkt naar de muziek, naar het slotakkoord. Je vertrekt, spreekt nog even met iemand. Het is goed geweest. Alleen nog stilte, hoop je. Iets mag loslaten, mag zich neerleggen.

17 april 2026

Hier begint de zee


De week begint. (Zou de week dat trouwens van zichzelf weten?)

(Je wilt de week altijd in je hoofd kunnen zien, als een plek, misschien.)

Je belt naar het ziekenhuis, voor een afspraak voor een onderzoek binnen een jaar. De mevrouw aan de telefoon stelt een vraag waarop je niet kunt antwoorden.

Die namiddag. De vergadering van de commissie, in het statige gebouw. De man komt een toelichting geven over een toekomstvisie. (Discussie in je hoofd.) Je doet het toch maar, je stelt enkele vragen. Het antwoord zegt veel. Je kijkt naar het gesprek, naar de woorden. De dingen bewegen rustig. (Misschien ben je oud, denk je, of net niet, het geeft niet.)

In de trein zou je willen schuilen in de stilte.

Een andere dag. (Een beetje drijfzenuwen, merk je.)

(Je belt even met god, om te checken hoe het nu eigenlijk zit met die oranje gek van de andere kant van het water. Die zogenaamde dokter. Ze zucht. Sommige mensen kunnen zelfs god uitputten. En ze doet nog zo haar best, weet je. Het is niet altijd eenvoudig om god te zijn. Laten we het erop houden dat hij niet in mijn naam spreekt, zegt ze. Ze zegt nog dat je je geen zorgen moet maken over je paasverwarring. Je wenst haar nog een rustige dag toe, met een middagdutje. O ja, zegt ze, als dat zou kunnen. Je doet dat goed, zegt ze.)

Op weg naar het station. De zee begint hier, dat staat er. (Ze is dichtbij.)

Je bent een beetje te vroeg, zoals steeds. Een mooi cadeau van een dierbare vriendin. Drijven. (Het beeld was er al de hele tijd.) Droog drijven, in dit geval. Zij gaat eerst. Daarna mag jij. De mevrouw legt alles uit, daar in het kamertje waar het drijfding staat. Ze heeft voor jou een speciale geur gekozen in de kamer. Je moet nog een kleur kiezen. Even later lig je daar. Het is een soort waterbed voor gevorderden. Lekker warm. Je geeft jezelf uit handen aan het drijven, het duurt even. (Iets hiervan ken je niet, denk je.) Je huid luistert naar iets. (Iets maakt je verdrietig, dat je alleen bent hier. Je zoekt iets.) Ontspannen vertrek je weer.

De avondvergadering. Je kijkt naar het bewegen van het gesprek.

Een nieuwe dag. (Wakker worden uit een bijzondere droom, een trage droom, waar je lang in kon blijven. En iets met foto’s.)

Een lege dag, die zich gewoon laat vullen met de dingen. Je volgt. (Drijven is het nog niet, maar dat hoeft ook niet.)

Je buik wil je iets zeggen, vermoedelijk. (Soms denk je dat je al genoeg weet, het hoeft niet steeds herhaald te worden.)

Die avond. Je probeert te bedenken wat je denkt over muziek en troost, en of je daar wel iets zinvols over te zeggen hebt. In je hoofd spring je van het ene naar het andere liedje. (Waarom denk je bij het idee troost aan dat liedje?) Je probeert het te ordenen in je schriftje. Je haalt het boek van de schoonheid en de troost er nog even bij. Misschien zie je iets. Je leest enkele dingen terug die je ooit schreef over dit alles. (Je ziet een lijn, maar het zal wel saai zijn wat je te vertellen hebt. Hier begint de zee, misschien is dat het.)

Een andere dag. Veel verhalen op het werk. Je kijkt. (Je houdt van je plekje daar, merk je.)

Een mooi gesprek met de mevrouw van de bank.

Die avond, het lijstje afwerken, dingen inhalen. Daarna het dekentje. Om een of andere reden ben je heel week, bijna doordrijfbaar. Tranen.

De ogen van die vrouw in die serie. (Ze zou je zeker begrijpen, denk je.)

Een nieuwe dag. Je haalt de vroegere trein. Je begint snel aan de vrijdagtekst.

De poetsmevrouw is zoals steeds heel opgewekt, alsof ze blij is je te zien.

Je wacht op het perron. Op het reclamebord staat een product dat zou moeten leiden tot “87% vollere huid”. Je probeert te begrijpen wat een volle huid is, en wat dan een lege huid zou zijn. Zou het iets met huidhonger te maken hebben?

De afspraak. Voor een les die je gaat geven binnen een jaar. (Je hebt in die maand dus al twee afspraken.)

Je hebt nog iets nodig van de apotheek. Je vraagt aan de mevrouw wat een volle huid is. Ze legt het je uit. (Elke dag iets nieuws leren, je kunt weer een kruisje zetten.)

Je hebt een vrijdagherinnering.

11 april 2026

Beschaving


De week begint met een vrije dag. Je denkt nog aan de reis de vorige dag naar je zus. Hoe fijn het was om bij haar te zijn. Hoe heerlijk het was, die uren in de trein, met je boeken.

(Die weerzinwekkende zieke man is zelfs voor zijn doen nog een stap verder gegaan. Een hele beschaving vernietigen. Dreigen met een genocide. Zijn al ongeveer even weerzinwekkende hielenlikkers zullen ook nu weer een excuus vinden om zijn afschuwelijke woorden goed te praten, iets met ‘meesterlijke onderhandelaar’ of zoiets. Dit is echt. “This is happening now”, legt de zanger uit tijdens zijn concerten. Misschien is de oranje man een beetje koortsig, of gewoon echt gek aan het worden. Nog gekker.)

Enkele dagen eerder besefte je ineens dat het bijna Pasen was. (Ik moet mijn ramen wassen!) Het moment is daar. Ramen wassen is iets als proberen een goed mens te zijn. Je bereidt je mentaal goed voor, dit keer zal het wél lukken (die perfecte ruiten, zonder strepen, zonder hoekjes die niet goed gedaan zijn, … en dat met een lijf dat zich ultrasoepel in alle bochten kan wringen om alles smoothly en met een brede glimlach uit te voeren). Je begint eraan, met goede moed, merkt al snel dat de gewenste ultieme soepelheid van het lijf een beetje suboptimaal is. Halverwege besef je: het zal weer niet voor vandaag zijn. (Innerlijke stem: dit is een spirituele oefening, het leven is onbestendig. Andere innerlijke stem: ja, dat zal wel!) (Innerlijke stem: waarom kunnen ALLE andere mensen dat wel? Andere innerlijke stem: dat is onzin Jean, en je weet het.) (Sure…) Die middag zit je eten aan de tafel, en je merkt dat er ineens veel meer buiten is, gezien vanuit dit binnen. Zou dat ook iets veranderen aan het kantelpunt waar hier overgaat in daar?

Je houdt van de stilte van de rest van de dag, en gaat slapen met een lichte onderhuidse onrust.

Een nieuwe dag. In het journaal van half zeven hoor je al dat iets voorlopig niet is gebeurd. (Daar moeten we blijkbaar al blij mee zijn, denk je…)

Tijdens het scheren. (Innerlijke stem: hoe velen weel weer zullen denken dat ‘het’ voorbij is en dat alles nu wel snel weer ‘normaal’ zal worden, het is toch niet te vatten...) (Uiterlijk scheermesje duwt net iets te hard: sneetje.) (Innerlijke stem: typisch, je kwaadheid op wat buiten je ligt op jezelf afreageren, je bent duidelijk nog niet helemaal geheeld.)

Praatje met de meneer in de krantenwinkel. Elke week vraagt hij of het goed gaat met jou. (Zou je moeten vertellen over de ramen?)

Een berichtje voor je zus, het is haar verjaardag.

Digitale vergadering. (Je kijkt naar je stem.)

(Misschien moet je toch maar dat opiniestuk schrijven dat al enkele dagen in je hoofd wacht. Voor die ene krant. Ze zullen het wel niet plaatsen, maar een mens moet toch proberen, of niet? Werk voor je middagpauze.)

(Hoe je toch je eigen woorden zo zorgvuldig kiest, zo verbindend mogelijk, of hoe zeg je dat?) (Innerlijke stem: soms zou ik graag eens gewoon kunnen schrijven wat ik denk, zonder al die voorzichtige vriendelijkheden en dat proactief proberen te weerleggen van clichés.) (Andere innerlijke stem: ik begrijp je, maar je zult dit nog lang moeten volhouden, dus eigenlijk pak je het wel goed aan.)

Die avond. Nog wat knutselen aan je tekst, en weg, naar de krant. (Het zou je verbazen dat het een kans maakt, met al die nuances, maar je hebt het toch maar gedaan.)

Een andere dag. Je kinesiste vertelt dat de praktijk binnen enkele weken gaat stoppen. Je doet je best om blij te zijn voor haar. (Je moet later nog eens met je rug praten.)

De digitale vergadering. Over die conferentie in het najaar. Op een drafje worden alle afspraken gemaakt.

(En soms, ineens tussendoor, op een onbewaakt moment: zachtverlangen.)

De dingen van het lijstje verder afwerken. (Controle over de werkelijkheid.)

Die avond. Die romantische film die je al tig keer zag. (En ja: snotteren.)

Een volgende dag. Drie vergaderingen na elkaar. (Lijntjes trekken in je hoofd.)

(Het wordt dus zeker niets met de krant, denk je.)

Op tijd vertrekken, je hebt straks nog een bezoekje.

Even over huis, en dan weer weg. De trein. Wachten op de bus. (Op het andere busperron blijft de jongen roepen tegen zijn vriendin dat het haar schuld is dat ze de vorige bus gemist hebben. Ondertussen via de telefoon, ze is al even weggelopen. Er zijn van die mannen in de wereld die eindeloos blijven zeuren tegen mensen die hen ooit niet onvoorwaardelijk gevolgd hebben. Of zoiets.)

Bezoekje, nog een geschenk voor je verjaardag. Je ben blij hen te zien. (Ze worden zo groot! Mag je dat eigenlijk blijven denken?) Een boeiend gesprek. Je bent blij met een spontane feministische reflex. Yes, girl power!

De elektrische bus terug naar het station lijkt ontzettend hard te rijden.

(Die nacht. Iets is week. Je zou aanraakbaar kunnen zijn. Misschien.)

Een nieuwe dag. De maandelijkse korte vergadering.

(Innerlijke stem: je kunt die tekst die je voor De Morgen had geschreven toch ook gewoon als artikel op je LinkedIn zetten, dan leer je ineens hoe dat werkt, met zo’n artikel.) (Andere innerlijke stem: goed, die wil tot permanente zelfopvoeding.)

De vrijdagtekst in elkaar knutselen. De ronde langs de planten. De afwasmachine. (Kantoor klaarmaken voor het weekend.) En de Engelse Suites van Bach. (Beschaving.)

Je wacht op de trein, in het drukke station. Het kleine meisje loopt rondjes rond de pilaar. De jonge mama kijkt toe, loopt achter haar aan. Je probeert een plek te zoeken waar je tussen het meisje en de sporen kunt gaan staan, in geval ze ineens weg zou lopen. (Ze loopt ineens weg, langs de andere kant, terwijl net een trein binnenloopt. De mama rent achter haar aan, tussen alle mensen door. Niet goed voor je vaderhart.)

Je bent nog net op tijd voor je afspraak. (Zeven minuten te vroeg.) Een mooi gesprek. (Ze is dapper, denk je.) (Die bank zit een beetje suboptimaal. Je innerlijke rug geeft je een boodschap.)

Een nieuwe dag. Na de boodschappen, aan het werk. Dingen die de voorbije dagen waren blijven liggen. Je wilt het lijstje leegmaken. Zo zijn de dingen ook weg uit je hoofd. Iets wil alleen zijn, iets niet.  

06 april 2026

Departure(s)


Vertrekken, een vertrek. Leven, dood, liefde, schrijven, vertellen. Misschien wil je verhalen zien als je naar het leven kijkt. Misschien ben je zelf het verhaal dat je construeert. Misschien kun je vertrekken met een roman, omdat je niet wilt sterven midden in het schrijven van een roman. Misschien vertrekt een roman ook uit zichzelf. Vertrekken hangt samen met aankomen. Maar de dood is iets als een vertrek zonder aankomst. Departure(s) (in het Nederlands vertaald als: Vertrek(punt)) is het laatste boek van de Britse schrijver Julian Barnes. Dat is toch alleszins wat er in het boek staat. Maar moet je als lezer de verteller geloven, ook als die erg op de auteur lijkt? Het boek laat zich zo min vatten in één vorm als het leven zelf, en dat is een mooi geschenk. Departure(s) is iets als een beweeglijke aankomst in grote stijl.

Een boek van Julian Barnes lezen is als een bepaalde vorm van thuiskomen. Je herkent meteen die taal, die mengeling van rust, eruditie, ironie, wijsheid. Je beweegt tussen tekstvormen. De verteller Barnes is soms een personage, in de zin dat je niet goed weet in welke mate het fictie is dat je leest. Het is iets als een welbepaald soort universum, dat herkenbaar en ook open is. In dit boek is het niet anders, tot in het laatste deel, waar de auteur dichter naar het boek komt, om afscheid te nemen van zijn lezers.

Dit boek is een combinatie van een essay, een verhaal, persoonlijke reflecties, herinneringen. In het verhaal omschrijft een van de personages zijn vorm als “hybride”. Het is een vorm die hij ook in andere boeken gebruikte en die hier heel goed werkt. Het lijkt als lezer in het begin misschien niet zo duidelijk waarom het boek net deze vorm heeft, maar naarmate je verder leest en bij het einde komt zie je hoe ingenieus en sterk de structuur van het boek is.

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken. Het eerste (The Great I Am) gaat over het geheugen. Het tweede (The Beginning of the Story) vertelt het eerste deel van het verhaal van Stephen en Jean. Het derde (Manageable) gaat over de ziekte die Barnes heeft. In het vierde (The End of the Story) komt dan het tweede deel van het verhaal van Stephen en Jean. En in het vijfde (Going Nowhere) neemt de auteur afscheid.

In het eerste hoofdstuk gaat het dus over hoe het geheugen werkt en hoe herinneringen opnieuw ongewenst kunnen opgeroepen worden. We zijn hier meteen ook al bij Proust, een van de geliefde onderwerpen van Barnes. De tekst beweegt tussen iets als een journalistiek artikel over wetenschap en een literaire analyse, zo lijkt het toch. De verteller, Julian Barnes, spreekt tussendoor ook even de lezer aan om te zeggen dat er nog wel een verhaal komt, of een verhaal in het verhaal, en dat dit zijn laatste boek zal zijn. Uit die interessante beschouwingen blijkt dat een geheugen even onbetrouwbaar is als een verteller. Je kunt niet zomaar vertrouwen op de constructie die je brein maakt van het leven dat achter je ligt. Het is nog maar de vraag of je werkelijk zou kunnen ‘vatten’ wat een leven is.

In het tweede en vierde hoofdstuk is de verteller iemand die alleszins heel erg lijkt op Julian Barnes. Hij gaat terug naar zijn studententijd in Oxford in de jaren zestig. Hij leerde twee bijzondere mensen kennen, Stephen en Jean. Hij was een soort tussenpersoon en bracht hen samen. Het was alsof hij daarmee een verhaal, een leven, had gecreëerd. Maar de liefde overleefde niet, en ze verdwenen allebei weer uit zijn leven. Het is een verhaal zonder midden, want zoveel jaar later neem Stephen terug contact op. Voor hem is de liefde nooit overgegaan, het was en is nog steeds zijn enige verhaal van de liefde. Hij vraagt aan Barnes om hem weer samen te brengen met Jean, wat ook gebeurt. Maar waarom doet Barnes dat? Is het een soort egocentrisch verlangen om als een auteur of alwetende verteller personages en verhalen te maken? Gaat het over het verhaalverlangen op zich, de neiging om naar een leven te kijken alsof dat enkel een verhaal kan zijn? Het gaat alleszins opnieuw fout tussen die twee, in zekere zin door een teveel aan liefde, liefde als een verhaal. De constructie van een nu is ook een reconstructie van een toen. Maar zijn je herinneringen wel te vertrouwen? De auteur Barnes – als je ervan uitgaat dat dit verhaal echt gebeurd is – is geen betrouwbare auteur, want hij had aan zijn vrienden beloofd om nooit over hen te schrijven. Het verhaal was te mooi om te laten liggen. Een leven, het verhaal daarover, werd gebruikt door een schrijver die via een verhaal iets over zichzelf wilde vertellen. Het zou evenwel ook kunnen dat dit verhaal verzonnen is. Literatuur moet waarachtig zijn, niet noodzakelijk waar. Een romanschrijver neemt een lezer mee in een ‘echte leugen’.

Het midden van het boek is een persoonlijk verhaal van (de echte) Julian Barnes die sinds een aantal jaar leeft met een bijzondere vorm van leukemie. Die is “incurable yet manageable”, zo is gebleken. Barnes heeft het in zijn werk vaak gehad over de dood, en hiermee lijkt die ineens dichterbij te komen. Een aantal jaar geleden verloor hij zijn toenmalige echtgenote aan een hersentumor. Nu gaat het over hemzelf, maar het verloopt heel anders. Hij zal met de ziekte leven tot hij sterft. Sterven zal dus de overwinning zijn op de kanker. Barnes beschrijft in dit deel, met veel humor en ironie, hoe het hele proces verloopt. Maar hij schrijft ook over het schrijven over wat er met hem gebeurt, om bij te houden wat hem overkomt. Daarbij merkt hij dat zelfs zijn eigen schrijven, zogenaamd feitelijke weergaves, ook telkens constructies, selecties en verhalen zijn. De auteur kan zelfs zichzelf niet vertrouwen.

Het laatste deel is het meest beschouwende. Je voelt hoe de echte auteur Barnes voorzichtig van achter zijn scherm in het boek komt zitten en samen met de lezer reflecteert over leven en dood en schrijven. Alle dingen die zijn uitgezet in de vorige hoofdstukken komen hier als lijntjes samen. Het is heel ontroerend hoe je voelt dat de woorden en de toon van deze zinnen heel nauwkeurig gekozen worden, i het besef dat ze de laatste zullen zijn. Binnenkort zal hij vertrekken, om nergens aan te komen. Hij zal nog een stapeltje boeken zijn, en anekdotes die anderen vertellen. Meer is er niet, en hij heeft er vrede mee. Hij bedankt de lezer, omdat die de hele tijd met hem is meegelopen in het spel dat literatuur is, in samen kijken naar de wereld en proberen verhalen te zien.

Als dit een vertrek is, dan is het een mooie vorm van blijven. Als lezer voel je je dankbaar dat je mocht verblijven in deze roman die zich met jou mee afvraagt wat een roman is. Misschien ben je altijd op een of andere manier aan het vertrekken, ook als besef je dat niet. Departure(s) is een heel mooi boek. 

04 april 2026

Vreugde


Een nieuwe week. Voor velen wordt het een speciale week. (Jij weet het nog niet zo goed. Je weet niet hoe groot de paasverwarring zal zijn.)

Een rustige dag. (Lijstjes worden korter. Enkele grote brokken blijven nog over.)

Die ene grote brok, het is tijd, denk je. (Je wou eerst alle andere dringende dingen weg, eer je hieraan zou beginnen.) De stapel dossiers die je moet beoordelen. (Je zou een soort ritme moeten vinden, denk je.)

Je leest alle richtlijnen nog eens door en begint eraan.

(Ze hebben er allemaal zo hard aan gewerkt, denk je. Je probeert je intuïtie te volgen.)

Een andere dag. (De dag wordt druk, en een beetje spannend, denk je.)

Die middag, de voorstelling van het rapport. Je praat bij met enkele vrienden. Voor je vertrekt, ga je nog even praten met de twee vrouwen die kwamen getuigen. Je bent een klein beetje verlegen, maar ze zijn blij dat je gekomen bent. Een mooi gesprek.

De vergadering. (Iemand is een beetje moe, zie je.)

Nog even over huis, om iets te eten, en om die plek nog in je ritme te hebben. (Misschien is thuis iets met een ritme.)

Onderweg voor je lezing, over je boek. Je studeert het terug in. (Het is nog altijd echt, dat boek. Ooit heb jij die woorden geschreven die je daar leest. Waar kwamen ze vandaan?) Je wacht nog even op het perron, net voor je aan het laatste stukje van je reis zult beginnen. Het licht…

Ze wachten je al op. Je rijdt mee naar de mooie boerderij, waar mensen al zitten te wachten op jou. Het lijkt zo’n wonderlijke plek. (Een plek van hoop.) Je praat jezelf weer op gang, het boek komt terug in jou. (Dit is de 31ste keer, denk je.) Iets is veranderd, merk je, of iets was de hele tijd aan het veranderen, en blijven. (Je ziet je verhaal bewegen in de ruimte, zo lijkt het wel. Zij dragen je woorden, ze zijn veilig.) Je vertelt over Julia. (Zij is ergens in de wereld, denk je, haar ding aan het doen, jij bent hier, het is goed.)

Iemand zegt dat hij in je boek, dat hij heel goed vond, één ding heeft gemist. De vreugde. (Even ben je in de war, iets voelt zich terechtgewezen. Iets denkt: heb ik nog niet genoeg laten zien? Iets is even heel moe. Tot het zich terugtrekt.) Je zegt iets over de hoop, de drang tot leven, de rivier. Je legt uit dat je vrede voelt vanbinnen, dat je meestal gelukkig bent, dat je hoopt dat iets daarvan te voelen is. Het is goed. De boeren vertellen dat ze het als een vorm van verzet voelen, dat wat ze daar proberen te doen. Enkele mensen komen je nog bedanken. Ze hadden je boek al gelezen, maar wilden je het zelf horen vertellen. (Je bent verlegen.) Je bent dankbaar, het is een geschenk.

De trein brengt je weer naar huis. Je leest verder in die roman. Net voor middernacht ben je thuis. (Het ritme ademt uit.)

Een volgende dag. Een afspraak. Het is al lang geleden dat je haar nog zag, eindelijk is het gelukt. (Ja, die krullen staan je echt heel goed.) Een mooi gesprek. Je vertelt iets over je paasverwarring. Misschien begrijpt zij wel wat je bedoelt. (Iets duwt jou steeds meer weg, denk je, het is niet anders.) Je begrijpt niets van de vreugde van het feest, dat is het, denk je.

Je ziet de foto van de vorige avond. (Het ritme van de week, je bent nu aan deze kant.) Je plaatst de foto, woorden komen.

Je werkt verder aan de dossiers. Je begint lijnen te zien.

Je hoopte op een stille, zo leeg mogelijke trein terug, om even nergens te zijn. Van die drie treinen in tien minuten is de eerste afgeschaft, bestaat de tweede uit vier in plaats van tien rijtuigen, bestaat de derde uit vier in plaats van acht rijtuigen. Je neemt de derde, probeert rustig te lezen. Het is.

Een andere dag. Je stuurt een bericht naar een grote jarige meid.

De vergadering. (Ritme.) De volgende vergadering valt weg.

(Misschien moet je nog een stuk schrijven. Dat ene edito zit nog altijd in je kop, je bent nog altijd een beetje kwaad. Misschien moet je nog wachten.)

De volgende dag, je werkt thuis. Je begint zo vroeg mogelijk aan de vrijdagtekst, zodat die weg kan.

Je afspraak gaat niet door. Jammer, je had haar graag nog eens gezien. (Het is enkel een uitstel.)

Je ploegt je verder door de dossiers. (Je oordeel betekent iets, besef je, de hele tijd.)

Vrijdagnamiddag. Het huis is gevuld met de passiemuziek, zoals elk jaar. (Het is zo hartverscheurend mooi, het raakt je zo diep, het is zo’n vreselijk verhaal, dat het een feest is verwart je. Het zet zich neer, met tranen.)

(Iets van die eenzaamheid is de hele tijd bij je, tot in de nacht.)

Een nieuwe dag. De boodschappenronde. In een van de winkels kom je een vriendin tegen. Onderweg daar naartoe had je nog aan haar gedacht. (Je ziet iets.)

Je werkt door, tot je alle dossiers gedaan hebt, en je je beoordeling door kunt sturen. (Het is weg.) Bach is de hele tijd aanwezig.

Iets is heel moe. (Je durft niet aan troost denken, vermoed je.) De volgende dag zul je bij je zus zijn, zul je blijven in de bewegende trein. Je kunt gewoon bij haar zijn, dan hoef je niet te denken aan dat verwarrende feest. Het is goed. Het is.

27 maart 2026

Vloeibaar


Een nieuwe week. (In je hoofd leg je alle dingen die je nog moet doen netjes naast elkaar. Dat nu, dat moet nog wachten, dat is nog niet bekeken. Alsof je kunt schuiven.)

Je had de vorige dag snel nog een opiniestuk gemaakt, je krijgt bericht dat het zal worden geplaatst. (Eerst razen de woorden in snelle zinnen door je hoofd. Daarna worden ze rustiger, zodra je begint te schrijven. En eens de tekst klaar en weg is, zijn ook de woorden weer weg uit je. Iets in je legt zich neer.)

Die middag op tijd vertrekken om de trein te halen. Op weg naar een vriendin die je al een hele tijd niet meer zag. Er was altijd al iets bijzonders aan die treinrit, naar het uiteinde van het land. Tot waar het spoor stopt.)

Je bent blij haar te zien, je luistert naar haar verhalen. (En het is alsof je naar de tijd kijkt.) Je probeert iets te vertellen, over afwezigheid. (Je bent in het nu, denk je, niet meer toen. Je denkt iets over vloeibaarheid, hoe je zou willen.) Een geschenk.

Op de terugweg zegt de treinmeneer dat jullie allemaal moeten uitstappen. Er is iets aan de hand in Brussel-Zuid, nog zoveel stations verder. Iedereen stapt in de andere trein, een stoptrein. Je kijkt naar het landschap.

(Je ziet dat je stuk is geplaatst, het is daar, niet meer hier.)

Een andere dag. Je vertrekt naar de school, voor je presentatie. Hoe lang is het geleden dat je nog eens in die school was? De lerares haalt je op aan het onthaal. (De geluiden, de geuren, de muren die zich zoveel herinneren.)

Je geeft je les tweemaal. Je probeert de Belgische en Italiaanse scholieren in je veld te krijgen. (Het verhaal dat je vertelt, het zou een plek kunnen zijn.) De Italiaanse leraar komt je bedanken voor de beelden die je gebruikte. Tijdens de pauze komt het meisje vertellen over haar opa, die alles kan repareren, en alles zelf kan maken. Je vraagt of hij dat alles ook aan haar leert. Ja, zegt ze, ze glimlacht. Je hebt een geweldige opa, zeg je. (Een geschenk.)

Die namiddag, de vergadering. Je hebt alles goed voorbereid. (Ook deze vergadering is een geschenk, denk je. Je bent trots op de plek die er gekomen is.) Je kijkt naar hoe ze allemaal nog even staan te overleggen, na de vergadering. (Je bent blij.)

Die avond. Je loopt door die andere stad, op weg naar de prijsuitreiking. In het mooie gebouw. Op het grote scherm zien jullie wie de literaire prijzen winnen, even verderop in de schouwburg. (Je ziet het achterhoofd van je vriend.) Nadien nog een heel mooi gesprek. (Ook haar zag je al heel lang niet meer.) Ze komen allemaal binnen, voor de receptie. Je wacht nog even op je vriend, vertrekt dan naar de trein.

Onderweg, de etalage van de winkel met kostuums op maat. (Je droomt even.) En nog een mooi treingesprek.

Een nieuwe dag. Je probeert alles in te halen van de vorige dag. (Je bent graag op die plek, merk je weer. Misschien is het het licht, misschien is het het toetsgevoel, misschien is het gewoon ergens.)

Je volgt nog even het begin van de conferentie. Je praat met de jongeren. Je maakt foto’s. (Je zoekt het licht.) Daarna ga je verder werken. Je probeert nog snel een nota te maken.

De avondvergadering. Je luistert naar de verhalen, je stelt je nota voor. (Je draagt een idee, je ziet beelden, het mag bewegen, los van jou.)

Een andere dag. De vergadering, netjes binnen de voorziene tijd. Het gesprek met de twee studenten. (Het ontroert je, hoe scherp ze kijken naar de dingen. Je zou aan hen willen uitleggen hoe jij was, toen je hun leeftijd had.)

Die avond. Een afspraak. (Elders in de stad wordt er betoogd, je zou ook daar willen zijn, bij je vrienden. Iets over aanwezigheid.) Je luistert naar haar verhalen. Je denkt iets over hoe pijn beweegt in de tijd, hoe het wordt doorgegeven.

(Weer thuis. Je zou aanraakbaar kunnen zijn, denk je.) Je kijkt naar weer een aflevering van die reeks, met je warme dekentje. (Iets van de zorg die je ziet, het raakt je.)

Een nieuwe dag. Je haalt die vroegere trein nog net. (Even lijkt het alsof je zeeën aan tijd gaat winnen.)

Je puzzelt de vrijdagtekst in elkaar. (Misschien zijn het kleine huisjes, een beetje stil.)

Een mooi bericht, het maakt je week. (Je droomt iets over vloeibaar, ziet ineens hoe het zou kunnen zijn. Een geschenk, hoe je beelden kunt geven.)

Je lijstje is korter aan het worden, merk je.

Je vertelt iets aan de plant naast je bureau. De donkergroene bladeren glimmen. (Je verhalen zijn veilig.)

Het ritme van de trein, in je huid. Je zou kunnen verdwijnen, weg kunnen vloeien, en toch blijven.