25 juli 2026

Uit het beeld


Langzaam in het nieuwe ritme komen. De dagen anders laten bewegen. Het zal nog even duren, maar het komt wel.

Een lijstje met nuttige dingen voor de volgende weken.

Even naar de andere stad gaan om die boekhandel te bezoeken. (Wat een luxe.) (Soms is het ook leuk om gewoon te kijken naar de andere mensen in de boekhandel. Hoe ze bewegen, als in een trage trance. In een eigen wereld. (Hoe jij beweegt, in een eigen wereld.)

Ja, bericht van een vriendin. (De kaarten voor Bob zijn gescoord.) (Brede smile.)

Het interview in het tijdschrift raakt je diep. (Je herkent zoveel. Je zou zinnen willen schrijven, ze schrijven zichzelf.)

Verder lezen in je boek. (Het is zo goed. Het voelt zo lekker, het boek in je hand te voelen. Het voelt zo luxe, gewoon enkele uren zitten daar, en lezen.)

Een berichtje van een vriendin. (Het is alsof je lichaam trilt.)

Een andere dag. (Een feestdag.)

De eerste dingen van het lijstje nuttige dingen. (Er is nog zoveel te doen. Maar met elk ding komt het huis een beetje terug.)

(Wat is die rare plek op je hand?) (Zul je dan toch snel doodvallen?) (De oude Julia had ook zo’n plekken.)

(Even dutten.)

Het boek is uit.

Een stukje maken over het boek. (Altijd kleine weerstand. Tot het klaar is, dan is er rust.)

(Iets in je lichaam zou willen kantelen.)

Een volgende dag.

(Die dingen die je zou moeten vragen aan je zus.)

Afspraakjes beginnen zich aan te dienen. (Hoe is het met jou? Zijn de dagen goed voor jou?)

Ja, de stapel nog te lezen boeken is hoog, maar er kan er altijd nog eentje bij.

Je krijgt droevig nieuws van een dierbare vriendin. Je vindt het zo erg voor haar. (Je probeert ergens een warm plekje te maken, iets dat haar zou kunnen omhullen, op een of andere manier. Misschien zal het tot bij haar komen.)

Een vers boek. (Wonderlijk hoe iemand die zo jong is zo’n boek kan maken.) (Het zal je nooit lukken, dus.)

Een nieuwe dag.

Even op en neer naar het werk, om wat met de planten te doen. Wat meer aarde, die grote verpotten, verhalen. (Ze herkennen je.)

Verder lezen in het boek. (Je vliegt erdoor, zo lijkt het.) Het boek is uit.

Een afspraakje om samen te eten. Ze heeft haar vriendje mee. Een bijzonder gesprek, dat je erg ontroert. (En zoals altijd, verwart.) Hoe zeg je dat, dat je soms bang bent dat je niet lang genoeg zult leven om haar te zien opgroeien? Je ziet het toch, zegt ze.

(Je zult nooit weten hoe dat werkt, dat je iemand bent, in een ander. Ooit, ergens onderweg, kwam je in het leven van een ander. Op een of andere manier besta je ook daar, blijf je daar. Het is niet dat je telkens opnieuw voor het eerst gezien wordt.) (Je begrijpt hoe het werkt met anderen in jouw lichaam.) (Je begrijpt niet hoe dat werkt, dat je iemand bent, in een ander.)

En weer een dag.

(Het is soms alsof je wacht op iets.)

Dat tekstje dat je elke week maakt. (Je hebt met jezelf afgesproken dat je dat de hele zomer zult blijven doen.) Je voelt weerstand. (Wat een goed teken is, je bent dus al een beetje in het andere ritme.) Je wilt in andere woorden zijn.

Je bent verdrietig. Traag verdrietig. (Het is goed.)

En een vers boek. Het is zo mooi, zo ontroerend. Hoe ze een leven samen beschrijft. Hoe hij steeds zieker wordt en zal sterven. Hoe hij een brief schrijft aan zijn pasgeboren kleinkind. (De woorden lijken je te vullen. Alsof je in die woorden kunt ademen, alsof je erin zou kunnen leunen.)

Een stukje schrijven over dat vorige boek. (Worstelen, zoals steeds.)

(En je mag zomaar lang opblijven, het is vakantie.)

Wakker worden in een droom. Iets als een uitnodiging in water. (Het beeld zal de hele dag bij je blijven.)

Afgesproken met een vriendin in een andere stad. Het is al zo lang geleden dat jullie elkaar nog zagen. Je hoort haar verhalen. (Ze was zomaar aan de andere kant van de wereld.) Even langs die boekhandel lopen, zoals steeds. En nog eens naar het museum, ook dat is al lang geleden. Het raakt je meer dan de vorige keren.

Op het schilderij zie je hoe ze rechts in beeld bij het raam zit. Men heeft haar “de waanzinnige” genoemd. Centraal in beeld zie een priester met zijn gevolg, die een bezwering uitvoert, die een of andere duivel wil uitdrijven. (Ze wilden haar uit het beeld, denk je.) Als je al die mannen even wegfiltert, zie je alleen haar. (Misschien zijn zij de demonen waarmee ze worstelt?)

En nog verhalen. (Iets over verwarring.) Rustig teruglopen naar het station, tussen de mensen. Het is goed.

24 juli 2026

Lázár


Je kantelt mee met de geschiedenis en verliest alles wat zo eeuwig leek. Kun je de tijd enkel ondergaan, of kun je die mee sturen? Is het toeval dat bepaalt aan welke kant van de lijn je terecht zult komen? Of maak je keuzes? De tijd duwt je vooruit, tot enkel de verhalen blijven. Lázár, van de Zwitserse auteur Nelio Biederman – die 21 was toen hij dit boek afwerkte – is een wervelend boek over een tragische familiegeschiedenis. Een boek dat ouderwets en heel modern tegelijk is. Een boek dat beweegt tussen registers en literaire referenties. Een boek dat een klassieke herkenbaarheid suggereert, maar beweegt als een film die alleen in dit nu had kunnen gemaakt worden. Een boek dat een ode is aan het vertellen.

Het verhaal is een in essentie een familieroman, over drie generaties van de familie Lázár, van de periode van het oude Habsburgse rijk, over de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, tot het Hongarije dat een vazalstaat was van de Sovjet-Unie. We beginnen het verhaal in het landgoed van de familie, nabij een donker en dreigend bos. Sándor is de baron. Zijn vrouw Mária bevalt van haar tweede kind. Lajos is een kind met een doorzichtige huid, zo lijkt het. Zijn zus Ilona vindt het niet bepaald prettig. De kinderen groeien op in een strikte omgeving, waar de tragiek als een donkere wolk boven hangt. Het duistere bos is gevaarlijk. Gedichten van grote schrijvers kunnen aanleiding geven tot lichte krankzinnigheid. De familie beweegt heen en weer tussen verschillende huizen. Geheimen stapelen zich op, aangestuurd door lichamelijke driften. Allerlei kleurrijke figuren zwermen rond de hoofdpersonages. Tragische gebeurtenissen leiden tot verlies van wat zo zeker leek. Het rijk van Sándor stuikt in elkaar. Lajos neemt de dingen over en lijkt alles weer op de sporen te krijgen. Zijn zus zal het land verlaten, en hij krijgt twee kinderen, Pista en Eva.

Het zijn de grote historische omwentelingen op de achtergrond die het verhaal aanstuwen. Vader Sándor en zoon Lajos lijken soms meer op elkaar dan ze zouden willen. Uit pragmatisme, of opportunisme, laten ze zich voor een stuk meedrijven en worden ze in de feiten voor een stuk mee verantwoordelijk voor het onheil dat bezetters aanrichten. Het lijkt er in de eerste plaats om te gaan dat ze hun adellijke privileges kunnen behouden. Maar tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gaat Hongarije door turbulente tijden, met een fascistisch bestuur, de bezetting door de Sovjet-Unie, een opstand, en daarna een periode van communistisch bestuur. De adel verliest alle rechten en eigendommen. De familie Lázár moet ineens in heel andere omstandigheden trachten te overleven. Pista en Eva zetten zich actiever in wanneer even de vrijheid lonkt.

Het boek is voor een groot deel gebaseerd op de familiegeschiedenis van de auteur. Via zijn grootmoeder hoorde hij verhalen over hoe het was en met zijn ouders ging hij op bezoek langs domeinen die ooit bij de familie hoorden. Hij heeft van dat alles een boek gemaakt dat zichzelf voortstuwt.

Het is een fascinerend boek, om allerlei redenen. Het lijkt op een klassieke familieroman, met een tragische geschiedenis van wat ooit een rijke adellijke familie was, met allerlei turbulenties. Het lot weegt, en de geschiedenis vermaalt de oude privileges. Toch voelt het boek bij het lezen heel anders aan. Het heeft iets ouderwets, met soms zinnen die zouden kunnen passen bij een klassieke roman, met een alwetende verteller. Het speelt met motieven en stijlen. Zo is er zeker in het begin een soort ‘gothic’ gevoel, met het duistere bos en min of meer magische elementen. Er zijn allerlei kleurrijke personages. Tegelijk is er een lichtheid, in het ritme, in humoristische elementen. De manier hoe seks uitgebreid aanwezig is voelt erg modern. Heel wat beschrijvingen zijn heel filmisch, lijken al een voorzet te geven voor een verfilming die een tragische maar ook ironische ondertoon zal hebben. Er zijn allerlei verwijzingen naar bekende auteurs, die zo het boek een soort meta-laag geven. Zelfs Stalin doet even een cameo.

De geschiedenis komt in het verhaal zoals die ervaren wordt door de leden van de familie. In de naoorlogse periode, wanneer de familieleden niet meer veilig in hun adellijke wereld zitten, wordt er meer duiding gegeven bij de gebeurtenissen. De gruwel komt dichterbij.

Je zou kunnen zeggen dat het boek niet helemaal in balans is. De wereld van de adel wordt op zich niet in vraag gesteld door een verteltechniek die de lezer met een kritische blik zou doen kijken. In het algemeen worden de personages getoond, in een aantal kenmerken, zonder echt sterk in de diepte te gaan. Je zou kunnen zeggen dat er met sommige personages of hun kenmerken literair veel meer had kunnen gedaan worden. De fragmentaire structuur verhindert misschien een ruimere blik op de historische en maatschappelijke context.

Daar staat evenwel tegenover dat het boek net door de gemaakte keuzes een heel eigentijds ritme heeft. Er is een beweeglijkheid tussen registers en een spelen met de verwachtingen die je zou kunnen hebben bij een traditionele familieroman. Dat spel doet je anders naar het verhaal kijken. Tegelijk heeft het iets ouderwets om te kiezen voor een verhaal van generaties van eenzelfde familie. De manier waarop zo’n jonge auteur dat alles bij elkaar heeft geconstrueerd in een verhaal dat bruist van het vertelplezier is minstens indrukwekkend. Je zou een boek met zo’n onderwerp misschien veeleer verwachten van een auteur die al een hele tijd bezig is en dan een ‘grote’ familieroman wil schrijven. Op een bepaalde manier voelt het alsof de auteur zelf helemaal niet beladen is door het verhaal van zijn voorouders maar net vanuit het nu, met afstand, en geworteld in deze tijd, het verhaal van zijn familie wil vertellen, zonder oordeel. Hij kan ‘oud’ schrijven als hij dat nuttig vindt, en maakt er toch een ‘jong’ boek van, dat terecht een meeslepende bestseller is geworden.

21 juli 2026

Flesh


Je beweegt door het leven. De dingen gebeuren. Je kijkt. De dingen brengen je op een plek waar je misschien niet had verwacht aan te komen. Maar misschien verwacht je niets. Of probeer je dat niet in woorden uit te drukken. Je bent lichaam. En op de schakelmomenten in je leven is het het lichaam dat voor je beslist, of je alleszins leidt. Misschien is er een afstand tussen wie je bent als lichaam en wie je bent op andere momenten. Misschien ben je vervreemd van iets, of misschien is vervreemding de normale stand. Het zou kunnen dat je een toeschouwer bent van je eigen leven. Of het zou kunnen dat het leven als een soort amorfe massa is die je niet kunt kneden of in een richting duwen. In Flesh (vertaald als: Het vlees) van David Szalay kun je het lezen. Het is een fascinerend, in een minimalistische stijl, die je aantrekt, en ook een beetje wegduwt. Een boek dat iets zegt over Europa, over klassenverschillen, over hedendaagse vervreemding, over mannelijkheid en over de mogelijkheden van de roman. Een boek dat in 2025 The Booker Prize kreeg.

Het boek is het verhaal van István. Bij het begin van het boek is hij vijftien, en woont hij met zijn moeder in een appartement in Hongarije. Het is een nieuwe stad, en hij weet niet goed hoe de dingen werken, wat de sociale codes zijn, wat hij moet doen om erbij te horen. Hij lijkt niet veel initiatief te nemen, de dingen overkomen hem. Een beetje tot zijn eigen verbazing heeft hij een vriend. Die wil hem voorstellen aan een meisje, maar dat loopt mis. Tegen zijn zin helpt hij de buurvrouw bij haar boodschappen. Zij verleidt hem. Hij volgt, laat het gebeuren en wanneer hij het wat actiever zelf in de hand wil nemen gaat het fout.

Met elk hoofdstuk spring je enkele jaren verder in de tijd. István zat in een jeugdinstelling, doet daarna wat louche zaakjes, loopt opnieuw een blauwtje, gaat naar het leger en doet een missie in Irak. En zo volgen we hem tot in Londen, waar hij begint als buitenwipper aan een stripteasetent. Hij komt terecht bij een beveiligingsbedrijf en wordt uiteindelijk de privé securityman/chauffeur bij een rijk koppel, een oudere man en een jonge vrouw. István en die vrouw, Helen, groeien naar elkaar toe. Voor hij het goed en wel beseft, beweegt hij zich in een totaal andere wereld. Waar hij nog steeds als een toeschouwer van zichzelf is.

Je zou je een klassiek romanpersonage kunnen indenken dat heel doelbewust door de dingen beweegt. Met een doel voor ogen, met ambities, met een drive om vooruit te komen en op te klimmen. Een personage dat blijkbaar een inzicht heeft in de eigen motieven, die redelijk eenduidig zijn, en die daar ook over kan reflecteren en er daarna in woorden duiding over kan geven. István is helemaal niet zo’n personage. Als je hem vraagt hoe het gaat, zegt hij dat alles oké is. Het is niet dat hij zich afsluit van zijn emoties, het is alsof hij die ontdekt in het handelen. Het lijkt alsof het telkens anderen zijn die iets doen veranderen. Ze stellen hem iets voor, en na even nadenken, doet hij dat. Anderen verleiden hem, of zeggen dat ze hem aantrekkelijk vinden, en dan gebeuren de dingen. Hij controleert ze niet, zo lijkt het.

Tegelijk zie je dat István in dat alles lijkt te zien hoe hij meer lichaam is dan hij in zijn positie als toeschouwer van zijn eigen leven soms beseft. Je ziet ook als lezer hoe er in hem een onderlaag is waarin hij aangetrokken wordt tot geweld en waar hij wordt voortgestuwd door seksuele verlangens. Op een aantal kantelmomenten neemt die laag het over. Zijn leven lijkt te verhevigen, en dan keren de dingen weer terug naar hoe ze waren.

Je zou kunnen zeggen dat hij een soort ‘man zonder eigenschappen’ is, maar dat klopt niet helemaal. Je zou immers ook kunnen stellen dat hij een soort rationele inschatting maakt van de keuzes die hij op een bepaald moment in zijn leven heeft en daar dan naar handelt, zonder te veel te blijven hangen bij wat er niet was. Het was dan misschien niet zijn bewust nagestreefde doel, maar hij klimt toch in korte tijd op naar de rijke bovenlaag van de samenleving, waar hij ook weer uit kan verdwijnen.

In het boek kun je een verhaal lezen over mannelijkheid. Het beeld van een man die zwijgt en de dingen laat gebeuren, zonder al te veel emotionele betrokkenheid. Maar ook dat zou een te eenzijdige lezing zijn. Op zijn manier worstelt hij met zijn eigen vervreemding. Hij staat daar deels machteloos tegenover, maar hij vervalt ook niet in een soort cliché machopositie. Op zijn manier worstelt hij met situaties die complex zijn en waarin hij voelt dat hij iets zou moeten doen. Hij merkt, misschien pas na een tijd, dat wat hij meemaakte liefde was, een besef dat hij via zijn lichaam moet voelen.

David Szalay doet dat alles in een indrukwekkende stijl. Beschrijvingen en dialogen zijn vormgegeven in een minimalisme dat de leeservaring heel intens maakt. Het is alsof uit elke periode van zijn leven enkele momenten zijn gekozen die in ingedikte vorm de essentie moeten vatten. In de gaten tussen twee hoofdstukken is er steeds veel gebeurd, maar dat kom je maar in kleine details te weten. Het is minimalistisch, maar niet koel. Het is moeilijk uit te leggen, maar in zekere zin zou je als lezer lichamelijk dichter bij de personages willen komen, maar dat gaat niet. Tragische momenten blijven vaak net buiten de woorden. Je voelt je soms een toeschouwer van een toeschouwer, maar je blijft lezen. Dialogen zijn soms moeizaam, met kleine woorden, cirkelend rond dingen die niet kunnen gezegd worden. De personages zeggen dan even later tegen elkaar dat ze niet konden zeggen wat ze wilden zeggen, soms is er een brug naar elkaar in hun lichamen, soms gaan de dingen verder.

Het is alsof Szalay door die heel bijzondere vorm iets kan vatten van hoe de wereld in elkaar zit. Bewegen tussen verschillende kanten van Europa, tussen verschillende klassen. Bewegen in een wereld die zich – behalve dan misschien voor sommigen – niet zomaar laat kneden. Keuzes zijn meer pragmatisch en meer lichamelijk en minder consistent dan klassieke romans laten uitschijnen. De vervreemding is misschien wel iets van ons allen, niet alleen van István. In de werkelijkheid speelt ‘het vlees’ misschien een grotere rol dan we zouden willen of beseffen, maar dat lost de vervreemding niet op. Je weet niet of je anderen echt kunt kennen. Als lezer zou je István bijna willen kunnen aanraken, maar dat gaat niet. Je voelt hoe eenzaam hij is en hoe hij toch, op zijn manier, vooruit beweegt in het leven. Het is indrukwekkend hoe Szalay van Flesh, dat op zich misschien niet over een gemakkelijk onderwerp gaat, een fascinerend boek heeft gemaakt dat je niet kunt wegleggen en dat nog lang na de laatste bladzijde door je hoofd blijft gaan.

18 juli 2026

Helemaal leeg


Het zijn de laatste dagen voor. (Je mag bijna.)

Het laatste lijstje afwerken de volgende dagen. (Het gaat ook over andere woorden, denk je. Even wachten nog.)

De poetsmevrouw is ook aan het aftellen, het is ook haar laatste week. Ze vertelt je dat ze dankzij jou ook gewoon op blote voeten rondloopt. (Je hebt al een tijdje de indruk dat ze pijn heeft aan haar voeten, hoe ze door de gang loopt.) Ze is blij dat het hier zomaar mag.

(Even horen of je stuk nog zal gepubliceerd worden. Ja.)

Op weg naar huis nog een cadeau zoeken voor je maatje. (Ja, dat zal hij wel graag lezen, denk je.)

Toch maar even een stukje schrijven over dat boek dat je de vorige dag hebt uitgelezen. (Tijdens het schrijven begrijp je ineens iets over dat boek.)

Verder kijken naar die film die je zo raakte. Die twee vrouwen. Zoveel verlangen dat moet bewegen tussen fossielen. Die ogen.

Een andere dag. (De nacht haperde.)

De vergadering. (Je kijkt in je hoofd naar een strategie.)(Misschien zou je liever naar iets anders kijken.)

Je luistert naar verhalen. (Verhalen hebben andere woorden. Ze huizen op een andere plek in je lichaam, denk je.)

Het inpakken van je cadeau is andermaal suboptimaal gelukt. (Wat wel een troostende gedachte is. Iets als jouw leven, suboptimaal gelukt. Het mag haperen.)

Je bent blij dat je even bij hem kunt zijn, op zijn verjaardag. (En je hoopt dat zijn reis goed zal verlopen en dat hij veilig en wel weer terug zal komen binnen enkele weken.)(Het is altijd een beetje ingewikkeld, dierbaren die weggaan.)(Maar minder dan vroeger.)

Je schuift in de film, en blijft kijken. Heerlijk hoe de film balanceert tussen licht absurd en tragisch. De mensen zijn zo mooi. (Het einde is zo mooi.)

Een nieuwe dag. Er staan nog enkele klusjes op je lijstje. Je werkt ze zorgvuldig af. (Geen losse eindjes, een clean desk is in het vooruitzicht.)

Een bijzonder moment in de namiddag. Je staat in het parkje tussen de mensen, het zijn je vrienden. De jonge man op het podium. Het begin van wat een monument zal worden voor de klimaatslachtoffers. (Je bent zo trots op hem, je bent zo verdrietig, je bent zo kwaad, je voelt je klein, je bent blij dat je hier bent, je bent zo moe.) Je legt een bloem, kijkt naar de lijst met namen.

Die avond. Je ziet een filmpje met een mooi interview. Iets over een ander soort vrijheid. (Ineens zie je het voor je. Het is als een sleutel tot de tekst die je nog moet schrijven.)

Je gaat nog even kijken of zij er is. Haar groepje vrienden. Ze zijn muziek aan het draaien. Daar staat ze, en daar is haar vriendje. Het is fijn om even daar te kunnen zijn, te kunnen kijken naar haar leven. (Zou ze weten dat je trots bent op haar?)

Je kijkt opnieuw naar een stuk van de film. Merkwaardig hoe de gezichten van de acteurs al een beetje anders lijken, alsof ze meer in zichzelf schuiven.

Een volgende dag. (De voorlaatste.)

Je ziet dat je stuk gepubliceerd is. Het vertrekt. (Het is nu een beetje uit je systeem.)

Je geeft een miniopleiding voor je collega’s. Website onderhouden voor beginners. Je herinnert je nog toen jij de uitleg kreeg, en de helft niet begreep. (Je probeert het beter te doen.)

Op weg naar de trein. (Heel moe. Het gevoel dat elk jaar komt, zo net voor je vakantie begint. Het is tijd.)

(Je hebt even geen zin om bekenden tegen te komen, je wilt gewoon alleen in de trein zitten, doen alsof je je krant leest.)

(Je moet nog altijd dat ene stuk ook schrijven, deze week nog.)(Geduld)

(Je kunt nooit goed uitleggen hoe woorden bewegen in je lichaam. Hoe sommige woorden je lichaam wegtrekken, hoe je verlangt naar andere woorden, die iets anders doen met je huid.)

Een nieuwe dag. De laatste.

Je bouwt de vrijdagtekst op, als met blokjes. (Het is als een kleine berg waar je nog over moet.) Geduldig de Franse en de Engelse vertaling maken. En dat persbericht van de Commissie waarop je wachtte, is er eindelijk. De tekst kan naar buiten.

De poetsmevrouw komt afscheid nemen.

De planten. Rustig en zorgvuldig. Je vertelt verhalen. (De planten thuis kennen al je geheimen.)

En de allerlaatste dingen.

En dan vul je – het wordt stilaan tijd – je aanvraag voor vakantiedagen in. (Sommige tradities moeten in ere worden gehouden.)

Ja. Het moment. Clean desk. (Eindelijk.) Helemaal leeg. (Eigenlijk fysiek gezien even netjes leeg als elke andere dag, maar het voelt aan als een ander soort leeg.)

Iets trager dan anders loop je door de stad naar huis. Je kijkt naar de mensen.

Die avond. (Eigenlijk ben je te moe, maar toch.) Je wilt nog even naar dat ene concert gaan kijken, met de accordeonist. (Het is zo druk in de stad.) Je zoekt een plekje achteraan op het plein. (In die straat woonde je ooit nog.) Hij speelt zo mooi. (Je kijkt naar de mensen. Zoveel mooie lijnen, in gezichten, in evenwichten. Verhalen die je niet kent. Het is een mooie gedachte. Je ziet hoe een vriendin vooraan staat te dansen.) (Eigenlijk kun je al dat gepraat niet goed verdragen, je zou alleen maar willen luisteren, en kijken.)

Een nieuwe dag. Je lichaam schuift langzaam in de vakantie, merk je. (Het zal nog enkele dagen haperen.)

Je hebt met jezelf afgesproken dat je die ene tekst nog zou schrijven. Je begint eraan na de boodschappen. (Dat was een mooi gesprek met de Litouwse mevrouw, aan de kassa.) Nog even enkele andere dingen, en dan begin je er dus aan. Het vraagt je veel. (Je zou willen leunen in andere woorden, stilaan. Iets zou je mogen dragen, zonder vragen te stellen.) Je laat de tekst het overnemen, tot hij klaar is. (Alleen de volgende ochtend nog eens nalezen en bewerken, en dan mag ook die tekst de wereld in.)

Je gaat liggen. Het is.

13 juli 2026

Het paleis


En ineens loop je rond in het paleis. Het statige symbool van een wereld waar jij niet bij hoorde, nooit bij zou horen, wat je ook deed. En je loopt daar rond, ziet al die plekken nu voor het eerst aan de binnenkant. En de verhalen dienen zich aan. Het was een oorlog die je de kans gaf om naar binnen te gaan, waar de verhalen huizen. Het paleis dat gedoemd is om in elkaar te stuiken. De Poolse auteur Wiesław Myśliwski nodigt je met zijn boek Het paleis (uit 1970, en weergaloos vertaald door Karol Lesman) uit in een heel eigen universum. Het is een spiegelpaleis, dat je kunt lezen als een bijtende kritiek op een wereld van ongelijkheid die eindeloos lang niet heeft bewogen en nu ineens wankelt. Het is een nimmer stoppende stroom van verhalen, die iets lijken te zeggen over een onuitputtelijke kracht, die staat voor bevrijdende verbeelding. Het is een plek waar je mensen hoort praten, eindeloos, in het ritme van gesprekken, niet in de vorm van een gestructureerde roman. Het is een paleis voor de kracht van taal, een paleis dat sterker blijkt dan alle wereldse rijkdom. En het is een tegelijk meeslepend, weerbarstig, satirisch, vermoeiend en fascinerend boek. Het laat je niet zomaar binnen, je krijgt er niet zomaar vat op. Maar als je blijft, kun je ervaren hoe het is als de Walls Come Tumbling Down.

Het opzet van het boek is in wezen eenvoudig. Ergens, op een niet bepaald moment in de tijd – misschien bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, misschien bij de inname van Polen door de Sovjet-Unie – breekt er een oorlog uit. Die was al lang aangekondigd, en nu is hij daar. Jacob, een herder, ziet hoe alle mensen uit het rijke landgoed de benen nemen en wegvluchten. Hij zelf wil niet weg, en gaat naar binnen. Hij kwam nooit verder dan de deur, en kan nu door de gangen dolen, in alle kamers kijken, de somptueuze rijkdom zien.

Wat volgt, lijkt op een soort eindeloze monoloog in het hoofd van Jacob, maar het is veel meer dan dat. Jacob gaat van kamer tot kamer, probeert tot zich door te laten dringen wat hij ziet, en verplaatst zich in het hoofd van ‘de edele heer’. Vanuit dat nieuwe gezichtspunt kan hij een wereld zien waar hij zelf als eenvoudige herder nooit toe zou behoren. Je probeert als lezer een beetje te volgen waar je bent in het gebouw, en in wiens hoofd je eigenlijk bent. Al heel snel lukt dat niet meer. Het lijkt erop dat je beweegt tussen verschillende generaties van ‘edele heren’. In hun beschermde wereld hebben ze hun besognes, zijn ze soms eenzaam, doen ze maar wat. Maar tegelijk leven ze schaamteloos in hun privileges. Ze kijken neer op de mensen die voor hen werken en buigen, eigenen zich jonge vrouwen toe, en doen ermee wat ze willen.  Ze kunnen zich verheven en artistiek voordoen, maar vervallen even snel in een pijnlijk neerkijken op gewone mensen, vol misprijzen. Misschien zijn die verhalen inwisselbaar, omdat het min of meer feodale systeem waarin ze zitten al een eeuwigheid bestaat. De rijkdom blijft binnen dezelfde klasse, met een goedkeurend oog van vertegenwoordigers van de kerk. Voor de arme mensen die op het platteland proberen te overleven, zijn er weinig alternatieven, en verzet leidt tot niets.

Uit een aantal persoonlijke verhalen merk je hoe pijnlijk die hele situatie al is geweest voor Jacob zelf. Maar tegelijk staat hij voor een hele groep van mensen. In de ogen van de heer zijn ze anoniem en inwisselbaar. Het maakt na een tijd al helemaal niet meer uit of je weet wie er nu eigenlijk aan het woord is. Dat paleis is een soort symbolische plek, waar alle verhalen opgestapeld zijn en hun eigen leven leiden, als geesten of demonen. Hoewel alle ruimtes nu ineens leeg zijn, zijn de verhalen er nog. Maar door zelf de verhalenstroom over te nemen of zich erdoor te laten meedrijven, krijgt Jacob ook een zekere macht over hen. Het ene verhaal kantelt in het andere. Van het ene register schuift het op naar een heel ander. Sommige stukken duren heel erg lang, andere zijn snel weer weg. De tekst beweegt op een tempo en een associatief ritme zoals mensen praten. Soms herhalend, soms ongestructureerd, soms spannend, soms vervelend en saai.

Dat verhalenuniversum laat op een fascinerende manier twee dingen zien: de knechtende en tegelijk ook de bevrijdende kracht van verhalen. Die schijnbaar eeuwig durende wereld van tweedeling, waarin machtelozen zich blind moesten schikken in hun rol, terwijl de machtigen op hen neerkeken en de privileges van hun kaste beschermden, steunde op verhalen. Verhalen die legitimeren dat iedereen een vaste plaats heeft en dat rijkdom of politieke macht omwille van de sociale orde niet in vraag mogen gesteld worden. Het zijn verstikkende verhalen, die van zichzelf zeggen dat ze waarheden zijn. Maar daarnaast kun je die verhalen ook van binnenuit uithollen door andere verhalen die net wel hun verhaalzijn vieren en gebruiken. Dan is het mogelijk alle rituelen van de macht, al die aristocratische praat, alle leugens van de communistische elite ineens te ontmaskeren door literaire kracht, door satire, door poëzie. Dan is zogenaamde ‘boerenliteratuur’ ineens iets heel anders.

Het is niet altijd eenvoudig om je zomaar mee te laten nemen door dit boek, dat niet is opgebouwd als een klassieke roman en dat je niet bij het handje neemt. Het kan soms moeilijk zijn om als het ware in het paleis binnen te komen. Maar eens je je overgeeft aan het associatieve ritme, aan de immense taalvirtuositeit, aan het spel van verhaalsoorten en registers, voel je de subversieve kracht van dit boek. Misschien dachten de communistische leiders dat dit boek de val van het feodale machtssysteem beschreef, als een soort lof op ‘de’ arbeider. Maar daarmee zagen ze dan hun eigen paleis niet meer.

Je krijgt als lezer niet één duiding of interpretatie mee. Het lijkt in eerste instantie een beetje een tijdloos verhaal, uit een verleden dat bij sommigen nostalgie zal opwekken, in een landelijk universum. Maar het is geen sociaal realisme. Eens je met enige afstand kijkt naar hoe het verhalenuniversum van het paleisuniversum functioneert, en eens je je durft overgeven aan de stuwende kracht van die associatieve stroom van verhalen, zie je de bijtende kritiek. Die stroom klinkt dan als de verontwaardiging van een simpele herder, die symbool staat voor zoveel anderen. Wat zo lang niet mocht gezegd worden, stroomt naar buiten. Die wereld die zo onaantastbaar leek, bleek ineens door een externe factor – de oorlog – heel erg kwetsbaar. Het lege paleis bevat nog wel de oude verhalen, maar ze worden op zo’n manier in een veel ruimere stroom van verhalen gebracht dat ze op het einde onherroepelijk leiden tot een soort implosie van het gebouw, en van een wereld waar het voor stond. En dat die muren in elkaar stuiken voelt aan als gerechtigheid.

Het paleis is een heel bijzonder boek, voor wie het als lezer aandurft om mee in de stroom te stappen.

 

12 juli 2026

Een nieuw leven


Een nieuwe week. (De voorlaatste voor.) Er zit onrust in je lijf. Je bent nog steeds kwaad. (Je zou dat opiniestuk moeten schrijven, dat zal je misschien wat kalmeren.) En je kunt bijna beginnen aftellen naar de vakantie. (Je durft er nog niet echt aan denken.)

Een praatje met de poetsmevrouw. Ze zegt dat ze zich bij jou erg op haar gemak voelt. (Het ontroert je. Je zou haar willen vragen wat vroeger haar droom was. Het zal voor een andere keer zijn.)

Je hoort het bericht op de radio, over de pensioenwebsite. (Interne dialoog.) Toch maar even gaan kijken. Je ziet de data staan, ineens komt het nu dichterbij. Een beetje.

(Nog dingen lezen voor die tekst. Je ziet nog niet helemaal hoe de stukken in elkaar moeten passen. Zinnen bewegen in je lichaam.)

Die nacht. (Iets is in je lichaam geschoten, iets als hoogspanning. Wat je ook doet, het lijkt niet weg te gaan. Je moet wachten.)(Misschien is het de tekst.)

Een nieuwe ochtend. (Lichtjes geradbraakt.) Je moet nog wachten, blijkbaar. (Je dacht aan iemand. Je stuurt haar een bericht. Iets met de kosmos.)

De ene vergadering, de andere vergadering. De trein. Nog een vergadering. (Ze doet je nadenken. Misschien moet je proberen dat alles in je tekst te krijgen.)

(Even zie je iets over een nieuw boek, hoe het zou kunnen zijn. Heel even.)(Je bent moe.)

Op tijd onderweg, voor een afspraak met een vriendin. Het is al zo lang geleden dat het nog eens lukte om af te spreken. De verhalen ontroeren je, je kijkt. (Hoe kun je gezinnen in adjectieven vatten?)

Je brengt haar naar de trein, je loopt door de stad.

Op tijd naar bed. (Hopen op heling door de nacht.)

Een nieuwe dag.

(Nog dingen verzamelen, en dan straks de tekst gewoon laten komen, zien hoe de dingen zich neerleggen.)

De avondvergadering voorbereiden. (Je maakt je zorgen over je vriend.)

Die ene nota die je in een nieuwe vorm moet kneden. (In je hoofd spreidt de tekst zich uit, je ziet hoe je door de tekst kunt bewegen.)

Op weg naar huis. Je had haar niet gezien, ineens staat ze naast je. (Even wachten, dan een knuffel.) Je zegt dat je zo trots bent op haar. (Misschien is ze wel blij dat ze je ziet. Je bent blij haar te zien.) Je kunt het, zeg je, je hoeft niet bang te zijn. En wat er ook gebeurt, ik zal je steunen, zeg je. (Je weet niet hoe het moet, misschien was het wel goed. Soms hoor je in de hoofd de dingen die jij had willen horen, toen. Het helpt.)

De laatste avondvergadering voor de vakantie. Je legt je voorstel voor. Ze vinden het goed. (Je bent wel een beetje blij.)

Een andere dag. Ze zijn er weer allemaal. Verhalen. (Je kijkt naar plekken in de tijd, ziet waar jij staat.)

(De tekst wacht nog steeds, ergens in je. Je kunt hem in je hoofd al zien. Al zal het nog een verrassing zijn.)

De vergadering. (Je denkt aan de rivier.)

Na het werk nog op zoek naar een cadeautje. Het is even zoeken. Je zoekt tussen de babykleertjes. (Iets gloeit vanbinnen.) Je kiest op de groei, zoals steeds. (Het lijkt al zo lang geleden dat je dit nog deed.)

Die avond. (Het is tijd voor de tekst.) Je gaat zitten, en schrijft, in een stroom. (Je moet er de volgende dag nog wat aan prutsen, maar hij staat er eigenlijk wel, denk je.)

(Iets trekt zich terug uit jouw lichaam. Het wordt rustig.)

Een verse dag. De vrijdagtekst, de andere dingen, de planten.

Je werkt de tekst verder af. (De tekst heeft zijn eigen plek nu.) Je stuurt hem weg.

Nog snel de weekendboodschappen.

Afspraak met een vriendin. Je luistert naar de verhalen, terwijl je eet. (Het herinnert je aan ooit, toen.) Jullie gaan samen naar het orgelconcert. (Terwijl loopt de stad vol.) Vooral die ene organiste. En die jonge organiste, die haar helpt. Ergens halverwege begint de muziek te leven. Het is zo mooi. (Je hebt honderd dingen die je hun zou willen vragen.)

Daarna, een terras, een mooie rustige plek. De lucht is gevuld met regelmatig terugkerend gejuich. Een mooi gesprek. (Ze zal je de dag nadien erover nog bellen.)

Een nieuwe ochtend. Je staat vroeg op, laat de koelte in het huis.

In de trein, op weg voor je reis over de grens. Onderweg voel je al hoe doorwaadbaar je bent, de rivier is dichtbij.

Met je zus in de tram, en eerst nog iets eten, en verhalen. Daarna door naar het nieuwe leven. Het voelt zo bijzonder, in hun huis te zijn, het kleine jongetje te zien. (Je stem breekt meteen.) Dat kleine meisje van toen is nu een moeder. Het ontroert je zo, gewoon te kunnen kijken. Hoe ze het doen, die nieuwe mama en papa. Hoe je zus beweegt, nu ze oma is. (Je ziet zoveel, pas later komt het allemaal.) Of jij de kleine jongen even wilt vasthouden. Hij ligt te slapen op je arm. Hij is al zo groot. (Hij wordt lang, denk je.) Een mooie foto. (Je ziet de foto van je vader, met toen dat kleine meisje. Je ziet de foto van jezelf, met het meisje dat nu een mama is. Het raakt je heel erg, al weet je niet waarom. Iets over opschuiven in de tijd.) Er is iets veranderd, denk je, in de tijd.

De reis terug. Je bent een beetje moe, maar het voelt goed, onderweg zijn, lezen, kijken, denken.

Een nieuwe dag. Je staat weer vroeg op, al ben je nog erg moe. Het huis dankt je.

Je maakt de verslagen, je leest het artikel dat je kreeg, je haalt de was uit, wast die drie hemden nog met de hand, je leest de kranten.

Je verdwijnt even in een middagdut. Je leest je boek uit. Twee mensen komen ineens door je hoofd. En even later krijg je van hen allebei een bericht.

Beelden blijven komen.

04 juli 2026

Wolken


De voorvoorlaatste week. (Deze week zal het rustig worden, denk je. Even toch.)

In de koelte loop je naar het station. Het is weer even wennen, maar het doet goed.

Lijstje met dingen die nog moeten. (Alle dingen die voor de vakantie zal beginnen zouden moeten gedaan zijn. Het lijkt een soort straat.)

De poetsmevrouw vertelt over haar kinderen. Hoe ze wil dat ze goed studeren, en ook Nederlands zullen leren. Zodat ze het beter zullen hebben dan zij.

Die avond, een vergadering. (Je was ze bijna vergeten.) Interessante gesprekken. (En je telt ook af: na deze nog maar één avondvergadering te gaan.)

(Een haperende nacht.)

Een nieuwe dag. (Elke dag ben je wel blij, merk je, voor een nieuwe dag.)

Die middag, een seminarie van de Klimaatzaak. De slimme mensen op het podium geven hun beschouwingen. Je kijkt rond, zoveel mensen die je kent. (Zouden ze ook zo kwaad zijn deze dagen, zoals jij bent? Ja, blijkbaar.) Iemand die je een tijdje niet meer zag. Ze is er met haar nieuwe kindje. Zo mooi, je smelt een beetje.

Na het werk, op tijd in de bioscoop. Er zijn weinig mensen in de zaal. Je bent moe, maar het doet je goed om alleen maar in een verhaal te moeten zijn. Het is zo ontroerend mooi, zo tragisch. De radeloze vader, met zijn twee kinderen, onderweg. Hoe ze naar elkaar kijken.

Na de film loop je door de stad. Het is alsof je het niet goed kunt verdragen dat er zoveel mensen zijn, volle terrassen, alsof vorige week er niet was. En het verhaal van die vader heeft je zo droef gemaakt, het is alsof je hem in je kunt voelen. (Iets is zo ontroostbaar.)

Een andere dag.

Je leest een stuk in de krant dat je kwaad maakt. (Je kunt het voorlopig alleen nog maar diagonaal lezen.)

(In je hoofd beweegt de rest van de dag een eindeloze reeks van zinnen.)

(Toch maar een antwoord schrijven, denk je, straks.)

Je krijgt het bericht van je zus waar je onderhuids al een tijd op wachtte. Er is een nieuw kindje in de wereld. (Je bent nu grootoom, of oudoom, of welk woord zou je daarvoor moeten gebruiken?) Je bent zo ongelooflijk blij. (Die meid die in je hoofd ook nog altijd een beetje klein is soms, en op die foto op je schouders zit, die vakantie toen ze haar eerste stapjes zette, die is nu zelf een mama.)

(In de trein lees je het stuk opnieuw. Hij is zo denigrerend, het is nog erger dan je dacht.)

Na het eten begin je zo snel mogelijk te schrijven. (De tekst mag wat langer worden, denk je. Je wilt de nuances rustig formuleren, in een tekst die open genoeg is, en toch een plek inneemt.) De woorden stromen, in een lange beweging.

In de nacht beweegt de tekst nog in je lichaam, het is niet anders.

Volgende dag. Zo snel mogelijk terug in de tekst ademen, in de zinnen bewegen. Je voelt de woorden in je vingers. Je wacht nog even, en dan mag de tekst vertrekken. (De tekst is nu daar, uit je lichaam.)

(Je merkt dat de tekst een beetje beweegt zoals je gehoopt had.)

De vergadering. Je kijkt rond, luistert naar de zinnen. (Ik ben hier graag, denk je.)

Je belt met je zus, voor meer verhalen over de baby. (Je smelt weer.)

Je krijgt een bericht dat je heel erg ontroert. (Misschien kun je met een tekst iemand beschermen, of minstens niet alleen laten.)

Een langere nacht. (Er bewegen geen woorden in je lichaam, alleen beelden.)

Een verse dag.

Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. Al het andere is net op tijd klaar. Je neemt je tijd voor de planten, en vertrekt. Je hebt nog iets geschreven over hoe kwaad je nog steeds bent. (Misschien geef je zo woorden aan anderen, misschien is dat al genoeg.)

Onderweg, onverwachte ontmoetingen. Je ben zo blij haar weer eens te zien, het is al zo lang geleden.

Je maakt je klaar om te vertrekken naar het Wereldkamp. Dat nummer dat je hebt gekozen, je laat het nog even door het huis razen.

Je kunt meerijden met een vriendin. (Haar auto lijkt voor jou wel een teletijdmachine.) Jullie komen aan op het terrein waar de tenten staan. Je probeert de plek een beetje te voelen, je kijkt naar de mensen, ziet veel bekende gezichten. Mooie gesprekken. Je kijkt naar de mensen die bezig zijn met de volksdansen. (Zoveel jeugdherinneringen. Misschien ben je toch een oude man?)

Het panelgesprek. (Misschien heb je je iets te goed voorbereid, het geeft niet.) Je blijft toch maar in je plek van oude man, of zo. Je vertelt over de rivier, over Julia, over Iedereen is van de wereld. De mevrouw die na jullie eerste ronde komt, maakt een soort grap over Julia die zich niet helemaal neerlegt voor jou, maar het is niet erg.

De reis terug, in de nacht, nu met zijn drieën. Een mooi gesprek over kinderen, waarom wel, waarom niet, wat ze met je doen, hoe ze aan- en afwezig zijn. Het is als een geschenk, dat je gewoon mee mag praten. (Het zal wel nooit wennen.)

Een korte nacht.

De boodschappenronde, werk inhalen, de kranten. Ergens in de namiddag stopt het. Alsof een lege plek naar je kijkt. En je kijkt, naar wolken.