13 juli 2026

Het paleis


En ineens loop je rond in het paleis. Het statige symbool van een wereld waar jij niet bij hoorde, nooit bij zou horen, wat je ook deed. En je loopt daar rond, ziet al die plekken nu voor het eerst aan de binnenkant. En de verhalen dienen zich aan. Het was een oorlog die je de kans gaf om naar binnen te gaan, waar de verhalen huizen. Het paleis dat gedoemd is om in elkaar te stuiken. De Poolse auteur Wiesław Myśliwski nodigt je met zijn boek Het paleis (uit 1970, en weergaloos vertaald door Karol Lesman) uit in een heel eigen universum. Het is een spiegelpaleis, dat je kunt lezen als een bijtende kritiek op een wereld van ongelijkheid die eindeloos lang niet heeft bewogen en nu ineens wankelt. Het is een nimmer stoppende stroom van verhalen, die iets lijken te zeggen over een onuitputtelijke kracht, die staat voor bevrijdende verbeelding. Het is een plek waar je mensen hoort praten, eindeloos, in het ritme van gesprekken, niet in de vorm van een gestructureerde roman. Het is een paleis voor de kracht van taal, een paleis dat sterker blijkt dan alle wereldse rijkdom. En het is een tegelijk meeslepend, weerbarstig, satirisch, vermoeiend en fascinerend boek. Het laat je niet zomaar binnen, je krijgt er niet zomaar vat op. Maar als je blijft, kun je ervaren hoe het is als de Walls Come Tumbling Down.

Het opzet van het boek is in wezen eenvoudig. Ergens, op een niet bepaald moment in de tijd – misschien bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, misschien bij de inname van Polen door de Sovjet-Unie – breekt er een oorlog uit. Die was al lang aangekondigd, en nu is hij daar. Jacob, een herder, ziet hoe alle mensen uit het rijke landgoed de benen nemen en wegvluchten. Hij zelf wil niet weg, en gaat naar binnen. Hij kwam nooit verder dan de deur, en kan nu door de gangen dolen, in alle kamers kijken, de somptueuze rijkdom zien.

Wat volgt, lijkt op een soort eindeloze monoloog in het hoofd van Jacob, maar het is veel meer dan dat. Jacob gaat van kamer tot kamer, probeert tot zich door te laten dringen wat hij ziet, en verplaatst zich in het hoofd van ‘de edele heer’. Vanuit dat nieuwe gezichtspunt kan hij een wereld zien waar hij zelf als eenvoudige herder nooit toe zou behoren. Je probeert als lezer een beetje te volgen waar je bent in het gebouw, en in wiens hoofd je eigenlijk bent. Al heel snel lukt dat niet meer. Het lijkt erop dat je beweegt tussen verschillende generaties van ‘edele heren’. In hun beschermde wereld hebben ze hun besognes, zijn ze soms eenzaam, doen ze maar wat. Maar tegelijk leven ze schaamteloos in hun privileges. Ze kijken neer op de mensen die voor hen werken en buigen, eigenen zich jonge vrouwen toe, en doen ermee wat ze willen.  Ze kunnen zich verheven en artistiek voordoen, maar vervallen even snel in een pijnlijk neerkijken op gewone mensen, vol misprijzen. Misschien zijn die verhalen inwisselbaar, omdat het min of meer feodale systeem waarin ze zitten al een eeuwigheid bestaat. De rijkdom blijft binnen dezelfde klasse, met een goedkeurend oog van vertegenwoordigers van de kerk. Voor de arme mensen die op het platteland proberen te overleven, zijn er weinig alternatieven, en verzet leidt tot niets.

Uit een aantal persoonlijke verhalen merk je hoe pijnlijk die hele situatie al is geweest voor Jacob zelf. Maar tegelijk staat hij voor een hele groep van mensen. In de ogen van de heer zijn ze anoniem en inwisselbaar. Het maakt na een tijd al helemaal niet meer uit of je weet wie er nu eigenlijk aan het woord is. Dat paleis is een soort symbolische plek, waar alle verhalen opgestapeld zijn en hun eigen leven leiden, als geesten of demonen. Hoewel alle ruimtes nu ineens leeg zijn, zijn de verhalen er nog. Maar door zelf de verhalenstroom over te nemen of zich erdoor te laten meedrijven, krijgt Jacob ook een zekere macht over hen. Het ene verhaal kantelt in het andere. Van het ene register schuift het op naar een heel ander. Sommige stukken duren heel erg lang, andere zijn snel weer weg. De tekst beweegt op een tempo en een associatief ritme zoals mensen praten. Soms herhalend, soms ongestructureerd, soms spannend, soms vervelend en saai.

Dat verhalenuniversum laat op een fascinerende manier twee dingen zien: de knechtende en tegelijk ook de bevrijdende kracht van verhalen. Die schijnbaar eeuwig durende wereld van tweedeling, waarin machtelozen zich blind moesten schikken in hun rol, terwijl de machtigen op hen neerkeken en de privileges van hun kaste beschermden, steunde op verhalen. Verhalen die legitimeren dat iedereen een vaste plaats heeft en dat rijkdom of politieke macht omwille van de sociale orde niet in vraag mogen gesteld worden. Het zijn verstikkende verhalen, die van zichzelf zeggen dat ze waarheden zijn. Maar daarnaast kun je die verhalen ook van binnenuit uithollen door andere verhalen die net wel hun verhaalzijn vieren en gebruiken. Dan is het mogelijk alle rituelen van de macht, al die aristocratische praat, alle leugens van de communistische elite ineens te ontmaskeren door literaire kracht, door satire, door poëzie. Dan is zogenaamde ‘boerenliteratuur’ ineens iets heel anders.

Het is niet altijd eenvoudig om je zomaar mee te laten nemen door dit boek, dat niet is opgebouwd als een klassieke roman en dat je niet bij het handje neemt. Het kan soms moeilijk zijn om als het ware in het paleis binnen te komen. Maar eens je je overgeeft aan het associatieve ritme, aan de immense taalvirtuositeit, aan het spel van verhaalsoorten en registers, voel je de subversieve kracht van dit boek. Misschien dachten de communistische leiders dat dit boek de val van het feodale machtssysteem beschreef, als een soort lof op ‘de’ arbeider. Maar daarmee zagen ze dan hun eigen paleis niet meer.

Je krijgt als lezer niet één duiding of interpretatie mee. Het lijkt in eerste instantie een beetje een tijdloos verhaal, uit een verleden dat bij sommigen nostalgie zal opwekken, in een landelijk universum. Maar het is geen sociaal realisme. Eens je met enige afstand kijkt naar hoe het verhalenuniversum van het paleisuniversum functioneert, en eens je je durft overgeven aan de stuwende kracht van die associatieve stroom van verhalen, zie je de bijtende kritiek. Die stroom klinkt dan als de verontwaardiging van een simpele herder, die symbool staat voor zoveel anderen. Wat zo lang niet mocht gezegd worden, stroomt naar buiten. Die wereld die zo onaantastbaar leek, bleek ineens door een externe factor – de oorlog – heel erg kwetsbaar. Het lege paleis bevat nog wel de oude verhalen, maar ze worden op zo’n manier in een veel ruimere stroom van verhalen gebracht dat ze op het einde onherroepelijk leiden tot een soort implosie van het gebouw, en van een wereld waar het voor stond. En dat die muren in elkaar stuiken voelt aan als gerechtigheid.

Het paleis is een heel bijzonder boek, voor wie het als lezer aandurft om mee in de stroom te stappen.

 

12 juli 2026

Een nieuw leven


Een nieuwe week. (De voorlaatste voor.) Er zit onrust in je lijf. Je bent nog steeds kwaad. (Je zou dat opiniestuk moeten schrijven, dat zal je misschien wat kalmeren.) En je kunt bijna beginnen aftellen naar de vakantie. (Je durft er nog niet echt aan denken.)

Een praatje met de poetsmevrouw. Ze zegt dat ze zich bij jou erg op haar gemak voelt. (Het ontroert je. Je zou haar willen vragen wat vroeger haar droom was. Het zal voor een andere keer zijn.)

Je hoort het bericht op de radio, over de pensioenwebsite. (Interne dialoog.) Toch maar even gaan kijken. Je ziet de data staan, ineens komt het nu dichterbij. Een beetje.

(Nog dingen lezen voor die tekst. Je ziet nog niet helemaal hoe de stukken in elkaar moeten passen. Zinnen bewegen in je lichaam.)

Die nacht. (Iets is in je lichaam geschoten, iets als hoogspanning. Wat je ook doet, het lijkt niet weg te gaan. Je moet wachten.)(Misschien is het de tekst.)

Een nieuwe ochtend. (Lichtjes geradbraakt.) Je moet nog wachten, blijkbaar. (Je dacht aan iemand. Je stuurt haar een bericht. Iets met de kosmos.)

De ene vergadering, de andere vergadering. De trein. Nog een vergadering. (Ze doet je nadenken. Misschien moet je proberen dat alles in je tekst te krijgen.)

(Even zie je iets over een nieuw boek, hoe het zou kunnen zijn. Heel even.)(Je bent moe.)

Op tijd onderweg, voor een afspraak met een vriendin. Het is al zo lang geleden dat het nog eens lukte om af te spreken. De verhalen ontroeren je, je kijkt. (Hoe kun je gezinnen in adjectieven vatten?)

Je brengt haar naar de trein, je loopt door de stad.

Op tijd naar bed. (Hopen op heling door de nacht.)

Een nieuwe dag.

(Nog dingen verzamelen, en dan straks de tekst gewoon laten komen, zien hoe de dingen zich neerleggen.)

De avondvergadering voorbereiden. (Je maakt je zorgen over je vriend.)

Die ene nota die je in een nieuwe vorm moet kneden. (In je hoofd spreidt de tekst zich uit, je ziet hoe je door de tekst kunt bewegen.)

Op weg naar huis. Je had haar niet gezien, ineens staat ze naast je. (Even wachten, dan een knuffel.) Je zegt dat je zo trots bent op haar. (Misschien is ze wel blij dat ze je ziet. Je bent blij haar te zien.) Je kunt het, zeg je, je hoeft niet bang te zijn. En wat er ook gebeurt, ik zal je steunen, zeg je. (Je weet niet hoe het moet, misschien was het wel goed. Soms hoor je in de hoofd de dingen die jij had willen horen, toen. Het helpt.)

De laatste avondvergadering voor de vakantie. Je legt je voorstel voor. Ze vinden het goed. (Je bent wel een beetje blij.)

Een andere dag. Ze zijn er weer allemaal. Verhalen. (Je kijkt naar plekken in de tijd, ziet waar jij staat.)

(De tekst wacht nog steeds, ergens in je. Je kunt hem in je hoofd al zien. Al zal het nog een verrassing zijn.)

De vergadering. (Je denkt aan de rivier.)

Na het werk nog op zoek naar een cadeautje. Het is even zoeken. Je zoekt tussen de babykleertjes. (Iets gloeit vanbinnen.) Je kiest op de groei, zoals steeds. (Het lijkt al zo lang geleden dat je dit nog deed.)

Die avond. (Het is tijd voor de tekst.) Je gaat zitten, en schrijft, in een stroom. (Je moet er de volgende dag nog wat aan prutsen, maar hij staat er eigenlijk wel, denk je.)

(Iets trekt zich terug uit jouw lichaam. Het wordt rustig.)

Een verse dag. De vrijdagtekst, de andere dingen, de planten.

Je werkt de tekst verder af. (De tekst heeft zijn eigen plek nu.) Je stuurt hem weg.

Nog snel de weekendboodschappen.

Afspraak met een vriendin. Je luistert naar de verhalen, terwijl je eet. (Het herinnert je aan ooit, toen.) Jullie gaan samen naar het orgelconcert. (Terwijl loopt de stad vol.) Vooral die ene organiste. En die jonge organiste, die haar helpt. Ergens halverwege begint de muziek te leven. Het is zo mooi. (Je hebt honderd dingen die je hun zou willen vragen.)

Daarna, een terras, een mooie rustige plek. De lucht is gevuld met regelmatig terugkerend gejuich. Een mooi gesprek. (Ze zal je de dag nadien erover nog bellen.)

Een nieuwe ochtend. Je staat vroeg op, laat de koelte in het huis.

In de trein, op weg voor je reis over de grens. Onderweg voel je al hoe doorwaadbaar je bent, de rivier is dichtbij.

Met je zus in de tram, en eerst nog iets eten, en verhalen. Daarna door naar het nieuwe leven. Het voelt zo bijzonder, in hun huis te zijn, het kleine jongetje te zien. (Je stem breekt meteen.) Dat kleine meisje van toen is nu een moeder. Het ontroert je zo, gewoon te kunnen kijken. Hoe ze het doen, die nieuwe mama en papa. Hoe je zus beweegt, nu ze oma is. (Je ziet zoveel, pas later komt het allemaal.) Of jij de kleine jongen even wilt vasthouden. Hij ligt te slapen op je arm. Hij is al zo groot. (Hij wordt lang, denk je.) Een mooie foto. (Je ziet de foto van je vader, met toen dat kleine meisje. Je ziet de foto van jezelf, met het meisje dat nu een mama is. Het raakt je heel erg, al weet je niet waarom. Iets over opschuiven in de tijd.) Er is iets veranderd, denk je, in de tijd.

De reis terug. Je bent een beetje moe, maar het voelt goed, onderweg zijn, lezen, kijken, denken.

Een nieuwe dag. Je staat weer vroeg op, al ben je nog erg moe. Het huis dankt je.

Je maakt de verslagen, je leest het artikel dat je kreeg, je haalt de was uit, wast die drie hemden nog met de hand, je leest de kranten.

Je verdwijnt even in een middagdut. Je leest je boek uit. Twee mensen komen ineens door je hoofd. En even later krijg je van hen allebei een bericht.

Beelden blijven komen.

04 juli 2026

Wolken


De voorvoorlaatste week. (Deze week zal het rustig worden, denk je. Even toch.)

In de koelte loop je naar het station. Het is weer even wennen, maar het doet goed.

Lijstje met dingen die nog moeten. (Alle dingen die voor de vakantie zal beginnen zouden moeten gedaan zijn. Het lijkt een soort straat.)

De poetsmevrouw vertelt over haar kinderen. Hoe ze wil dat ze goed studeren, en ook Nederlands zullen leren. Zodat ze het beter zullen hebben dan zij.

Die avond, een vergadering. (Je was ze bijna vergeten.) Interessante gesprekken. (En je telt ook af: na deze nog maar één avondvergadering te gaan.)

(Een haperende nacht.)

Een nieuwe dag. (Elke dag ben je wel blij, merk je, voor een nieuwe dag.)

Die middag, een seminarie van de Klimaatzaak. De slimme mensen op het podium geven hun beschouwingen. Je kijkt rond, zoveel mensen die je kent. (Zouden ze ook zo kwaad zijn deze dagen, zoals jij bent? Ja, blijkbaar.) Iemand die je een tijdje niet meer zag. Ze is er met haar nieuwe kindje. Zo mooi, je smelt een beetje.

Na het werk, op tijd in de bioscoop. Er zijn weinig mensen in de zaal. Je bent moe, maar het doet je goed om alleen maar in een verhaal te moeten zijn. Het is zo ontroerend mooi, zo tragisch. De radeloze vader, met zijn twee kinderen, onderweg. Hoe ze naar elkaar kijken.

Na de film loop je door de stad. Het is alsof je het niet goed kunt verdragen dat er zoveel mensen zijn, volle terrassen, alsof vorige week er niet was. En het verhaal van die vader heeft je zo droef gemaakt, het is alsof je hem in je kunt voelen. (Iets is zo ontroostbaar.)

Een andere dag.

Je leest een stuk in de krant dat je kwaad maakt. (Je kunt het voorlopig alleen nog maar diagonaal lezen.)

(In je hoofd beweegt de rest van de dag een eindeloze reeks van zinnen.)

(Toch maar een antwoord schrijven, denk je, straks.)

Je krijgt het bericht van je zus waar je onderhuids al een tijd op wachtte. Er is een nieuw kindje in de wereld. (Je bent nu grootoom, of oudoom, of welk woord zou je daarvoor moeten gebruiken?) Je bent zo ongelooflijk blij. (Die meid die in je hoofd ook nog altijd een beetje klein is soms, en op die foto op je schouders zit, die vakantie toen ze haar eerste stapjes zette, die is nu zelf een mama.)

(In de trein lees je het stuk opnieuw. Hij is zo denigrerend, het is nog erger dan je dacht.)

Na het eten begin je zo snel mogelijk te schrijven. (De tekst mag wat langer worden, denk je. Je wilt de nuances rustig formuleren, in een tekst die open genoeg is, en toch een plek inneemt.) De woorden stromen, in een lange beweging.

In de nacht beweegt de tekst nog in je lichaam, het is niet anders.

Volgende dag. Zo snel mogelijk terug in de tekst ademen, in de zinnen bewegen. Je voelt de woorden in je vingers. Je wacht nog even, en dan mag de tekst vertrekken. (De tekst is nu daar, uit je lichaam.)

(Je merkt dat de tekst een beetje beweegt zoals je gehoopt had.)

De vergadering. Je kijkt rond, luistert naar de zinnen. (Ik ben hier graag, denk je.)

Je belt met je zus, voor meer verhalen over de baby. (Je smelt weer.)

Je krijgt een bericht dat je heel erg ontroert. (Misschien kun je met een tekst iemand beschermen, of minstens niet alleen laten.)

Een langere nacht. (Er bewegen geen woorden in je lichaam, alleen beelden.)

Een verse dag.

Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. Al het andere is net op tijd klaar. Je neemt je tijd voor de planten, en vertrekt. Je hebt nog iets geschreven over hoe kwaad je nog steeds bent. (Misschien geef je zo woorden aan anderen, misschien is dat al genoeg.)

Onderweg, onverwachte ontmoetingen. Je ben zo blij haar weer eens te zien, het is al zo lang geleden.

Je maakt je klaar om te vertrekken naar het Wereldkamp. Dat nummer dat je hebt gekozen, je laat het nog even door het huis razen.

Je kunt meerijden met een vriendin. (Haar auto lijkt voor jou wel een teletijdmachine.) Jullie komen aan op het terrein waar de tenten staan. Je probeert de plek een beetje te voelen, je kijkt naar de mensen, ziet veel bekende gezichten. Mooie gesprekken. Je kijkt naar de mensen die bezig zijn met de volksdansen. (Zoveel jeugdherinneringen. Misschien ben je toch een oude man?)

Het panelgesprek. (Misschien heb je je iets te goed voorbereid, het geeft niet.) Je blijft toch maar in je plek van oude man, of zo. Je vertelt over de rivier, over Julia, over Iedereen is van de wereld. De mevrouw die na jullie eerste ronde komt, maakt een soort grap over Julia die zich niet helemaal neerlegt voor jou, maar het is niet erg.

De reis terug, in de nacht, nu met zijn drieën. Een mooi gesprek over kinderen, waarom wel, waarom niet, wat ze met je doen, hoe ze aan- en afwezig zijn. Het is als een geschenk, dat je gewoon mee mag praten. (Het zal wel nooit wennen.)

Een korte nacht.

De boodschappenronde, werk inhalen, de kranten. Ergens in de namiddag stopt het. Alsof een lege plek naar je kijkt. En je kijkt, naar wolken.

27 juni 2026

Een brief voor Julia


Lieve Julia

Al de hele dag denk ik: ik wil bij jou zijn, ik wil je zien. Ik kan niet goed uitleggen waarom, en dat is ook niet zo erg, denk ik. Ik weet ook niet welke woorden ik moet gebruiken. De woorden in mijn hoofd klinken te groot, te roeperig. Ze schrijven zoals ze in me bewegen zou niet werken in een brief, denk ik. Ik zal proberen om ze zacht te laten zijn, waarbij je wel zult weten dat er aan de achterkant van de woorden veel lawaai is. Of iets in die aard.

Misschien begrijp je helemaal niet wat ik je wil zeggen. En ook dat is niet erg. Even dacht ik dat je wilde vragen me te vergeven, maar dat is een woord dat niet zou helpen. Vergeet het maar dus.

De voorbije dagen, het warme weer. De klimaatontwrichting in actie. Dat wat we al zo lang wisten, dat wat we zagen aankomen, maar dat wat net te veel mensen blijkbaar niet belangrijk genoeg vonden. Zoveel lijden hier en daar, nu en straks, dat had kunnen voorkomen worden. (Ik wil niet veel meer woorden hierover zeggen, het zou de brief doen stuiteren of zo, ik kan het niet uitleggen. Ik wil andere woorden, maar die worden de hele tijd weggeblazen in mijn hoofd, in heel mijn lichaam.)

De voorbije dagen, ik was bijna de hele tijd zo kwaad. Ik deed zoveel mogelijk dingen, om er niet te veel aan te moeten denken, om niet te zien hoe mijn handen begonnen te trillen. En vandaag, nu het ritme van de week wat veranderd is, was ik zo verdrietig. Het overviel me zo ineens.

En ik weet dat je me niet meer zo vaak hoort. De voorbije maanden had ik het gevoel: het is wel goed met Julia, ze heeft me niet meer nodig, ze is daar ergens onderweg in de wereld. Ik zal wel langzaam verdwijnen uit haar. Niet dat jij verdwijnt uit mij, natuurlijk, maar ik ben niet zo belangrijk.

Maar voel je wel dat ik er voor je ben? Ook al heb je me niet meer nodig?

Op een bepaalde manier ben ik blij dat ik zo kwaad was (en ben). Het heeft denk ik iets met liefde te maken, als ik dat woord mag gebruiken. Met iets dat niet overgaat, dat me wil doen vechten. Er zit een leeuw in me, denk ik. Er zit een vulkaan in me, zoals een geliefde me ooit zei. En ik hoop dat je dat weet. Je mag er ook mee lachen, je mag het lichtjes belachelijk vinden, die oude man. Maar het gaat ook over jou.

Dat jij er niet bent, nooit gekomen bent, nooit zult zijn, en toch ook de hele tijd heel erg wel bent, in afwezigheid, dat maakt het heel erg ingewikkeld. Soms ben je, in die afwezigheid, in die plek waar ik je niet kan aanraken, tegelijk zo aanwezig.

En soms, als de kwaadheid even gaat liggen, zodat ik gewoon naar mijn naakte zelf kan kijken, roept het ineens in heel mijn lichaam: ik kan haar niet beschermen, niet genoeg. Ik zou iets in elkaar willen rammen. Ik zou iets willen roepen, tegen zoveel mensen. Ik zou zo graag een keer niet beleefd willen zijn, niet constructief, niet onderbouwd, niet oplossingsgericht, niet verbindend. En ook daar kijk ik dan naar, tot het weer gaat liggen, en ik tegen mezelf zeg dat ik gewoon verder moet doen, zoals altijd. En soms is er dan een stem in me die zegt: je hebt niet genoeg gedaan, je was niet moedig genoeg. (Een tweede stem wijst me dan op alle dingen die ik daarover al eerder geschreven en gezegd heb. De eerste stem zegt dan weer: ja ja, ik weet het wel, laat me maar gewoon even, ik kom wel terug, en dat gebeurt dan ook.)

Maar dat zijn te veel woorden.

En ineens, toen ik vanavond de afwas stond te doen, zag ik het zo scherp voor me. Hoe ik eigenlijk alleen maar, heel even, tussen de twee Julia’s wilde kunnen zitten. En toen kwamen de tranen, en ik was er dankbaar voor. (Iets met de rivier.) De oude Julia kon, net als ik eigenlijk, helemaal niet goed tegen de warmte. Haar man Fons legde in de zomer een tapijt op de lichtkoepel boven de kamer, zodat het daar koel bleef. Ik wilde even niet moeten beslissen waar ik haar zou zien, gewoon ergens, in een rustige, ontvangende ruimte. Ik denk dat de oude Julia aan mijn rechterkant zou zitten. En ik zou gewoon naar haar kijken, en dan haar hand nemen, om te voelen of die niet koud was. Jij hebt altijd warme handen, zou ze me dan zeggen. Ik zou dicht bij haar zitten, en ze zou het niet erg vinden. En het zou, daar, misschien de enige plek in de wereld zijn waar ik me veilig voelde. En ze zou daar gewoon zitten, soeverein als ze was. En ik voelde hoe ze naar me keek, en alles zag, zoals altijd, maar niets zei.

En links van me zat jij, ook dichtbij. Ik zou je verlegen aankijken, niet goed wetend wat te zeggen. Kijk, ik heb speciaal voor jou mijn fleurigste hemd aangetrokken, zou ik zeggen. Ik zit naast je, ik zal altijd naast je zitten, zou ik zeggen, vergeet dat nooit. Weet je dat? Dat zou ik voorzichtig vragen. Ben je kwaad op me? Dat mag, natuurlijk. Ik kan tussen jou en de dingen gaan staan, met dit grote lijf, met de vulkaan in mijn ogen. Ik weet niet of ik de dingen kan tegenhouden, maar hopelijk kun je ergens de vulkaan zien. En dan kom ik weer naast je zitten. Ik zou even je handen nemen. En ik zou even naar de andere kant kijken, naar de oude Julia, en zien hoe zij alles gezien had, en me zacht aankeek en nauwelijks zichtbaar knikte. En zo zaten we daar. En het was goed.

Sorry voor dit beeld, misschien vind je het maar niets. En misschien begrijp je een heel klein beetje wat ik je nu zou willen kunnen geven.

Als je hier was, zou ik je vertellen over het heel erg mooie concert dat ik zag eerder van de week, in de abdijkerk. Hoe die muziek me zo intens raakte. Soms opzwepend, soms melancholisch. En hoe mooi ik het vond om te zien hoe ze naar elkaar keken tijdens het spelen. Vooral zij, in het midden, hoe ze soms keek naar haar man naast haar. Dat, zou ik je proberen uit te leggen, dat is het.

Ik weet dus eigenlijk niet zo goed wat ik je wilde zeggen. Ik wilde je iets vragen, denk ik. Maar laat dat maar in de lucht hangen.

Ik ben er, altijd.

liefs

20 juni 2026

Kanteltijd


(En misschien is het wel weer eens tijd voor de Goldbergvariaties.)

De week van het kantelen, besef je ineens.

Je bent nog een beetje stram van het weekend, merk je. Je bent nog een beetje te vroeg bij de dokter, voor de jaarlijkse controle. (Je kijkt naar je adem.)

Ze controleert je bloeddruk, je hartslag. (Alles is heel goed.) Ze neemt bloed. Je ziet hoe de buisjes zich vullen. (Nog enkele dagen wachten.) De kans is groot dat alle onderzoeken zullen bewijzen dat je nog in leven bent. (Waarom ben je diep vanbinnen een heel klein beetje zenuwachtig?)

De trein. (Je kijkt naar je handen. Als om je weg terug te vinden, heel even.)

Verhalen van de collega’s.

Het lijstje wordt stilaan korter, denk je.

Thuis, en snel weer vertrekken voor de vergadering aan de andere kant van de stad. (Zou het nu wel of niet regenen? Een beetje.) Je bent natuurlijk weer de eerste. De zaal is in de serre van de plukboerderij, een heuvel met uitzicht op de stad. (Je bent een beetje moe.) Je kijkt naar de vergadering. (Iets neemt je mee, iets duwt je weg, denk je. Iets is nodig, iets klopt niet.) Een fijne kennismaking. Later dan gehoopt fiets je over de donkere weg weer naar beneden. Je probeert aan de hand van de gezichten van de mensen die je onderweg ziet uit te maken hoeveel de score van de voetbalmatch was.

(Een wat rusteloze nacht, iets blijft heen en weer gaan.)

Een andere dag. Nog even thuis werken, zoveel mogelijk doen.

De vergadering. Je bent niet de enige die zich had gestoord aan iets, merk je.

Op weg naar de conferentie. De middagpauze is nog bezig als je aankomt. Je loopt rond, praat met enkele mensen. Het namiddaggedeelte begint. (Wat een mooie zaal. Er zijn verhalen, denk je.) Een sessie met academici. De vrouw die een week eerder zo vreselijk werd aangevallen door die nitwit. (Je roept het even, wat je van hem denkt. Niemand spreekt je tegen.) Het slotdeel. (Ze zijn wel een beetje braaf precies, denk je.) Een mooi gesprek. Je haast je naar de trein.

Die avond. Lijstje met in te halen punten. Twee verslagen. (En je had ook nog willen bellen naar je zus.)

Een nieuwe dag. (Het zal warm worden, dus.)

Het overleg. Je krijgt een fijne vraag voor een panelgesprek.

Die middag. Je gaat even langs het kantoor aan de overkant, zoals je had beloofd. Hij is niet alleen. (De sfeer is een beetje raar. Het is niet aan jou, denk je, om dit weg te nemen. Ze zegt iets, het maakt je verdrietig.)

Het ritme. Gewoon dingen afwerken. Meer moet het niet zijn. Je maakt je presentatie voor de volgende dag. (Zou het lukken om hen te doen lachen?)

Naar de trein. (Misschien is het omdat het zo warm is. Misschien is het vuile lucht. Benauwd wacht je op de trein. Er is iets, denk je.)

(Iets blijft rusteloos, tot de volgende dag, zul je merken.)

Een hoopje mails antwoorden. (Eindelijk bijgewerkt.) (En je had ook nog willen bellen met je zus.)

Een andere dag. De algemene vergadering. Je maakt de foto’s. (Je begrijpt iets van de onrust in je lichaam, je kijkt ernaar, en voelt hoe de dingen zich langzaam terugtrekken.)

Je presentatie. Je radiostem in de microfoon en de voorzichtige ironie en de foto’s van lachende mensen. (Ja, ze lachen.)

Een vroegere trein, om niet in de spits in de warmte te zitten. Thuis verder werken. (De trein lijkt anders te ademen dan die van de vorige dag.)

Je werkt je presentatie voor die avond af. (Zou het goed inhaken op wat er in de vorige avonden van de reeks gebeurde?)

Een bijzondere plek. Je verhaal vertelt zichzelf. Je luistert naar verhalen. (Je bent moe.) Buiten is er regen, zie je. Naar het einde van de avond is het alsof je hoofd blokkeert. (Het is goed geweest.) Het gaat nog verder, tot het gedaan is. Je ruimt nog mee op, doet de afwas en vertrekt.

(Een rusteloze nacht. Ergens halverwege schrik je wakker. Een akelig verhaal probeert je telkens weer naar zich toe te trekken, je probeert je eruit te ademen.)

De volgende dag. (Het wordt de warmste dag van de week.) Je werkt thuis.

Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. (Het duurt iets langer dan je had gehoopt.)

(Iets is zo verdrietig, merk je. Misschien ben je alleen moe.)

Het is koel in huis, buiten is het heel warm.

Je krijgt een bericht van je dokter, de uitslag van de bloedtest. Alles is goed, behalve dat ene dingetje, een tekortje. Je bedankt haar, en loopt meteen naar de apotheker. (Het temperatuurverschil beneemt je even de adem.) Weer thuis. (Hoe komt het dat het goede nieuws je zo emotioneel maakt? Misschien gaat het nog altijd over toen. En dat je aan de anderen had beloofd dat je zorgvuldig met dat leven zou omgaan, dat je dankzij hen had kunnen houden. Misschien ben je gewoon moe. Misschien voel je dat het seizoen bijna kantelt.)

(Een diepe nacht, die voorzichtig over je waakt.)

Een nieuwe dag. Je laat de frisse lucht door het huis bewegen.

De boodschappen, mooie gesprekken met de twee vrouwen van de winkel.

Koffie drinken met je maatje. Je bent zo blij dat je hem ziet. Hij ziet er goed uit.

In de boekhandel, allerlei bekende gezichten.

(Het kantelen is voor jou iets anders dan de drukte in de stad.)

Je wilt traag bewegen door de rest van de dag, van het weekend. (Je verlangt zo naar traag.)

(Je voelt het kantelen. In je hoofd zie je hoe je het deelt met iemand. Je had iets gelezen die ochtend, over veiligheid, je ziet ineens iets. Je kijkt naar je handen, je ziet hoe oud ze zijn, en hoe jong, je leest. Er is dankbaarheid in het kantelen, er is verdriet in het kantelen. Je kijkt.)   

13 juni 2026

Tot aan de vader


(Soms zou je stukken tijd, of misschien beter niet-tijd, tussen de tijd willen kunnen schuiven. Ergens in een plooi de tijd open schuiven, en daar dan gaan zitten. En alleen maar kijken. En wachten, op niets.)

De week begint. (Nog een week waar je je hoofd bij moet houden, van het ene naar het andere.) (Het junigevoel.)

Op tijd terug vertrekken voor je namiddagvergadering. Je wacht nog even voor het gebouw, je bent te vroeg. Je kijkt gewoon. Een vriendin ziet je, neemt je mee naar binnen.

Je mag de vergadering voorzitten. (Ik ben zo gelukkig, denk je, met deze plek, deze mensen.) Misschien is jouw taak wel: verhaal zijn.

Zoals alle vorige keren probeer je vroeg klaar te zijn, zodat ze allemaal nog tijd hebben om met elkaar te spreken. Het is alsof ze rond de tafels hollen, om elkaar nog dingen te vragen of te zeggen. (Het is zo mooi, denk je.)

Een etentje. Iemand vroeg je om zijn manuscript te lezen. Hij wou nog wat doorpraten over je reactie. Een mooi gesprek, denk je. (Je leert iets over een eenzaamheid.)

Een andere dag. De halfjaarlijkse controle bij de tandarts. Je doet het goed, voor je leeftijd. Het klinkt een beetje als: we doen het goed. (Ze gaat al zo lang met je mee.) Er is ergens een klein stukje afgebroken. Ze vijlt het scherpe kantje ervan af. (Iets als oud worden.)

Alle klussen die je nog te doen hebt. (Dat jaarverslag lijkt een beetje op een grote olifant.) Je probeert zo snel mogelijk alles af te werken.

Je afspraak. Je stuurt haar een bericht dat je trein vertraging heeft en dat je mogelijk enkele minuten te laat zult zijn. (Je had het in je hoofd vooraf anders uitgerekend.) Je fietst snel door de stad, gaat nog een brood halen, om dan uiteindelijk nog een volle minuut voor het afgesproken uur aan te komen, nog voor zij er is. (Misschien wou de kosmos je iets zeggen.) Een bijzonder gesprek. Je moet goed nadenken, maar de dingen vallen wel in elkaar.

Die avond, nog wat doorwerken aan het jaarverslag.

Een volgende dag. Het lijstje. (En de dingen die je voorlopig nog even moet laten wachten.)

Je moet even langs de bank, om je identiteitskaart te laten inlezen. De mevrouw die ook zit te wachten vertelt de hele tijd. Dat er geen mensen meer zijn in een bankkantoor. Dat de mensen niet meer nadenken. En dan die Rus die ontsnapt is uit het ziekenhuis. En dan die rellen in Belfast. En dan haar moeder. En dat je het allemaal niet weet. Hoe het zal gaan met het leven. (Wat je ook beaamt.)

Verder knutselen aan het jaarverslag.

De avondvergadering. (Je bent een beetje moe.)

Ingewikkelde dromen.

De volgende dag. (Eigenlijk zou je liefst gewoon rustig willen doorwerken, alleen maar dat. Maar je schuift van de ene in de andere vergadering.)

De voormiddagvergadering. (Je had eigenlijk geen zin om daar te zijn, maar maakt er maar het beste van.) Het is wel fijn die ene collega nog eens terug te zien. Dat vindt zij ook blijkbaar. Je duwt jezelf door je vermoeidheid heen. Het wordt nog een boeiende discussie.

De namiddag. Je zit in de jury. (Alles gebeurt op het scherm.) Je bent onder de indruk van hun verhaal.

En de avondvergadering. Je luistert goed naar de presentatie, laat de vragen in je hoofd heen en weer gaan. (Je weet nooit zeker of je jezelf wel echt ziet zoals je bent.) Je luistert naar verhalen. Verhalen? Iemand vraagt het zich af. Er zijn geen grenzen aan je verbeelding, er zijn wel grenzen aan de planeet. Zeg je. Daar moet je iets mee doen, zegt ze. (Je denkt na.)

(De nacht is weer net te kort.)

Een nieuwe dag.

(Je denkt al na over woorden die je straks zult schrijven. Andere woorden wil je, dat zul je zeggen, denk je. Verlangen naar een gedicht. Het is zo groot. En de plek van die woorden, daar wil je zijn.)

Je ploegt je door het werk aan de vrijdagtekst. Je moet straks op tijd vertrekken voor dat bezoek. Het zal nipt zijn.

De trein die je wilde halen lukt net niet, het is de volgende. Eigenlijk een vertraging dus. Je stuurt een berichtje dat je waarschijnlijk enkele minuten te laat zult zijn. Je fietst van het station zo snel mogelijk naar de abdij, voor het bezoek. (Je komt daar ongeveer een minuut te laat aan, de meeste anderen zijn er nog niet. De kosmos.)

Het bezoek ontroert je. De vrouwen die met een kleine scalpel en eindeloos veel geduld muurschilderingen bevrijden uit de lagen van de tijd. Het is of ze zich aarzelend laten zien, de beelden, de verhalen die ze vertellen. Er is die ene muur, waarop de stenen geschilderd zijn. Balanceren op de rand van het blijven en het verdwijnen. En zwijgen. (Het is alsof die ene muur tegen jou spreekt: je mag het zien, kijk maar.)

Terug thuis werk je door tot een stuk in de avond. Eerst nog even dat ene tekstje. (Je doet het toch maar, zoals het in je hoofd zat. Het verlangen naar een gedicht.) En dan snel verder. Het jaarverslag is klaar. Je doet ook die andere dringende dingen nog. (Je kijkt een beetje scheel.) En dan nog het lijstje maken voor de tickets.

Een akelig wezen, dat jou wil opschrokken, in je droom.

Vroeg weer op stap, in de volgende dag. In de trein, naar de vergadering. (Je zult weer te vroeg daar zijn, het is niet anders.)

Je installeert je achteraan. Terwijl je alles hoort, zit je klaar om je tickets te bestellen. (Ja! Het kan. Nee! Het lukt niet. Iets loopt al meteen vast. Rustig blijven Jean. Nog eens. Ja! Er zijn nog 1.001 wachtenden voor u. Gewoon rustig wachten Jean, het komt goed. Ja, je kunt! Het systeem lijkt nog even te zuchten af en toe, loopt weer even vast. Rustig blijven Jean. Ja! Het is gelukt, ze zijn binnen.) Pauze in de vergadering. Je bent onder de indruk van wat je hoort.

Ook nog snel de boodschappen doen, over huis, en weer vertrekken om te gaan helpen. Hopen groenten snijden, voor het grote etentje de volgende dag. (Het is goed, denk je, hier wil ik zijn.)

(Je zou een foto willen van de plooi in de tijd. Misschien was die muur het wel.)

(De volgende dag. Zal misschien iets met je doen. Je denkt aan de anderen. Het is goed.)

07 juni 2026

Verdwijnhuid


Je bent natuurlijk te vroeg voor je afspraak bij de dermatoloog. Je gaat nog even naar het nabije park. (De bomen vertellen je iets.)

De dermatoloog onderzoekt elke plek van je lichaam. Ze doet het nauwkeurig en stelt je gerust. Je hoort van haar dat je huid nog jong is. (Dat is wel een mooie gedachte. Ook al zou je het op verschillende manieren kunnen begrijpen.)

Je haalt die ene trein nog net. (Even verdwijnen in een nulpunt.)

In de vooravond, je bent net op tijd voor die vergadering. Je luistert naar ideeën over wonen. (Iets maakt je droevig.)

Even thuis. (Al is het maar het idee.) Je vertrekt weer. De trein naar die andere stad, voor de vergadering en de voorstelling. Voor de voorstelling begint kun je nog net even iets zeggen tegen haar, voor je een plekje zoekt achteraan. Je luistert naar de verhalen van de mensen in het panel. Je bewondert haar, ze is als een heldin voor jou. (Misschien moet je dat maar zeggen aan haar, al denk je dat het een beetje onnozel is.)

De volgende dag. Je stuurt haar toch maar een berichtje om haar te bedanken voor wat ze doet. (Het is goed, denk je.)

(De lijst van de dingen die je rond zou moeten hebben deze week. Je ziet het allemaal voor je.)

Een snelle vergadering tijdens de middagpauze.

Het interview. De twee onderzoekers willen je wat vragen stellen. Je doet je best om zo goed mogelijk te antwoorden. (Zouden ze iets hebben aan wat je zegt? Het lijkt soms of de werkelijkheid die ze zoeken in hun vragen groter is dan de jouwe.)

Die avond. De eerste sessie in een reeks van drie. (Je ademt een beetje door je vermoeidheid heen.) Je hoort mooie verhalen.

En nog een late afwas, het huis mag rusten in de nacht.

Een nieuwe dag. (Voor het eerst sinds zo lang geen kine meer, het is een beetje verwarrend.)

Een hele lijst van dingen die je zou moeten doen. (Het is goed dat je bijna alleen bent.)

De vergadering. (Je ziet haar op het scherm, bent blij voor haar. Ze wordt binnenkort mama.)(Week.) Je kneedt je stem een beetje, zodat ze goed past.

Je wroet een beetje op de vertaling die je moet nakijken. (Je probeert ook de tekst te kneden, maar die is weerbarstig.)

Die avond. De samenkomst. Je neemt een vriend mee. (Het is belangrijk dat jullie hier zijn, denk je.)(Een foto: we zijn er.) Je bent onder de indruk van het verhaal dat je hoort.

Een verse dag. (Je hoofd voelt iets minder vers.)

Je begint aan de tweede vertaling die je moet nakijken. (Je collega merkt op dat je vaak zucht.) Je zou tegen de tekst iets willen kunnen zeggen als: drijf, beweeg met het water, wees vloeibaar. Je zou de woorden willen kunnen voelen.

(Een onbewaakt moment. Je zou het kunnen verdragen, denk je, een zes uur durende massage. Of zoiets. En dan verdwijnhuid.)

Je probeert het webinar te volgen. (Soms zou je sommige stemmen willen kunnen kneden.)

Die avond, het jaarlijkse benefietconcert. (Een foto: we zijn er.) Je wilt gewoon luisteren, kijken naar hoe ze spelen, hoe ze bewegen. Sommige mensen komen precies alleen maar om het hele concert door te kwetteren en te drinken. (Dat ene nummer, het brengt je terug naar toen. Je lichaam kent het ritme nog.)

(Weer een iets te korte nacht.)

Een volgende dag. Je ploegt door de vrijdagtekst. (Die tekst is altijd vriendelijk voor jou. De woorden lijken je huid te kennen, bewegen met je mee.)

Alle dingen die je nog zou moeten afwerken.

(Zullen we drijven?)

Of die trui toch niet een beetje warm is? Nee hoor. (Het is niet dat je het zo warm zou willen hebben, je wilt zachtjes omhuld zijn, zegt je huid.)

Die avond. Met een dierbare vriendin naar de opera. Rameau. Wat een wonderlijke ervaring. Je kijkt naar de muziek. (En je kijkt naar de muzikanten en zangers.) Het is een beetje warm, maar het geeft niet. (Heb je ook die mooie celliste gezien? Welke van die twee namen zou het best bij haar passen?) Er is iets in hoe die muziek beweegt, je kunt het moeilijk beschrijven. En ja, de geliefden komen bij elkaar. Het publiek is laaiend na afloop. Je ziet nog heel wat bekende gezichten in het publiek. Je bent blij dat je dit met haar kon delen, het was al zo lang een plan. (Dankbaar. Voor het leven.)(Moe.)

Een nieuwe dag. (Na ingewikkelde dromen.)

De boodschappenronde. En dan toch maar weer werken. Je zou eindelijk wat moeten kunnen opschieten met dat jaarverslag, al heb je weinig zin. (Je werkt je in het ritme.)

(Kijken naar de plant op je terras. Er is een trage rust in wat je ziet. Je blijft kijken. Het is bijna alsof je de diepe kleur kunt inademen.)

Samen met de vrienden tappen op het feest buiten in het park. (Het heeft iets van een ritueel.) Je kijkt naar de mensen in het gras. De band die speelt. (Je lichaam kent het ritme nog.)

Daarna wil je snel haar huis. (Een beetje anoniem zijn.) Je probeert nog wat te schrijven, maar het is te laat, en je bent te moe. Je kijkt naar de laatste afleveringen van het seizoen van die serie. Iets raakt je tranen. (Je bent er niet tegen bestand.)

Je slaapt in golven, zo lijkt het. (Je wilt weg uit die ene akelige droom.)

Een stille zondag. Je werkt nog wat. Dat geeft wat ruimte voor na het weekend.

Even onder het dekentje na de middag, dan nog wat lezen.

Een concert, dezelfde muzikant als in de opera. Bach. Je verdwijnt langzaam in de muziek. (Je huid ziet de muziek.) Hoe mooi het is, te zien hoe de fluitiste en de zanger daar boven reageren wanneer ze beneden ineens hun kinderen zien.

(Je mag blijven.)

(Tijd voor zondagmelancholie.)