06 april 2026

Departure(s)


Vertrekken, een vertrek. Leven, dood, liefde, schrijven, vertellen. Misschien wil je verhalen zien als je naar het leven kijkt. Misschien ben je zelf het verhaal dat je construeert. Misschien kun je vertrekken met een roman, omdat je niet wilt sterven midden in het schrijven van een roman. Misschien vertrekt een roman ook uit zichzelf. Vertrekken hangt samen met aankomen. Maar de dood is iets als een vertrek zonder aankomst. Departure(s) (in het Nederlands vertaald als: Vertrek(punt)) is het laatste boek van de Britse schrijver Julian Barnes. Dat is toch alleszins wat er in het boek staat. Maar moet je als lezer de verteller geloven, ook als die erg op de auteur lijkt? Het boek laat zich zo min vatten in één vorm als het leven zelf, en dat is een mooi geschenk. Departure(s) is iets als een beweeglijke aankomst in grote stijl.

Een boek van Julian Barnes lezen is als een bepaalde vorm van thuiskomen. Je herkent meteen die taal, die mengeling van rust, eruditie, ironie, wijsheid. Je beweegt tussen tekstvormen. De verteller Barnes is soms een personage, in de zin dat je niet goed weet in welke mate het fictie is dat je leest. Het is iets als een welbepaald soort universum, dat herkenbaar en ook open is. In dit boek is het niet anders, tot in het laatste deel, waar de auteur dichter naar het boek komt, om afscheid te nemen van zijn lezers.

Dit boek is een combinatie van een essay, een verhaal, persoonlijke reflecties, herinneringen. In het verhaal omschrijft een van de personages zijn vorm als “hybride”. Het is een vorm die hij ook in andere boeken gebruikte en die hier heel goed werkt. Het lijkt als lezer in het begin misschien niet zo duidelijk waarom het boek net deze vorm heeft, maar naarmate je verder leest en bij het einde komt zie je hoe ingenieus en sterk de structuur van het boek is.

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken. Het eerste (The Great I Am) gaat over het geheugen. Het tweede (The Beginning of the Story) vertelt het eerste deel van het verhaal van Stephen en Jean. Het derde (Manageable) gaat over de ziekte die Barnes heeft. In het vierde (The End of the Story) komt dan het tweede deel van het verhaal van Stephen en Jean. En in het vijfde (Going Nowhere) neemt de auteur afscheid.

In het eerste hoofdstuk gaat het dus over hoe het geheugen werkt en hoe herinneringen opnieuw ongewenst kunnen opgeroepen worden. We zijn hier meteen ook al bij Proust, een van de geliefde onderwerpen van Barnes. De tekst beweegt tussen iets als een journalistiek artikel over wetenschap en een literaire analyse, zo lijkt het toch. De verteller, Julian Barnes, spreekt tussendoor ook even de lezer aan om te zeggen dat er nog wel een verhaal komt, of een verhaal in het verhaal, en dat dit zijn laatste boek zal zijn. Uit die interessante beschouwingen blijkt dat een geheugen even onbetrouwbaar is als een verteller. Je kunt niet zomaar vertrouwen op de constructie die je brein maakt van het leven dat achter je ligt. Het is nog maar de vraag of je werkelijk zou kunnen ‘vatten’ wat een leven is.

In het tweede en vierde hoofdstuk is de verteller iemand die alleszins heel erg lijkt op Julian Barnes. Hij gaat terug naar zijn studententijd in Oxford in de jaren zestig. Hij leerde twee bijzondere mensen kennen, Stephen en Jean. Hij was een soort tussenpersoon en bracht hen samen. Het was alsof hij daarmee een verhaal, een leven, had gecreëerd. Maar de liefde overleefde niet, en ze verdwenen allebei weer uit zijn leven. Het is een verhaal zonder midden, want zoveel jaar later neem Stephen terug contact op. Voor hem is de liefde nooit overgegaan, het was en is nog steeds zijn enige verhaal van de liefde. Hij vraagt aan Barnes om hem weer samen te brengen met Jean, wat ook gebeurt. Maar waarom doet Barnes dat? Is het een soort egocentrisch verlangen om als een auteur of alwetende verteller personages en verhalen te maken? Gaat het over het verhaalverlangen op zich, de neiging om naar een leven te kijken alsof dat enkel een verhaal kan zijn? Het gaat alleszins opnieuw fout tussen die twee, in zekere zin door een teveel aan liefde, liefde als een verhaal. De constructie van een nu is ook een reconstructie van een toen. Maar zijn je herinneringen wel te vertrouwen? De auteur Barnes – als je ervan uitgaat dat dit verhaal echt gebeurd is – is geen betrouwbare auteur, want hij had aan zijn vrienden beloofd om nooit over hen te schrijven. Het verhaal was te mooi om te laten liggen. Een leven, het verhaal daarover, werd gebruikt door een schrijver die via een verhaal iets over zichzelf wilde vertellen. Het zou evenwel ook kunnen dat dit verhaal verzonnen is. Literatuur moet waarachtig zijn, niet noodzakelijk waar. Een romanschrijver neemt een lezer mee in een ‘echte leugen’.

Het midden van het boek is een persoonlijk verhaal van (de echte) Julian Barnes die sinds een aantal jaar leeft met een bijzondere vorm van leukemie. Die is “incurable yet manageable”, zo is gebleken. Barnes heeft het in zijn werk vaak gehad over de dood, en hiermee lijkt die ineens dichterbij te komen. Een aantal jaar geleden verloor hij zijn toenmalige echtgenote aan een hersentumor. Nu gaat het over hemzelf, maar het verloopt heel anders. Hij zal met de ziekte leven tot hij sterft. Sterven zal dus de overwinning zijn op de kanker. Barnes beschrijft in dit deel, met veel humor en ironie, hoe het hele proces verloopt. Maar hij schrijft ook over het schrijven over wat er met hem gebeurt, om bij te houden wat hem overkomt. Daarbij merkt hij dat zelfs zijn eigen schrijven, zogenaamd feitelijke weergaves, ook telkens constructies, selecties en verhalen zijn. De auteur kan zelfs zichzelf niet vertrouwen.

Het laatste deel is het meest beschouwende. Je voelt hoe de echte auteur Barnes voorzichtig van achter zijn scherm in het boek komt zitten en samen met de lezer reflecteert over leven en dood en schrijven. Alle dingen die zijn uitgezet in de vorige hoofdstukken komen hier als lijntjes samen. Het is heel ontroerend hoe je voelt dat de woorden en de toon van deze zinnen heel nauwkeurig gekozen worden, i het besef dat ze de laatste zullen zijn. Binnenkort zal hij vertrekken, om nergens aan te komen. Hij zal nog een stapeltje boeken zijn, en anekdotes die anderen vertellen. Meer is er niet, en hij heeft er vrede mee. Hij bedankt de lezer, omdat die de hele tijd met hem is meegelopen in het spel dat literatuur is, in samen kijken naar de wereld en proberen verhalen te zien.

Als dit een vertrek is, dan is het een mooie vorm van blijven. Als lezer voel je je dankbaar dat je mocht verblijven in deze roman die zich met jou mee afvraagt wat een roman is. Misschien ben je altijd op een of andere manier aan het vertrekken, ook als besef je dat niet. Departure(s) is een heel mooi boek. 

04 april 2026

Vreugde


Een nieuwe week. Voor velen wordt het een speciale week. (Jij weet het nog niet zo goed. Je weet niet hoe groot de paasverwarring zal zijn.)

Een rustige dag. (Lijstjes worden korter. Enkele grote brokken blijven nog over.)

Die ene grote brok, het is tijd, denk je. (Je wou eerst alle andere dringende dingen weg, eer je hieraan zou beginnen.) De stapel dossiers die je moet beoordelen. (Je zou een soort ritme moeten vinden, denk je.)

Je leest alle richtlijnen nog eens door en begint eraan.

(Ze hebben er allemaal zo hard aan gewerkt, denk je. Je probeert je intuïtie te volgen.)

Een andere dag. (De dag wordt druk, en een beetje spannend, denk je.)

Die middag, de voorstelling van het rapport. Je praat bij met enkele vrienden. Voor je vertrekt, ga je nog even praten met de twee vrouwen die kwamen getuigen. Je bent een klein beetje verlegen, maar ze zijn blij dat je gekomen bent. Een mooi gesprek.

De vergadering. (Iemand is een beetje moe, zie je.)

Nog even over huis, om iets te eten, en om die plek nog in je ritme te hebben. (Misschien is thuis iets met een ritme.)

Onderweg voor je lezing, over je boek. Je studeert het terug in. (Het is nog altijd echt, dat boek. Ooit heb jij die woorden geschreven die je daar leest. Waar kwamen ze vandaan?) Je wacht nog even op het perron, net voor je aan het laatste stukje van je reis zult beginnen. Het licht…

Ze wachten je al op. Je rijdt mee naar de mooie boerderij, waar mensen al zitten te wachten op jou. Het lijkt zo’n wonderlijke plek. (Een plek van hoop.) Je praat jezelf weer op gang, het boek komt terug in jou. (Dit is de 31ste keer, denk je.) Iets is veranderd, merk je, of iets was de hele tijd aan het veranderen, en blijven. (Je ziet je verhaal bewegen in de ruimte, zo lijkt het wel. Zij dragen je woorden, ze zijn veilig.) Je vertelt over Julia. (Zij is ergens in de wereld, denk je, haar ding aan het doen, jij bent hier, het is goed.)

Iemand zegt dat hij in je boek, dat hij heel goed vond, één ding heeft gemist. De vreugde. (Even ben je in de war, iets voelt zich terechtgewezen. Iets denkt: heb ik nog niet genoeg laten zien? Iets is even heel moe. Tot het zich terugtrekt.) Je zegt iets over de hoop, de drang tot leven, de rivier. Je legt uit dat je vrede voelt vanbinnen, dat je meestal gelukkig bent, dat je hoopt dat iets daarvan te voelen is. Het is goed. De boeren vertellen dat ze het als een vorm van verzet voelen, dat wat ze daar proberen te doen. Enkele mensen komen je nog bedanken. Ze hadden je boek al gelezen, maar wilden je het zelf horen vertellen. (Je bent verlegen.) Je bent dankbaar, het is een geschenk.

De trein brengt je weer naar huis. Je leest verder in die roman. Net voor middernacht ben je thuis. (Het ritme ademt uit.)

Een volgende dag. Een afspraak. Het is al lang geleden dat je haar nog zag, eindelijk is het gelukt. (Ja, die krullen staan je echt heel goed.) Een mooi gesprek. Je vertelt iets over je paasverwarring. Misschien begrijpt zij wel wat je bedoelt. (Iets duwt jou steeds meer weg, denk je, het is niet anders.) Je begrijpt niets van de vreugde van het feest, dat is het, denk je.

Je ziet de foto van de vorige avond. (Het ritme van de week, je bent nu aan deze kant.) Je plaatst de foto, woorden komen.

Je werkt verder aan de dossiers. Je begint lijnen te zien.

Je hoopte op een stille, zo leeg mogelijke trein terug, om even nergens te zijn. Van die drie treinen in tien minuten is de eerste afgeschaft, bestaat de tweede uit vier in plaats van tien rijtuigen, bestaat de derde uit vier in plaats van acht rijtuigen. Je neemt de derde, probeert rustig te lezen. Het is.

Een andere dag. Je stuurt een bericht naar een grote jarige meid.

De vergadering. (Ritme.) De volgende vergadering valt weg.

(Misschien moet je nog een stuk schrijven. Dat ene edito zit nog altijd in je kop, je bent nog altijd een beetje kwaad. Misschien moet je nog wachten.)

De volgende dag, je werkt thuis. Je begint zo vroeg mogelijk aan de vrijdagtekst, zodat die weg kan.

Je afspraak gaat niet door. Jammer, je had haar graag nog eens gezien. (Het is enkel een uitstel.)

Je ploegt je verder door de dossiers. (Je oordeel betekent iets, besef je, de hele tijd.)

Vrijdagnamiddag. Het huis is gevuld met de passiemuziek, zoals elk jaar. (Het is zo hartverscheurend mooi, het raakt je zo diep, het is zo’n vreselijk verhaal, dat het een feest is verwart je. Het zet zich neer, met tranen.)

(Iets van die eenzaamheid is de hele tijd bij je, tot in de nacht.)

Een nieuwe dag. De boodschappenronde. In een van de winkels kom je een vriendin tegen. Onderweg daar naartoe had je nog aan haar gedacht. (Je ziet iets.)

Je werkt door, tot je alle dossiers gedaan hebt, en je je beoordeling door kunt sturen. (Het is weg.) Bach is de hele tijd aanwezig.

Iets is heel moe. (Je durft niet aan troost denken, vermoed je.) De volgende dag zul je bij je zus zijn, zul je blijven in de bewegende trein. Je kunt gewoon bij haar zijn, dan hoef je niet te denken aan dat verwarrende feest. Het is goed. Het is.

27 maart 2026

Vloeibaar


Een nieuwe week. (In je hoofd leg je alle dingen die je nog moet doen netjes naast elkaar. Dat nu, dat moet nog wachten, dat is nog niet bekeken. Alsof je kunt schuiven.)

Je had de vorige dag snel nog een opiniestuk gemaakt, je krijgt bericht dat het zal worden geplaatst. (Eerst razen de woorden in snelle zinnen door je hoofd. Daarna worden ze rustiger, zodra je begint te schrijven. En eens de tekst klaar en weg is, zijn ook de woorden weer weg uit je. Iets in je legt zich neer.)

Die middag op tijd vertrekken om de trein te halen. Op weg naar een vriendin die je al een hele tijd niet meer zag. Er was altijd al iets bijzonders aan die treinrit, naar het uiteinde van het land. Tot waar het spoor stopt.)

Je bent blij haar te zien, je luistert naar haar verhalen. (En het is alsof je naar de tijd kijkt.) Je probeert iets te vertellen, over afwezigheid. (Je bent in het nu, denk je, niet meer toen. Je denkt iets over vloeibaarheid, hoe je zou willen.) Een geschenk.

Op de terugweg zegt de treinmeneer dat jullie allemaal moeten uitstappen. Er is iets aan de hand in Brussel-Zuid, nog zoveel stations verder. Iedereen stapt in de andere trein, een stoptrein. Je kijkt naar het landschap.

(Je ziet dat je stuk is geplaatst, het is daar, niet meer hier.)

Een andere dag. Je vertrekt naar de school, voor je presentatie. Hoe lang is het geleden dat je nog eens in die school was? De lerares haalt je op aan het onthaal. (De geluiden, de geuren, de muren die zich zoveel herinneren.)

Je geeft je les tweemaal. Je probeert de Belgische en Italiaanse scholieren in je veld te krijgen. (Het verhaal dat je vertelt, het zou een plek kunnen zijn.) De Italiaanse leraar komt je bedanken voor de beelden die je gebruikte. Tijdens de pauze komt het meisje vertellen over haar opa, die alles kan repareren, en alles zelf kan maken. Je vraagt of hij dat alles ook aan haar leert. Ja, zegt ze, ze glimlacht. Je hebt een geweldige opa, zeg je. (Een geschenk.)

Die namiddag, de vergadering. Je hebt alles goed voorbereid. (Ook deze vergadering is een geschenk, denk je. Je bent trots op de plek die er gekomen is.) Je kijkt naar hoe ze allemaal nog even staan te overleggen, na de vergadering. (Je bent blij.)

Die avond. Je loopt door die andere stad, op weg naar de prijsuitreiking. In het mooie gebouw. Op het grote scherm zien jullie wie de literaire prijzen winnen, even verderop in de schouwburg. (Je ziet het achterhoofd van je vriend.) Nadien nog een heel mooi gesprek. (Ook haar zag je al heel lang niet meer.) Ze komen allemaal binnen, voor de receptie. Je wacht nog even op je vriend, vertrekt dan naar de trein.

Onderweg, de etalage van de winkel met kostuums op maat. (Je droomt even.) En nog een mooi treingesprek.

Een nieuwe dag. Je probeert alles in te halen van de vorige dag. (Je bent graag op die plek, merk je weer. Misschien is het het licht, misschien is het het toetsgevoel, misschien is het gewoon ergens.)

Je volgt nog even het begin van de conferentie. Je praat met de jongeren. Je maakt foto’s. (Je zoekt het licht.) Daarna ga je verder werken. Je probeert nog snel een nota te maken.

De avondvergadering. Je luistert naar de verhalen, je stelt je nota voor. (Je draagt een idee, je ziet beelden, het mag bewegen, los van jou.)

Een andere dag. De vergadering, netjes binnen de voorziene tijd. Het gesprek met de twee studenten. (Het ontroert je, hoe scherp ze kijken naar de dingen. Je zou aan hen willen uitleggen hoe jij was, toen je hun leeftijd had.)

Die avond. Een afspraak. (Elders in de stad wordt er betoogd, je zou ook daar willen zijn, bij je vrienden. Iets over aanwezigheid.) Je luistert naar haar verhalen. Je denkt iets over hoe pijn beweegt in de tijd, hoe het wordt doorgegeven.

(Weer thuis. Je zou aanraakbaar kunnen zijn, denk je.) Je kijkt naar weer een aflevering van die reeks, met je warme dekentje. (Iets van de zorg die je ziet, het raakt je.)

Een nieuwe dag. Je haalt die vroegere trein nog net. (Even lijkt het alsof je zeeën aan tijd gaat winnen.)

Je puzzelt de vrijdagtekst in elkaar. (Misschien zijn het kleine huisjes, een beetje stil.)

Een mooi bericht, het maakt je week. (Je droomt iets over vloeibaar, ziet ineens hoe het zou kunnen zijn. Een geschenk, hoe je beelden kunt geven.)

Je lijstje is korter aan het worden, merk je.

Je vertelt iets aan de plant naast je bureau. De donkergroene bladeren glimmen. (Je verhalen zijn veilig.)

Het ritme van de trein, in je huid. Je zou kunnen verdwijnen, weg kunnen vloeien, en toch blijven.

21 maart 2026

Uitgewikkeld


De week lijkt zo gevuld. (Je ziet zoveel dingen tegelijk die je allemaal zou moeten doen. Je zou alles in vakjes willen indelen, en die dan rustig in volgorde afwerken. Alsof dat zou kunnen.)

De afspraak is weggevallen, je kunt rustig doorwerken. De formulieren voor je evaluatie en planning. (Hoe evalueer je je eigen jaar?)

Het evaluatie- en planningsgesprek. (Dat klinkt een beetje ingewikkelder dan het is, denk je. Een aangenaam gesprek, dat is het eigenlijk.)

De mevrouw aan de kassa legt uit dat ze je klantenkaart gefikst heeft. Je wist niet dat die moest gefikst. Ze legt uit dat het door de overgang van het oude naar het nieuwe systeem heel ingewikkeld was, maar dat ze het uitgewikkeld hebben. Dat is een mooie gedachte, zeg je, en een mooi woord.

Die avond, in de schouwburg, samen met een grote meid. Je bent blij dat ze erbij is. De zanger die je al zo vaak zag, nu in muziektheater. Welke rollen spelen mensen in het leven? Dragen ze een masker? En wie is het die meekijkt in onze levens? Na de voorstelling breng je haar nog naar de bus. Je wacht tot de bus vertrekt en zwaait. (Het maakt je warm vanbinnen, dat gewoon kunnen doen, er gewoon kunnen zijn.) Een mooie avond.

Je ziet de laatste aflevering van die reeks. De vrouw die het geweld van haar ex-man overleefde. (In je hoofd blijf je roepen.)

Een andere dag. De vergadering. Je hebt een nieuw schriftje. (Je probeert op de lijntjes te schrijven.)

Je krijgt een bericht met een stem. (Je zoekt een plek voor een stem.)

De andere vergadering. Je ene collega op het scherm. (Een systeem bedenken waarin de dingen kunnen passen. In je hoofd zie je het. Je weet nooit hoe dat juist werkt.)

Die avond, een voorstelling. Misschien beweegt het een beetje tussen dans en circus. Lichamen in de tijd. De vrouw vraagt aan het publiek om een droom te geven. (Je denkt dat je zoveel dromen hebt dat het pijn doet, en weet niet wat welke je eerst zou moeten noemen.) Het is zo mooi om te zien, hoe ze bewegen. (Elk lichaam heeft een bepaald ritme, denk je.)

Daarna nog een mooi gesprek. En voor je vertrekt ga je nog even dankjewel zeggen aan de vrouw, en zegt iets over al die dromen. Ze glimlacht. (En je denkt nog na over troost. Het woord is te groot voor jou, denk je.)

Een volgende dag. Je werkt thuis in de ochtend. Je kijkt het na, de bus zou moeten rijden straks

Die middag. De bus rijdt, je vertrekt naar de uitvaartdienst. Je loopt over het terrein naar de gebouwen. Je ziet bordjes met namen van mensen die er niet meer zijn. Je wacht even bij de heuvel waar je nicht aan de wind werd gegeven.

De aula loopt vol, de dienst begint. Je luistert naar de verhalen. Ineens komen er beelden terug. Hoe je daar zo vaak stond, in die keuken. Je hoort een leven in verhalen. (Misschien is het wel goed, is het wel normaal, dat je op zo’n plek aan je eigen dood denkt, aan verhalen.) Ik ben blij dat ik haar gekend heb, denk je. Mooie gesprekken na de dienst. Iets ontroert je. (Je mag er gewoon zijn, je mag gewoon bij de verhalen zijn.) Op tijd weer naar de bushalte, nog even namen lezen onderweg. De buschauffeur heet je welkom in zijn bus. Net als nog niet zo lang geleden, toen met je nicht, is er iets dat je troost in deze rit, iets dat je zacht maakt.

Die avond. De vergadering van je appartementsgebouw. Maar er zijn niet genoeg mensen. Je mag snel weer vertrekken. Er wacht nog een afwas. (Je bent ook wel een beetje blij, dat je alleen kunt zijn, met verhalen en de afwas.)

De volgende dag. De algemene vergadering op het werk. (Onderweg oefen je een antwoord, op een vraag die misschien zal komen.) Het licht in die zaal is mooi. Je maakt veel foto’s. (Het is alsof het fototoestel je iets zou willen geven. Iets met licht.)

Die avond. Een etentje, ter ere van een vriend. Je kijkt naar de mensen rond de tafel. (Je ziet hoe ze naar jou kijken.) Je vraagt aan de mevrouw van het restaurant om een foto te maken. Verhalen. Je deelt verhalen met hen, denk je. (Iets over het leven.)

Een andere dag. Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar.

Een gesprek met een vriend. De woorden zoeken zichzelf, met precisie. (Je kunt de woorden zien, de woorden die er al zijn, de woorden die komen, een voor een.) Je bent dankbaar dat je er kunt zijn.

(Die tekst die je zou willen schrijven, je kunt hem al zien in je hoofd. Hopelijk wacht hij op je.)

Nog eens een avond gewoon thuis. (Het dekentje.)

Vroeg op, de volgende dag.

Voor je vertrekt voor je boodschappenronde moet er nog gestemd worden. (De dingen zullen nu bewegen zoals ze bewegen.)

De mevrouw van de winkel komt naar je toe, terwijl je nog aan je fiets staat. Om je te zeggen dat iemand niet meer in de winkel werkt. En ook om te zeggen dat ze het gedicht dat jij schreef zo heel erg mooi vond. (Een geschenk.)

Je vertrekt voor de stiltewandeling. Je maakte je zorgen, maar bent natuurlijk toch weer te vroeg aan de abdij. Je loopt nog even over het kerkhof. Het graf van die man die zoveel voor jou betekend heeft, toen, in die jaren. Het is een van de enige graven waar je in de loop der jaren regelmatig eens naartoe ging. Om even te voelen hoe het met hem gaat. (Hij hield jou in het leven, kon er zelf niet in blijven.) En om te zeggen dat het goed gaat met jou. Hoe hij zei, toen, dat het allemaal goed zou komen met jou. (Misschien was hij iets van een vader voor jou. Hopelijk weet hij hoe dankbaar je bent, voor jouw leven, dat bij je bleef.)

De wandeling. Jullie lopen in stilte rond die bijzondere plek. Iemand loopt naast je. Je kijkt haar aan. (Je zou iets willen vragen, je doet het niet.) En daarna nog de dichter die zijn gedichten telkens tweemaal leest. En nog enkele fijne gesprekjes. (Je bent blij dat je iets kon zeggen aan haar, je wou haar niet in de steek laten.)

Het is de geboortedag van Bach. Zijn muziek is bij je, ergens, terwijl je fietst.

De laatste boodschappen. En dan vertrekken voor de zwerfvuilactie. Het heeft iets rustgevends, zo door de straten lopen, op zoek naar dingen die je van de grond kunt plukken met je grijper. (Dit is mijn familie, voel je, terwijl jullie wachten op het resultaat van de stemming.)

Je fietst naar huis. De dingen mogen zich neerleggen.