Je weet niet goed hoe je aan de week moet beginnen, je past niet in jezelf.
(Het droeve moment van het weekend beweegt nog in je lichaam. Diepe huidlagen. Verdriet van een familie, het raakte meer dan je had verwacht. Die gesprekken met vrienden, en wat ze bij jou leken te leggen. Die heel mooie en heftige film de vorige avond. Iets gedacht over troost. De plotse adempaniek, niet kunnen landen. Nauwelijks geslapen. Uitzonderlijk.)
Je moet iets vertellen, je hebt het in je hoofd voorbereid, al dagen. (Iets heeft je in de hoek gedrumd, zo lijkt het.) Het gaat niet zoals je wilde, je maakt een fout, zoals je normaal niet zou doen, je bent alleen maar onrust. (In de grote orde der dingen is het niet zo erg waarschijnlijk, maar voor jou wel.)
(Honderd dingen gaan door je heen. Diepe huidlagen. Je probeert tegen jezelf te zeggen dat je moet kijken naar wat er gebeurt. Het lukt niet. Waar kwam dat allemaal vandaan? Het gaat over liefde, zou je later kunnen zeggen, voor je zelfgekozen familie. Kwaad op jezelf. Extreem alleen. In de war.)
Je stuurt een bericht naar een vriendin. Ze zegt de juiste dingen. (Een kleine haven.)
(Je weet dat het nog enkele dagen zal duren, eer het door je heen is. Je zult moeten terugkeren, naar jezelf. Je kunt alleen maar wachten. Het is de herinnering van je lichaam die sprak.)
(Schaamte.)
Je zoekt een ritme voor de rest van de dag. Je collega is aanwezig, het doet je goed, terwijl jij afwezig bent, in het daar zijn.
(Zoeken naar een positief aanknopingspunt. Iets doen, trots, terug aansluiten bij die kant.)
Nacht in etappes. (Je huid blijft nog lang natrillen, je ademt het niet weg.)
Een andere dag. Je stapt naar de trein. Zal het ook vandaag meevallen? Er zijn genoeg treinen.
(Iets wacht nog steeds op een definitief onheil, een definitieve afwijzing. Het is een stem, weet je.)
Je werkt verder aan de dingen. Het lijstje geeft rust. Je betast de toetsen heel zorgvuldig. Ritme.
Je bent niet alleen op het werk, de dingen gaan gewoon verder. Iedereen herkent je, alles is gewoon, zoals het ook vorige week was.
(Iets wacht.)
(Een idee, je zou dat kunnen doen. Verbinden, zoals je altijd doet. Niet te snel, zeg je. Het kantelt.)
Je gaat langs bij de samenkomst die het begin is van een campagne. Blij om met enkele mensen te kunnen spreken. Het is mooi, hun gedrevenheid zien.
Daarna het concertje. Je vindt een plekje waar je stil kunt zijn, alleen maar hoeft te kijken en te luisteren. Het is zo mooi, hoe hij heel zacht zingt en speelt. En hoe zij met de contrabas omgaat. (Het was ooit je droom, contrabas.)
Je loopt door de stad naar huis. Het lijkt een gewone week.
Die nacht, een zin voor het gedicht.
Een andere dag. De handen van de kinesiste doen je goed. (Een beetje landen.)
Het is goed daar te zijn, denk je, terwijl je van zo hoog naar de stad beneden kijkt. Je ziet vliegtuigen die zich klaarmaken om te gaan landen.
(Iets in je huidlagen begint zich te ontspannen. Alsof het gevaar bijna weg is.)
(Lichte schaamte.)
De dingen doen. Kantelen in doen, strijdbaar zijn.
Een boeiende lange vergadering. De begeleider prikkelt je hersenen. Een heel mooi gesprek. (Je mag, er gebeurt niets.)
Die avond. Het is tijd voor het gedicht. Je hebt die ene zin. Je kijkt naar de woorden die volgen. Ze gaan een richting uit die als een omweg is. (Dat zeggen ze je.) Je laat hen een andere kant gaan. Een open kant, zonder omwegen. Je volgt het ritme. De woorden schrijven zichzelf. (Het is ook dit keer natuurlijk weer geen goed gedicht geworden, maar het is er. Het lijkt rustig, het lijkt zichzelf niet te verbergen, het is goed zo.)
Een andere dag. Het gedicht vertrekt. (Het is een deel van het ritueel, zoals elk jaar. Het is goed.)
Je denkt aan je zus. (Dit gaat over onze familie, zeg je haar.) Het legt zich neer.
De vergadering. Je kijkt naar je stem.
Op tijd weer naar huis, om dan daar straks op tijd te kunnen vertrekken.
Je wacht aan de bushalte. De mevrouwen naast je zijn app-professionals, kunnen van alle bussen die nog gaan komen zeggen of ze al onderweg zijn. Jouw bus heeft een half uur vertraging. Daar is ze.
In de bus krijg je een bericht van een vriendin. (Ze heeft dezelfde huidlagen, je kent de hare, zij de jouwe. Ze ziet het gedicht.)
De nocturne in het museum. De tentoonstelling raakt je diep. Je kijkt naar een pijnlijke bladzijde uit de geschiedenis. Je rijdt terug met een vriend. Je luistert naar mooie verhalen die je ontroeren.
Je antwoordt nog rustig op het bericht. (Ze zal je begrijpen, dat weet je. Jullie delen een huid.)
Een andere dag. Er rijden nog steeds genoeg treinen voor jou.
Je mag een bericht in de wereld sturen. Je bent zo trots. (Daar wil je zijn, daar mag je zijn, het is goed.)
Je volgt de vergadering op het scherm. Je geeft de planten water. Je werkt nog enkele dingen af, maakt een lijstje met alle nog in te halen puntjes. (Rustige controle.)
Die avond ga je nog even met een vriendin naar een nieuwjaarsreceptie. (Men herkent je.) Je hoort iets dat je een beetje droevig maakt. (Alleen.) (Je hebt iets geleerd deze week.)
Net voor middernacht. Toch nog verse lakens op bed leggen, het is een goed moment.
Een andere dag. De boodschappenronde.
Dingetjes van je lijstje afwerken. (De dingen zijn teruggekeerd, het kan. Je legt bruggetjes.)
Met een vriendin naar een boekvoorstelling. Een verhaal over kanker. Het is soms alsof jij in je hoofd antwoordt op de vragen van de moderator. Sommige antwoorden lopen gelijk, andere gaan een andere kant uit. Je begrijpt iets over je ziekte. Alsof een intuïtie die je al langer had wordt ondersteund door wat je hoort. Het is goed.
(Je bent weer aan de andere kant. Genoeg.)






