08 augustus 2026

De kindplek


En de vakantie beweegt rustig verder.

(Soms kun je niet voorspellen wanneer een nacht onverwacht rusteloos zal zijn. Je neemt er akte van.)

Je ochtendafspraak wordt even uitgesteld.

Een warme dag. (Dat bezoekje dat is uitgesteld, misschien is het wel goed voor haar, dat het niet nu, niet net nu.)

Het boek is zo goed. (Zou je er iets over kunnen schrijven?)

Een andere dag. De ochtendafspraak. Alle ideeën in je hoofd. Het doet goed even daar te zijn, het laat je toch niet los.

(Een uitgestelde buik, of zoiets.)

Toch maar naar Brussel voor je afspraak. (Dat onweer is al terug verdwenen van je buienradar. Zou de buienradar soms ook niet verlangen naar rust?) Het is fijn om bij te praten met haar. Zoveel muziek. Je vertelt over dat filmpje, hoe zij op het podium staat, hoe ze hem niet los wil laten, hoe het je ontroerde. (Je bent een watje.)

(Je vraagt je af of het zo zou kunnen zijn. Het rustige alleen zijn, in je vakantie, of het ervoor zorgt dat alles intenser binnenkomt. Alles wat mooi is. Elke ontmoeting. Of je alles veel beter ziet, en voelt, elk detail. Misschien wel.)

Een vers boek.

En nog eens al je ideeën van de ochtend uitschrijven. (Daarna wordt iets rustig.)

Een nieuwe dag.

Nuttig ding van de dag: zoektocht naar aluinsteen. Gevonden! (Soms kan geluk erg overzichtelijk zijn.)

(En nog extra nuttige dingen, beetje marge opbouwen.)

De buurvrouw is aan het verhuizen, in etappes.

(Ze zijn daar ergens, allemaal. Je kunt hen zien, de landkaart in je hoofd.)

(De warmte van de voorbije weken maakte je moe, merk je.)

Een andere dag. Een gesprekje met de mevrouw aan de kassa. Of het goed gaat met haar. Ze antwoordt een beetje verlegen.

(Dat liedje blijft in je hoofd zitten.)

Even bijpraten met de vroegere buurvrouw. Er groeit een kindje in haar buik, je bent zo blij voor haar.

Op weg naar het noorden voor een bezoekje. (Elke treinreis is nu ook echt een reis, vertel je aan jezelf.) En overstappen op de bus. (Raar, hoe je nog altijd een beetje zenuwachtig wordt, naarmate je dichter bij je geboortedorp komt.) Je bent zo blij hen te zien. (Je hoort de muziek die je haar gaf voor haar verjaardag.) Verhalen over kinderen. (Het raakt je allemaal diep, merk je.) Je laat foto’s zien, en blinkt een beetje.

Terwijl je op de bus staat te wachten zie je ineens je vroegere buurjongen. Het is fijn hem nog eens te zien. (Om een of andere reden heb je zijn verjaardag onthouden, maar dat zeg je niet.)

(Terwijl de bus wegrijdt uit het dorp is het alsof je weer beter kunt ademen.) Je mist die ene trein, neemt de volgende. Verhalen. (Je weet niet altijd of je onderweg bent, of ondertussen ergens aangekomen, een plek.)

Het verhaal in de krant, over de gidsen die het niet meer willen doen, werken op Antarctica. Het ontroert je erg. (Je ziet een idee.)

Een nieuwe dag. Je verzamelt interessant nieuws, alsof het bijna een gewone vrijdag is. (Niet de vrijdagtekst, maar dat andere tekstje op vrijdag, je had het beloofd, dat het er elke week zou komen.)

Nog even een stuk lezen in het dikke boek over verlies. (Studeren mag in de voormiddag.)

Op het terras. Die ene plant die het bijna niet gehaald had. Teruggekeerd, naar een hier. Een nieuwe bloem laat zich zien. (Een geschenk.)

(Je denkt aan iemand. Iets raakt aan een verhaal, dat daar ergens huist. Je kijkt ernaar, laat het.)

Een lang telefoongesprek. Je bent zo blij haar te horen. Verhalen.

(Verhalen over kinderen. Ze raken je zo. Wat is dat toch deze week.)(Tranen tijdens het koken, altijd handig.)

Een nieuwe dag. De mevrouw in de winkel zegt dat het haar laatste dag is. Je zegt dat je haar zult missen. Ze zegt dat ze jou ook zal missen. (Je weet niet of je nu iets zou moeten doen. Het is goed zo, denk je.)

Verhalen over een zonsverduistering die nakend is. Ze brengen je naar toen, die zomer met de zonsverduistering. Dit moment van het jaar brengt het altijd al een beetje terug, maar nu nog meer.

(Je denkt aan iemand, alsof je al weet dat ze zal komen, spoedig.)

Je begint in een vers boek. (Het brengt je dicht bij je zus, voel je.) Je krijgt bezoek. (De kosmos is al enkele dagen iets met je van plan, denk je.) Een heel mooi gesprek, dat je erg ontroert.

(De kindplek.)

Je leest nog wat verder in het boek. (Het is het juiste boek op het juiste moment, denk je, over moeders en dochters, en verhalen.) Je kijkt.

07 augustus 2026

Vergankelijkheid


Korte verhalen worden vaak als minder aantrekkelijk of boeiend gezien dan een roman. Onterecht. Als ze goed zijn, roepen ze in een beperkt aantal pagina’s een hele wereld op. Ze zijn meer ingedikt in de tijd of steunen meer op één verhaallijn of één gebeurtenis of bepalend moment. Het zal voor veel lezers misschien toch een beetje spannend zijn om een bundel met verhalen van de Italiaanse auteur Sandro Veronesi te lezen. In het boek Vergankelijkheid heeft hij (bijna) alle verhalen samengebracht die hij ooit schreef. Wie van de romans van Veronesi houdt, houdt vaak in het bijzonder van zijn verhalen die traag of geduldig door de tijd bewegen, of die zelfs een beetje willen bevriezen, zoals in Kalme Chaos. In die grote beweging komen thema’s als verlies, haperende liefde, het niet kunnen vatten van de wereld rondom je, dood, … op een brede manier naar je toe, in heel mooie zinnen. Werkt dat ook in kortere verhalen? Het is anders, maar ja, het werkt zeker.

Kinderen die hun plek in de wereld nog moeten zoeken en dingen doen die ze zelf niet helemaal begrijpen en die ineens de tragiek van het leven dichterbij brengen. Volwassenen die hun ouders gaan verliezen en daardoor in alle scherpte met hun eigen kwetsbare punten worden geconfronteerd. Wreedheid tegen dieren die ineens niet meer te stoppen lijkt. Eerste liefdes en overrompelende en verwarrende seksuele ervaringen. Grootse plannen die door de banaliteit van het leven worden ingehaald. Je kunt op het eerste gezicht niet zeggen dat er één sterke verbindende lijn is tussen de verhalen, en dat hoeft ook niet. Veronesi heeft als titel voor Vergankelijkheid gekozen, en daarmee verwijst hij naar een korte tekst van Sigmund Freud, die ook integraal in het boek is opgenomen. Dat begrip zegt wel iets over een onderliggend thema dat in veel verhalen een rol speelt. Dat we dingen verliezen, dat de dingen vergankelijk zijn, dat er verlies is, dat alles voorkomt de schoonheid niet, maar maakt die in zekere zin mogelijk. Als je door die bril kijkt, zie je wel beter hoe veel personages uit zijn verhalen in een enigszins tragische positie zitten.

Wat de verhalen ook verbindt is de manier waarop Veronesi er in zijn verhalen net als in zijn romans heel goed in is om personages neer te zetten, met enkele kenmerken. Vaak zijn het mensen die een beetje machteloos zijn, in eerste instantie niet in staat om te handelen. De dingen overkomen hen, tot ze zelf iets doen. Hij doet dat in een stijl die licht is en toch steeds een onderhuidse melancholie in zich draagt.

Wat verder opvalt in een aantal van de hier gepubliceerde verhalen is dat ze uitdrukkelijk over het personage Sandro Veronesi gaan. Het kan gaan over directe herinneringen, zoals het zeer ontroerende verhaal over de agenda naast de telefoon. Het kan ook meer indirect gaan over dingen uit zijn leven, zoals een mislukte tenniscarrière. Soms wordt hij rechtstreeks aangesproken (door een goddelijk wezen?) in een verhaal over de komende dood van zijn vader. En in een aantal verhalen klinkt een duidelijke maatschappijkritiek, onder meer tegen de inzet van artificiële intelligentie of over de cynische gretigheid van projectontwikkelaars.

Niet elk verhaal beklijft helemaal, maar ze zijn wel allemaal sterk geschreven. Het is alsof je telkens onmiddellijk in een eigen wereld zit. Soms is die licht absurd of dreigend, soms is die beklemmend, soms is die verrassend. Misschien zijn alle personages in deze verhalen wel een beetje zoekend, in een wereld die ze niet helemaal begrijpen of waaraan ze niet echt deelnemen. De tragische vergankelijkheid van het leven zorgt voor scheurtjes die zo iets laten vermoeden van de mogelijkheid van schoonheid. De vertelkracht van Veronesi blijft ook in deze verhalen zeer sterk. Zeker de moeite dus.

03 augustus 2026

My Year in Paris with Gertrude Stein


Iemand verblijft een tijd in Parijs om er te werken aan een essay over een bekende avant-garde kunstenares van het begin van de vorige eeuw. Ze probeert iets te vatten van wat ze werkelijk was, om zo haar tekst te kunnen maken. Maar dat iets, ‘het’, ontsnapt haar steeds weer, of is gewoon niet te vatten. Ze leeft er min of meer samen met twee andere vrouwen, die op hun manier allemaal een beetje ontheemd zijn, of op weg naar iets. Een poging om tot een tekst te komen is een poging om iets nieuws te maken is een poging om een leven te maken en is een poging om dat alles dan tot een geheel te maken, of niet. (“Rose is a rose is a rose is a rose”) En misschien is dat wel de bedoeling. (“There is no there there.”) Het is niet zo eenvoudig om uit te leggen wat voor soort boek My Year in Paris with Gertrude Stein (vertaald als: Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein) nu eigenlijk is. En dat is helemaal niet erg. Het is een interessant, speels, vaak heel grappig en ook een beetje onvatbaar boek dat in het niet bereiken van het vooropgestelde doel misschien wel net wél iets heeft gevonden.

Gertrude Stein was afkomstig uit de Verenigde staten, maar ging begin van de 20ste eeuw, toen samen met haar broer, in Parijs wonen. Ze had een medische opleiding gevolgd, die ze niet voltooide, maar ze wilde vooral schrijven. Samen met haar broer verzamelde ze kunst van heel wat moderne schilders die later zeer beroemd zouden worden. Ze kende hen allemaal. Ze wou met haar teksten een andere taal maken (“de 19de eeuw vernietigen”). Ze leefde samen met een vrouw en werd pas op latere leeftijd beroemd, hoewel ze toen al veel had geschreven en hoewel zij vormelijk een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het modernisme was (al werden anderen, zoals Joyce en Eliot eerder beroemd). Zij en haar vriendin waren Joods, maar ze bleven in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze deed dingen die kunnen gezien worden als collaboratie met het Vichyregime. Veel van haar teksten zijn bijzonder moeilijk leesbaar. Als lezer kom je al die dingen te weten door het lezen van dit boek. Het is heel knap hoe Levy met net genoeg heel goed gekozen details of citaten een beeld kan geven van deze erg complexe en moeilijk vatbare persoonlijkheid, die zichzelf ook nog eens een genie vond.

Het boek wordt omschreven als “a fiction” en het is een soort mengvorm van een biografisch essay en een verhaal. Het beweegt soepel tussen verschillende registers en wordt zo een vormelijke en inhoudelijke reflectie op het werk en het leven van Stein, al hoef je die laag niet te zien om geboeid te zijn door het boek.

Het verhaal speelt zich af gedurende één maand, november 2024, in Parijs. (Dat was de maand van de Amerikaanse presidentsverkiezingen.) Er zijn drie personages. Er is de vertelster, die wel erg lijkt op Deborah Levy, of alleszins op een Britse schrijfster die een beetje begint vast te lopen in haar pogingen om een essay te schrijven over Stein. Er is Eva, een Deens-Spaanse, die er met haar mooie ogen als een engel uitziet. Ze werkt aan een graphic novel, terwijl haar man in Seattle met een bouwproject bezig is. En er is Fanny, die een hoge functie heeft in de financiële sector. Haar vader heeft haar ooit het huis uitgezet omdat ze queer is. Ze verdeelt haar tijd over drie minnaressen. De drie spreken elke week af. Het kaderverhaal is een zoektocht naar de kat van Eva, die verdwenen is. De kat heeft geen naam, wordt omschreven door Eva als “it”, terwijl Fanny er wel een naam aan wil geven. Tussen alle persoonlijke besognes gaan de drie op zoek in Parijs naar de kat. We zien dit alles door de ogen van de vertelster.

Als lezer krijg je, in fragmenten in verschillend opgebouwde hoofdstukken, te zien wat de drie vrouwen meemaken. Je krijgt ook beschrijvingen over het leven van Stein, met allerlei citaten. Er zijn stukjes waar de vertelstem zich precies rechtstreeks tot de lezer richt, in puntige commentaren. Je merkt hoe de vertelster dapper blijft zoeken naar de puzzelstukken die ze bij elkaar zoekt, in de hoop dat ze dan de toegang heeft gevonden tot het essay dat ze zou willen schrijven. Maar terwijl wordt ze een beetje wanhopig door de teksten van Stein, die zo ondoorgrondelijk zijn blijkbaar dat ze de indruk krijgt dat Stein helemaal niet begrepen wilde worden. Ze legt zich er uiteindelijk bij neer dat het niets zal worden.

Het boek is een ingenieuze reflectie op wat Gertrude Stein nu zou kunnen betekenen, zonder dat dan weer te rechtstreeks te doen. Zo lees je hoe de vertelster zit te kijken naar oorlogen op haar telefoonschermpje, onderbroken door reclame, als een hedendaagse spiegel op Stein, die twee oorlogen meemaakte. Zo zijn er subtiele hints naar deze tijd. (“Stein wilde de 19de eeuw vernietigen, de 21ste eeuw vernietigt zichzelf.”) Stein was ontheemd, ontworteld misschien wel, maar wilde net zelf iets nieuws construeren, een nieuwe taal, een nieuwe vorm die beter de complexe werkelijkheid kon vatten of er een kritische reflectie op kon zijn die vastgeroeste normen onderuit zou halen. De drie vrouwen in het verhaal zijn op hun manier alle drie gestrand en proberen te ‘maken’ wie ze zijn. Wat betekent het om geworteld of ontworteld te zijn? Wat is een relatie en hoe kun je daar je eigen plek in vinden? Weet je wel wie je zelf bent?

Stein werkte veel met herhalingen als stijlprincipe. En ook in het boek worden dingen herhaald, als een vormelijk motief dat tegelijk een diepere betekenislaag krijgt. De “it” van de kat komt regelmatig terug, als vraag die de vertelster zichzelf stelt. Wat is ‘het’? Is het ‘het’ van het leven te vatten, of zal het ons altijd ontsnappen? Hoe beschrijf je een kunstenares die jou fascineert en van wie je voelt dat ze belangrijk werk maakte, terwijl ze jou helemaal niet binnenlaat in haar kunst?

De betekenis van iemand van toen naar nu halen door een verhaal over drie vrouwen en een kat is slim en vaak vooral heel erg grappig. Je kunt overal het plezier voelen dat de echte auteur Levy moet gehad hebben toen ze die constructie bedacht. De gebeurtenissen met de drie vrouwen zeggen op zich veel over hoe mensen vandaag leven, en zijn vaak ook licht absurd. Via hun zoektocht naar de kat komen de drie vrouwen in contact met een man die een soort uniek exemplaar lijkt, maar dan blijkt te leven in een licht surrealistisch universum en ook nog eens teleurstellend voorspelbaar blijkt.

Met My Year in Paris with Gertrude Stein heeft Deborah Levy een heel speels en tegelijk heel trefzeker boek gemaakt in een heel eigen literaire vorm. Op een bepaalde manier is het essay over Gertrude Stein er toch gekomen, in een vorm die misschien ook wel een ingenieus eerbetoon is die past bij deze tijd. En voor wie de geweldige Deborah Levy ooit al eens hoorde spreken, het is alsof je haar stem – met bijhorende pretoogjes – de hele tijd hoort terwijl je dit boek leest, met een glimlach. En zonder dat je allerlei dikke boeken moet lezen heb je toch heel veel opgestoken over die mysterieuze Gertrude Stein.

01 augustus 2026

Misschien onderweg


(Je denkt nog na over het mooie gesprek die zondagavond. Misschien begrijp je iets meer over waar je vandaan komt. Je kijkt naar je handen. Je kijkt naar de tijd.)

(Er is nog dat beeld van die eenhoorn die je zag in het museum. Je denkt aan iemand.)

Even op en neer naar die andere stad, voor een vergadering. Het doet goed om even bij je vrienden te zijn.

(Je hebt nog een tekst te schrijven deze week. De tekst die er nog niet is, moet je nog aanraken.)

En lezen, veel lezen. (Soms is het alsof je de woorden opzuigt of inademt, alsof ze je omhullen. Soms zijn ze als een bestemming.)

Een lang gesprek met je zus. (Je zou haar zoveel willen vragen, eigenlijk.)

Een andere dag. Je bent een beetje zenuwachtig, of misschien gewoon kwetsbaar.

De trein en de bus. Je bent nog te vroeg, wacht rustig in die gang tussen het grote gebouw en de vijver. De andere mensen beginnen ook aan te komen. (Je probeert verhalen te zien.)

Je schuift aan, groet de familie, je bent een beetje verlegen.

De uitvaartdienst ontroert je diep. Er is zoveel liefde in de ruimte. (Zo kan het dus ook zijn, zo voelt dat, dat wat jouw lichaam niet kent.) Je wilt er gewoon een beetje zijn voor haar, ergens op de achtergrond. Ondanks al het verdriet is het ook als een geschenk. Een ode aan zoveel leven. (Klein, verward, falen.) Het is zo mooi, hoe zij er zijn. Je buigt het hoofd.

Je wacht nog even op haar, zegt niets, kijkt gewoon. Je bent blij dat je er mocht zijn. Je vertrekt naar de bus.

Honderd gedachten gaan door je hoofd, terwijl de bus door het landschap schuift. (Misschien ben je veel te weinig.) De tekst die je nog moet schrijven raakt je aan. (Is het wel een goed idee om over de liefde te schrijven?) Het onderwerp heeft je gekozen.

Je hoopt dat haar dag nog goed zal verlopen.

Een stille namiddag. Lezen. Over rouw, en verder leven.

Een afspraak met een dierbare vriendin. Je bent blij dat ze er is. (Je ziet dat wat van jullie is.) Je vraagt het haar, of je… Ze stelt je gerust. (Je krijgt een mooi bericht.)

Je legt je langzaam in de nacht.

Een nieuwe dag. Eerst alle dingen die je nog moest doen. Dan is het tijd voor de tekst. (Je bent een beetje bang, maar je kunt alleen vooruit nu.) Je probeert te ademen in de woorden die op je scherm verschijnen. De tekst schrijft zichzelf. (Veel tranen.) Zal het wel goed zijn?

De tekst is vertrokken.

En weer een vers boek.

Filmpjes met lange interviews met de schrijvers van de boeken die je gelezen hebt. (Het is bijzonder om op die plek te kunnen zijn, denk je.)

Een volgende dag. (Zoveel dromen, de voorbije nachten, denk je.)

Een beetje verder met de nuttige dingen.

In de winkel een gesprekje, over haar dikke buik. Je bent zo blij voor haar.

Een boek bestellen. Dankjewel. (Je bent haar voornaam even vergeten.)

Het boek is zo mooi. (Je wou nu een boek over de liefde.)

En weer een stuk schrijven over een boek. (Je weet nooit vooraf hoe dat zal gaan. Als het klaar is, is het alsof er iets in je gaat liggen. Je legt het boek op het stapeltje van net gelezen. Je kijkt naar het stapeltje.)

En weer een dag. Vroeg op voor de vuilniszak. Vroeg op voor de koele lucht die de kamers aanraakt.

De maandelijkse vergadering. Je hebt je puntje netjes voorbereid.

Een afspraak met een dierbare vriendin. Iets over woorden. Iets over afwezigheid. En aanwezigheid. Ontroerd en dankbaar.

Misschien ben je onderweg.

Je moet nog een tekstje maken, zoals elke week.

In een nieuw boek beginnen. Je bent een beetje te moe, merk je.

Een heel mooi interview met de auteur van dat boek. Het is zo bijzonder om haar bezig te zien.

Die nacht, even opstaan om te gaan plassen. De lamp in de badkamer begeeft het. (O nee, nu niet. Wanneer het ook gebeurt, je denkt altijd: o nee, nu niet.)

Tussen de weekendboodschappen, even naar die grote winkel, voor die lamp. Onderweg zie je nog een vriendin voorbij rijden. (Dat zal zeker geluk brengen.) In die grote winkel niet de indruk geven dat je een beetje zenuwachtig bent. (Vergeleken met al die anderen, zul je wel dom zijn, ongetwijfeld.) Dapper, toch maar even vragen aan die meneer of dit echt de juiste lamp is. Ja.

De nieuwe lamp zit erin, en werkt. (Zucht!) Je kunt verder met de boodschappen.

De mevrouw aan de kassa vroeg vorige keer wat jouw naam was. Nu vraag je de hare. Laura. Mooie naam, past goed bij haar, denk je.

30 juli 2026

Heart the Lover


Soms kan de cover van een boek je op het verkeerde been zetten. Dat is bij dit boek het geval. Intuïtief denk je iets als: dit is een luchtig zomerboek met een voorspelbaar liefdesverhaal. Ja, het is een boek over de liefde, liefde als hoop. Maar de lichtheid die het uiterlijk uitstraalt is verraderlijk. Of misschien wel bewust. Heart the Lover (vertaald als: Hart de minnaar) van de Amerikaanse Lily King is een heel ingenieus opgebouwd boek dat het heeft over de verwarring en de glans van eerste grote liefdes, over onvermogen en misverstand, over keuzes en angsten, over de dingen die wel en niet vertellen aan elkaar, en over hoe die dingen nog een heel leven door kunnen werken. Oppervlakkig zou je kunnen zeggen dat het hier gaat over een klassieke liefdesdriehoek, wat dan zou kunnen leiden tot veel clichés, maar dat is net niet het geval. Dat ligt in belangrijke mate aan hoe het boek is opgebouwd en hoe het verteld wordt. Halverwege kantelt het boek in de tijd. Door alle stukken die zijn weggelaten kijk je nog intenser naar wat personages meemaken, in een nu dat toch zo sterk verbonden is met een toen.

In het eerste, lange, deel van het boek maken we kennis met drie jonge mensen die bijna klaar zijn met hun universitaire studies. Zij – haar echte naam krijg je pas te zien op de laatste bladzijde van het boek – ziet in de les voor haar twee jongens zitten, Sam en Yash. Ze noemen haar Jordan. Er groeit iets tussen haar en Sam. Met alles wat erbij hoort aan verwarde, rommelige, opwindende en pijnlijke gevoelens. En dat in die microkosmos van een campus. Hij moet in zichzelf navigeren met zijn religieuze overtuigingen. Op een onhandige manier struikelt de relatie. Zij en Yash, de beste vriend en kamergenoot van Sam, groeien naar elkaar toe. Zij blijft net als hij langer op de campus, ze brengen tijd door met elkaar, praten over boeken, verkennen elkaars lichaam. Maar er is ook een thuisfront. Er zijn vrienden. Er zijn baantjes om geld mee te verdienen. Er zijn medestudenten, in groepen waar je al dan niet bij hoort. Yash komt in een moeilijke positie tegenover Sam, wat tot hindernissen, verdriet en wantrouwen kan leiden. Jordan droomt ervan om schrijver te worden. Yash ook, maar zij heeft waarschijnlijk meer talent. Er komt voor haar een kans op een baantje in het buitenland. Dat vormt een uitdaging voor de relatie van het jonge koppel. Afstand, dichterbij, afstand, afspraak om weer dichterbij te komen, het legt de elementen klaar die nog een leven invloed zullen hebben.

In het tweede, korte, deel springen we ineens enkele tientallen jaren verder in de tijd. Jordan is een gevestigde schrijver geworden, met enkele boeken op haar naam. Ze heeft een fijne zorgzame man en twee zonen. Yash is op bezoek bij hen, en dat is een beetje ingewikkeld voor Jordan.

Het derde deel is dan weer een beetje later en zal de drie vrienden van vroeger opnieuw samenbrengen in tragische omstandigheden. Jordan wordt ook in haar eigen gezin met een heel intense situatie geconfronteerd. De dingen gebeuren in een heel intens nu, als ingedikte tijd. Alles wat ze toen waren en wat er door dat toen is gebeurd, komt in zekere zin samen in dat intense nu. Het is een existentiële ervaring. Er is een gewicht van de tijd, en tegelijk een heel sterk ‘in het moment’, waardoor ze elkaar kunnen zien en aanraken op een onverwachte manier.

Lily King heeft de grote gave om haar personages heel treffend te tonen en hen tegelijk ook een beetje onkenbaar te maken. Haar stijl is spaarzaam. Ze laat meer zien dan ze uitlegt. De dialogen zijn heel sterk. De manier waarop het verhaal verteld wordt en de structuur – met de breuk in het midden van het boek – zorgen ervoor dat je als lezer alles zo intens ervaart.

In het eerste deel heb je even een soort gevoel van: zal dit alles zijn? Je voelt je op een heel herkenbare manier ondergedompeld in de sfeer van het leven in zo’n groep jonge zoekende studenten. Je herkent zo goed de verwarring van eerste grote liefdes. De toon is licht, hoewel er veel onderhuids gebeurt en hoewel je veel ook niet ziet. Maar als lezer vrees je een beetje dat het boek gewoon op die manier verder zal gaan. Naarmate je verder leest, voel je dat dat eerste deel wat langer is dan je onbewust verwachtte, en zie je hoe heel subtiel allerlei facetten van de drie hoofdpersonages worden uitgezet. In zekere zin valt daarbij niet echt op hoe de verteller beweegt.

Nochtans was je als lezer al een klein beetje gewaarschuwd, door een kort stukje, als een soort verantwoording, helemaal vooraan, waarin de verteller een ‘jij’ aanspreekt. De verteller blijft de hele tijd bij het perspectief van Jordan. We kijken door haar ogen, ervaren de dingen zoals zij ze ervaart en hebben daardoor ook veel begrip voor hoe zij naar de twee mannen kijkt. Maar door de tijdsbreuk in het boek en de manier waarop het tweede en derde deel worden verteld is het alsof je ineens de verteller wel ziet. Het lijkt zo simpel in eerste instantie: iets van toen is in de tijd gestold, we springen over de jaren heen, en daar pikken de personages dan weer in op wat al die jaren uit beeld was. In werkelijkheid zit er natuurlijk een heel leven tussen. Die breuk in het boek geeft het een zeer grote spankracht. Vanaf deel twee zie je dat de verteller dichtbij Jordan blijft en verteld wat er is gebeurd, en daarbij dus gewoon tot ons als lezer spreekt. Dat wordt afgewisseld met momenten waarop de verteller een jij aanspreekt, met name Yash. En er zijn momenten waarop de verteller dan als in een interne dialoog van Jordan commentaar geeft. Dat heen en weer bewegen geeft een intensiteit aan het boek die daarmee veel zegt over hoe de tijd werkt. Iets van toen is gewoon doorgelopen naar het nu, ook al willen mensen voor zichzelf een breuk maken met toen, of hebben ze zich genesteld in een nieuw leven. Je kiest dat niet, de dingen kiezen dat voor jou. Je komt terug bij elkaar, met die hele bagage in je kop, en dan blijkt dat je dingen ziet waarvan je dacht dat ze weg waren, en dat je in dat nu een nieuwe kans krijgt om echt te zijn. Er is evenwel zoveel tijd overheen gegaan dat er, in de tragische verdichting van de tijd, nog maar heel weinig tijd over is. Het moet in het moment gebeuren. Als lezer ga je door dat alles ook beter beseffen dat het vertellen vanuit het perspectief van Jordan misschien wel niet helemaal betrouwbaar is. Je sympathiseert met haar, maar misschien was er ook een andere kant.

Het werkt goed dat het eerste deel rustig zijn tijd lijkt te nemen om het hele plaatje te schetsen, dat het tweede deel als een heel kort samengebald moment is en dat het derde deel onder tijdsdruk verloopt. Je leeft intens mee met de emotionele storm waarin Jordan moet bewegen. Ze moet als het ware een ‘hier en nu’ veroveren om alle dingen neer te kunnen leggen. Alleen zo kan ze recht doen aan de liefde. In dat nu komen de mooie dingen van de tijd toen terug samen, ook al zijn ze alle drie heel anders geworden door het leven. Pas daarna kan ze verder.

Heart the Lover is een heel erg mooi boek. Het laat je achter met verdriet, warm mededogen en ook iets van troost. En dat heeft veel te maken met de zeer knappe manier waarop het opgebouwd is en verteld wordt.

29 juli 2026

Ghost Stories


En dan sterft de man met wie je 43 jaar samen was. Een huwelijk dat als een eindeloze dialoog was van twee mensen die elkaar graag zagen en al die tijd met elkaar en met de woorden bezig waren. Twee schrijvers onder een dak. Een groot huis, gevuld met verhalen. En dan wordt je man ongeneeslijk ziek, zo zal blijken. Je bent erbij, de hele tijd, gaat met hem mee tot aan de dood. En daarna moet je verder. Voor hij stierf, zei hij dat hij terug wilde komen als een geest. En dat doet hij ook, in de ervaring, en in woorden, die de dialoog verder zetten. In het heel erg mooie Ghost Stories vertelt Siri Hustvedt het verhaal van haar tijd samen met Paul Auster, die stierf in het voorjaar van 2024. Het is rauw en teder. Het gaat over dood, en het gaat heel erg over leven. Het is een boek dat liefde ademt, voor een man en voor een samenzijn met die man, maar ook evenzeer voor de woorden, voor het schrijven. Het is een boek vol met wijsheid. De dood verstoort de tijd, herleidt je tot fragmenten. Een boek van fragmenten kan een nieuwe plek maken, vanwaar je verder door kunt gaan.

Ghost Stories is een boek van teksten. De kern van het boek zijn de stukken die Hustvedt schreef in het jaar na de dood van Auster. Ze beschrijft de rouw. De manier waarop de tijd is verstoord. Het huis dat uit balans is. Het missen van het lichaam van haar man. En ze beschrijft de periode die aan de dood voorafging. Het pijnlijke en ingrijpende proces van zware behandelingen voor de longkanker van Auster. Momenten van hoop en verwachting, en telkens nieuwe tegenslagen. Ze beschrijft hun huwelijk. Hoe ze elkaar leerden kennen, hoe ze samenleefden, hoe ze in elkaar aan het groeien waren, hoe ze elkaar lazen, in alle opzichten van het woord. Het is ontroerend te lezen hoe ze steeds elkaars eerste lezers waren. Hustvedt legt uit dat dit het eerste boek is van haar dat niet als eerste door Auster gelezen is. Ze mist hem, maar ze mist vooral de “and” van Siri and Paul. Het zijn fragmenten die opduiken tijdens het schrijven. Ze beschrijven het dagelijkse leven of zijn beschouwend. Er zijn stukken die uitgebreider ingaan op de wetenschap over de oorzaken van kanker, over het gevoel van ‘nabijheid’ na de dood van een geliefde. Ze heeft het ook over een tragische kant uit zijn leven, de dood van zijn zoon uit een eerder huwelijk en zijn kleindochter. Het gaat over hoe het is om schrijver te zijn, en hoe je omgaat met een vermoeiende beeldvorming waarin je altijd gezien wordt als ‘de vrouw van Paul Auster’, en dat terwijl zij wel duidelijk de intellectueel van de twee was en is.

Die fragmenten worden samengebracht in hoofdstukken die worden afgewisseld met andere teksten. Zo krijg je tekstjes te lezen die Paul voor Siri schreef, onder meer zijn allereerste ooit. Je kunt de drie brieven lezen die Siri aan Paul schreef toen ze pas samen waren en hij ineens besliste om terug te keren naar zijn eerste huwelijk, om zo bij zijn zoon te kunnen zijn. Hij was iets meer dan een week weg. Ze kwamen terug samen, trouwden, en bleven samen. Er zijn de mails die ze stuurde aan het netwerk van familie en vrienden waarin ze verslag uitbrengt over het verloop van het ziekteproces van Paul. En, heel erg bijzonder, het boek bevat ook de laatste geschriften van Auster. Hij was begonnen met wat een brievenboek moest worden voor zijn kleinzoon. De zoon van Sophie, de dochter van Auster en Hustvedt, werd geboren enkele maanden voor Auster zou sterven. De zeven brieven die hij nog kon afwerken aan zijn kleinzoon Miles zijn opgenomen in het boek.

Als je goed kijkt, zie je hoe nauwkeurig het boek is opgebouwd. Het is bij wijze van spreken geen ongefilterd dagboek. Het is een constructie van woorden, in de beste zin van het woord. Schrijven is een manier om te begrijpen, en een manier om te zijn. Als lezer kom je heel dicht bij het echte leven van een concreet gezin. Mensen die je vooral kende vanuit hun boeken of interviews, of uit het beeld dat over hen als schrijver bestond. En nu zie je hen in dat huis, zie je hun dochter en kleinzoon, zie je hoeveel pret ze samen maakten, zie je ook iets van het menselijk drama dat mensen kan raken. En tegelijk voel je ook heel sterk hoezeer Hustvedt zich al schrijvend wegschrijft uit de rouw en hoe ze zichzelf schrijft. Elk fragment dat ze schreef na zijn dood is zorgvuldig bewerkt. Vanaf de eerste bladzijden zit je in een ritme, in een bepaalde manier van ademen die je in het boek houdt. Hustvedt bewaakt heel nauwkeurig wat je wel of niet te weten komt en laat vooral de woorden zien. Je merkt het ook in de brieven of in de mails met kankernieuws hoezeer leven voor schrijvers ook een leven in woorden is.

Het fragmentaire karakter van het boek sluit goed aan bij het versplinteren van de tijd en van wie je was door de dood van een geliefde. En het zegt iets over hoe je die versplintering – die er misschien ook is in het leven in het algemeen – kunt aanraken en vormen in een tekst, die in die specifieke vorm een geheel vormt. Ghost Stories is intens, melancholisch, teder en heel wijs. Je mag iets zien van hartverscheurende gebeurtenissen en van een grote, levende en steeds bewegende liefde tussen twee mensen. Hun huwelijk was als een nooit eindigende dialoog. En met dit boek is het alsof Hustvedt de dialoog met Auster verder zet na zijn dood. Ze haalt hem en vooral het samenzijn terug, in woorden. Maar je voelt ook goed hoe het haar boek is. Het huis waar ze samen waren, is nu haar huis, en daar blijft ze schrijven. En op een of andere manier heb je het gevoel dat na dit boek de geesten het niet meer nodig zullen vinden om er rond te hangen.

25 juli 2026

Uit het beeld


Langzaam in het nieuwe ritme komen. De dagen anders laten bewegen. Het zal nog even duren, maar het komt wel.

Een lijstje met nuttige dingen voor de volgende weken.

Even naar de andere stad gaan om die boekhandel te bezoeken. (Wat een luxe.) (Soms is het ook leuk om gewoon te kijken naar de andere mensen in de boekhandel. Hoe ze bewegen, als in een trage trance. In een eigen wereld. (Hoe jij beweegt, in een eigen wereld.)

Ja, bericht van een vriendin. (De kaarten voor Bob zijn gescoord.) (Brede smile.)

Het interview in het tijdschrift raakt je diep. (Je herkent zoveel. Je zou zinnen willen schrijven, ze schrijven zichzelf.)

Verder lezen in je boek. (Het is zo goed. Het voelt zo lekker, het boek in je hand te voelen. Het voelt zo luxe, gewoon enkele uren zitten daar, en lezen.)

Een berichtje van een vriendin. (Het is alsof je lichaam trilt.)

Een andere dag. (Een feestdag.)

De eerste dingen van het lijstje nuttige dingen. (Er is nog zoveel te doen. Maar met elk ding komt het huis een beetje terug.)

(Wat is die rare plek op je hand?) (Zul je dan toch snel doodvallen?) (De oude Julia had ook zo’n plekken.)

(Even dutten.)

Het boek is uit.

Een stukje maken over het boek. (Altijd kleine weerstand. Tot het klaar is, dan is er rust.)

(Iets in je lichaam zou willen kantelen.)

Een volgende dag.

(Die dingen die je zou moeten vragen aan je zus.)

Afspraakjes beginnen zich aan te dienen. (Hoe is het met jou? Zijn de dagen goed voor jou?)

Ja, de stapel nog te lezen boeken is hoog, maar er kan er altijd nog eentje bij.

Je krijgt droevig nieuws van een dierbare vriendin. Je vindt het zo erg voor haar. (Je probeert ergens een warm plekje te maken, iets dat haar zou kunnen omhullen, op een of andere manier. Misschien zal het tot bij haar komen.)

Een vers boek. (Wonderlijk hoe iemand die zo jong is zo’n boek kan maken.) (Het zal je nooit lukken, dus.)

Een nieuwe dag.

Even op en neer naar het werk, om wat met de planten te doen. Wat meer aarde, die grote verpotten, verhalen. (Ze herkennen je.)

Verder lezen in het boek. (Je vliegt erdoor, zo lijkt het.) Het boek is uit.

Een afspraakje om samen te eten. Ze heeft haar vriendje mee. Een bijzonder gesprek, dat je erg ontroert. (En zoals altijd, verwart.) Hoe zeg je dat, dat je soms bang bent dat je niet lang genoeg zult leven om haar te zien opgroeien? Je ziet het toch, zegt ze.

(Je zult nooit weten hoe dat werkt, dat je iemand bent, in een ander. Ooit, ergens onderweg, kwam je in het leven van een ander. Op een of andere manier besta je ook daar, blijf je daar. Het is niet dat je telkens opnieuw voor het eerst gezien wordt.) (Je begrijpt hoe het werkt met anderen in jouw lichaam.) (Je begrijpt niet hoe dat werkt, dat je iemand bent, in een ander.)

En weer een dag.

(Het is soms alsof je wacht op iets.)

Dat tekstje dat je elke week maakt. (Je hebt met jezelf afgesproken dat je dat de hele zomer zult blijven doen.) Je voelt weerstand. (Wat een goed teken is, je bent dus al een beetje in het andere ritme.) Je wilt in andere woorden zijn.

Je bent verdrietig. Traag verdrietig. (Het is goed.)

En een vers boek. Het is zo mooi, zo ontroerend. Hoe ze een leven samen beschrijft. Hoe hij steeds zieker wordt en zal sterven. Hoe hij een brief schrijft aan zijn pasgeboren kleinkind. (De woorden lijken je te vullen. Alsof je in die woorden kunt ademen, alsof je erin zou kunnen leunen.)

Een stukje schrijven over dat vorige boek. (Worstelen, zoals steeds.)

(En je mag zomaar lang opblijven, het is vakantie.)

Wakker worden in een droom. Iets als een uitnodiging in water. (Het beeld zal de hele dag bij je blijven.)

Afgesproken met een vriendin in een andere stad. Het is al zo lang geleden dat jullie elkaar nog zagen. Je hoort haar verhalen. (Ze was zomaar aan de andere kant van de wereld.) Even langs die boekhandel lopen, zoals steeds. En nog eens naar het museum, ook dat is al lang geleden. Het raakt je meer dan de vorige keren.

Op het schilderij zie je hoe ze rechts in beeld bij het raam zit. Men heeft haar “de waanzinnige” genoemd. Centraal in beeld zie een priester met zijn gevolg, die een bezwering uitvoert, die een of andere duivel wil uitdrijven. (Ze wilden haar uit het beeld, denk je.) Als je al die mannen even wegfiltert, zie je alleen haar. (Misschien zijn zij de demonen waarmee ze worstelt?)

En nog verhalen. (Iets over verwarring.) Rustig teruglopen naar het station, tussen de mensen. Het is goed.