21 maart 2026

Uitgewikkeld


De week lijkt zo gevuld. (Je ziet zoveel dingen tegelijk die je allemaal zou moeten doen. Je zou alles in vakjes willen indelen, en die dan rustig in volgorde afwerken. Alsof dat zou kunnen.)

De afspraak is weggevallen, je kunt rustig doorwerken. De formulieren voor je evaluatie en planning. (Hoe evalueer je je eigen jaar?)

Het evaluatie- en planningsgesprek. (Dat klinkt een beetje ingewikkelder dan het is, denk je. Een aangenaam gesprek, dat is het eigenlijk.)

De mevrouw aan de kassa legt uit dat ze je klantenkaart gefikst heeft. Je wist niet dat die moest gefikst. Ze legt uit dat het door de overgang van het oude naar het nieuwe systeem heel ingewikkeld was, maar dat ze het uitgewikkeld hebben. Dat is een mooie gedachte, zeg je, en een mooi woord.

Die avond, in de schouwburg, samen met een grote meid. Je bent blij dat ze erbij is. De zanger die je al zo vaak zag, nu in muziektheater. Welke rollen spelen mensen in het leven? Dragen ze een masker? En wie is het die meekijkt in onze levens? Na de voorstelling breng je haar nog naar de bus. Je wacht tot de bus vertrekt en zwaait. (Het maakt je warm vanbinnen, dat gewoon kunnen doen, er gewoon kunnen zijn.) Een mooie avond.

Je ziet de laatste aflevering van die reeks. De vrouw die het geweld van haar ex-man overleefde. (In je hoofd blijf je roepen.)

Een andere dag. De vergadering. Je hebt een nieuw schriftje. (Je probeert op de lijntjes te schrijven.)

Je krijgt een bericht met een stem. (Je zoekt een plek voor een stem.)

De andere vergadering. Je ene collega op het scherm. (Een systeem bedenken waarin de dingen kunnen passen. In je hoofd zie je het. Je weet nooit hoe dat juist werkt.)

Die avond, een voorstelling. Misschien beweegt het een beetje tussen dans en circus. Lichamen in de tijd. De vrouw vraagt aan het publiek om een droom te geven. (Je denkt dat je zoveel dromen hebt dat het pijn doet, en weet niet wat welke je eerst zou moeten noemen.) Het is zo mooi om te zien, hoe ze bewegen. (Elk lichaam heeft een bepaald ritme, denk je.)

Daarna nog een mooi gesprek. En voor je vertrekt ga je nog even dankjewel zeggen aan de vrouw, en zegt iets over al die dromen. Ze glimlacht. (En je denkt nog na over troost. Het woord is te groot voor jou, denk je.)

Een volgende dag. Je werkt thuis in de ochtend. Je kijkt het na, de bus zou moeten rijden straks

Die middag. De bus rijdt, je vertrekt naar de uitvaartdienst. Je loopt over het terrein naar de gebouwen. Je ziet bordjes met namen van mensen die er niet meer zijn. Je wacht even bij de heuvel waar je nicht aan de wind werd gegeven.

De aula loopt vol, de dienst begint. Je luistert naar de verhalen. Ineens komen er beelden terug. Hoe je daar zo vaak stond, in die keuken. Je hoort een leven in verhalen. (Misschien is het wel goed, is het wel normaal, dat je op zo’n plek aan je eigen dood denkt, aan verhalen.) Ik ben blij dat ik haar gekend heb, denk je. Mooie gesprekken na de dienst. Iets ontroert je. (Je mag er gewoon zijn, je mag gewoon bij de verhalen zijn.) Op tijd weer naar de bushalte, nog even namen lezen onderweg. De buschauffeur heet je welkom in zijn bus. Net als nog niet zo lang geleden, toen met je nicht, is er iets dat je troost in deze rit, iets dat je zacht maakt.

Die avond. De vergadering van je appartementsgebouw. Maar er zijn niet genoeg mensen. Je mag snel weer vertrekken. Er wacht nog een afwas. (Je bent ook wel een beetje blij, dat je alleen kunt zijn, met verhalen en de afwas.)

De volgende dag. De algemene vergadering op het werk. (Onderweg oefen je een antwoord, op een vraag die misschien zal komen.) Het licht in die zaal is mooi. Je maakt veel foto’s. (Het is alsof het fototoestel je iets zou willen geven. Iets met licht.)

Die avond. Een etentje, ter ere van een vriend. Je kijkt naar de mensen rond de tafel. (Je ziet hoe ze naar jou kijken.) Je vraagt aan de mevrouw van het restaurant om een foto te maken. Verhalen. Je deelt verhalen met hen, denk je. (Iets over het leven.)

Een andere dag. Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar.

Een gesprek met een vriend. De woorden zoeken zichzelf, met precisie. (Je kunt de woorden zien, de woorden die er al zijn, de woorden die komen, een voor een.) Je bent dankbaar dat je er kunt zijn.

(Die tekst die je zou willen schrijven, je kunt hem al zien in je hoofd. Hopelijk wacht hij op je.)

Nog eens een avond gewoon thuis. (Het dekentje.)

Vroeg op, de volgende dag.

Voor je vertrekt voor je boodschappenronde moet er nog gestemd worden. (De dingen zullen nu bewegen zoals ze bewegen.)

De mevrouw van de winkel komt naar je toe, terwijl je nog aan je fiets staat. Om je te zeggen dat iemand niet meer in de winkel werkt. En ook om te zeggen dat ze het gedicht dat jij schreef zo heel erg mooi vond. (Een geschenk.)

Je vertrekt voor de stiltewandeling. Je maakte je zorgen, maar bent natuurlijk toch weer te vroeg aan de abdij. Je loopt nog even over het kerkhof. Het graf van die man die zoveel voor jou betekend heeft, toen, in die jaren. Het is een van de enige graven waar je in de loop der jaren regelmatig eens naartoe ging. Om even te voelen hoe het met hem gaat. (Hij hield jou in het leven, kon er zelf niet in blijven.) En om te zeggen dat het goed gaat met jou. Hoe hij zei, toen, dat het allemaal goed zou komen met jou. (Misschien was hij iets van een vader voor jou. Hopelijk weet hij hoe dankbaar je bent, voor jouw leven, dat bij je bleef.)

De wandeling. Jullie lopen in stilte rond die bijzondere plek. Iemand loopt naast je. Je kijkt haar aan. (Je zou iets willen vragen, je doet het niet.) En daarna nog de dichter die zijn gedichten telkens tweemaal leest. En nog enkele fijne gesprekjes. (Je bent blij dat je iets kon zeggen aan haar, je wou haar niet in de steek laten.)

Het is de geboortedag van Bach. Zijn muziek is bij je, ergens, terwijl je fietst.

De laatste boodschappen. En dan vertrekken voor de zwerfvuilactie. Het heeft iets rustgevends, zo door de straten lopen, op zoek naar dingen die je van de grond kunt plukken met je grijper. (Dit is mijn familie, voel je, terwijl jullie wachten op het resultaat van de stemming.)

Je fietst naar huis. De dingen mogen zich neerleggen. 

15 maart 2026

Door de sneeuw


Het bergdorp in de sneeuw. Iets wat er altijd was, is aan het sterven. Samen met de oude mensen die alleen daar konden zijn, zich niet goed konden voorstellen dat ze daar niet zouden willen of moeten zijn. Ook al was en is het geen idyllische plek, hoe mooi ze ook lijkt. Misschien zijn de buitenstaanders, ook al wonen ze al hun hele leven daar, in de meerderheid. Een oude man verliest zijn beste vriend, zoekt zijn weg door de sneeuw, wil misschien wel verloren lopen in het landschap dat hij zo goed kent. De sneeuw verzacht het beladen landschap en is een laag van zwijgen die over de dingen wordt gelegd. Door de sneeuw, van de Duitse auteur Tommie Goerz, is een heel mooi stil boek dat veel laat zien tussen de woorden, voor wie wil kijken.

Het boek omvat enkele dagen in een klein bergdorp waar de tijd een beetje heeft stilgestaan. Het hoofdpersonage Max, een man van tachtig, kijkt door het raam van zijn huisje tussen de oude appelbomen. Hij kijkt naar het vallen van de sneeuw. Dan hoort hij de doodsklok. Iemand is gestorven. Het duurt even eer hij te weten komt dat het zijn beste vriend Schorsch is die is overleden. Als lezer volg je hem in die enkele dagen tussen die dood en de begrafenis. De oude gewoonten worden voortgezet. Je zoekt elkaar op, en er is een wake, een avond en een nacht, bij het dode lichaam. Het zijn rituelen van verbinding. Je vertelt verhalen aan elkaar over de afwezige, je zorgt voor elkaar, je geeft een lichaam aan de aarde, en het leven gaat verder.

Op een heel ingetogen, stille manier, laat het boek de lezer heel veel verhalen zien. Gezwegen en verzwegen verhalen. Je ziet het kleine dorp, dat ooit het vanzelfsprekende ankerpunt was van een wereld. Daarbuiten was de grote wereld, waar alles snel ging, waar de moderne tijd zorgde voor nieuwe vormen van vervreemding. In die kleine wereld was er al zoveel te zien, zoveel te leren, onder meer over alle kruiden die je zomaar kon plukken, als je wist wat je moest zoeken. Het was een genoeg, maar dat was tegelijk een gedwongen genoeg. De (ongesproken) samenlevingsregels van de dorpsgemeenschap zijn ook hard. Je schikt je, je zwijgt, je sluit je ogen voor allerlei vormen van uitsluiting van wie ‘anders’ is. Het is niet eenvoudig iets te verlangen dat groter is dan het gekende, misschien moet je leren om niet te verlangen, of anders aanvaarden dat je niet helemaal past.

Max is iemand die lijkt te passen, nergens anders zou willen zijn, maar eigenlijk ook niet past, al is er geen ‘elders’. Hij is een beetje vastgelopen in de tijd, kan niet mee met veel moderne ‘steedse’ dingen, wil eigenlijk ook niet meer veranderen. Maar in de manier waarop je door zijn ogen zijn verhaal leert kennen, voel je dat er heel wat lagen onder zitten. Hij heeft die heel bijzondere ‘stille’ vriendschap gehad. Die twee mannen die gewoon in elkaars buurt willen zijn, om dan veel te zwijgen. Met kleine rituelen, zoals de appels van de boom van Max, die bij Schors terecht moeten komen. Max die zich eigenlijk vaak meer op zijn gemak voelt bij de vrouwen van het dorp dan bij de brutale mannen. Het is zo mooi, hoe hij na het eerste deel van de wake, met de mannen, blijft zitten om ook samen met de vrouwen bij het lichaam van zijn vriend te blijven. Hoe hij zich rustig voelt in de verhalen van de vrouwen. En zij zullen begrijpen waarom het zo belangrijk is dat die appels die Schorsch zo lekker vond mee in de kist gaan.

Het dorp is letterlijk in zichzelf gekeerd. Mensen die al vele jaren wonen in de ‘nieuwe wijk’, zullen door de oude bewoners altijd als nieuweling worden gezien. Wanneer er sprake is van gekleurde mensen die naar het dorp zouden komen, wordt er snel en niet al te subtiel gehandeld om dat te voorkomen. Max kent alle verhalen over de vaak trieste of gewelddadige dingen die gebeurd zijn achter de ramen van huizen, veelal veroorzaakt door stugge bange mannen. Tot op een bepaald moment in de tijd had hij iemand kunnen zijn die ook een plek zou vinden in een eigen gezin, met kinderen. Dat moment ging voorbij, en zwijgend zocht hij een weg in een plek die hij dan zelf maakte voor zichzelf, met een sterke band met de natuur, en ook met zijn vriend.

Een man die uit de andere wereld passeert om te wandelen – een concept dat Max niet begrijpt – maakt foto’s van Max en zijn wereld. Alsof hij iets vastlegt dat ‘echt’ is, iets dat een soort idylle zou uitstralen, iets dat zal verdwijnen. In de foto wordt iets bevroren. Max gaat er gewillig in mee, vertelt over hoe bijzonder het dorp wel is, maar laat ook verstaan dat er veel akelige peilloze verhalen zijn weggeduwd onder de opgelegde stilte van het dorp.

De sneeuw is veel dingen tegelijk. Het is iets waar je behoedzaam doorheen moet bewegen, op weg naar anderen, om niet te vallen. De sneeuw legt een zachte laag over het landschap, dat er daardoor onschuldig uit begint te zien. De sneeuw maakt het stil, maar kan ook een beeld zijn voor alles wat stil gemaakt is, wat onder dat tapijt is geduwd. De sneeuw zet aan tot samenzijn bij elkaar, in de warmte, om verhalen te vertellen. Maar de koude sneeuw kan ook gevaarlijk of dodelijk zijn.

Tommie Goerz laat dat alles zien in een compacte en zachte stijl. Alsof de woorden een beetje stil worden uitgesproken, met veel witruimte. En in kleine korte zinnen wordt dan ineens heel veel gezegd, bijna onopvallend. Je moet als lezer goed luisteren naar die zinnen, zo lijkt het. Een dergelijk thema zou misschien gemakkelijk kunnen leiden tot een wat klef of voorspelbaar heimatboek, maar hij blijft de hele tijd aan de goede kant van de lijn en heeft een bijzondere toon gevonden die zelf niet nostalgisch is en je zo als lezer anders laat kijken. In het personage van Max zie je hoe er in zo’n dorpsgemeenschap die velen graag zouden willen zien als een of ander ideaal van nabijheid en samenhorigheid misschien wel veel meer buitenstaanders zijn dan velen willen beseffen. Het motto van het boek (van Etienne Kern) is: “Les absents sont partout.” Misschien is dat wel een sleutel om dit heel bijzondere boek nog beter te begrijpen.

13 maart 2026

Laten we even gaan wandelen


Een nieuwe week. (Hoe zal het met de treinen zijn? Zul je plaats hebben?)

(Grr, dat oog is nog altijd niet helemaal in orde. Zouden die druppels wel goed genoeg helpen?)

Het is rustig op het werk. Je haalt dingen in. (Je hebt heen en weer zitten schuiven op je lijstje, het wordt tijd dat het verandert.)

Een vroegere trein terug, een poging. Er kan geen muis meer bij. Een volgende dan maar. (Misschien moet je je toch verontschuldigen voor die avondvergadering?)

(Toch maar die zalf halen bij de apotheek, hopelijk zal het dan snel beter zijn met je oog.)

Je kunt de vergadering digitaal volgen. (En tegelijk probeer je werk in te halen. Alsof je je zou moeten verantwoorden, denk je.)

De derde aflevering van die reeks. (Het maakt je telkens zo opstandig, die mannen… En het is zo ontroerend, hoe ze praten over hun dochter die er niet meer is, een vader en een moeder. Hoe ze in dat verdriet zacht bij elkaar kunnen zijn. Het moet zo onmetelijk zijn, denk je.)

Een volgende dag. De meneer in de krantenwinkel ziet dat je oog nog altijd niet oké is.

Het is druk op het werk. (Het verandert de ruimte, denk je, hoe de energie beweegt. En het licht, misschien verandert het ook. Hoe je kunt bewegen in het licht. Je kijkt.)

(Een minister heeft – vriendelijk gezegd – suboptimaal gecommuniceerd. Het lijkt of hij echt zijn best heeft gedaan om het voor zichzelf nog moeilijker te maken dan het al was. Oeps. Dat zoveel mensen zo kwaad zijn, het is alsof het je geruststelt. Je hoeft je dus nog niet aan te passen aan zoveel miskenning.)

(Je krijgt bericht dat je afspraak later die dag niet door zal gaan. Iets met drijven. Je had al een beeld. Al weet je niet of het zou passen bij wat het in het echt zou zijn. Het beeld mag bij je blijven.)

Je neemt een trage trein terug, dan kun je rustig zitten. Je maakt een hele nota in die ene rit. Alles in je schriftje, je moet het straks gewoon nog uitschrijven.

Je haalt de cd op die je bestelde. (Die muziek is zo mooi, de beelden van dat concert komen terug. Er werd iets aangeraakt, die avond.)

Die avond, in de zaal. De kandidaten vooraan leggen uit waar ze voor staan. De zaal zit vol, het ontroert je. (Je bent trots, je bent dankbaar, je bent moe, je bent rusteloos door die ene vraag, je kijkt rond, je ziet hoe oud je bent, je laat je verrassen, je zou nog zoveel mensen even iets willen zeggen, blij dat ze er zijn, en nog…) Napraten. Dag zeggen. (“Ken je mijn naam nog? Woew!”) In etappes naar huis gaan, blij dat de avond voorbij is. (Je bent te moe om nog op dat ene berichtje te antwoorden, je zegt het haar.)

Een andere dag. Een overleg, met de man op het scherm. (Beetje blij dat het niet te lang zal duren.)

(Onderhuids rusteloos. Iemand zal op deze dag het leven loslaten, vertrekken uit de pijn. Er is een stilte die met je meeloopt, de hele dag.)

Een mooi gesprek. Je kende haar nog niet. (Zoveel jong leven. Even zie je het voor je: alle tijd die nog op haar wacht.)

Je begint aan die documenten, het werd tijd. (Gewicht weghalen uit het lijstje.)

De avondvergadering. Je stelt je vragen. (Wat maakt je gelukkig, wat maakt je nog wat rusteloos?) Voor ze antwoorden kijken ze telkens even naar omhoog.

(Je bent moe.)

De volgende dag. Alle treinen rijden terug. (Al hebben ze al meteen een vertraging, en zijn ze korter.)

In de stad beginnen mensen zich klaar te maken voor de grote betoging, later die dag.

Je krijgt een bericht. (Ja, ze is niet meer in het leven. Het maakt je droef. En je bent blij voor haar, dat het lijden voorbij is. Je had haar nog zoveel leven gegund.)

Door het raam van je werk zie je hoe beneden duizenden mensen zich verzamelen. Af en toe zie je een grote ballon die zich losmaakt van de mensen, om te vertrekken.

(Je afspraak van die avond wordt uitgesteld. Het is ook iets met leven en dood. Het maakt je droef.)

Je ziet dat het de verjaardag is van je grootmoeder. Even rekenen, ze zou 123 geworden zijn. (Zou je haar mogen missen? Zou je iemand mogen missen?) Laten we even gaan wandelen, zou je haar willen zeggen. Jouw arm in de hare. (Alsof je haar een klein beetje omhoog zou trekken, zodat ze zeker niet zou kunnen vallen. Ik zorg ervoor dat je niet valt, nooit, zo kun je bij me blijven. Ze zou vragen hoe het met je gaat. Je zou zeggen dat het goed gaat. Het zou goed zijn.)

Of je een opiniestuk kunt schrijven voor hem? Je schrijft een opiniestuk. (Hij zal de woorden nog moeten kneden, in de andere taal.)

(Je oog is eindelijk terug in orde, hoop je.)

Thuis zie je dat je de kiemen kunt oogsten. Ze groeiden de vorige dagen, in die glazen potjes. (Een mooi cadeau van haar. Je stuurt haar een foto van de oogst.)

Die avond werk je nog door. (Weer iets weg van het lijstje. Het begint anders te ademen.)

Een nieuwe dag. (Wakker worden door uit een bijzondere droom te kantelen.)

De vrijdagtekst afwerken. (Je kijkt naar de woorden.)

De dialoog die je hebt georganiseerd. Je luistert naar die ambtenaren. (Zou je ook een vraag mogen stellen?) Je stelt een vraag.

Je loopt naar het station. De trein die je normaal neemt staat op jou te wachten, zo voelt het. (Omtrein me, denk je, breng me naar huis. Het is tijd om thuis te komen.)

07 maart 2026

Gelijktijdig

 


Een nieuwe week in een nieuwe maand. (Ging de tijd vorig jaar ook zo snel?)

Je ziet dat het de sterfdag van je vader is. Het lijkt al zo lang geleden. (Eigenlijk was hij niet zo heel veel ouder dan jij nu bent toen hij stierf. Je probeert je te herinneren hoe zijn leven was toen hij even oud was als jij nu. Misschien kun je een beetje in dat beeld schuiven. Het lukt niet, iets met de tijd.)

(En ook de volgende dagen zul je kwaad blijven op die zieke oranje man. Elke keer kijk je met ongeloof en verbijstering en eindeloze weerzin naar zijn geraaskal. Alles, alles, alles is fout aan hem. Je roept tegen het scherm.)

Je hoort de minister van defensie op de radio. (Je roept tegen de radio. Een uitgebreid antwoord raast door je hoofd.)

Een vergadering op het kabinet van de minister. Het is alsof je even moet wachten op de woorden in je hoofd.

(Je zou tijd tussen de tijd willen schuiven. Je denkt aan de namen, ‘we moeten dringend nog eens afspreken’. Nu zou je het willen kunnen doen. Alleen maar tijd hebben voor hen, alleen maar luisteren en kijken.)

De tweede aflevering van die reeks. Het hakt er andermaal diep in. (Je ligt met tranen in bed, je zou iemand willen kunnen troosten, zou iets willen kunnen helen.)

Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel herkent je meteen.

De mevrouw tegenover je, in de trein. Je zag haar eerder ergens, weet niet waar.

Net op tijd voor de commissie, die namiddag. Je leert weer veel uit de bespreking van de dossiers. Ik was zo blij dat je erbij was vorige week, hoor je nog net voor je vertrekt. Ze vertelt je iets dat je ook droevig maakt.

(Je probeert iets te begrijpen over jezelf. In je hoofd is een daar om naar hier te kijken.)

Je zou nog zoveel moeten doen, het lukt niet allemaal. (Je zou een beetje willen leunen in de tijd.)

De volgende dag. De lange werkvergadering. Het voelt goed, dit samen denken. Je ziet de gedachten bewegen. (Je begrijpt nog altijd niet goed hoe dat werkt in je hoofd.)

Je luistert naar verhalen. (Je zou moeten verder werken, maar dit is belangrijker denk je. Dat werk kun je die avond nog wel inhalen.)

Die avond. Je blijft weer plakken bij die oude serie die opnieuw wordt uitgezonden. Die ene verpleegster, hoe ze is. Het raakt iets, diep in je huid. Alsof je ineens begrijpt hoe het kan zijn. (Je denkt ook nog even aan toen, die ene avond in het ziekenhuis, die ene verpleegster die vroeg of ze jou als laatste mocht verzorgen, zodat ze alle tijd kon nemen.)

Een andere dag. Je denkt aan iemand. (Ik moet haar een berichtje sturen vandaag, vragen hoe het met haar gaat.)

De vergadering. Je stelt de nota voor die je maakte. (Iets met strategieën.)

Je krijgt een bericht. (Gelijktijdigheid.) Wat ze schrijft ontroert je erg. (Waaraan heb je dat verdiend? Je kijkt even achterom.) Een geschenk, in de tijd.

Een afspraak. (Het is druk in het café, die avond is er in de zaal boven een première. Je ziet de acteurs.) Wat een boeiend, wervelend gesprek. (Het is mooi, denk je, dat je zoveel boeiende mensen mag leren kennen.)

De volgende dag. Zoals elke maand mag je even in die vergadering zitten.

Het is heel erg druk in de trein. De scholieren hebben alle plaatsen ingenomen. Ze zitten dicht bij elkaar, staan te dansen, lopen heen en weer. (Glimlach.)

Je probeert de tijd in te halen, voor de vrijdagtekst. De tijd voor die tekst laat zich niet plooien, merk je, zoals steeds. Je moet gewoon het ritme volgen, tot alles klaar is.

Terwijl de poetsmevrouw aan het stofzuigen is, begin je al met de planten. (Ze zijn blij.)

(Waarom werkt dat ene ding niet? Je had gehoopt alles nog netjes af te werken voor je zou vertrekken. Misschien wil de kosmos je iets zeggen.)

Een afspraak. Ze spreekt snel en intens. Je probeert zo goed mogelijk te luisteren. (Je zou haar ook graag gewoon wat rust in haar hoofd geven, denk je.)

Bijna thuis. Een gesprek met een vriend. Iets over een verlies. (De kosmos heeft een plan, zo blijkt later.)

(Eerst proberen dat ding in orde te krijgen, zodat je dat bericht kunt publiceren. Het lukt uiteindelijk, het kan bewegen.)

Die avond. (Die actrice is beter dan de serie, denk je.)

Dat ene moment, net voor je gaat slapen. Je begrijpt iets over de dag die voorbij is. (En toch nog snel verse lakens op het bed leggen.)

Een nieuwe dag. De boodschappenronde. De mevrouw aan de kassa vraagt je iets over het type pasta. Je gaat kijken. (Had ik nu maar mijn bril bij me…)

Onderweg naar je afspraak zoek je een beeld, iets dat past bij het verhaal van je week. Get lost! (Misschien stond je dat al de hele week te roepen tegen het scherm.)

Een bijzonder gesprek. Wat je hoort, het is een geschenk, denk je. Ze leert je iets over jezelf. (Het beweegt nog een tijd door je heen.)

Je kijkt naar de tijd.