De week begint met een vrije dag. Je denkt nog aan de reis de vorige dag naar je zus. Hoe fijn het was om bij haar te zijn. Hoe heerlijk het was, die uren in de trein, met je boeken.
(Die weerzinwekkende zieke man is zelfs voor zijn doen nog een stap verder gegaan. Een hele beschaving vernietigen. Dreigen met een genocide. Zijn al ongeveer even weerzinwekkende hielenlikkers zullen ook nu weer een excuus vinden om zijn afschuwelijke woorden goed te praten, iets met ‘meesterlijke onderhandelaar’ of zoiets. Dit is echt. “This is happening now”, legt de zanger uit tijdens zijn concerten. Misschien is de oranje man een beetje koortsig, of gewoon echt gek aan het worden. Nog gekker.)
Enkele dagen eerder besefte je ineens dat het bijna Pasen was. (Ik moet mijn ramen wassen!) Het moment is daar. Ramen wassen is iets als proberen een goed mens te zijn. Je bereidt je mentaal goed voor, dit keer zal het wél lukken (die perfecte ruiten, zonder strepen, zonder hoekjes die niet goed gedaan zijn, … en dat met een lijf dat zich ultrasoepel in alle bochten kan wringen om alles smoothly en met een brede glimlach uit te voeren). Je begint eraan, met goede moed, merkt al snel dat de gewenste ultieme soepelheid van het lijf een beetje suboptimaal is. Halverwege besef je: het zal weer niet voor vandaag zijn. (Innerlijke stem: dit is een spirituele oefening, het leven is onbestendig. Andere innerlijke stem: ja, dat zal wel!) (Innerlijke stem: waarom kunnen ALLE andere mensen dat wel? Andere innerlijke stem: dat is onzin Jean, en je weet het.) (Sure…) Die middag zit je eten aan de tafel, en je merkt dat er ineens veel meer buiten is, gezien vanuit dit binnen. Zou dat ook iets veranderen aan het kantelpunt waar hier overgaat in daar?
Je houdt van de stilte van de rest van de dag, en gaat slapen met een lichte onderhuidse onrust.
Een nieuwe dag. In het journaal van half zeven hoor je al dat iets voorlopig niet is gebeurd. (Daar moeten we blijkbaar al blij mee zijn, denk je…)
Tijdens het scheren. (Innerlijke stem: hoe velen weel weer zullen denken dat ‘het’ voorbij is en dat alles nu wel snel weer ‘normaal’ zal worden, het is toch niet te vatten...) (Uiterlijk scheermesje duwt net iets te hard: sneetje.) (Innerlijke stem: typisch, je kwaadheid op wat buiten je ligt op jezelf afreageren, je bent duidelijk nog niet helemaal geheeld.)
Praatje met de meneer in de krantenwinkel. Elke week vraagt hij of het goed gaat met jou. (Zou je moeten vertellen over de ramen?)
Een berichtje voor je zus, het is haar verjaardag.
Digitale vergadering. (Je kijkt naar je stem.)
(Misschien moet je toch maar dat opiniestuk schrijven dat al enkele dagen in je hoofd wacht. Voor die ene krant. Ze zullen het wel niet plaatsen, maar een mens moet toch proberen, of niet? Werk voor je middagpauze.)
(Hoe je toch je eigen woorden zo zorgvuldig kiest, zo verbindend mogelijk, of hoe zeg je dat?) (Innerlijke stem: soms zou ik graag eens gewoon kunnen schrijven wat ik denk, zonder al die voorzichtige vriendelijkheden en dat proactief proberen te weerleggen van clichés.) (Andere innerlijke stem: ik begrijp je, maar je zult dit nog lang moeten volhouden, dus eigenlijk pak je het wel goed aan.)
Die avond. Nog wat knutselen aan je tekst, en weg, naar de krant. (Het zou je verbazen dat het een kans maakt, met al die nuances, maar je hebt het toch maar gedaan.)
Een andere dag. Je kinesiste vertelt dat de praktijk binnen enkele weken gaat stoppen. Je doet je best om blij te zijn voor haar. (Je moet later nog eens met je rug praten.)
De digitale vergadering. Over die conferentie in het najaar. Op een drafje worden alle afspraken gemaakt.
(En soms, ineens tussendoor, op een onbewaakt moment: zachtverlangen.)
De dingen van het lijstje verder afwerken. (Controle over de werkelijkheid.)
Die avond. Die romantische film die je al tig keer zag. (En ja: snotteren.)
Een volgende dag. Drie vergaderingen na elkaar. (Lijntjes trekken in je hoofd.)
(Het wordt dus zeker niets met de krant, denk je.)
Op tijd vertrekken, je hebt straks nog een bezoekje.
Even over huis, en dan weer weg. De trein. Wachten op de bus. (Op het andere busperron blijft de jongen roepen tegen zijn vriendin dat het haar schuld is dat ze de vorige bus gemist hebben. Ondertussen via de telefoon, ze is al even weggelopen. Er zijn van die mannen in de wereld die eindeloos blijven zeuren tegen mensen die hen ooit niet onvoorwaardelijk gevolgd hebben. Of zoiets.)
Bezoekje, nog een geschenk voor je verjaardag. Je ben blij hen te zien. (Ze worden zo groot! Mag je dat eigenlijk blijven denken?) Een boeiend gesprek. Je bent blij met een spontane feministische reflex. Yes, girl power!
De elektrische bus terug naar het station lijkt ontzettend hard te rijden.
(Die nacht. Iets is week. Je zou aanraakbaar kunnen zijn. Misschien.)
Een nieuwe dag. De maandelijkse korte vergadering.
(Innerlijke stem: je kunt die tekst die je voor De Morgen had geschreven toch ook gewoon als artikel op je LinkedIn zetten, dan leer je ineens hoe dat werkt, met zo’n artikel.) (Andere innerlijke stem: goed, die wil tot permanente zelfopvoeding.)
De vrijdagtekst in elkaar knutselen. De ronde langs de planten. De afwasmachine. (Kantoor klaarmaken voor het weekend.) En de Engelse Suites van Bach. (Beschaving.)
Je wacht op de trein, in het drukke station. Het kleine meisje loopt rondjes rond de pilaar. De jonge mama kijkt toe, loopt achter haar aan. Je probeert een plek te zoeken waar je tussen het meisje en de sporen kunt gaan staan, in geval ze ineens weg zou lopen. (Ze loopt ineens weg, langs de andere kant, terwijl net een trein binnenloopt. De mama rent achter haar aan, tussen alle mensen door. Niet goed voor je vaderhart.)
Je bent nog net op tijd voor je afspraak. (Zeven minuten te vroeg.) Een mooi gesprek. (Ze is dapper, denk je.) (Die bank zit een beetje suboptimaal. Je innerlijke rug geeft je een boodschap.)
Een nieuwe dag. Na de boodschappen, aan het werk. Dingen die de voorbije dagen waren blijven liggen. Je wilt het lijstje leegmaken. Zo zijn de dingen ook weg uit je hoofd. Iets wil alleen zijn, iets niet.

.jpg)


