Je beweegt door het leven. De dingen gebeuren. Je kijkt. De dingen brengen je op een plek waar je misschien niet had verwacht aan te komen. Maar misschien verwacht je niets. Of probeer je dat niet in woorden uit te drukken. Je bent lichaam. En op de schakelmomenten in je leven is het het lichaam dat voor je beslist, of je alleszins leidt. Misschien is er een afstand tussen wie je bent als lichaam en wie je bent op andere momenten. Misschien ben je vervreemd van iets, of misschien is vervreemding de normale stand. Het zou kunnen dat je een toeschouwer bent van je eigen leven. Of het zou kunnen dat het leven als een soort amorfe massa is die je niet kunt kneden of in een richting duwen. In Flesh (vertaald als: Het vlees) van David Szalay kun je het lezen. Het is een fascinerend, in een minimalistische stijl, die je aantrekt, en ook een beetje wegduwt. Een boek dat iets zegt over Europa, over klassenverschillen, over hedendaagse vervreemding, over mannelijkheid en over de mogelijkheden van de roman. Een boek dat in 2025 The Booker Prize kreeg.
Het boek is het verhaal van István. Bij het begin van het boek is hij vijftien, en woont hij met zijn moeder in een appartement in Hongarije. Het is een nieuwe stad, en hij weet niet goed hoe de dingen werken, wat de sociale codes zijn, wat hij moet doen om erbij te horen. Hij lijkt niet veel initiatief te nemen, de dingen overkomen hem. Een beetje tot zijn eigen verbazing heeft hij een vriend. Die wil hem voorstellen aan een meisje, maar dat loopt mis. Tegen zijn zin helpt hij de buurvrouw bij haar boodschappen. Zij verleidt hem. Hij volgt, laat het gebeuren en wanneer hij het wat actiever zelf in de hand wil nemen gaat het fout.
Met elk hoofdstuk spring je enkele jaren verder in de tijd. István zat in een jeugdinstelling, doet daarna wat louche zaakjes, loopt opnieuw een blauwtje, gaat naar het leger en doet een missie in Irak. En zo volgen we hem tot in Londen, waar hij begint als buitenwipper aan een stripteasetent. Hij komt terecht bij een beveiligingsbedrijf en wordt uiteindelijk de privé securityman/chauffeur bij een rijk koppel, een oudere man en een jonge vrouw. István en die vrouw, Helen, groeien naar elkaar toe. Voor hij het goed en wel beseft, beweegt hij zich in een totaal andere wereld. Waar hij nog steeds als een toeschouwer van zichzelf is.
Je zou je een klassiek romanpersonage kunnen indenken dat heel doelbewust door de dingen beweegt. Met een doel voor ogen, met ambities, met een drive om vooruit te komen en op te klimmen. Een personage dat blijkbaar een inzicht heeft in de eigen motieven, die redelijk eenduidig zijn, en die daar ook over kan reflecteren en er daarna in woorden duiding over kan geven. István is helemaal niet zo’n personage. Als je hem vraagt hoe het gaat, zegt hij dat alles oké is. Het is niet dat hij zich afsluit van zijn emoties, het is alsof hij die ontdekt in het handelen. Het lijkt alsof het telkens anderen zijn die iets doen veranderen. Ze stellen hem iets voor, en na even nadenken, doet hij dat. Anderen verleiden hem, of zeggen dat ze hem aantrekkelijk vinden, en dan gebeuren de dingen. Hij controleert ze niet, zo lijkt het.
Tegelijk zie je dat István in dat alles lijkt te zien hoe hij meer lichaam is dan hij in zijn positie als toeschouwer van zijn eigen leven soms beseft. Je ziet ook als lezer hoe er in hem een onderlaag is waarin hij aangetrokken wordt tot geweld en waar hij wordt voortgestuwd door seksuele verlangens. Op een aantal kantelmomenten neemt die laag het over. Zijn leven lijkt te verhevigen, en dan keren de dingen weer terug naar hoe ze waren.
Je zou kunnen zeggen dat hij een soort ‘man zonder eigenschappen’ is, maar dat klopt niet helemaal. Je zou immers ook kunnen stellen dat hij een soort rationele inschatting maakt van de keuzes die hij op een bepaald moment in zijn leven heeft en daar dan naar handelt, zonder te veel te blijven hangen bij wat er niet was. Het was dan misschien niet zijn bewust nagestreefde doel, maar hij klimt toch in korte tijd op naar de rijke bovenlaag van de samenleving, waar hij ook weer uit kan verdwijnen.
In het boek kun je een verhaal lezen over mannelijkheid. Het beeld van een man die zwijgt en de dingen laat gebeuren, zonder al te veel emotionele betrokkenheid. Maar ook dat zou een te eenzijdige lezing zijn. Op zijn manier worstelt hij met zijn eigen vervreemding. Hij staat daar deels machteloos tegenover, maar hij vervalt ook niet in een soort cliché machopositie. Op zijn manier worstelt hij met situaties die complex zijn en waarin hij voelt dat hij iets zou moeten doen. Hij merkt, misschien pas na een tijd, dat wat hij meemaakte liefde was, een besef dat hij via zijn lichaam moet voelen.
David Szalay doet dat alles in een indrukwekkende stijl. Beschrijvingen en dialogen zijn vormgegeven in een minimalisme dat de leeservaring heel intens maakt. Het is alsof uit elke periode van zijn leven enkele momenten zijn gekozen die in ingedikte vorm de essentie moeten vatten. In de gaten tussen twee hoofdstukken is er steeds veel gebeurd, maar dat kom je maar in kleine details te weten. Het is minimalistisch, maar niet koel. Het is moeilijk uit te leggen, maar in zekere zin zou je als lezer lichamelijk dichter bij de personages willen komen, maar dat gaat niet. Tragische momenten blijven vaak net buiten de woorden. Je voelt je soms een toeschouwer van een toeschouwer, maar je blijft lezen. Dialogen zijn soms moeizaam, met kleine woorden, cirkelend rond dingen die niet kunnen gezegd worden. De personages zeggen dan even later tegen elkaar dat ze niet konden zeggen wat ze wilden zeggen, soms is er een brug naar elkaar in hun lichamen, soms gaan de dingen verder.
Het is alsof Szalay door die heel bijzondere vorm iets kan vatten van hoe de wereld in elkaar zit. Bewegen tussen verschillende kanten van Europa, tussen verschillende klassen. Bewegen in een wereld die zich – behalve dan misschien voor sommigen – niet zomaar laat kneden. Keuzes zijn meer pragmatisch en meer lichamelijk en minder consistent dan klassieke romans laten uitschijnen. De vervreemding is misschien wel iets van ons allen, niet alleen van István. In de werkelijkheid speelt ‘het vlees’ misschien een grotere rol dan we zouden willen of beseffen, maar dat lost de vervreemding niet op. Je weet niet of je anderen echt kunt kennen. Als lezer zou je István bijna willen kunnen aanraken, maar dat gaat niet. Je voelt hoe eenzaam hij is en hoe hij toch, op zijn manier, vooruit beweegt in het leven. Het is indrukwekkend hoe Szalay van Flesh, dat op zich misschien niet over een gemakkelijk onderwerp gaat, een fascinerend boek heeft gemaakt dat je niet kunt wegleggen en dat nog lang na de laatste bladzijde door je hoofd blijft gaan.






