13 augustus 2026

Beste Michele


Mensen die brieven schrijven naar elkaar, en zo een wereld onthullen van verbondenheid, falen, geheimen, zoeken, en nog veel meer. En dat in een heel directe, vaak heel grappige stijl, die menselijke tragiek en een beklemmende maatschappij laat doorschemeren. De Italiaanse Natalia Ginzburg doet het in Beste Michele, een boek dat in Italië verscheen in 1973 en nu een nieuwe Nederlandse vertaling kreeg.

Begin jaren 70 zat Italië volop in de zogenaamde ‘loden jaren’, een periode van veel geweld. Met aan de ene kant een opnieuw oplevend extreemrechts, met terroristische aanslagen, en ook extreemlinkse groepen als de Rode Brigades die door gewelddadige acties van zich lieten horen. Veel jongeren ‘verdwenen’, en bleken dan aangetrokken te zijn door extremistische groeperingen.

In die context – die verder niet uitdrukkelijk benoemd wordt in het boek – is de jonge Michele plots verdwenen uit Italië. Hij is op de vlucht voor de politie en gaat naar Engeland. Veel details kom je niet te weten, maar hij was waarschijnlijk op een of andere manier betrokken bij de activiteiten van een linkse groep. Het boek gaat niet zozeer over zijn belevenissen of daden, maar veeleer over hoe het thuisfront met die nieuwe situatie omgaat.

In het boek, dat voornamelijk uit brieven bestaat die de verschillende personages naar elkaar sturen, maken we onder meer kennis met de moeder van Michele, zijn zussen, een vriend, zijn tante, een vriendin die net een kind kreeg dat mogelijk van Michele zou kunnen zijn. Het begint met een heel aangrijpende brief van moeder Adriana waarin ze aan haar zoon zegt dat hij dringend langs moet gaan bij zijn vader, die erg ziek is. Ze vertelt waar ze in haar dagelijkse leven mee bezig is. Maar tussen de regels kom je alles te weten over hoe ze haar zoon mist, en hoe ze hem eigenlijk ook wel terechtwijst en op meer of minder subtiele wijze tot de orde wil roepen, over haar eigen onrust en teleurstellingen in het leven, over allerlei ergernissen. En vanaf dan gaat het verder in de ene na de andere brief. Michele blijkt dus ondertussen niet meer in Italië te zijn. Hij antwoordt soms zelf, in heel korte feitelijke brieven waarin hij geld vraagt of waarin hij aan zijn zus vraagt om uit zijn kamer een verborgen mitrailleur op te halen en die in de rivier te gooien. Als hij antwoordt, is het vooral aan de anderen, niet zo vaak aan zijn moeder. In de verschillende brieven vraagt de ene om dingen door te zeggen aan de andere. Zo krijg je steeds meer zicht op een ingenieus web van mensen die met elkaar praten of niet praten en op hun soms onhandige of stotterende manier dat web in stand houden.

Als lezer voel je de onderhuidse onrust over die jonge man die uit beeld is verdwenen. De snippers die terugkeren doen vermoeden dat hij zich afschermt, misschien nog in contact is met zijn vroegere kameraden of misschien helemaal niet meer. Hij weet niet zo goed wat hij met zijn leven wil, gaat van het ene naar het andere baantje, blijkt dan ineens getrouwd te zijn, verdwijnt dan weer. Soms geeft hij instructies of reageert kort. De anderen praten veel uitgebreider in hun brieven aan hem en aan elkaar, en praten soms vooral over zichzelf en hun eigen haperende leven. De jonge vrouw Mara, die pas een kind kreeg dat mogelijk van Michele zou kunnen zijn, of misschien ook niet, werkt zich op een ontwapenende en stuntelige manier telkens in de nesten. Een van de zussen van Michele, Angelica, probeert de brokstukken van het disfunctionele gezin wat bij elkaar te houden, maar is zelf ook niet zo gelukkig in haar eigen leven. Er is de wat sullige of brave vriend Osvaldo die als een soort loopjongen tussen de anderen de gaten vult. De partners van de twee oudste zussen blijven een beetje uit beeld, net als de jonge tweeling. Er is een uitgever die eerst de minnaar is van de ene en daarna de andere. Adriana en de vader van Michele zijn al lang uit elkaar, maar blijven in een merkwaardige dans om elkaar heen draaien.

Er zijn grappige verhaalmotieven, zoals het eindeloze gedoe van Adriana om thuis een telefoonaansluiting te krijgen of zoals een bouwvallige toren die is aangekocht en die al dan niet een verbouwing zou moeten krijgen.

De structuur van een boek met voornamelijk brieven geeft het geheel een grote spankracht. Die hangt verder in grote mate samen met de heel heldere en directe stijl die Ginzburg hanteert. Het is wonderlijk hoe haar zinnen bijna onopvallend heel trefzeker zijn en een grote empathie uitstralen. De toon is licht, maar ook melancholisch, vaak heel grappig en heel direct.

Naarmate je verder in het boek zit, begin je je te hechten aan die personages die allemaal op hun manier verkeerde keuzes maakten en maken. Je ziet hun kleine kanten, maar ze worden toch ook met veel liefde gepresenteerd. Op de achtergrond kun je een heel onzekere en grimmige maatschappij vermoeden, maar vooraan en in die brieven krijg je een haperende normaliteit. Het is heel mooi hoe die mensen, via die brieven, een soort web maken waarin ze elkaar bij de hand houden en op een of andere manier voor elkaar zorgen of de zorg van een ander zoeken. Zoveel dingen worden of zijn niet gezegd. Ze hengelen naar elkaars aandacht, soms op een tedere manier en soms nogal bot. Als het tragische lot toeslaat davert de hele constructie, maar ze laten elkaar niet los. De brieven zijn bruggen, in een onzekere wereld. Beste Michele is een heel mooi boek, in een heel vloeiende vertaling die het boek op geen enkele manier gedateerd maakt. Het is merkwaardig hoe het boek je op een of andere manier lijkt te verzoenen met het leven. Heel bijzonder en de moeite.

12 augustus 2026

Je kunt je neerleggen in de tijd


Het is die tijd van het jaar. En het is ook nog dat kantelen, even in en uit het licht.

Zoals elk jaar ga je even terug naar toen. Soms komt het vanzelf, soms moet je een stap zetten, om weer daar te zijn.

Die zomer van 1999. Al de hele tijd een lichte koorts, net onder je huid. Je dacht dat het wel over zou gaan.

En toen was er die zonsverduistering in augustus. Je had afgesproken bij een dierbare vriendin in de tuin, samen met heel wat anderen.

En het werd donker, en het werd fris. En jij begon helemaal te rillen.

Een dag later, naar de dokter. Enkele dagen later, een eerste onderzoek. Nog enkele dagen later, opname voor observatie. En nog enkele dagen later, de man tegenover je vertelt met ingewikkelde woorden wat uit de onderzoeken bleek. Beneden in de hal, na het gesprek. Je vraagt aan je huisarts, die erbij was of die man gezegd heeft dat je kanker hebt. Ja dus.

En toen ging het allemaal snel.

Je werd lid van de familie.

Pas later zou je beseffen hoe ongelooflijk veel geluk je hebt gehad.

Soms is het al zo ver weg. Soms is het ineens weer zo dichtbij.

Je was er niet op voorbereid dat je door ziek te worden anderen verdriet deed, dat dat zou kunnen. Er waren zoveel mensen in het ziekenhuis, er was je dokter, zij hielden je in het leven. En er waren al die dierbaren, zoveel. Je was er niet op voorbereid, dus. Zij hebben je gedragen, de hele tijd. En je besefte: ik ben niet van mezelf alleen.

Het is goed, denk je, om elk jaar even stil te staan bij toen. Om hen te eren. Je buigt het hoofd.

En evenzeer om te denken aan zoveel naasten die er ondertussen niet meer zijn, door diezelfde kloteziekte. Het is alsof zij je gevraagd hebben om ook voor hen verder te leven. Je weet nog altijd niet goed hoe je dat moet doen. Je probeert. Je koos ervoor om lid te blijven van de familie. Om dankbaar te blijven, om hun naam te blijven noemen.

Elke avond buig je voor het leven. Elke avond ben je dankbaar, dat je zomaar een dag extra gekregen hebt. Elke dag voelt nog altijd als een dag extra, sinds toen. Het is goed om die nederigheid te oefenen.

Dat lichaam, dat al onveilig was, of gewoon ‘niets’, was er ineens, liet je in de steek. Het werd een beetje uit elkaar getrokken, was daar, en het was lang zoeken naar een hier. Je bent vrienden geworden, denk je. Het verhaal dat de ziekte in je lichaam schreef, is als een gast, die je hebt leren verwelkomen, die is blijven plakken, die altijd mag blijven. Je leert nog elke dag, en daar ben je dankbaar voor. De littekens en de deuken zijn er nog, ze zijn deel van je aanraakbaarheid.

Je bent bij de gelukkigen, die in het leven mochten blijven. Waarom, dat weet je niet. Als je blijft, hoef je die vraag niet te beantwoorden. Als je de anderen in jou blijft voelen, als zij mogen blijven, kun jij blijven.

Het duurde jaren eer je erop durfde te vertrouwen dat je misschien wél oud zou kunnen worden. Het zoeken vervlocht zich met zoveel andere verhalen die in je lichaam waren geschreven. Ze namen hun tijd om samen te helen, en dat was goed. Je adem beweegt nu mooi om de littekens en deuken heen, en iedereen mag ze zien.

Vaak is het niet meer dan een vaag achtergrondgeruis, dat zich zo nodig laat oproepen. En soms is het er ineens, op een onbewaakt moment. Als een niet zichtbare kleine bliksem die inslaat. En dan wacht je gewoon.

En toen was er ineens die nieuwe zonsverduistering. (In diezelfde zomer dat voor jou ook iets werd afgesloten in dat ziekenhuis.) En het was raar. Naarmate iedereen gekker leek te worden, begon je lichaam te twijfelen, leek het zich achter de linies terug te trekken.

Alsof er iets zou gebeuren, in dat moment waarin het licht zich zou terugtrekken. Alsof iets van toen zich tussen die spleet zou wringen in het nu, om je terug te halen. Alsof je het weer zou horen: jij zult altijd toen zijn. Alsof al dat hollen voor niets zou zijn geweest.

Je zou gewoon gaan zitten buiten, en kijken. Niet naar de zon, maar naar het licht rondom je. De zachte koele wind leek je al iets te willen zeggen. En het kwam, en het ging, en dat was het. En het licht leek te lachen. Het licht leek te ademen.

En alles wat er door je heen was gegaan, het legde zich neer. Alsof het zei: je kunt je neerleggen in de tijd, het mag.

Misschien had je iemand iets willen vertellen, iets laten zien. Misschien had je traag willen kijken. Als een dans in het blijven. Het is, en dat is genoeg.

En straks buig je weer voor de dag. Voor jou. Voor hen.

11 augustus 2026

Beginning Middle End


Kun je beginnen, ergens? Kun je opnieuw beginnen? Kun je zo een verhaal maken dat je dan zelf bent? Kun je eigenlijk wel een verhaal maken? En hoe doe je dat, als je zelf ergens in het midden van je leven vast lijkt te zitten? En kun je met dat alles een boek maken? Een boek dat een boek is over een boek, een verhaal dat het heeft over wat een verhaal is? Ja. En Valeria Luiselli deed het, in het geweldige Beginning Middle End (vertaald als: Begin midden einde). Een fascinerend, beweeglijk en ook heel vrouwelijk boek dat het op een heel aanwezige manier heeft over heel veel dingen. Het gaat over moeders en dochters. Het gaat over jezelf opnieuw uitvinden door een thuis te vinden, met elkaar, op een plek, in jezelf, in de lijn van generaties. Het gaat over literatuur. Het gaat over een bestemming zoeken in een wereld met dreigingen op de achtergrond. Het gaat over verhalen die bewegen en van vorm veranderen en vertellers die in elkaar overlopen. Het gaat over de tijd.

De vertelster in het boek, een schrijfster, heeft net een moeilijke scheiding achter de rug, heeft een moeilijk boek gemaakt, en wil weg. Ze haalt haar dochter van twaalf van school en vertrekt voor een boektournee in Europa. Ze zou moeten schrijven aan haar nieuwe boek, maar dat lukt niet al te goed. Ze weet niet goed wat voor boek het zou moeten worden, een essay of een roman. Het zou moeten gaan over een moeder en een dochter, maar welke moeder en welke dochter? Na afloop van de tournee gaat ze met haar dochter naar Sicilië. Haar grootmoeder was van daar, en vertrok er ooit met de boot. Ze kunnen verblijven in het appartement van een vriend of kennis of minnaar, iets tussenin. Ze installeren zich daar. Zij probeert een ritme te vinden om te schrijven, wat niet echt lukt. Ze schrijft wel heel veel, maar het lijkt nergens naartoe te gaan. Ze komen in het ritme van de plek. De bewuste man, een pianist, komt terug. Even neemt de passie het over, maar al snel voelt de vrouw dat iets zich herhaalt uit haar huwelijk, geweld. Moeder en dochter maken zich klaar om te vertrekken. Als een rode draad door het hele verhaal is er mozaïek van Proteus. Die mythologische zeegod kon de hele tijd van vorm veranderen en had ook inzicht in verleden en toekomst. Het is de grootmoeder van de vertelster die werkte op een archeologische site op het eiland. Ze moest zich voordoen als man om er te mogen werken. Uit een van de opgravingen heeft ze dat stuk mozaïek meegenomen, naar Mexico. De grootmoeder werd dement. De moeder van de vertelster stuurt berichten heen en weer, zegt dat ze zich klaarmaakt voor een mogelijk verregaande actie met een radicale milieugroep. Maar ook zij begint haar geheugen te verliezen. De dochter van de vertelster wil dat ze het mozaïek terug brengen naar de site vanwaar het komt. Moeder en dochter gaan op weg, bezoeken de bewuste site, en komen uiteindelijk op een nieuwe plek terecht waar ze zich weer installeren. Maar op de achtergrond zijn er acties tegen migranten op het eiland, gevaarlijke winden, wakker wordende vulkanen en oprukkende natuurbranden. Zullen ze kunnen blijven op deze plek die tegelijk een oude en een nieuwe thuis is?

Bij het begin van het boek vraagt de dochter aan de moeder of ze nu eindelijk eens een roman zal schrijven met een begin, een midden en een einde. Die vraag leidt tot veel innerlijke druk bij de moeder. Ze reflecteert over literaire conventies en vormen. Wat is plot? Wat is de essentie van een roman? Een roman heeft wezenlijk te maken met een verloop in de tijd, en dat is het moeilijkste om te vatten, zegt ze. In een essay daarentegen kun je in dezelfde tijd blijven. Is ze nu eigenlijk een roman aan het schrijven, of een essay? Ze weet het niet. Ze schrijft fragmenten die op zich los lijken te staan van elkaar. Je leest hoe ze een soort saaiheid zoekt, om zo een thuisplek op te bouwen. Ze denkt veel na over haar rol als moeder, en of ze het wel of niet goed doet. Ze probeert de lijnen te begrijpen tussen vier generaties vrouwen. Ze schrijft foute mannen van zich af. Ze is bij dat alles in een permanente dialoog met haar dochter. Ze hebben het onder meer over verhalen uit de klassieke Oudheid, over de betekenis van Proteus. Het beeld van Proteus als een wezen dat permanent in metamorfose is, komt op allerlei manieren als thema en motief in het boek terug. Ze probeert de dreiging van de tijd (klimaatontwrichting) met impact op die plek te vatten en daarbij wil ze haar dochter beschermen.

Er zijn heel veel betekenislagen in het boek. Het boek is tegelijk heel toegankelijk en ook heel beweeglijk en meerstemmig. Het is een heel erg mooi verhaal over een moeder en een dochter, en moeder die tegelijk zelf dochter en kleindochter is. De moeder probeert, na een einde, een nieuw begin te maken, een nieuwe thuis te zoeken voor zichzelf en voor het gezin dat nu uit twee bestaat. Uit het niets een nieuwe thuis maken heeft verschillende dimensies. Het is naar een plek gaan die je nog niet kende maar waar je een nieuwe routine opbouwt. Die plek is tegelijk een plek die als een thuis voelt, omdat het de plek van de grootmoeder en haar verhalen is. De lijn tussen de vier vrouwen is fluïde, verhalen schuiven door, wat tot veiligheid en verwarring kan leiden. Het kan een druk zijn, maar het kan ook een veilige bedding van verhalen en zorg zijn. Daarin kunnen mensen van vorm en plaats veranderen. (Over welke moeder en dochter gaat het nu eigenlijk?) Ze kunnen elkaars stemmen overnemen, elkaars verteller worden. Je strandt, na een zoektocht op een eiland waarmee je door verhalen verbonden bent, met familielid dat van daar met de boot vertrok om een nieuwe thuis te zoeken. Maar het is de tijd van nu die je zal verplichten om weer weg te vluchten, met de boot.

De vertelster voelt zich een beetje gekneld in het midden. In verhaaltheorie is dat midden een soort overschot- of overgangsruimte. Want het is het begin dat zo interessant lijkt, omdat je daar de contouren van het verhaal kunt maken. En het is het einde waar je naar uitkijkt, om te begrijpen hoe het verhaal zich neer zal leggen. Maar misschien is het wel het midden dat je moet verkennen, dat onduidelijk gebied dat beweegt tussen verleden en toekomst, waar je met je bagage bent aangekomen en waar je je weg moet zoeken in de modder, waar van vorm veranderen iets heel anders is dan uit het niets bij het begin van een verhaal. In dat midden maken mensen hun verhaal. Je probeert, met al je twijfels en gebreken, een zo goed mogelijke moeder te zijn voor je dochter. Je beschermt haar, en er is tegelijk zoveel dat je van haar niet begrijpt. Je denkt dat jij de vertelster van je eigen verhaal bent, maar misschien kan – zonder dat je dat zelf beseft – je dochter jouw verhaal overnemen en ook een vertelster worden. En daardoor komen de fragmenten bij elkaar als in een nieuwe mozaïek.

Vormelijk zit het allemaal heel erg knap in elkaar. De hoofdstructuur verwijst naar het begin, midden, einde, met nog een extra deel. De fragmenten hebben bijzondere titeltjes, die op een heel eigen manier een ritme aan de tekst geven. Pas aan het einde kom je te weten waar die titels naar verwijzen. Achteraan zijn er nog Polaroidfoto’s en ansichtkaarten die in het boek een belangrijke rol spelen, als dragers van verhalen. De tekst beweegt tussen verhaal en feitelijke informatie (als voor een essay). Er zijn heerlijke dialogen tussen moeder en dochter. Er is het ritme van het vrouwelijk lichaam. Er zijn allerlei kleine verwijzingen naar de betekenis van een huis. Er is een toenemende dreiging op de achtergrond die het kleine gezinnetje van moeder en dochter steeds meer lijkt in te sluiten. Het is moeilijk uit te leggen hoe dat komt, maar het boek voelt heel erg aanwezig. Je bent als lezer de hele tijd heel dicht bij dat eindeloos meanderende verhaal dat op verschillende lagen beweegt en heel veel zegt over de tijd waarin we leven. Beginning Middle End is een schitterend boek.

08 augustus 2026

De kindplek


En de vakantie beweegt rustig verder.

(Soms kun je niet voorspellen wanneer een nacht onverwacht rusteloos zal zijn. Je neemt er akte van.)

Je ochtendafspraak wordt even uitgesteld.

Een warme dag. (Dat bezoekje dat is uitgesteld, misschien is het wel goed voor haar, dat het niet nu, niet net nu.)

Het boek is zo goed. (Zou je er iets over kunnen schrijven?)

Een andere dag. De ochtendafspraak. Alle ideeën in je hoofd. Het doet goed even daar te zijn, het laat je toch niet los.

(Een uitgestelde buik, of zoiets.)

Toch maar naar Brussel voor je afspraak. (Dat onweer is al terug verdwenen van je buienradar. Zou de buienradar soms ook niet verlangen naar rust?) Het is fijn om bij te praten met haar. Zoveel muziek. Je vertelt over dat filmpje, hoe zij op het podium staat, hoe ze hem niet los wil laten, hoe het je ontroerde. (Je bent een watje.)

(Je vraagt je af of het zo zou kunnen zijn. Het rustige alleen zijn, in je vakantie, of het ervoor zorgt dat alles intenser binnenkomt. Alles wat mooi is. Elke ontmoeting. Of je alles veel beter ziet, en voelt, elk detail. Misschien wel.)

Een vers boek.

En nog eens al je ideeën van de ochtend uitschrijven. (Daarna wordt iets rustig.)

Een nieuwe dag.

Nuttig ding van de dag: zoektocht naar aluinsteen. Gevonden! (Soms kan geluk erg overzichtelijk zijn.)

(En nog extra nuttige dingen, beetje marge opbouwen.)

De buurvrouw is aan het verhuizen, in etappes.

(Ze zijn daar ergens, allemaal. Je kunt hen zien, de landkaart in je hoofd.)

(De warmte van de voorbije weken maakte je moe, merk je.)

Een andere dag. Een gesprekje met de mevrouw aan de kassa. Of het goed gaat met haar. Ze antwoordt een beetje verlegen.

(Dat liedje blijft in je hoofd zitten.)

Even bijpraten met de vroegere buurvrouw. Er groeit een kindje in haar buik, je bent zo blij voor haar.

Op weg naar het noorden voor een bezoekje. (Elke treinreis is nu ook echt een reis, vertel je aan jezelf.) En overstappen op de bus. (Raar, hoe je nog altijd een beetje zenuwachtig wordt, naarmate je dichter bij je geboortedorp komt.) Je bent zo blij hen te zien. (Je hoort de muziek die je haar gaf voor haar verjaardag.) Verhalen over kinderen. (Het raakt je allemaal diep, merk je.) Je laat foto’s zien, en blinkt een beetje.

Terwijl je op de bus staat te wachten zie je ineens je vroegere buurjongen. Het is fijn hem nog eens te zien. (Om een of andere reden heb je zijn verjaardag onthouden, maar dat zeg je niet.)

(Terwijl de bus wegrijdt uit het dorp is het alsof je weer beter kunt ademen.) Je mist die ene trein, neemt de volgende. Verhalen. (Je weet niet altijd of je onderweg bent, of ondertussen ergens aangekomen, een plek.)

Het verhaal in de krant, over de gidsen die het niet meer willen doen, werken op Antarctica. Het ontroert je erg. (Je ziet een idee.)

Een nieuwe dag. Je verzamelt interessant nieuws, alsof het bijna een gewone vrijdag is. (Niet de vrijdagtekst, maar dat andere tekstje op vrijdag, je had het beloofd, dat het er elke week zou komen.)

Nog even een stuk lezen in het dikke boek over verlies. (Studeren mag in de voormiddag.)

Op het terras. Die ene plant die het bijna niet gehaald had. Teruggekeerd, naar een hier. Een nieuwe bloem laat zich zien. (Een geschenk.)

(Je denkt aan iemand. Iets raakt aan een verhaal, dat daar ergens huist. Je kijkt ernaar, laat het.)

Een lang telefoongesprek. Je bent zo blij haar te horen. Verhalen.

(Verhalen over kinderen. Ze raken je zo. Wat is dat toch deze week.)(Tranen tijdens het koken, altijd handig.)

Een nieuwe dag. De mevrouw in de winkel zegt dat het haar laatste dag is. Je zegt dat je haar zult missen. Ze zegt dat ze jou ook zal missen. (Je weet niet of je nu iets zou moeten doen. Het is goed zo, denk je.)

Verhalen over een zonsverduistering die nakend is. Ze brengen je naar toen, die zomer met de zonsverduistering. Dit moment van het jaar brengt het altijd al een beetje terug, maar nu nog meer.

(Je denkt aan iemand, alsof je al weet dat ze zal komen, spoedig.)

Je begint in een vers boek. (Het brengt je dicht bij je zus, voel je.) Je krijgt bezoek. (De kosmos is al enkele dagen iets met je van plan, denk je.) Een heel mooi gesprek, dat je erg ontroert.

(De kindplek.)

Je leest nog wat verder in het boek. (Het is het juiste boek op het juiste moment, denk je, over moeders en dochters, en verhalen.) Je kijkt.

07 augustus 2026

Vergankelijkheid


Korte verhalen worden vaak als minder aantrekkelijk of boeiend gezien dan een roman. Onterecht. Als ze goed zijn, roepen ze in een beperkt aantal pagina’s een hele wereld op. Ze zijn meer ingedikt in de tijd of steunen meer op één verhaallijn of één gebeurtenis of bepalend moment. Het zal voor veel lezers misschien toch een beetje spannend zijn om een bundel met verhalen van de Italiaanse auteur Sandro Veronesi te lezen. In het boek Vergankelijkheid heeft hij (bijna) alle verhalen samengebracht die hij ooit schreef. Wie van de romans van Veronesi houdt, houdt vaak in het bijzonder van zijn verhalen die traag of geduldig door de tijd bewegen, of die zelfs een beetje willen bevriezen, zoals in Kalme Chaos. In die grote beweging komen thema’s als verlies, haperende liefde, het niet kunnen vatten van de wereld rondom je, dood, … op een brede manier naar je toe, in heel mooie zinnen. Werkt dat ook in kortere verhalen? Het is anders, maar ja, het werkt zeker.

Kinderen die hun plek in de wereld nog moeten zoeken en dingen doen die ze zelf niet helemaal begrijpen en die ineens de tragiek van het leven dichterbij brengen. Volwassenen die hun ouders gaan verliezen en daardoor in alle scherpte met hun eigen kwetsbare punten worden geconfronteerd. Wreedheid tegen dieren die ineens niet meer te stoppen lijkt. Eerste liefdes en overrompelende en verwarrende seksuele ervaringen. Grootse plannen die door de banaliteit van het leven worden ingehaald. Je kunt op het eerste gezicht niet zeggen dat er één sterke verbindende lijn is tussen de verhalen, en dat hoeft ook niet. Veronesi heeft als titel voor Vergankelijkheid gekozen, en daarmee verwijst hij naar een korte tekst van Sigmund Freud, die ook integraal in het boek is opgenomen. Dat begrip zegt wel iets over een onderliggend thema dat in veel verhalen een rol speelt. Dat we dingen verliezen, dat de dingen vergankelijk zijn, dat er verlies is, dat alles voorkomt de schoonheid niet, maar maakt die in zekere zin mogelijk. Als je door die bril kijkt, zie je wel beter hoe veel personages uit zijn verhalen in een enigszins tragische positie zitten.

Wat de verhalen ook verbindt is de manier waarop Veronesi er in zijn verhalen net als in zijn romans heel goed in is om personages neer te zetten, met enkele kenmerken. Vaak zijn het mensen die een beetje machteloos zijn, in eerste instantie niet in staat om te handelen. De dingen overkomen hen, tot ze zelf iets doen. Hij doet dat in een stijl die licht is en toch steeds een onderhuidse melancholie in zich draagt.

Wat verder opvalt in een aantal van de hier gepubliceerde verhalen is dat ze uitdrukkelijk over het personage Sandro Veronesi gaan. Het kan gaan over directe herinneringen, zoals het zeer ontroerende verhaal over de agenda naast de telefoon. Het kan ook meer indirect gaan over dingen uit zijn leven, zoals een mislukte tenniscarrière. Soms wordt hij rechtstreeks aangesproken (door een goddelijk wezen?) in een verhaal over de komende dood van zijn vader. En in een aantal verhalen klinkt een duidelijke maatschappijkritiek, onder meer tegen de inzet van artificiële intelligentie of over de cynische gretigheid van projectontwikkelaars.

Niet elk verhaal beklijft helemaal, maar ze zijn wel allemaal sterk geschreven. Het is alsof je telkens onmiddellijk in een eigen wereld zit. Soms is die licht absurd of dreigend, soms is die beklemmend, soms is die verrassend. Misschien zijn alle personages in deze verhalen wel een beetje zoekend, in een wereld die ze niet helemaal begrijpen of waaraan ze niet echt deelnemen. De tragische vergankelijkheid van het leven zorgt voor scheurtjes die zo iets laten vermoeden van de mogelijkheid van schoonheid. De vertelkracht van Veronesi blijft ook in deze verhalen zeer sterk. Zeker de moeite dus.

03 augustus 2026

My Year in Paris with Gertrude Stein


Iemand verblijft een tijd in Parijs om er te werken aan een essay over een bekende avant-garde kunstenares van het begin van de vorige eeuw. Ze probeert iets te vatten van wat ze werkelijk was, om zo haar tekst te kunnen maken. Maar dat iets, ‘het’, ontsnapt haar steeds weer, of is gewoon niet te vatten. Ze leeft er min of meer samen met twee andere vrouwen, die op hun manier allemaal een beetje ontheemd zijn, of op weg naar iets. Een poging om tot een tekst te komen is een poging om iets nieuws te maken is een poging om een leven te maken en is een poging om dat alles dan tot een geheel te maken, of niet. (“Rose is a rose is a rose is a rose”) En misschien is dat wel de bedoeling. (“There is no there there.”) Het is niet zo eenvoudig om uit te leggen wat voor soort boek My Year in Paris with Gertrude Stein (vertaald als: Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein) nu eigenlijk is. En dat is helemaal niet erg. Het is een interessant, speels, vaak heel grappig en ook een beetje onvatbaar boek dat in het niet bereiken van het vooropgestelde doel misschien wel net wél iets heeft gevonden.

Gertrude Stein was afkomstig uit de Verenigde staten, maar ging begin van de 20ste eeuw, toen samen met haar broer, in Parijs wonen. Ze had een medische opleiding gevolgd, die ze niet voltooide, maar ze wilde vooral schrijven. Samen met haar broer verzamelde ze kunst van heel wat moderne schilders die later zeer beroemd zouden worden. Ze kende hen allemaal. Ze wou met haar teksten een andere taal maken (“de 19de eeuw vernietigen”). Ze leefde samen met een vrouw en werd pas op latere leeftijd beroemd, hoewel ze toen al veel had geschreven en hoewel zij vormelijk een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het modernisme was (al werden anderen, zoals Joyce en Eliot eerder beroemd). Zij en haar vriendin waren Joods, maar ze bleven in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze deed dingen die kunnen gezien worden als collaboratie met het Vichyregime. Veel van haar teksten zijn bijzonder moeilijk leesbaar. Als lezer kom je al die dingen te weten door het lezen van dit boek. Het is heel knap hoe Levy met net genoeg heel goed gekozen details of citaten een beeld kan geven van deze erg complexe en moeilijk vatbare persoonlijkheid, die zichzelf ook nog eens een genie vond.

Het boek wordt omschreven als “a fiction” en het is een soort mengvorm van een biografisch essay en een verhaal. Het beweegt soepel tussen verschillende registers en wordt zo een vormelijke en inhoudelijke reflectie op het werk en het leven van Stein, al hoef je die laag niet te zien om geboeid te zijn door het boek.

Het verhaal speelt zich af gedurende één maand, november 2024, in Parijs. (Dat was de maand van de Amerikaanse presidentsverkiezingen.) Er zijn drie personages. Er is de vertelster, die wel erg lijkt op Deborah Levy, of alleszins op een Britse schrijfster die een beetje begint vast te lopen in haar pogingen om een essay te schrijven over Stein. Er is Eva, een Deens-Spaanse, die er met haar mooie ogen als een engel uitziet. Ze werkt aan een graphic novel, terwijl haar man in Seattle met een bouwproject bezig is. En er is Fanny, die een hoge functie heeft in de financiële sector. Haar vader heeft haar ooit het huis uitgezet omdat ze queer is. Ze verdeelt haar tijd over drie minnaressen. De drie spreken elke week af. Het kaderverhaal is een zoektocht naar de kat van Eva, die verdwenen is. De kat heeft geen naam, wordt omschreven door Eva als “it”, terwijl Fanny er wel een naam aan wil geven. Tussen alle persoonlijke besognes gaan de drie op zoek in Parijs naar de kat. We zien dit alles door de ogen van de vertelster.

Als lezer krijg je, in fragmenten in verschillend opgebouwde hoofdstukken, te zien wat de drie vrouwen meemaken. Je krijgt ook beschrijvingen over het leven van Stein, met allerlei citaten. Er zijn stukjes waar de vertelstem zich precies rechtstreeks tot de lezer richt, in puntige commentaren. Je merkt hoe de vertelster dapper blijft zoeken naar de puzzelstukken die ze bij elkaar zoekt, in de hoop dat ze dan de toegang heeft gevonden tot het essay dat ze zou willen schrijven. Maar terwijl wordt ze een beetje wanhopig door de teksten van Stein, die zo ondoorgrondelijk zijn blijkbaar dat ze de indruk krijgt dat Stein helemaal niet begrepen wilde worden. Ze legt zich er uiteindelijk bij neer dat het niets zal worden.

Het boek is een ingenieuze reflectie op wat Gertrude Stein nu zou kunnen betekenen, zonder dat dan weer te rechtstreeks te doen. Zo lees je hoe de vertelster zit te kijken naar oorlogen op haar telefoonschermpje, onderbroken door reclame, als een hedendaagse spiegel op Stein, die twee oorlogen meemaakte. Zo zijn er subtiele hints naar deze tijd. (“Stein wilde de 19de eeuw vernietigen, de 21ste eeuw vernietigt zichzelf.”) Stein was ontheemd, ontworteld misschien wel, maar wilde net zelf iets nieuws construeren, een nieuwe taal, een nieuwe vorm die beter de complexe werkelijkheid kon vatten of er een kritische reflectie op kon zijn die vastgeroeste normen onderuit zou halen. De drie vrouwen in het verhaal zijn op hun manier alle drie gestrand en proberen te ‘maken’ wie ze zijn. Wat betekent het om geworteld of ontworteld te zijn? Wat is een relatie en hoe kun je daar je eigen plek in vinden? Weet je wel wie je zelf bent?

Stein werkte veel met herhalingen als stijlprincipe. En ook in het boek worden dingen herhaald, als een vormelijk motief dat tegelijk een diepere betekenislaag krijgt. De “it” van de kat komt regelmatig terug, als vraag die de vertelster zichzelf stelt. Wat is ‘het’? Is het ‘het’ van het leven te vatten, of zal het ons altijd ontsnappen? Hoe beschrijf je een kunstenares die jou fascineert en van wie je voelt dat ze belangrijk werk maakte, terwijl ze jou helemaal niet binnenlaat in haar kunst?

De betekenis van iemand van toen naar nu halen door een verhaal over drie vrouwen en een kat is slim en vaak vooral heel erg grappig. Je kunt overal het plezier voelen dat de echte auteur Levy moet gehad hebben toen ze die constructie bedacht. De gebeurtenissen met de drie vrouwen zeggen op zich veel over hoe mensen vandaag leven, en zijn vaak ook licht absurd. Via hun zoektocht naar de kat komen de drie vrouwen in contact met een man die een soort uniek exemplaar lijkt, maar dan blijkt te leven in een licht surrealistisch universum en ook nog eens teleurstellend voorspelbaar blijkt.

Met My Year in Paris with Gertrude Stein heeft Deborah Levy een heel speels en tegelijk heel trefzeker boek gemaakt in een heel eigen literaire vorm. Op een bepaalde manier is het essay over Gertrude Stein er toch gekomen, in een vorm die misschien ook wel een ingenieus eerbetoon is die past bij deze tijd. En voor wie de geweldige Deborah Levy ooit al eens hoorde spreken, het is alsof je haar stem – met bijhorende pretoogjes – de hele tijd hoort terwijl je dit boek leest, met een glimlach. En zonder dat je allerlei dikke boeken moet lezen heb je toch heel veel opgestoken over die mysterieuze Gertrude Stein.

01 augustus 2026

Misschien onderweg


(Je denkt nog na over het mooie gesprek die zondagavond. Misschien begrijp je iets meer over waar je vandaan komt. Je kijkt naar je handen. Je kijkt naar de tijd.)

(Er is nog dat beeld van die eenhoorn die je zag in het museum. Je denkt aan iemand.)

Even op en neer naar die andere stad, voor een vergadering. Het doet goed om even bij je vrienden te zijn.

(Je hebt nog een tekst te schrijven deze week. De tekst die er nog niet is, moet je nog aanraken.)

En lezen, veel lezen. (Soms is het alsof je de woorden opzuigt of inademt, alsof ze je omhullen. Soms zijn ze als een bestemming.)

Een lang gesprek met je zus. (Je zou haar zoveel willen vragen, eigenlijk.)

Een andere dag. Je bent een beetje zenuwachtig, of misschien gewoon kwetsbaar.

De trein en de bus. Je bent nog te vroeg, wacht rustig in die gang tussen het grote gebouw en de vijver. De andere mensen beginnen ook aan te komen. (Je probeert verhalen te zien.)

Je schuift aan, groet de familie, je bent een beetje verlegen.

De uitvaartdienst ontroert je diep. Er is zoveel liefde in de ruimte. (Zo kan het dus ook zijn, zo voelt dat, dat wat jouw lichaam niet kent.) Je wilt er gewoon een beetje zijn voor haar, ergens op de achtergrond. Ondanks al het verdriet is het ook als een geschenk. Een ode aan zoveel leven. (Klein, verward, falen.) Het is zo mooi, hoe zij er zijn. Je buigt het hoofd.

Je wacht nog even op haar, zegt niets, kijkt gewoon. Je bent blij dat je er mocht zijn. Je vertrekt naar de bus.

Honderd gedachten gaan door je hoofd, terwijl de bus door het landschap schuift. (Misschien ben je veel te weinig.) De tekst die je nog moet schrijven raakt je aan. (Is het wel een goed idee om over de liefde te schrijven?) Het onderwerp heeft je gekozen.

Je hoopt dat haar dag nog goed zal verlopen.

Een stille namiddag. Lezen. Over rouw, en verder leven.

Een afspraak met een dierbare vriendin. Je bent blij dat ze er is. (Je ziet dat wat van jullie is.) Je vraagt het haar, of je… Ze stelt je gerust. (Je krijgt een mooi bericht.)

Je legt je langzaam in de nacht.

Een nieuwe dag. Eerst alle dingen die je nog moest doen. Dan is het tijd voor de tekst. (Je bent een beetje bang, maar je kunt alleen vooruit nu.) Je probeert te ademen in de woorden die op je scherm verschijnen. De tekst schrijft zichzelf. (Veel tranen.) Zal het wel goed zijn?

De tekst is vertrokken.

En weer een vers boek.

Filmpjes met lange interviews met de schrijvers van de boeken die je gelezen hebt. (Het is bijzonder om op die plek te kunnen zijn, denk je.)

Een volgende dag. (Zoveel dromen, de voorbije nachten, denk je.)

Een beetje verder met de nuttige dingen.

In de winkel een gesprekje, over haar dikke buik. Je bent zo blij voor haar.

Een boek bestellen. Dankjewel. (Je bent haar voornaam even vergeten.)

Het boek is zo mooi. (Je wou nu een boek over de liefde.)

En weer een stuk schrijven over een boek. (Je weet nooit vooraf hoe dat zal gaan. Als het klaar is, is het alsof er iets in je gaat liggen. Je legt het boek op het stapeltje van net gelezen. Je kijkt naar het stapeltje.)

En weer een dag. Vroeg op voor de vuilniszak. Vroeg op voor de koele lucht die de kamers aanraakt.

De maandelijkse vergadering. Je hebt je puntje netjes voorbereid.

Een afspraak met een dierbare vriendin. Iets over woorden. Iets over afwezigheid. En aanwezigheid. Ontroerd en dankbaar.

Misschien ben je onderweg.

Je moet nog een tekstje maken, zoals elke week.

In een nieuw boek beginnen. Je bent een beetje te moe, merk je.

Een heel mooi interview met de auteur van dat boek. Het is zo bijzonder om haar bezig te zien.

Die nacht, even opstaan om te gaan plassen. De lamp in de badkamer begeeft het. (O nee, nu niet. Wanneer het ook gebeurt, je denkt altijd: o nee, nu niet.)

Tussen de weekendboodschappen, even naar die grote winkel, voor die lamp. Onderweg zie je nog een vriendin voorbij rijden. (Dat zal zeker geluk brengen.) In die grote winkel niet de indruk geven dat je een beetje zenuwachtig bent. (Vergeleken met al die anderen, zul je wel dom zijn, ongetwijfeld.) Dapper, toch maar even vragen aan die meneer of dit echt de juiste lamp is. Ja.

De nieuwe lamp zit erin, en werkt. (Zucht!) Je kunt verder met de boodschappen.

De mevrouw aan de kassa vroeg vorige keer wat jouw naam was. Nu vraag je de hare. Laura. Mooie naam, past goed bij haar, denk je.