Een week die gevuld lijkt met aanwezigheden. (Terwijl je ook afwezig zou willen zijn, af en toe.)
(Je denkt nog aan wat er door je hoofd ging, tijdens de uitvaart, in het weekend. Welke woorden zou men voor jou gebruiken, wanneer het jouw tijd is om te verdwijnen?)
(Je maakt een lijstje in je hoofd van alles wat zal komen de volgende dagen. Waar je moet zijn. Je probeert het al vooraf te zien. Van hier naar daar. Vertrekken en aankomen. Leunen in onderweg zijn.)
De dingen. (En je denkt al aan troost, en wat je zou kunnen zeggen.)
De afspraak. Die uiteindelijk niet doorgaat. Je kunt sneller naar de trein, ook goed.
Op weg voor het gesprek. (In je hoofd oefen je nog een beetje wat je hebt voorbereid in je schriftje.)
Een heel mooi gesprek. Haar vragen laten je bewegen naar plekken. Je probeert woorden te zoeken, zinnen te maken. Hebben we troost nodig? (Het is zo groot, maar je probeert er iets over te zeggen.) (Zou je weten waar het verlangen naar troost huist in je lichaam? Zou je durven weten wat je verlangt?) En muziek.
Op weg naar huis komt Wayfaring Stranger in je hoofd. (Er is iets met het verlangen naar thuis, naar eindelijk thuiskomen, in dat lied. Misschien is troost ook iets met thuis?) Je weet niet altijd hoe je ontheemd moet zijn.
Een volgende dag. De conferentie. Je luistert naar de toespraken en de panelgesprekken. De EU-commissaris spreekt zacht en zorgvuldig, tot dat ene stuk, midden in haar toespraak. Hier, op deze plek, wil ze heel duidelijk een punt maken. Het ontroert je.
Een boeiend gesprek met de Amerikaanse vrouw naast je. Ze diende ooit in het leger. Ze doet nu onderzoek, iets met pijn.
Die avond, werk inhalen.
Een nieuwe dag. Op de tafel van de kinesiste. (Binnen enkele weken stopt dit, je weet nog niet zeker wat je daarmee gaat doen.) Je bent een beetje kneedbaar.
Een boeiende afspraak. Het gaat over geld. Maar eigenlijk ook over dromen, denk je.
Die avond. De vergadering van het appartementsgebouw. Je kijkt naar het gesprek, kijkt naar de woorden. (Misschien gaat het ook over een plek innemen. Je staat op en vertelt je verhaal, alsof het mag. Het mag.)
(Misschien zou je daarna enkele uren willen drijven, nat of droog. Om vloeibaar de nacht in te kunnen gaan. Het is niet.) Ingewikkelde dromen.
De volgende dag. Op weg naar de commissie. Je studeert je dossiers nog even in.
De commissievergadering. Je probeert te formuleren waarom je zo of zo hebt geoordeeld. Met alle nuances. (Niet iedereen ziet je nuances, denk je. Zou het aan jou liggen?)
Op weg naar de conferentie. Je studeert het schema nog eens in voor de sessie die je straks moet begeleiden. (Je probeert te zien in je hoofd wat er zal gebeuren.)
In de zaal, het is pauze. Je loopt nog even rond, praat met enkele mensen, en vertrekt dan voor je sessie.
Een heel mooie stille plek, zo voelt het. Bewegen in stilte, bewegen naar stilte. Je kijkt naar de woorden. Je kijkt naar het luisteren. (Hoe heerlijk is het, alleen maar luisteren.) Je voelt je dankbaar. Je zegt iets over de volle leegte.
Het laatste stuk van de conferentie. Het is boeiend, maar je bent moe. (Je zou zomaar kunnen wegdommelen, in die zachte zetel in de zaal.)
Die avond, werk inhalen. Daarna nog een late afwas. (Oei, de gasketel werkt niet, geen warm water. Niet nu! Niet nu! Je bent zo moe. De gasketelmeneer had je uitgelegd hoe je het probleem zelf kon oplossen. Je probeert, het lukt niet. Zucht.)
Een nieuwe dag. Je krijgt het bericht dat de gasketelmeneer langs zal komen.
Even in de vergadering, snel weer naar huis. Verder werken aan de vrijdagtekst.
De gasketelmeneer is er. (Wat de vorige dag niet lukte, lukt nu natuurlijk wel, zucht.) (Hij zegt niet dat je dom bent.)
Je haast je naar je afspraak. Je keek er erg naar uit om haar nog eens te zien. Zoals steeds bij haar vindt het gesprek zichzelf meteen. Ze vraagt iets over je woorden, over plek innemen. (Ze stelt altijd de juiste vragen.) Ze vertelt je iets. Je ziet haar zinnen, ziet alles. Je begrijpt iets, misschien voor het eerst. (Hoe een gesprek als een warm bad kan zijn.) Dankbaar.
Je werkt de vrijdagtekst af.
De vriendin die verantwoordelijk is voor je haarconcept komt langs. Het haar wordt identiteitskaartklaar gemaakt. Het is heerlijk bijpraten, zoals steeds. (Je ziet iets van jullie weg.) En de kinderen, hoe we het doen, hoe we ouder kunnen zijn, hoe we willen beschermen, en hoe niet.
(Je blijft drijven, denk je.)
Een volgende dag. Na de boodschappenronde vertrekken naar die andere stad, voor de vergadering. Een druk gesprek onderweg.
De vergadering verloopt goed. (Je kijkt rond, denkt: dit is mijn familie.) Het is jouw taak om het gesprek te omheinen, te laten bewegen. (Je probeert iets uit te leggen. Over een plek waar je staat, waar je wilt staan, over leven in waarheid.)
De terugreis. Een druk gesprek. Het is boeiend, daagt je uit, inspireert. Maar je bent ook moe, zou wat afwezigheid willen hebben.
Onderweg zoek je een beeld. Je ziet de witte bloemen in het gras. Ze hebben op je gewacht.
Na de afwas ga je nog even naar de vredeskerk, zoals je beloofd had, ook al ben je moe. Je hoort de Toccata en Fuga. (Die dans erbij hoeft voor jou niet, denk je.) Je kijkt naar de muziek, naar het slotakkoord. Je vertrekt, spreekt nog even met iemand. Het is goed geweest. Alleen nog stilte, hoop je. Iets mag loslaten, mag zich neerleggen.



.jpg)


