En de vakantie beweegt rustig verder.
(Soms kun je niet voorspellen wanneer een nacht onverwacht rusteloos zal zijn. Je neemt er akte van.)
Je ochtendafspraak wordt even uitgesteld.
Een warme dag. (Dat bezoekje dat is uitgesteld, misschien is het wel goed voor haar, dat het niet nu, niet net nu.)
Het boek is zo goed. (Zou je er iets over kunnen schrijven?)
Een andere dag. De ochtendafspraak. Alle ideeën in je hoofd. Het doet goed even daar te zijn, het laat je toch niet los.
(Een uitgestelde buik, of zoiets.)
Toch maar naar Brussel voor je afspraak. (Dat onweer is al terug verdwenen van je buienradar. Zou de buienradar soms ook niet verlangen naar rust?) Het is fijn om bij te praten met haar. Zoveel muziek. Je vertelt over dat filmpje, hoe zij op het podium staat, hoe ze hem niet los wil laten, hoe het je ontroerde. (Je bent een watje.)
(Je vraagt je af of het zo zou kunnen zijn. Het rustige alleen zijn, in je vakantie, of het ervoor zorgt dat alles intenser binnenkomt. Alles wat mooi is. Elke ontmoeting. Of je alles veel beter ziet, en voelt, elk detail. Misschien wel.)
Een vers boek.
En nog eens al je ideeën van de ochtend uitschrijven. (Daarna wordt iets rustig.)
Een nieuwe dag.
Nuttig ding van de dag: zoektocht naar aluinsteen. Gevonden! (Soms kan geluk erg overzichtelijk zijn.)
(En nog extra nuttige dingen, beetje marge opbouwen.)
De buurvrouw is aan het verhuizen, in etappes.
(Ze zijn daar ergens, allemaal. Je kunt hen zien, de landkaart in je hoofd.)
(De warmte van de voorbije weken maakte je moe, merk je.)
Een andere dag. Een gesprekje met de mevrouw aan de kassa. Of het goed gaat met haar. Ze antwoordt een beetje verlegen.
(Dat liedje blijft in je hoofd zitten.)
Even bijpraten met de vroegere buurvrouw. Er groeit een kindje in haar buik, je bent zo blij voor haar.
Op weg naar het noorden voor een bezoekje. (Elke treinreis is nu ook echt een reis, vertel je aan jezelf.) En overstappen op de bus. (Raar, hoe je nog altijd een beetje zenuwachtig wordt, naarmate je dichter bij je geboortedorp komt.) Je bent zo blij hen te zien. (Je hoort de muziek die je haar gaf voor haar verjaardag.) Verhalen over kinderen. (Het raakt je allemaal diep, merk je.) Je laat foto’s zien, en blinkt een beetje.
Terwijl je op de bus staat te wachten zie je ineens je vroegere buurjongen. Het is fijn hem nog eens te zien. (Om een of andere reden heb je zijn verjaardag onthouden, maar dat zeg je niet.)
(Terwijl de bus wegrijdt uit het dorp is het alsof je weer beter kunt ademen.) Je mist die ene trein, neemt de volgende. Verhalen. (Je weet niet altijd of je onderweg bent, of ondertussen ergens aangekomen, een plek.)
Het verhaal in de krant, over de gidsen die het niet meer willen doen, werken op Antarctica. Het ontroert je erg. (Je ziet een idee.)
Een nieuwe dag. Je verzamelt interessant nieuws, alsof het bijna een gewone vrijdag is. (Niet de vrijdagtekst, maar dat andere tekstje op vrijdag, je had het beloofd, dat het er elke week zou komen.)
Nog even een stuk lezen in het dikke boek over verlies. (Studeren mag in de voormiddag.)
Op het terras. Die ene plant die het bijna niet gehaald had. Teruggekeerd, naar een hier. Een nieuwe bloem laat zich zien. (Een geschenk.)
(Je denkt aan iemand. Iets raakt aan een verhaal, dat daar ergens huist. Je kijkt ernaar, laat het.)
Een lang telefoongesprek. Je bent zo blij haar te horen. Verhalen.
(Verhalen over kinderen. Ze raken je zo. Wat is dat toch deze week.)(Tranen tijdens het koken, altijd handig.)
Een nieuwe dag. De mevrouw in de winkel zegt dat het haar laatste dag is. Je zegt dat je haar zult missen. Ze zegt dat ze jou ook zal missen. (Je weet niet of je nu iets zou moeten doen. Het is goed zo, denk je.)
Verhalen over een zonsverduistering die nakend is. Ze brengen je naar toen, die zomer met de zonsverduistering. Dit moment van het jaar brengt het altijd al een beetje terug, maar nu nog meer.
(Je denkt aan iemand, alsof je al weet dat ze zal komen, spoedig.)
Je begint in een vers boek. (Het brengt je dicht bij je zus, voel je.) Je krijgt bezoek. (De kosmos is al enkele dagen iets met je van plan, denk je.) Een heel mooi gesprek, dat je erg ontroert.
(De kindplek.)
Je leest nog wat verder in het boek. (Het is het juiste boek op het juiste moment, denk je, over moeders en dochters, en verhalen.) Je kijkt.






