20 september 2026

Samen


Een nieuwe week. (Je probeert een week in je hoofd te zien.)

Alle andere dingen snel afwerken. Zo is er even tijd om je opiniestuk te schrijven. (Het zal wel niet zo sexy zijn, zoals gewoonlijk. Het zal wel weer te moeilijk of te genuanceerd zijn. Het is belangrijk, denk je.) Je stuurt het die avond nog door.

Echt? Kerstfilms? Nu al? (Een kleine portie elk jaar, het moet kunnen. Net iets meer dan je zou willen, het moet kunnen. Maar nu al? Zucht.)

Een verse dag. De vergadering. Jullie krijgen beelden te zien van de grote tentoonstelling die zal komen. Heel mooi, denk je.

Een vriend komt je helpen met het installeren van die nieuwe telefoon. Met zijn hulp komt het stap voor stap goed. Spannend is het wel. (Je moet de hele tijd voorkeuren aangeven voor dingen waarvan je niet eens wist dat je er een of andere voorkeur voor kon hebben. Het apparaat doet er lang over om de specifieke kenmerken van je duim in zich op te nemen. Misschien heb je een verwarde duim.)

Een nieuwe dag. Je geeft de namenlijst voor de vergadering aan de mevrouw aan het onthaal. Ze kijkt je lang en diep aan, zoals gewoonlijk.

De eerste vergadering. De tweede vergadering. Nieuwe records, qua snelle en korte vergadering. (Ook dit advies zal ongetwijfeld tot diepgaande maatschappelijke veranderingen leiden. Misschien.)

Ja, het stuk zal gepubliceerd worden, hoor je. (Jippie.)

Op tijd naar huis, om snel weer te kunnen vertrekken. In de trein bereid je het panelgesprek nog verder voor. Je bent goed op tijd daar. De andere gasten zijn er al.

Voor het begint, een soundcheck in de zaal. Je zet je radiostem op. De meneer van het geluid zegt dat hij bij jou een beetje bas weg zal nemen en bij de andere moderator een beetje bas bij zal geven. (Waarom maakt je dat een klein beetje verdrietig?) Net voor het begint. Iemand vraagt wie je bent. Je zegt je naam. De mevrouw is blijkbaar blij met het antwoord. Waarna ze zegt dat je wel vermagerd bent. (Waarvan akte.)

Het laatste gesprekje op het podium is voor jou. Iets over samen. Je bedenkt nog een vraag voor je panelleden waarmee je hen een klein beetje kunt verrassen. Ze antwoorden zo mooi. (Je bent wel blij en trots dat je al zoveel jaar bij dit fijne clubje bent, denk je.)

De volgende dag. Niet vergeten iemand gelukkige verjaardag te wensen.

Iemand vraagt je of je dat hemd met strategische bedoelingen aan hebt.

De bijzondere bijeenkomst. Een heel boeiend gesprek in de kleine sessie. In de plenaire sessie komen mensen je vertellen dat ze je tekst al gekregen hebben en hem zeer goed vinden. Veel gesprekjes tijdens het netwerkmoment. (Hoe kun je zo gracieus mogelijk je bord vasthouden, eten, en een gesprek voeren over de georganiseerde aanval op het kritische middenveld? Er bestaan misschien opleidingen voor…)

Een nieuwe dag. Daar staat je tekst op het scherm. (Toch altijd een klein beetje leuk.)

De vrijdagtekst afwerken. En nog al die dingen op het inhaallijstje.

Een overleg. Iets waarvan je hoopte dat het zou komen, zal er komen. Dat alleen al ontroert je.

Op weg naar huis. Er hangt een verdriet over je huid. Je kijkt.

Nog even langs de boekhandel voor een cadeautje.

Je bent moe, maar je werkt die avond je lijstje nog af. Het weekend mag komen.

Weer een dag. Nog enkele laatste dingen voor je nieuwe telefoon. (Je hebt het toch maar gedaan, denk je.)

Naar Brussel voor de vergadering. Je luistert aandachtig naar de uiteenzetting. (Waarom is het voor sommige mensen zo moeilijk om gewoon te wachten tot iemand klaar is met een verhaal voor ze hun vraag willen stellen?)

Naar Mechelen voor het event. Veel gesprekjes met mooie mensen. (Het is je familie. Je hebt ze zien veranderen, en je bent er nog altijd. Een rivier om te blijven.)

Gesprekken over hoop. Over hoe je het vol kunt houden. Over verdriet. (Dit is het, denk je.)

Je wilt op tijd weer thuis zijn. Op weg naar het station blijf je even staan kijken naar de wind in die grote planten. Als een dans. Het treinverkeer is stilgelegd hoor je. Je wandelt naar het grote station. Uiteindelijk kom je met een grote omweg thuis aan.

Een nieuwe dag. Even alleen zijn met de kranten, je zult veel onderweg zijn. Even alleen zijn, je hebt het nodig, denk je.

Je loopt door de regen naar die bijzondere plek. Mensen stellen hun kraampje op. Anderen zitten al helemaal klaar in de tent. Een lang en mooi gesprek. (Je zou haar iets willen vragen, maar doet het niet.) Je neemt je voor om te vertrekken, zodat je nog wat zou kunnen poetsen thuis. De gesprekjes komen evenwel zomaar naar je toe.

Na de middag. Zoveel mensen op de fiets, helemaal rond de stad. Het ontroert je zo intens, onverwacht, om die papa’s en mama’s te zien die naast die kleine fietsers geduldig en trots door de massa bewegen, steeds klaar voor iets dat onverwacht zou kunnen gebeuren. Die kleine meisjes en jongetjes op hun fietsjes. Ze lijken zo blij, zo fier. (Je smelt.)

En nog een keer langs de markt. Nog gesprekjes. En dan eindelijk naar huis, voor het zondaggevoel. Je leest nog een stuk in dat bijzondere boek. Het gaat over pijn. En het is zo juist, wat er staat.

Het is.

 

11 september 2026

Een fuga in g


Een zeer gevulde week dient zich aan. Je zult je goed moeten concentreren.

(Vakjes naast elkaar in je hoofd, of stapeltjes, het maakt niet uit. Netjes van het ene naar het andere, dat is het plan.)

De eerste vergadering. Ze hebben het over de tekst die je schreef. Ze vinden hem eigenlijk wel goed, zo blijkt. Je moet nog enkele kleine aanpassingen doen.

(Zouden die pakjes onderweg zijn? Je bent niet goed in pakjes die onderweg zijn.)

Op weg naar huis probeer je enigszins in een boog omheen de drukte in de stad te lopen. (Je hebt geen aanleg voor jaarmarkten.)

De aanpassingen voor het ene advies verwerken. Beginnen met schrijven aan het andere advies. (In je hoofd zie je de tekst al, min of meer.)

Een volgende dag. Vroeg beginnen. Om zo snel mogelijk verder te kunnen werken aan het tweede advies. (Tekstonrust. Een fenomeen van lichamelijke onrust als een tekst in de maak is. Verdwijnt pas wanneer de tekst zich neerlegt in zichzelf.)

Je krijgt een bericht dat het eerste pakje geleverd zal worden, tussen dat en dat uur. Tien minuten eerder belt de postmeneer aan je deur. (Je doet de doos nog niet open, die nieuwe telefoon wacht nog wel even op je.)

De namiddagvergadering die je mag voorzitten. (Je bent helemaal voorbereid.) Die vergadering maakt je steeds gelukkig. Je kijkt rond, luistert naar de verhalen, je bent trots. Zoals steeds heel goed op tijd klaar. Het is zo fijn te zien hoe ze allemaal nog even langsgaan bij elkaar om bij te praten.

Buiten, een onverwachte ontmoeting. Je bent blij haar te zien. (Misschien ben je een beetje verlegen.)

De meneer in de telefoonwinkel helpt je met dat ding dat nog moest gebeuren.

Je loopt traag naar huis. (Een beetje moe, van de concentratie. Je probeert even niet te denken aan de volgende vakjes in je hoofd.)

Je maakt die avond al maar meteen het verslag van die middag, werkt alle puntjes af, zodat het weg kan uit je hoofd.

(Een tragere nacht.)

Een nieuwe dag.

(Je begrijpt niets van die berichtjes over dat andere pakje dat onderweg zou zijn. Moet je het nu ophalen of komt het naar je huis? Je probeert meer te weten te komen, maar het virtuele wezen dat op je vragen antwoordt zegt dingen die het nog moeilijker maken.)

(Pakjesonrust.)

Het overleg bij de minister. Alles is netjes voorbereid. Hij doet zijn best om goed te antwoorden op alle vragen. Je kijkt naar het gesprek, hoe de vragen bewegen. Ze zijn tevreden, denk je.

Je stuurt het tweede advies weg. (Je mag even dat vakje verlaten.)

Op weg naar huis. (Zou dit de plek zijn waar je je pakje zou moeten ophalen als je het moet ophalen? Er stond toch dat het onderweg is naar jou thuis?)

De avondvergadering. Een merkwaardige, vervelende discussie. (Je begrijpt hen niet. Waarom doen ze het?)

Een volgende dag. Al snel zal duidelijk worden wat er de vorige avond aan het gebeuren was in de vergadering. (Je bent kwaad.)

De belangrijke vergadering. Ze staat al maanden in je agenda, jij moet het verslag maken. Je collega heeft vrij. Een onverwachte openingsvraag voor alle aanwezigen, hoe ze zich gevoeld hebben in die hete zomer. De antwoorden ontroeren je. Je weet niet heel zeker hoeveel je mag zeggen. Je vertelt toch maar. Je kijkt naar de vergadering, hoe ze beweegt, probeert alle details te zien.

Na de andere vergadering in de namiddag zoveel mogelijk proberen in te halen nog.

Op weg naar huis. Dus toch maar naar die winkel gaan voor je pakje. De vriendelijke meneer moet even zoeken. Je kijkt rond naar alle wonderlijke voedingsmiddelen in de winkel. Je verontschuldigt je dat je niet een dag eerder bent gekomen (omdat je dacht dat het pakje naar jou toe zou komen.) (Je bent geen pakjesmens, denk je.)

Weer thuis, een beetje moe. Je lichaam is klaar om door iets anders gevuld te worden, het mag worden overgenomen door schoonheid, denk je.

Je vertrekt naar het concert. Je zult wel een beetje te vroeg zijn, zoals steeds.

De stoelen staan dicht bij elkaar, rond het orgel. Er is maar plaats voor weinig mensen. Je kijkt naar het orgel. (De rest van de dag is al uit je lichaam aan het verdwijnen.)

Hij is nog zo jong, de organist. Hij zal vijf stukken van Bach spelen, vertelt er telkens een heel verhaal bij. (Je verdwijnt langzaam in iets.) Het is zo anders, nu je zo dicht bij het orgel bent, niet daar beneden in de kerk. Je ziet de materialiteit van het instrument, van het spelen, en daarboven is de muziek. Je ziet de partituur. (Wat zag Bach in zijn hoofd? Kon hij de muziek zien?) De fuga in g, waarmee hij afsluit. Hij speelt zo licht, zo helder. Je voelt de tranen komen. (Je ziet de muziek.)

Traag loop je weer naar huis. (Je was daar waar je wilde zijn.)

En een andere dag. Je collega is weer terug, je bent blij hem te zien.

(Hoe zou het met haar zijn, je stuurt haar een berichtje.)

Je krijgt een bericht. Een nieuw kindje is geboren, je bent zo blij.

De vrijdagtekst. Het vrijdagstuk.

Voor het weekend begint wil je het verslag van die vergadering van de vorige dag klaar hebben.

Het lukt net. En je haalt je normale trein ook nog net. (Je bent moe.).

Het mag zacht nu, denk je.

05 september 2026

Here I Am


Een nieuwe week. Je bent nog onder de indruk van de fietsactie de vorige dag. Tussen zoveel anderen, iets over kwetsbaarheid. Hoe de dochter vertelde over haar moeder die er niet meer is.

Je krijgt bericht van de krant. Het zal niet lukken voor je opiniestuk. Dan maar een andere weg. Je zoekt een foto en laat het zelf vertrekken. Iets over rouwen. Al heel snel krijg je een reactie van iemand die je zeer dierbaar is. Laten we iets doen, zegt ze. Ja, laten we iets doen.

Je hebt een nulversie te maken. (Iets als een tekst die er wel en toch niet is.) Je bouwt de tekst op, als zorgvuldig uitspreiden van woorden. Er staat een tekst, denk je. (De tekst zal vanaf nu bewegen in het huis, waarschijnlijk.)

Weer thuis. Je krijgt een mooi bericht. Het raakt iets in je, een plek die er nog is, denk je. (Straks eerst al het andere, en dan traag antwoorden, denk je.)

Ja, traag antwoorden. Dat wat je haar al een tijd wou zeggen. (Misschien was je verlegen.) Het mag, denk je. (Het leven is te kort.)

Een andere dag. Je laat je tekst ook via een ander kanaal vertrekken. De tekst mag zelf bewegen nu, denk je.

Je bent blij met het bericht dat je krijgt. (Iets mag.)

Je werkt de nulversie af, de tekst mag weg. (Een tekst is een plek.)

Die avond, op weg naar de vergadering. (Je bent er nog, zeg je.) De trein blijft net voor de bestemming nog een half uur staan. Door het raam zie je een bos, het is zo rustig, je verdwijnt even.

Je ziet iemand die je al lang niet meer zag tijdens de vergadering. Je bent zo blij haar te zien.

Een volgende dag. (Je bent een klein beetje zenuwachtig voor wat de dag gaat brengen.)

Je probeert nog zo snel mogelijk alle dingen te doen die je zou moeten doen, voor jullie straks samen op stap gaan. Die agenda die je gisteren al buiten had willen hebben. (Ze zullen wel niet al te kwaad zijn, het is nog altijd een week.)

Je sluit aan bij de collega’s voor het bezoek aan het museum. (Eigenlijk had je niet veel tijd, niet veel zin, zit je met je hoofd al bij dat bezoek van later op de dag. Maar eens je er bent, is het goed.) Het is al lang geleden dat je nog eens in dit museum was. Je kijkt ernaar uit om die oude meesters nog eens te zien. Het is zo mooi geworden. Je verdwijnt een beetje in de schilderijen. Je denkt aan dat mooie gedicht van W.H. Auden. Het schilderij waar hij het over heeft is blijkbaar in restauratie, maar je kunt het denken.

Vroeger naar huis, een kaartje schrijven, en dan weer vertrekken. Je fietst de berg op. (De berg zit ergens in je lichaam, denk je.) Een tocht door de gangen, van straat naar poort naar hospitalisatie naar kamer. Daar zit ze. (Je was nog niet in dit stuk van het ziekenhuis in een kamer geweest, denk je. Toen jij hier lag, zoveel jaar geleden, was dit gebouw er nog niet. Je was er wel bij, toen zij haar eerste chemo kreeg. Het leek toen te blijven, het is weer nu geworden.) Een heel mooi traag gesprek. Zonder omtrekkende bewegingen. (Dit is het, blijf in dit nu, zeg alles wat je wilde zeggen, denk je.) Het raakt je diep. (Kanker is een kloteziekte.) En iets is als een geschenk, denk je, dat dit gesprek er mag zijn. (Klein en nederig.) Je hebt gelukkig die mooie foto kunnen maken, met haar.

Je fietst zwaarder de berg weer af. (Gelukkig moet je niet stijgen bij de terugkeer, denk je.) Die avond bel je nog met een vriendin, om haar alles te vertellen. Jij was ook bij me, zeg je. (Het was zo.)

Een nieuwe dag. (Je lichaam draagt de zwaarte nog.) Ze stuurt je een mooi bericht, je stuurt haar de foto.

Napraten met de collega’s over het museumbezoek. Je legt uit dat je nog steeds niet echt into Rubens bent. Je collega legt je uit dat dat komt omdat jouw type een ander type is. (Daar had je nog nooit over nagedacht. Je wist niet eens dat je een type had. Maar alle informatie is natuurlijk nuttig, in het kader van de zelfopvoeding.) Je denkt dat het toch iets anders is, zeg je.

Je ziet een mooi bericht vertrekken, over de rouw. (Het is nu echt begonnen, denk je, het beweegt. Je bent haar dankbaar.)

De vergadering. Het heeft iets surrealistisch, denk je, hoe je collega daar op het scherm zijn best doet om op alle vragen te antwoorden.

Nog een vergadering. Je probeert een strategie te zien.

Die namiddag. Je bent nog op tijd voor haar masterproef. Je hebt je zo gehaast. (Je moest weer de berg op, maar wel eerder afdraaien.) Helemaal bezweet. In de gang nog even praten met iemand die je kent uit een vorig leven. Het concert begint. Het ontroert je erg. Je bent zo blij voor haar, hoe ze het allemaal gedaan heeft, op haar manier. (Je ziet iets van Bach.) Je moet nadien snel weer weg, het voelt een beetje onbeleefd.

Op tijd weer vertrekken thuis die avond. Met een vriendin naar het concert in Brussel. Het is de ‘farewell tour’. Een mooie plek, vooraan. De mevrouw naast je zegt je dat ze mogelijk haar hoofd op je schouder zal leggen, maar dat dat enkel is om straks de muzikant met de mandoline beter te kunnen zien. Alles is goed, zeg je, je kunt alles hebben. De zanger in het voorprogramma legt uitgebreid uit hoeveel de zangeres die later komt voor hem betekent. Ineens komt ze het podium op om tweede stem te zingen bij een van zijn liedjes. Nadien lopen de tranen over zijn wangen. En dan komt zij. Here I Am, zo begint ze. Het is zo bijzonder, hoe ze daar staat. Ze lijkt zo kwetsbaar. Er is een tijdje een of ander technisch probleem dat haar onrustig maakt, daarna ontspant ze. Ze lijkt echt in het moment te zijn, laat zich dragen door de zaal. Wat een mooi vaarwel.

Een nieuwe dag. De vrijdagtekst.

Je denkt aan iemand, stuurt haar een bericht.

De poetsmevrouw vertelt je nog eens hoe blij ze is dat ze op die plek mag werken. Het is er zo rustig altijd, en jullie zijn zo vriendelijk, zegt ze.

Een vergadering. (Meer mensen dan je had verwacht.) Een overleg. (Zo fijn dat je idee zal uitgevoerd worden.) De trein. Een overleg. Je bent blij haar weer te zien, je kijkt. (Alle dingen voor de vergadering van volgende week zitten in je hoofd nu.)

Op weg naar huis. (Wees dapper Jean, doe het.) Je stapt de telefoonwinkel binnen. (Drie dingen die op je lijstje stonden.)

Ergens in de nacht is het alsof iemand je in de matras duwt, met veel gewicht.

Een nieuwe dag. Na de boodschappenronde een inhaaldag. Een lang lijstje met dingen die je nog moest doen. Het lukt bijna helemaal.

Je krijgt een mooi bericht.

Op de muur bij het raam van je werkkamer staat in het groot een mooie boodschap. Je wordt met de lach leuker. (Een geschenk.)

01 september 2026

Mogen we nog rouwen om deze heetste zomer, of is het nu weer business as usual?


En wat nu? Zullen we na deze hete zomer, die nog niet eens voorbij is, weer zo snel mogelijk proberen over te gaan tot de orde van de dag? Alsof al dat verlies niet meer was dan ‘de prijs die we moeten betalen voor onze welvaart’? Zullen we zeggen dat mensen gewoon het hoofd koel moeten houden en terwijl dan maar even de weergoden moeten aanroepen terwijl ze bij hun barbecue een glas bier drinken waarop niet staat hoe gevaarlijk alcohol is? Zal dat dan alles zijn? Zullen we zoveel verlies negeren, en zo de weg bereiden naar nog meer maatschappelijke ontwrichting?

Het wordt voor ons land waarschijnlijk de heetste zomer ooit. Met een impact die nooit eerder gezien is. De volgende zomer zou mogelijk nog heter worden, zo wordt nu al gezegd. En vergeleken met wat landen als bv. India meemaken met veel hogere temperaturen, zijn we nog bij de gelukkigen. De publieke diensten hebben hier alles zo goed mogelijk opgevangen, maar zij zijn ontworpen in en voor een ander klimaat. Maar laten we niet vergeten dat er echt wel veel gebeurd is. Ondanks eindeloos veel oproepen van burgers, middenveldorganisaties, wetenschappers en allerlei opiniestukken was dit voor onze regeringen de zomer van het grote zwijgen. Ministers kwamen niet terug uit vakantie. Er kwam geen spoedvergadering. Een parlementsvoorzitter vond het klimaatthema niet belangrijk genoeg voor een urgentiedebat. Dat betekent ook dat eindeloos veel lijden en verdriet niet erkend worden en dat erg veel mensen zich in de steek gelaten voelen, net op een moment dat er nood is aan verbondenheid. Velen hoopten een signaal te krijgen van ‘dit is het, dit is de klimaatontwrichting, en we gaan het samen aanpakken, ook als het moeilijk is’. In plaats daarvan kregen ze een signaal van zwijgen of zelfs het ridiculiseren van hun oprechte betrokkenheid.

De zomer van het grote zwijgen was in veel opzichten een gemiste kans. Of je het nu eens bent of niet met de genomen beslissingen, als het over het pensioendebat gaat, zien we regeringen die minstens een poging doen om de bevolking mee te nemen op een mogelijk moeilijke weg en dat ook met zoveel woorden zeggen. Niets van dat als het over het urgente klimaatbeleid gaat. Misschien hopen onze regeringsleiders erop dat iedereen snel alles vergeet, zodat ze binnen enkele weken opnieuw kunnen pleiten voor de verdere afbouw van de Europese duurzaamheidsambities. Alsof er niets gebeurd is.

In een normaal land zou men in het najaar een moment van nationale rouw voorzien, als een collectief ritueel dat ons kan helpen om met open ogen te kijken naar zoveel verlies. Er waren duizenden extra hittedoden, BelgiĆ« stond bovenaan de lijst. Zoveel mensen verloren hun geliefden. Zoveel hulpverleners gingen over hun grenzen om in ziekenhuizen de toestroom op te vangen. Hulpdiensten kwamen uit bij intrieste situaties van zoveel mensen die thuis alleen waren gestorven in de verzengende hitte. Er was een gigantisch verlies aan kostbare natuur. Dat wat zowat de natste plek van ons land zou moeten zijn kan afbranden, is verbijsterend. Zoveel dieren gestorven. Brandweermensen die het onmogelijke deden. Heel veel vrijwilligers die hielpen waar ze konden. Eindeloos veel mensen die een intens verdriet voelden. En dan nog zoveel mensen die ’s nachts wakker werden en voelden dat ze niet konden ademen. Zoveel ouders die zich zorgen maakten over hun kinderen, die ze onvoldoende kunnen beschermen tegen wat er op hen afkomt.

Waarom is het zo moeilijk om zoveel lijden deemoedig onder ogen te zien? Vanaf hoeveel doden en vanaf hoeveel hectaren vernietigde natuur wil men toegeven dat er een noodsituatie is, dat vraag je je wel eens af. Hoe moeilijk ook, dit moment is een uitnodiging om samen te rouwen voor zoveel verlies, wetend dat een groot deel van dat verlies had kunnen voorkomen worden, en wetend dat we nog altijd de mogelijkheid hebben om veel toekomstig verlies te vermijden. Wie een diep verdriet voelt (naast verontwaardiging) geeft er eigenlijk vooral blijk van heel normaal te zijn. De pijn en het verdriet die we voelen zijn er het bewijs van dat we als mens geen ‘afgescheiden’ wezens zijn, maar integendeel diep verbonden met al het andere leven.

Vandaar dus het voorstel om iets als een dag of week van nationale rouw te organiseren voor al het verlies en lijden van deze heetste zomer. Samen met de verschillende overheden, het middenveld, scholen, burgers die iets willen doen. Er zijn 101 manieren om dat op een creatieve en verbindende manier te doen. Een moment voor wie er niet meer is, voor de levende natuur waar we een deel van zijn. Een moment voor zoveel mensen die meer dan het beste van zichzelf hebben gegeven de voorbije weken om anderen te beschermen of te redden. Een moment waarin we ons verdriet kunnen delen met elkaar, waarna we weer verder kunnen, in verbondenheid.

Rouwen komt uitdrukkelijk niet in de plaats van versterkte klimaatactie, integendeel zelfs. Het kan net een opstap zijn om er opnieuw, met meer gedragenheid aan te beginnen. Rouwen is een manier om terug naar het leven te komen. Onze regeringsverantwoordelijken hebben er alle belang bij om nu aan hun burgers een heel ander signaal te geven dan dat van het grote zwijgen. Bij de burgers is er een veel groter draagvlak dan veel politici vermoeden voor een ambitieus klimaatbeleid dat weer perspectief kan geven op een waardig leven binnen de planetaire grenzen. Dat draagvlak miskennen is mensen nog verder wegduwen, in de richting van extremen. Zoveel mensen willen deel zijn van de oplossing. Maar om samen vooruit te komen, zouden we ook moeten durven erkennen wat we de voorbije zomer verloren hebben. Zo kunnen we iets helen en kunnen we beter handelen voor alles wat er nog wel is.

En wat mij betreft mag zo’n moment van rouw ook een opstapje zijn naar verdere reflectie. De klimaatontwrichting heeft veel te maken met het nastreven van een levensstijl en welvaartsmodel die niet passen binnen de planetaire grenzen. Die waarheid beginnen aanvaarden is misschien wel de belangrijkste vorm van adaptatie die we als maatschappij nodig hebben nu. Dat zou ook een vorm van rouwen kunnen betekenen voor sommigen. Iets loslaten om iets anders te winnen: iets dat met hoop te maken heeft.

Jan Mertens, voorzitter Oikos, Denktank voor sociaal-ecologische verandering

 

Photo by Agustin Fernandez on Unsplash

 

29 augustus 2026

Watermeloen


Terug. De vakantie is voorbij. Weer op weg naar de trein. (Je sprong gezwind uit bed.)

De plek daar is blij dat je terug bent. De planten vertellen het. De poetsmevrouw is ook blij dat je er weer bent.

Lijstje met in te halen dingen. (Het gaat iets trager dan je had gehoopt.)

(Ander ritme zoeken, terug.)

Het licht is anders, weer. (De toetsen zijn zacht, alsof je je woorden op het scherm fluistert.)

De trein terug. De mevrouw bij de deur is lichtjes in paniek. Ze had moeten uitstappen, maar was net te laat. Ze heeft een beperking, legt ze uit. Ze zal dus mee moeten tot in Leuven. Je stelt haar gerust, het is niet lang. Je zoekt de verbindingen op voor haar, zodat ze zo snel mogelijk weer in Brussel kan zijn. Ze bedankt je omdat je haar zo snel weer gekalmeerd hebt. Die ene verbinding nog halen zal moeilijk zijn, zeg je. (Ze zou op twee minuten naar een ander perron moeten gaan.) Ze kijkt je guitig aan en zegt dat ze soms zo snel is als Lara Croft. En soms dus niet. Voor de volgende verbinding heeft ze nog een kleine vijftien minuten. Je helpt haar uit de trein, en wijst waar de lift is. Bijna had je ‘dag Lara Croft’ gezegd, maar je durft het niet.

De vergadering, op het scherm. Je hebt alles netjes voorbereid. Een boeiend gesprek. (Op een of andere manier geef je soms aanleiding tot mansplaining, zo blijkt weer. Iets met naĆÆef zijn of zo.)

(De nacht hapert een beetje, je lijf is nog niet in het andere ritme.)

Een nieuwe dag. De meneer van de krantenwinkel is blij je te zien, zoals elke week.

Een rustige dag, met een lijstje.

De vergadering, op het scherm. Je ben blij haar weer eens te zien. Het is mooi hoe ernstig ze altijd is, op een rustige manier. En dat mooie accent in haar Nederlands.

In je hoofd begin je de tekst al een beetje te zien.

Op weg terug. Of je iets zou willen lezen. Ja natuurlijk. Het is zo mooi, ontroert je zo. (Zo bijzonder dat je dat mocht doen, denk je.)

(En je ziet weer, dat wat er niet is. Bij jou. En het is goed.)

De laatste afleveringen van die serie, mooi hoe de verhalen in elkaar geschoven worden.

Een nieuwe dag. De meneer met de fiets in de trein vertelt dat hij gaat babysitten bij zijn kleinkinderen. Je bent blij voor hem.

De poetsmevrouw vertelt je over wat er allemaal mis gaat op haar andere werkplek. Hoe hard ze daar moet werken. Ze heeft er buikpijn van gekregen en heeft een kop thee gemaakt. Je begrijpt niet alles wat ze zegt helemaal, maar probeert het je voor te stellen. (Hopelijk is dit een plekje van rust voor haar, denk je.)

De vergadering, op het scherm. Je collega klinkt bitter. Je begrijpt zijn frustratie.

(Je buik wil je iets over de nacht zeggen.)

Een andere dag. Ze zijn er weer allemaal.

De nota waar je zo lang aan had gewerkt. (Elke stap had je uitgelegd.) Een lange discussie. Toch maar en andere strategie, zo blijkt. (Iets begrijp je, iets niet. Het is.)

Verhalen.

(Je denkt aan iemand.)

Een nieuwe dag. Even langs die maandelijkse vergadering. Je bent er maar voor ƩƩn punt.

Onderweg. Iets zit in je hoofd, misschien moet je er straks een opiniestuk over schrijven.

De vrijdagtekst, de dingen zijn weer terug. Je puzzelt de tekst in elkaar, in een lange beweging

De wekelijkse plantenronde is ook weer terug. De planten vertellen je dingen.

Dus toch maar een opiniestuk schrijven, snel nog. (Het zal wel weer niet sexy of scherp genoeg zijn. Het zal wel weer te soft of te genuanceerd zijn. En toch vind je het belangrijk, al zal het geen kans maken. Waarom is het zo moeilijk om samen het lijden en het verlies onder ogen te zien?)

Ook die mysterieuze mevrouw in de trein is terug.

Weer thuis, je hoort veel stemmen buiten. Alle buren zijn weer terug. De buurmeisjes zijn zo blij om elkaar weer te zien, ze lopen achter elkaar rondjes.

(Het andere ritme zoekt nog een plek in je lichaam.)

Een nieuwe dag. De boodschappenronde.

Op de markt zie je een bord met ‘super zoete mini watermeloen van Hoogstraten’. Na de aardbeien zijn er in je geboortedorp nu dus ook watermeloenen. Die had je niet zien komen. (Op een of andere manier lijkt dat wat te wulps of zo.)

Je spreekt de mevrouw in de winkel met haar naam aan. Laura. Toen ze vorige keer haar naam zei, begon je iets te zeggen over Petrarca en zijn Laura. (Waarna je al meteen dacht dat dat wel belachelijk zou overkomen. Waarna je meteen begon te twijfelen, of het wel Laura was, bij Petrarca.) Dag Laura. En ze kent jouw naam ook nog.

De buurvrouw vraagt of je haar kunt helpen met het slot. Je probeert een paar dingen, maar het lijkt niet echt te helpen. Ze is aan het verhuizen, al enkele weken, dit is het laatste weekend. Je vraagt hoe het met de poes is. Die lijkt al enkele weken in de war te zijn, loopt een beetje droef rond buiten. Ze is bang, zegt ze.

Je past nog enkele dingen aan, en dan vertrekt de tekst naar de krant. (Het wordt zeker niets, maar je hebt dan toch geprobeerd. Een mens moet toch iets.)

Je krijgt een telefoon die je verdrietig maakt. Het is een mooi gesprek ook, tegelijk. Een gesprek over een gesprek dat nog komt. (Iemand zou je mogen troosten.)

Je zit te lezen op het terras, met de regen naast je. Je kijkt naar de bloemen.

 

23 augustus 2026

You Won't Get Free of It


Verhalen van moeders en dochters. Dat is de ondertitel van het boek. Misschien zijn het ook verhalen over verhalen. Hoe verhalen ons uit balans brengen. Hoe we voor onszelf verhalen maken die ons beschermen tegen een te ingewikkelde werkelijkheid. Zonder de verhalen lijken sommige mensen misschien raar, gekwetst in hun geestelijke gezondheid. Met de verhalen erbij kun je ook andere lijnen zien. En misschien ook verschillende perspectieven. Het indrukwekkende en aangrijpende You Won’t Get Free of It (vertaald als: Onverbreekbaar) van de Amerikaanse Rachel Aviv kruipt onder je huid. Afzonderlijke teksten krijgen tijdens het lezen een onderling verband. En dat zijn perspectieven van moeders en dochters.

Het boek bevat zes essays die eerder al waren verschenen in de New Yorker, waar Aviv een ‘staff writer’ is. Aan die zes teksten is een speciale inleiding toegevoegd waarin Aviv vertelt over haar eigen relatie met haar moeder. Die inleiding voegt echt iets toe aan het geheel. Je begrijpt iets beter waarom de auteur die onderwerpen heeft gekozen voor haar reportages. En het zorgt ook voor een soort universele laag over dynamieken tussen moeders en dochters en de verhalen die daarbij een rol spelen om werkelijkheden te vatten of te ordenen. Aviv vertelt hoe ze de zes oorspronkelijke stukken opnieuw is gaan lezen en bewerken, wat ze normaal nooit doet na publicatie. In een aantal gevallen kon ze nieuwe elementen toevoegen over wat er met de personen die ze beschrijft is gebeurd. En ze merkt ook dat haar eigen perspectief is veranderd nu ze zelf een moeder is. De stukken waren vooral geschreven met een onderliggend perspectief van een dochter. In haar eigen ervaring is er nu een perspectief bij gekomen. Ze merkt dat ze sommige vragen niet stelde of sommige antwoorden niet oppikte, hoewel die misschien wel heel relevante sleutelelementen bevatten. Aviv zegt dat ze houdt van verhalen met een instabiel perspectief. En alles wat te maken heeft met de complexe dynamiek tussen moeders en dochters valt zeker in dat kader.

In het eerste verhaal gaat het over een jonge vrouw die af en toe een ‘dissociatieve fugue’ krijgt. (In de verschillende essays gaat het vaak over vormen van dissociatie.) Ineens lijkt ze dan in een andere werkelijkheid te leven, is ze alles van haar (normale) leven vergeten. Na een tijd komt ze terug, en stapt ze weer in het leven zoals dat er was voor ze verdween. De geschiedenis van haar ouders levert enkele belangrijke inzichten die kunnen verklaren wat er met haar gebeurd is.

Daarna komt er het verhaal van de bekende professor Elizabeth Loftus. Zij was jarenlang een toonaangevende stem in de psychologische wetenschap, met haar onderzoek naar het geheugen. Ze legde er veel nadruk op dat herinneringen reconstructies zijn, een bewegende en levende realiteit. Ze getuigde vaak in processen ter verdediging van mensen zoals Harvey Weinstein of Michael Jackson, om beschuldigingen tegen die beklaagden te ontkrachten. Ze bleef al die jaren met grote stelligheid op haar positie. Maar ook hier werpt haar eigen geschiedenis van de relatie met haar moeder een nieuw licht op wat ze al die tijd gedaan heeft.

Het volgende verhaal gaat over een vrouw die na haar ontslag uit een psychiatrische kliniek verdween en maanden overleefde in een leegstaande woning. Ze had altijd ontkend dat ze een psychisch probleem had (bipolariteit), wilde niet in de categorieƫn passen. Ze trok zich terug in haar eigen verhaal.

Daarna komt er een verhaal dat een wat ander onderwerp heeft als de andere. Het gaat over een vrouw die vanuit de Filipijnen vertrekt om te gaan werken als nanny in de VS om zo geld te kunnen opsturen naar haar grote gezin. Het verhaal laat op schrijnende wijze zien hoe vervreemdend de complexe rollen door die ene persoon heen bewegen. Haar eigen kinderen zijn ver weg en de kinderen voor wie ze zorgt lijken soms zo ongeveer haar kinderen te zijn geworden.

Dan komt er een fascinerend verhaal over een vrouw die jarenlang lijkt te verdwijnen in wat men schizofrenie noemde. Op een bepaald moment komt er, als gevolg van een kankerdiagnose, onverwacht een vrij drastische verandering in haar toestand. Ze krijgt als het ware een tweede leven, maar dat is meteen ook verheugend en verwarrend voor haar kinderen die nu ineens dezelfde en ook andere moeder hebben.

Het laatste stuk in het boek, met dezelfde titel als het hele boek, is het langste en ook meest indrukwekkende. Het gaat over de wereldberoemde Alice Munro, die erg bekend werd met haar korte verhalen. Na de scheiding van haar eerste man, de vader van haar drie dochters, gaat ze samenwonen met een andere man. Tijdens een zomervakantie is er een ernstig geval van seksueel grensoverschrijdend gedrag van die man ten aanzien van de jongste dochter van Munro. Wanneer het verhaal uitkomt, zal Munro uiteindelijk terugkeren naar die man en nog vele jaren met hem doorbrengen. De jongste dochter verbreekt het contact met haar moeder en uiteindelijk ook met haar twee zussen. Munro duwt het verhaal van haar dochter weg maar  blijkt dan wel elementen van wat er gebeurde te gebruiken in haar literaire verhalen, wat het trauma voor de dochter enkel nog vergroot. Wanneer het verhaal publiek wordt, duurt het nog een hele tijd eer het wordt opgepikt. Met een grote nauwkeurigheid reconstrueert Aviv het verschrikkelijke verhaal, waarbij heel wat stemmen aan bod komen. De subtiele mechanismen van het overleven in een verhaal dat moet voorkomen dat de dysfunctionele relatiestructuur implodeert komen zeer indringend in beeld, en kruipen onder je huid. De manier waarop de ‘grote Alice Munro’ het niet aankan om volwaardig voor haar eigen dochter te kiezen maar wel het onderdrukte verhaal gebruikt om haar literaire status overeind te houden maakt je lichaam koud bij het lezen. Andrea, de dochter, betaalt een grote prijs. De drie dochters moeten elkaar ook terug vinden, waarbij iets van wat de moeder naliet deels kan hersteld worden. Maar iets gaat niet over.

You Won’t Get Free of It is een boek dat fascineert en ook hard binnenkomt. Rachel Aviv schrijft schitterend. Met grote precisie en empathie beschrijft ze de merkwaardige verhalen van echte mensen die bewegen in een ingewikkelde wereld. Soms maak je voor jezelf een verhaal om de innerlijke spanning te overleven van wat je meekreeg van je ouders. Soms maak je keuzes die anderen uitsluiten, om zo zelf je eigen identiteit overeind te houden. Soms beweeg je in en uit categorieĆ«n van wat men ‘normaal’ noemt. En net de dynamiek van de heel complexe relaties tussen moeders en dochters is een sleutel bij het begrijpen (of niet begrijpen) van die soms heftige verhalen. Aviv laat de perspectieven bewegen en laat lagen zien die maken dat wat in eerste instantie ‘raar’ lijkt misschien wel heel logisch zou kunnen zijn. Verhalen zijn manieren om met pijn om te gaan. Ze kunnen je, bewust of onbewust, beschermen en ze kunnen een eigen werkelijkheid vormen. Het zorgt ervoor dat moeders en dochters telkens opnieuw een positie moeten innemen. Een heel bijzonder boek.

22 augustus 2026

Leegmaken en herbeginnen


De laatste week begint. Het mag, denk je. (Het is een ander drijven.)

Je krijgt bijzonder bezoek. Ze heeft iets lekkers bij zich. De kleine (en eigenlijk al grote) jongen beweegt in verwondering, in aanwezigheid. Het gesprek ontroert je diep. (Er is een plek, ze mag er zijn.)

Het ritme van de dag. (Je denkt aan verhalen.)

En nog een mooi bezoek. Je bent blij dat ze er is, ze zijn terug uit vakantie. (Waardoor je eigen plek weer verandert, anders ademt.) Je probeert iets te zeggen, het lukt een beetje.

Een andere dag. Regen.

(Toch maar niet met de fiets straks naar je afspraak.)

De trein en de bus. Ondertussen blijft de regen toch een beetje weg, maar het mag.

Net voor het weggetje naar hun huis. Een klein stukje fietspad is rood. Alsof er een eilandje is, een moment van luxe of zo. (Misschien heeft het iets met verlangen te maken, iets dat je zou kunnen vermoeden.)

Je kijkt naar de verhalen. (Je leert iets over ansjovis.) Je ziet iets over werelden, je leert iets over ouder worden. Je bent blij dat je even daar kon zijn.

Terug in de stad, bijna thuis. Je ziet hoe het kleine meisje op de brug met veel gebaren iets staat uit te leggen aan haar papa en mama. Wanneer je er voorbij komt, hoor je hoe ze aan het vertellen is dat er daar (in de Dijle) een superdolfijn woont. De papa knikt een beetje aarzelend.

Een nieuwe dag. Het huis verwelkomt de koelte, maar geeft zich nog niet snel over.

Op weg naar die andere stad voor je afspraak. Je hebt nog iets meegenomen voor haar, uit de boekhandel, zoals steeds. Jullie kennen elkaar al zo lang, ondertussen. Het voelt nog altijd bijzonder.

Regen, op weg naar haar. (Ja dus, die regenjas houdt echt geen water meer tegen, het moment is daar, stilaan.)

Een trage middag. (Terwijl zij ook wacht op nieuws.) Je houdt van dit ritme, denk je. Hoe iets zich telkens weer terugvindt. (Ze krijgt goed nieuws, je bent blij voor haar.)

In de trein terug nog een onverwachte ontmoeting.

Een volgende dag. Voor je naar de actie gaat, nog even langs bij de collega’s. Je bent blij hen te zien. Je vraagt ook hun advies over een nieuwe regenjas, misschien. (Het mag blijkbaar, na meer dan vijftien jaar.)

De actie van de Grootouders. Je ben blij daar te zijn. Enkele mooie gesprekken. Je loopt wat rond, kijkt naar de gezichten. (Ben jij ook al de hele zomer kwaad? Ben jij ook een dystopische fundi?)

In de namiddag, dapper, naar de winkel voor een nieuwe regenjas. Hij wordt besteld.

En dan nog even naar de boekhandel. Toch maar dat ene boek dat je al enkele keren hebt aangeraakt. (Het zal ook iets voor je zus zijn, denk je.) Het boek dat je besteld had, is ook aangekomen.

Een haperende nacht.

De ochtend aarzelt een beetje.

Je zoekt dingen bij elkaar, alsof je aan de vrijdagtekst bezig bent.

De videovergadering. Voorbereiding voor binnen een maand. (Sommige mensen hebben driemaal zoveel tijd nodig om hun punt te maken.)

Je schrijft een klein tekstje over de dystopische fundi die je bent, blijkbaar. (Dagelijkse oefening in doseren. En drijven.)

Je begint in het nieuwe boek. Iets over moeders en dochters. (En de pijn van het zijn, en littekens.) Het raakt een plek. (Iets aarzelt even.)

Een stillere nacht.

Een gesprekje in de winkel.

Koffie met je maatje. Je bent zo blij dat hij weer terug is. (Alsof je zelf ook meer thuis bent.) Je probeert iets te zeggen, het lukt bijna.

De vrouw die rustig voorbij loopt tussen de kraampjes, haar kind aan de borst. (Het maakt je altijd gelukkig.)

Je leest verder in het boek. Het raakt je erg. En dan ben je bij het laatste stuk, ook het langste, zie je. De dochter die misbruikt werd door haar stiefvader. De dochter van de bekende schrijfster van de korte verhalen. (Je las veel van haar, je zag haar ooit in het echt.) Het kruipt onder je huid, je lichaam wordt koud. (Je ziet iets, je begrijpt iets.) Het is even goed geweest, je houdt de laatste bladzijden voor de volgende dag. (Alles beweegt nog in je lichaam.)

(Je begrijpt iets, ziet iets. Over een verlangen naar helemaal leegmaken. Iets uit je lichaam weg laten sijpelen, en helemaal herbeginnen. Traag, vanuit het niets, vanuit niets moeten zijn, niets moeten zijn van of voor iemand.)