De laatste week begint. Het mag, denk je. (Het is een ander drijven.)
Je krijgt bijzonder bezoek. Ze heeft iets lekkers bij zich. De kleine (en eigenlijk al grote) jongen beweegt in verwondering, in aanwezigheid. Het gesprek ontroert je diep. (Er is een plek, ze mag er zijn.)
Het ritme van de dag. (Je denkt aan verhalen.)
En nog een mooi bezoek. Je bent blij dat ze er is, ze zijn terug uit vakantie. (Waardoor je eigen plek weer verandert, anders ademt.) Je probeert iets te zeggen, het lukt een beetje.
Een andere dag. Regen.
(Toch maar niet met de fiets straks naar je afspraak.)
De trein en de bus. Ondertussen blijft de regen toch een beetje weg, maar het mag.
Net voor het weggetje naar hun huis. Een klein stukje fietspad is rood. Alsof er een eilandje is, een moment van luxe of zo. (Misschien heeft het iets met verlangen te maken, iets dat je zou kunnen vermoeden.)
Je kijkt naar de verhalen. (Je leert iets over ansjovis.) Je ziet iets over werelden, je leert iets over ouder worden. Je bent blij dat je even daar kon zijn.
Terug in de stad, bijna thuis. Je ziet hoe het kleine meisje op de brug met veel gebaren iets staat uit te leggen aan haar papa en mama. Wanneer je er voorbij komt, hoor je hoe ze aan het vertellen is dat er daar (in de Dijle) een superdolfijn woont. De papa knikt een beetje aarzelend.
Een nieuwe dag. Het huis verwelkomt de koelte, maar geeft zich nog niet snel over.
Op weg naar die andere stad voor je afspraak. Je hebt nog iets meegenomen voor haar, uit de boekhandel, zoals steeds. Jullie kennen elkaar al zo lang, ondertussen. Het voelt nog altijd bijzonder.
Regen, op weg naar haar. (Ja dus, die regenjas houdt echt geen water meer tegen, het moment is daar, stilaan.)
Een trage middag. (Terwijl zij ook wacht op nieuws.) Je houdt van dit ritme, denk je. Hoe iets zich telkens weer terugvindt. (Ze krijgt goed nieuws, je bent blij voor haar.)
In de trein terug nog een onverwachte ontmoeting.
Een volgende dag. Voor je naar de actie gaat, nog even langs bij de collega’s. Je bent blij hen te zien. Je vraagt ook hun advies over een nieuwe regenjas, misschien. (Het mag blijkbaar, na meer dan vijftien jaar.)
De actie van de Grootouders. Je ben blij daar te zijn. Enkele mooie gesprekken. Je loopt wat rond, kijkt naar de gezichten. (Ben jij ook al de hele zomer kwaad? Ben jij ook een dystopische fundi?)
In de namiddag, dapper, naar de winkel voor een nieuwe regenjas. Hij wordt besteld.
En dan nog even naar de boekhandel. Toch maar dat ene boek dat je al enkele keren hebt aangeraakt. (Het zal ook iets voor je zus zijn, denk je.) Het boek dat je besteld had, is ook aangekomen.
Een haperende nacht.
De ochtend aarzelt een beetje.
Je zoekt dingen bij elkaar, alsof je aan de vrijdagtekst bezig bent.
De videovergadering. Voorbereiding voor binnen een maand. (Sommige mensen hebben driemaal zoveel tijd nodig om hun punt te maken.)
Je schrijft een klein tekstje over de dystopische fundi die je bent, blijkbaar. (Dagelijkse oefening in doseren. En drijven.)
Je begint in het nieuwe boek. Iets over moeders en dochters. (En de pijn van het zijn, en littekens.) Het raakt een plek. (Iets aarzelt even.)
Een stillere nacht.
Een gesprekje in de winkel.
Koffie met je maatje. Je bent zo blij dat hij weer terug is. (Alsof je zelf ook meer thuis bent.) Je probeert iets te zeggen, het lukt bijna.
De vrouw die rustig voorbij loopt tussen de kraampjes, haar kind aan de borst. (Het maakt je altijd gelukkig.)
Je leest verder in het boek. Het raakt je erg. En dan ben je bij het laatste stuk, ook het langste, zie je. De dochter die misbruikt werd door haar stiefvader. De dochter van de bekende schrijfster van de korte verhalen. (Je las veel van haar, je zag haar ooit in het echt.) Het kruipt onder je huid, je lichaam wordt koud. (Je ziet iets, je begrijpt iets.) Het is even goed geweest, je houdt de laatste bladzijden voor de volgende dag. (Alles beweegt nog in je lichaam.)
(Je begrijpt iets, ziet iets. Over een verlangen naar helemaal leegmaken. Iets uit je lichaam weg laten sijpelen, en helemaal herbeginnen. Traag, vanuit het niets, vanuit niets moeten zijn, niets moeten zijn van of voor iemand.)



