Goede vriend Willy
Het is weer die dag, we waren er weer, en ik schrijf weer een brief aan jou, even schroomvol als elk jaar. Volgend jaar is het al twintig jaar geleden dat je dit leven moest verlaten. De tijd gaat zo snel, ik kan het amper bevatten.
Ik weet niet of je ons gezien hebt vandaag? Het was zo mooi, die kleine kinderen die gingen vertrekken voor hun schattenzoektocht. En hun ogen, bij de terugkeer, wanneer ze uit die kleine schatkist een verrassing mochten kiezen. Al die mensen die stonden te dringen om zich in te kunnen schrijven. Bekende gezichten van elk jaar. Ik ben altijd blij als ik mensen herken van de vorige jaren. Alle mensen die helpen, trouw, telkens weer. Of die ene mevrouw die me aansprak om over jou te praten. Ze ontroerde me zo.
Soms verlang ik naar een leeg moment, daar op die plek, zodat ik even alleen kan zijn met mijn gedachten. Alsof ik zo die plek minder vluchtig kan maken. Ik wil iets van jou zien, ik wil iets over jou horen, ik wil iets kunnen voelen van waarom we daar zijn, en dan is het alsof de plek verandert, alsof er een soort centrum in komt, met dan lijnen in de ruimte, of zoiets. Als ik alleen een passant zou zijn, zou het me te rusteloos maken.
Het is mooi te zien hoe je zoon daar door de ruimte beweegt. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn om jou naast hem te kunnen zien. En even zag ik de oudere, trotse man die je nu zou zijn, een beetje gebogen, een beetje verlegen. Ik was zo blij dat ik even met twee van je dochters kon praten. Ik luister graag naar hen, het is alsof ik elke keer iets leer. Al kan ik moeilijk uitleggen wat. Ik zag ook iets van de tijd die al gepasseerd is sinds toen, en ook dat was goed. We zijn een rivier. Er was te weinig tijd. Ik wou hun zo graag zeggen: vertel maar, ik wil graag je verhalen horen.
Ik moet zeggen dat het me ook altijd een beetje klein maakt. Alsof ik niet helemaal goed weet of ik daar wel mag zijn, of ik niet te veel ruimte inneem of zo. Mijn verhalen zijn zo klein. En ik mag daar zomaar zijn. Het verwart me een beetje, telkens weer. Het heeft waarschijnlijk ook iets te maken met dat leven dat wel bij mij bleef, en niet bij jou. Het blijft me verwarren, af en toe. We hadden het er nog over in ons laatste telefoongesprek toen. Ik probeer nooit te vergeten hoe het was toen, toen ik zelf in de rand van het leven kwam, door die kloteziekte, en hoe ik mocht blijven. Ik weet niet altijd wat ik moet doen met dat geschenk, met het idee van ik wel, en zoveel anderen niet. Ik blijf me elke dag oefenen in dankbaarheid, voor dat kwetsbare leven dat bij me bleef. En het is in die oefening dat ik je zie, ergens, steeds. Alsof ik je zou willen zeggen: kijk, ik draag het verder, dat leven, en zo ben jij niet helemaal weg. Maar ik weet niet altijd goed hoe dat moet. Iemand zijn voor iemand anders, het is ingewikkeld voor mij.
Ik leerde iets over een gedicht dat vaak uit jouw mond kwam. Iets over niets blijft duren. En iets over hoe je mensen misschien niet zomaar kunt vertrouwen als ze niet weten wat melancholie is. Ik was zo ontroerd door die mooie gedachte. Ik heb gelukkig een aanleg voor melancholie, dus wie weet komt het ooit nog wel goed met mij.
Wat zou ik je willen vertellen over deze tijd? Wat zou ik je vertellen na deze heetste zomer van het grote zwijgen? Soms ben ik blij voor jou dat jij deze tijd niet meer mee moet maken. Ik probeer me te oefenen in rivier zijn. Ik probeer me te oefenen in ‘tender as a lotus, but tougher than stone’, een stukje uit een nummer van Joan Baez dat me altijd is bijgebleven.
Het gaat over liefde, dat wat we doen, schreef ik onlangs nog in een column. En ik denk dat jij dat goed zou begrijpen. En ook daarom oefen ik me in kwaad blijven, zonder het vast te houden, maar wel telkens opnieuw. Die cynische machthebbers, ze rekenen erop dat we het wel beu zullen worden, dat we wel zullen zwijgen op den duur, dat we apathisch zullen worden, en uiteindelijk ook cynisch. En ook al zal ik de laatste zijn, ik ben van plan me daar nooit bij neer te leggen, ook al ben ik maar een klein jongetje. Het plezier dat ik niet meer kwaad ben, dat zal ik hun niet gunnen, nooit. En ik denk dat jij dat zou begrijpen. Mijn dans zal waarschijnlijk wel zacht zijn, mijn woorden zoekend, verlangend naar schoonheid. En ook dat zou je wel begrijpen.
Daar, op die plek, wil ik ook alle anderen kunnen voelen. Al die mensen die al stierven door diezelfde klotekanker die jou ook meenam. Al die mensen die nu ziek zijn, al die mensen die nog niet weten dat ze spoedig ziek zullen worden en waarschijnlijk zullen sterven door diezelfde ziekte. Ergens achter mij wil ik hun stemmen kunnen horen, heel zachtjes. Misschien even stil als jouw stem, toen in dat laatste gesprek. Ik wil kunnen kijken naar al die fietsers en wandelaars en weten dat ergens achter mij de stemmen zijn, fluisterend of zwijgend, van al die mensen. Je hebt iets van dat aan ons doorgegeven, en het is aan ons om het niet los te laten.
Terwijl ik rondkeek naar de mensen die aan de tafels zaten of net arriveerden na hun fietstocht, zag ik ineens op de muur staan: DROOM GROOT. En het was alsof jij dat op een of andere manier aan iemand had ingefluisterd. Alsof het zo moest zijn.
Op weg naar huis, terwijl ik door de straten van Leuven liep, kwam je ineens even naast me fietsen. We zeiden niets tegen elkaar, en het klopte heel erg. Even knikte je naar me. Alsof je me wou zeggen dat het goed was. Ik keek je aan, en je knikte nog eens. En toen fietste je weer verder. En het was goed.
Tot altijd weer, jan






