De nieuwe week begint. Een nieuw jaar begint. Het is je verjaardag.
Je denkt nog aan het concert van de vorige dag. Die wonderlijke vrouw, die vanaf de eerste noten op haar banjo iets neerlegde in de ruimte, in dat droevige lied. En dat je dacht: hier wil ik zijn, in dit hier, in dit nu, ik moet alleen maar ademen. (In het helen voel je soms wat er pijn deed, denk je.)
(Je bent een beetje verlegen, in je verjaardag. Je weet niet helemaal zeker hoe je jezelf daarin neer kunt leggen. Zoveel berichten. Alsof er zoveel liefde naar je toe stroomt, en je niet weet wat je moet doen. Je probeert alleen maar te ademen.)
Je denkt vooral: het is fijn om aan al die mensen te kunnen denken. Zij zijn je landkaart, door hen weet je waar je bent. Je kunt lijnen trekken, en zo zien waar jij bent, zou kunnen zijn, misschien mag zijn. Het is goed, je kijkt.
Je haalt nog chocolade, voor de vergadering die je die avond hebt.
Pakjes wachten op je, geduldig.
Een veilig plekje in de trein, je loopt zacht naar de vergadering. (Iets in je stem is traag, het mag.) Kijk, ik heb chocolade meegebracht, voor jullie.
Laat op de avond, weer thuis. (Je kijkt naar de laatste momenten van de dag, je buigt.)
Een andere dag. (Misschien wen je al een beetje. Misschien heb je het uiteindelijk toch goed gedaan met dat jaar zestig. Anders dan je had verwacht, maar misschien toch beter.)
Voorzichtig in de dag schuiven, ritme zoeken.
Die avond, een nieuwe klimaatwake. Eigenlijk ben je een beetje stil, maar het geeft niet. Je had geen zin om dingen te doen, eigenlijk, maar het is goed. Mooie gesprekken. En kijken naar het web van het leven. (Misschien wil je gewoon een beetje droef zijn.)
Die nacht. Je kijkt naar het onderwerp dat zich aandient, voor het stukje dat je de volgende dag moet schrijven. (Dat zal het dus zijn.)
Een andere dag. In het journaal hoor je een reportage over een onderzoek over 60-plussers. Ineens besef je dat jij met je 61 nu dus 60-plusser bent. Lichte schok. En dan weer glimlachen.
Je hebt tussendoor ook nog je stuk te schrijven. Iets over zachtheid. (Het heeft iets te maken met die balans, denk je. Iets is je duidelijk geworden. Het is heel moeilijk uit te leggen zonder dat het raar klinkt, maar je ziet het in je lichaam, waar de weg is. Je kent iemand die het zal begrijpen.) Het is moeilijker dan je dacht, het komt dichter bij iets dat week is. Het is. (Zo is het goed, het zal wel blijken.)
De avondvergadering. (En nog een cadeau, het blijft duren. Het mag.)
Traag naar huis.
Een volgende dag. Je haalt lekkers, voor je collega’s. (Het ruikt zo lekker, terwijl je in de trein zit.)
Het is een glimlachdag, denk je.
Je ziet hallucinante beelden van de ondervraging van een procureur-generaal. Hoe kan die vrouw in de spiegel kijken, vraag je je af. Hoe ver kun je gaan in je vrijwillige onderwerping aan een zieke man, een fascist?
Op weg naar huis. Onverwacht kom je een stoere meid tegen die je al lang niet meer zag, je bent zo blij haar te zien. Haar vriendin vraagt wie jij bent. Ze zegt dat jij haar tweede vader bent. (Je smelt.)
Het concert die avond, met een dierbare vriendin. Na het voorprogramma is het even wachten tot ze met hun tweeën op het podium komen. Ze lijken zo zacht, zo aandachtig, zo vriendelijk. Ze beginnen te spelen, en er gebeurt iets. Het is onwaarschijnlijk mooi. Soms is het alsof ze zelf kijken naar de muziek die daar ontstaat. Die muziek heeft twintig jaar tijd genomen, zo blijkt. Misschien hebben ze heel die tijd traag gekeken. (Tranen.) Het is alsof ze je laten zien hoe je heel zou kunnen zijn. Het is alsof je als een ander mens uit de schouwburg komt. (Je bent dankbaar.) (En je weet, zacht, ja, dat is het, het mag.)
Een nieuwe dag. De vrijdagtekst. Je knutselt de dingen in elkaar.
Het is fijn dat je uiteindelijk toch niet alleen bent.
Een vergadering, je kijkt naar de bewegingen op het scherm, ogen en rimpels.
De dag mag zich neerleggen. Je leest nog een verhaal dat je erg ontroert, en een beetje droevig maakt.
Je komt van ver, in de ochtend.
De boodschappenronde. Gesprekjes aan de kassa.
Je staat je zus en je schoonbroer op te wachten op het perron. (De wind is koud.)
Op de wagon van een wachtende trein staat een soort Valentijnboodschap. I want to hold you as the stars hold the night.
Een mooi bezoek. Je kijkt naar de verhalen. (Soms leggen ze zich neer, soms vertrekken ze, soms zoeken ze zichzelf nog.)
Je neemt afscheid op het perron.
Op weg naar huis kom je, op dezelfde plek, een stoere meid tegen. Je glimlacht. (Die vraag is voor een andere keer.)






