22 augustus 2026

Leegmaken en herbeginnen


De laatste week begint. Het mag, denk je. (Het is een ander drijven.)

Je krijgt bijzonder bezoek. Ze heeft iets lekkers bij zich. De kleine (en eigenlijk al grote) jongen beweegt in verwondering, in aanwezigheid. Het gesprek ontroert je diep. (Er is een plek, ze mag er zijn.)

Het ritme van de dag. (Je denkt aan verhalen.)

En nog een mooi bezoek. Je bent blij dat ze er is, ze zijn terug uit vakantie. (Waardoor je eigen plek weer verandert, anders ademt.) Je probeert iets te zeggen, het lukt een beetje.

Een andere dag. Regen.

(Toch maar niet met de fiets straks naar je afspraak.)

De trein en de bus. Ondertussen blijft de regen toch een beetje weg, maar het mag.

Net voor het weggetje naar hun huis. Een klein stukje fietspad is rood. Alsof er een eilandje is, een moment van luxe of zo. (Misschien heeft het iets met verlangen te maken, iets dat je zou kunnen vermoeden.)

Je kijkt naar de verhalen. (Je leert iets over ansjovis.) Je ziet iets over werelden, je leert iets over ouder worden. Je bent blij dat je even daar kon zijn.

Terug in de stad, bijna thuis. Je ziet hoe het kleine meisje op de brug met veel gebaren iets staat uit te leggen aan haar papa en mama. Wanneer je er voorbij komt, hoor je hoe ze aan het vertellen is dat er daar (in de Dijle) een superdolfijn woont. De papa knikt een beetje aarzelend.

Een nieuwe dag. Het huis verwelkomt de koelte, maar geeft zich nog niet snel over.

Op weg naar die andere stad voor je afspraak. Je hebt nog iets meegenomen voor haar, uit de boekhandel, zoals steeds. Jullie kennen elkaar al zo lang, ondertussen. Het voelt nog altijd bijzonder.

Regen, op weg naar haar. (Ja dus, die regenjas houdt echt geen water meer tegen, het moment is daar, stilaan.)

Een trage middag. (Terwijl zij ook wacht op nieuws.) Je houdt van dit ritme, denk je. Hoe iets zich telkens weer terugvindt. (Ze krijgt goed nieuws, je bent blij voor haar.)

In de trein terug nog een onverwachte ontmoeting.

Een volgende dag. Voor je naar de actie gaat, nog even langs bij de collega’s. Je bent blij hen te zien. Je vraagt ook hun advies over een nieuwe regenjas, misschien. (Het mag blijkbaar, na meer dan vijftien jaar.)

De actie van de Grootouders. Je ben blij daar te zijn. Enkele mooie gesprekken. Je loopt wat rond, kijkt naar de gezichten. (Ben jij ook al de hele zomer kwaad? Ben jij ook een dystopische fundi?)

In de namiddag, dapper, naar de winkel voor een nieuwe regenjas. Hij wordt besteld.

En dan nog even naar de boekhandel. Toch maar dat ene boek dat je al enkele keren hebt aangeraakt. (Het zal ook iets voor je zus zijn, denk je.) Het boek dat je besteld had, is ook aangekomen.

Een haperende nacht.

De ochtend aarzelt een beetje.

Je zoekt dingen bij elkaar, alsof je aan de vrijdagtekst bezig bent.

De videovergadering. Voorbereiding voor binnen een maand. (Sommige mensen hebben driemaal zoveel tijd nodig om hun punt te maken.)

Je schrijft een klein tekstje over de dystopische fundi die je bent, blijkbaar. (Dagelijkse oefening in doseren. En drijven.)

Je begint in het nieuwe boek. Iets over moeders en dochters. (En de pijn van het zijn, en littekens.) Het raakt een plek. (Iets aarzelt even.)

Een stillere nacht.

Een gesprekje in de winkel.

Koffie met je maatje. Je bent zo blij dat hij weer terug is. (Alsof je zelf ook meer thuis bent.) Je probeert iets te zeggen, het lukt bijna.

De vrouw die rustig voorbij loopt tussen de kraampjes, haar kind aan de borst. (Het maakt je altijd gelukkig.)

Je leest verder in het boek. Het raakt je erg. En dan ben je bij het laatste stuk, ook het langste, zie je. De dochter die misbruikt werd door haar stiefvader. De dochter van de bekende schrijfster van de korte verhalen. (Je las veel van haar, je zag haar ooit in het echt.) Het kruipt onder je huid, je lichaam wordt koud. (Je ziet iets, je begrijpt iets.) Het is even goed geweest, je houdt de laatste bladzijden voor de volgende dag. (Alles beweegt nog in je lichaam.)

(Je begrijpt iets, ziet iets. Over een verlangen naar helemaal leegmaken. Iets uit je lichaam weg laten sijpelen, en helemaal herbeginnen. Traag, vanuit het niets, vanuit niets moeten zijn, niets moeten zijn van of voor iemand.)

20 augustus 2026

The Beginning Comes After the End


Misschien is hoop een manier van kijken. Misschien is hoop een discipline. Misschien is hoop op weg gaan naar ergens voorbij de monsters, ook al weet je niet zeker wat de weg is, weet je niet zeker waar je zult aankomen. Onderweg zijn is het antwoord. Ook in deze wankele tijden. Dat zou wel eens een van de centrale lijnen kunnen zijn in het werk van Rebecca Solnit. Haar nieuwe boek The Beginning Comes After the End (vertaald als Het begin volgt op het einde) is opnieuw een uitnodiging om te blijven kijken naar een veranderende wereld en niet toe te geven aan een (soms begrijpelijk) gevoel van machteloosheid.

Het boek is eigenlijk een lang essay, verdeeld in negen hoofdstukken. Elk hoofdstuk bouwt een beetje verder op het vorige en neemt elementen mee. De titel verwijst naar een citaat van Antonio Gramsci, in het boek vertaald als: “The old world is dying. The new one is slow in appearing. In this light and shadow, monsters arise.” Solnit gaat met die gedachte aan de slag doorheen het hele boek. Als je gewoon elke dag naar het journaal kijkt en de kranten leest, denk je misschien al snel dat alles hopeloos is, dat het te laat is voor zinvolle actie, dat de krachten van de duisternis aan de winnende hand zijn. Misschien is dat zo, misschien niet. Misschien hoef je het antwoord op die vraag helemaal niet te weten om te handelen.

Hoop in donkere tijden heeft te maken met niet weten. Het staat niet gelijk aan optimisme, dat ervan uitgaat dat je weet waar je uit zult komen. Hoop heeft te maken met het gevoel dat het zinvol is om te handelen, ook al weet je niet of het uiteindelijk zal lukken. Het is een centrale gedachte in het werk van Solnit, dat we ervan uit moeten gaan dat de toekomst open is, en dus – binnen een aantal marges – nog verschillende kanten uit kan.

Solnit nodigt ons in dit essay uit om, ook al voelen we ons misschien moe door de dagelijkse gruwel, te kijken naar wat er de voorbije tientallen jaren ten goede is veranderd. Ze vertelt hoe ze er zelf van schrok hoe snel, in de naoorlogse periode, dingen zijn veranderd waarvan men op dat moment dacht dat ze nooit of maar heel moeilijk zouden veranderen. Ze geeft heel wat voorbeelden over bv. de plaats van de inheemse volkeren in de Verenigde Staten, hernieuwbare energie, diversiteit op het vlak van gender, burgerrechten, … In die voorbeelden verweeft ze een basisgedachte dat een beetje het kernconcept uit dit essay is, met name het belang van onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid. De dingen en het leven in alle vormen functioneren in een web, in samenhang, en niet in isolement of afscheiding. Verandering komt door samenwerking, door besef van verbondenheid met anderen. Die inzichten zijn ook gegroeid in de wetenschappelijk kijk op de ruime natuur. Het hele idee van ‘struggle of the fittest’ klopt gewoon niet. En de afgeleide ideologische vertaling naar een mensbeeld van competitie, waarbij mensen afgescheiden zijn van de rest van de natuur, klopt al evenmin met de werkelijkheid.

Na die heel lange lijst van voorbeelden van positieve maatschappelijke verandering denk je als lezer natuurlijk al snel dat we in de wereld van vandaag toch ook veel voorbeelden van de duistere krachten zien. Opkomend fascisme, een gevaarlijke zieke gek als president van de VS, georganiseerde aanvallen op alles wat progressief is, achteruitgang op het vlak van de rechten van mensen die niet in binaire schema’s van man/vrouw passen, … Solnit gaat die beangstigende ontwikkelingen zeker niet uit de weg. Ze brengt ze samen in één hoofdstuk. En daarmee wil ze laten zien dat je die ontwikkelingen veeleer als een stuiptrekking van het oude kunt zien dan als een begin van iets nieuws. Terwijl de oude wereld sterft, weten we nog niet welk begin er op een einde zal volgen. Maar er zijn wel al veel dingen die begonnen zijn en de deur openlaten naar een betere weg. De negatieve ontwikkelingen verbindt Solnit met een visie die net die interdependentie desnoods met geweld wil ontkennen. Het hele idee van (extreem)rechts dat je van boven, door de grote leider, lineair de loop van de dingen kunt aansturen en de overtuiging dat dat wenselijk zou zijn, gaat in tegen de diepere aard van de werkelijkheid. Het miskent ook de mogelijkheden van verandering die rusten in een ecosysteemvisie. Die interpretatie maakt de oranje man uit de VS niet minder problematisch, het helpt je wel om met meer afstand naar de dingen te kijken, en je niet te laten verleiden tot een soort schermblindheid die ertoe leidt dat je je alleen maar machteloos kunt voelen.

Solnit geeft de lezer geen uitgewerkte strategie, en dat maakt haar teksten net heel sterk. Ze wil een manier van kijken aanbieden die een instrument kan zijn voor een activisme dat met energie wil handelen in onzekerheid. In dat alles voel je ook een boeddhistische inspiratie die niet zozeer leidt tot een zich terugtrekken uit de wereld maar integendeel een bron is om het lijden van anderen aan te pakken. Je voelt enerzijds de sterke overtuiging van Solnit om te blijven handelen in een wereld waarin je soms alleen maar de monsters ziet. Maar anderzijds voel je ook hoe het een zoekende overtuiging is. Om ervan overtuigd te blijven dat de toekomst fundamenteel open is, heb je nood aan een soort grondhouding die je geen zekerheid zal geven. Een richting kiezen, vertrekken, en op weg gaan, meer kunnen we niet weten, en meer hebben we niet nodig om te blijven handelen.

Aan het einde van het boek is er een mooi citaat van Joanna Macy, die het in haar werk had over actieve hoop. Solnit voegt enkele dingen toe aan het citaat, en daarin vat ze een beetje samen waar dit essay over gaat. “(Macy) had said in an interview: ‘There’s a song that wants to sing itself through us, and we’ve just got to be available. Maybe the song that is to be sung through us is the most beautiful requiem for an irreplaceable planet or maybe it’s a song of joyous rebirth as we create a new culture that doesn’t destroy its world.’ We’re deciding what it is by what we sing, by what alliances we make, actions we take, possibilities we act on, bridges and refuges we build. And what we dismantle because it does not serve the broader us and we.”

Het mooie van de teksten van Solnit is dat ze je altijd weer een beetje terug bij de les brengen. Op een rustige, onderbouwde, maar nooit ‘softe’ manier geeft ze inzichten waar je iets mee kunt doen. Pasklare oplossingen krijg je niet, maar dat hoeft ook niet. Ze analyseert scherp wat er fout gaat en heeft weinig geduld met vermoeiende en gevaarlijke mannen die ons uit angst terug willen brengen naar een verleden waarin zij dachten te mogen domineren. En ze helpt om in het wankele tussengebied tussen het oude en het nieuwe, waar de monsters brullen, geduldig te kijken naar vormen van begin die zich al laten vermoeden. Hoop krijg je niet, hoop ben je, in hoe je iets durft doen met die vermoedens.

16 augustus 2026

Think Like a Forest


Het zijn vragen die voor velen van ons verscheurend kunnen zijn. Hoe breng je je kinderen groot in een wereld die elke dag meer wordt geconfronteerd met de aan de gang zijnde klimaatontwrichting? Wat zeg je tegen je kinderen? Hoe kun je een goede vader of moeder zijn, je kind beschermen, en tegelijk eerlijk zijn over de staat van de wereld? Hoe kun je je kinderen leren om weerbaar te zijn zodat ze zo goed mogelijk hun weg kunnen vinden in de tijden die komen?

Ben Rawlence maakte er een heel oprecht, hartverwarmend en ontroerend boek over, Think Like a Forest, dat de klimaatcrisis niet verbloemt of minimaliseert. Hij schreef kinderen naar zijn twee dochters. Hij begon eraan net voor zijn eerste dochter geboren werd, en bleef nog twaalf jaar schrijven. Ondertussen startte hij zelf, in Wales, met een instituut waar mensen opleidingen kunnen volgen om hun weerbaarheid te versterken in een toekomst die niet eenvoudig zal zijn.

In de brieven spreekt hij als jonge vader in eerste instantie eigenlijk ook tegen zichzelf. Ze zijn een ingedikte weergave van zijn eigen zoektocht naar een zinvolle grondhouding in een wereld die op de rand van een ecologische ineenstorting staat. Is het net wel of net niet een goed idee om kinderen in deze wereld te brengen? En als ze er zijn, hoe kunnen we dan goede ouders zijn? Het komt allemaal aan bod.

Naarmate de twee meisjes opgroeien worden de brieven – die ze officieel maar zullen mogen lezen wanneer ze volwassen zijn – steeds meer een dialoog. In elke brief gaat het over een bepaalde kwestie of vraag. De ervaringen van de kinderen die hun weg zoeken in het leven veranderen de inzichten van de vader. Het verandert ook zijn gevoel van verantwoordelijkheid.

De kinderen kunnen opgroeien in een natuurrijke omgeving die ook nog eens de drager is van oude verhalen en geschiedenissen. Soms moet je als vader of moeder gewoon kijken. De jonge meiden hebben op hun manier een heel vanzelfsprekende band met de rest van de natuur om hen heen, waar ze zichzelf een deel van voelen. Daarmee hebben ze ook een van dé sleutelelementen om te komen tot een andere meer toekomstgerichte grondhouding.

Het blijft altijd een moeilijke afweging. Wat vertel ik wel, en wat vertel ik niet? De auteur kiest ervoor om eerlijk te zijn, maar op een manier waarbij hij telkens ook vanuit zijn kinderen probeert te denken. Zij weten heel erg goed in welke wereld ze zijn terechtgekomen. Ze willen dat hij eerlijk is. En tegelijk is dit alles maar een deel van al die andere dingen die horen bij de kindertijd. Het is heel moeilijk om te voelen hoe alles op een rustige manier beweegt.

Je merkt dat er nog hard is gewerkt aan de brieven, om ze in een mooi evenwicht te krijgen en ook aantrekkelijk te maken voor andere lezers. Je merkt goed hoe Lawrence heel erg waakt over de toon van wat hij schrijft. Bij dat alles werkte hij ook samen met een bekende Britse klimaatpsychologe. Maar het didactische ligt er nooit te dicht op, het zijn reflecties gericht aan zijn dochters.

Het is heel erg mooi hoe inzichten groeien bij de schrijvende vader. Uit zijn eigen overtuiging, en uit wat hij bij kinderen ziet, wil hij meegeven dat het belangrijk is om te leren denken als een bos, vanuit samenhang met al het andere dat leeft. En ruimer, naar de maatschappij toe, voelt hij hoe belangrijk het is dat we terug leren kijken naar de wereld door de ogen van een kind.

Het is ontroerend hoe deze vader probeert zijn rol in te vullen vanuit een ‘leven in waarheid’. Hij wil geen illusies meegeven aan zijn dochter, hoezeer het hem ook verdrietig en soms machteloos maakt. In zijn zoektocht zie je de confrontatie met het grote verlies dat we als mensheid organiseren en de vraag hoe je je daar tegenover moet verhouden. Het is een combinatie van eerlijk kijken naar het nu om daarin te kunnen leven en handelen, en tegelijk de wereld van morgen voorbereiden, niet vanuit de logica die ons in de huidige noodtoestand heeft gebracht. Het is interessant hoe Rawlence daarbij regelmatig verwijst naar zijn ervaringen in de humanitaire sector in Afrika. Een van de dingen die hij daar leerde is dat aanvaarding van (de ernst van) het heden een voorwaarde is voor hoop. Dat impliceert ook onder ogen zien wat het kan betekenen dat maatschappelijke structuren zoals we die kenden in elkaar kunnen klappen.

Think Like a Forest is een boek dat een heel zachte en eerlijke menselijkheid uitstraalt. Het kan voor velen een inspiratie zijn om een weg te vinden in turbulente tijden. Het boek gaat de moeilijke vragen niet uit de weg, maar geeft ze een plaats in een ontroerend gesprek tussen een vader en zijn dochters. En zoals zo vaak hebben we als ouders soms vooral veel te leren van onze kinderen. Misschien is het vooral belangrijk dat we onze kinderen niet in de steek laten, nooit in de steek laten, in de tijd die komt. Laten we naast hen zitten en kijken naar alles wat is.

Naar het einde van het boek merk je – we zijn ondertussen in 2025 – hoezeer Rawlence zich zorgen begint te maken over nieuwe uitdagingen. Het gaat niet alleen over de klimaatcrisis, maar ook over een mogelijk oprukkend fascisme. Maar ook hij moet op een bepaald moment zijn kinderen loslaten in de wereld. En dan moeten zij het verhaal verder schrijven (en dat aan hem vertellen).

15 augustus 2026

De zon kwam terug


De dagen schuiven verder. (Over de helft.)

Tijd voor de ramen. (Op zo’n moment zou je – heel even – helemaal van rubber moeten zijn. Op zo’n moment zou je met een eenvoudige vingerknip ineens al die dingen die daar staan moeten kunnen wegtoveren.) De ramen dus. (Dit keer gaat het lukken!) Na enkele minuten merk je – zoals altijd – dat het ook dit keer niet zal lukken, die ultiem schone en volledig streepvrije ruiten. Het is een oefening in omgaan met onbestendigheid. (Ja ja, zal wel…)

Even op en neer naar Gent, voor een afspraak. Lekker lezen in de trein. (O wat is dat een geweldig boek…)

Je kijkt naar de tekst die je kreeg. Iets als: je langzaam in een tekst inademen, telkens opnieuw kijken en de woorden voelen. (Hopelijk komt het goed over.)

Die stramme spier, in de buurt van je schouder, heeft nog geen zin om tijdens de nacht over te gaan tot de totale ontspanning. (Je hebt blijkbaar iets niet, over overgave.)

Een nieuwe dag. Je werkt verder op de tekst. Nu is het kneden. Hier een stukje weg, daar een stukje erbij, hier een stukje opschuiven. En kijken, hoe de tekst beweegt naar een ander evenwicht. (Je moet enkel volgen.)

Terwijl je het boek verder leest, bijna uit, moet je regelmatig aan iemand denken. (Het is iets voor haar, denk je. Je zult het haar cadeau doen. Ze zal het wel begrijpen waarom.)

(En al een wat rusteloos lichaam. De spanning wordt opgebouwd naar de volgende dag, naar het verdwijnen van de zon. Alsof er iets moet, alsof iedereen, terwijl het voor jou iets is van toen.)

Een stukje schrijven over het boek. Het stroomt.

Een volgende dag. Even op en neer naar het werk, om een scan te maken. Er is niemand daar. Het is wel fijn om er even te zijn, je plek te voelen, het licht te zien.

(Straks gaat het gebeuren, dus. De zon die even zal verdwijnen. Het is raar wat het met je lichaam doet. Toen, in 1999, was de zonsverduistering een kantelpunt, het begin van een hele periode. Je weet waar je nu bent. En toch, ergens is er een stem die zegt dat je terug naar toen zou kunnen kantelen.)

(En je denkt aan de mensen die je toen door alles door hebben gehaald, je hebt je leven aan hen te danken. Je gaat het hun nog eens zeggen.)

(Je denkt aan iemand. Op een of andere manier zou je haar iets willen laten voelen. Iets als: in jouw en mijn lichaam heeft dezelfde ziekte iets ingeschreven, maar we zijn er nog, met onze littekens. Een traag beeld. Misschien komt het wel bij haar.)

En dan is het moment daar. Je gaat op je terras zitten, leest in het tijdschrift, en kijkt en luistert naar het licht, voelt het licht. Je bent aan de andere kant, je blijft aan de andere kant. Je schrijft enkele zinnen, het heelt zich.

Een nieuwe dag. (Straks enkele berichtjes sturen, zoals je je hebt voorgenomen om hen te bedanken voor toen, voor zoveel leven dat bij je bleef.)

Een afspraak met een dierbare vriendin. Een heel erg mooi gesprek, het raakt je erg. (Je bent een watje, en dat is prima.) Een geschenk.

Een heel warme dag.

Je afspraak voor de jaarlijkse controle van je oordoppen. Er zijn geen lekken, zo blijkt. Dat dat al zoveel jaar zo is, is uitzonderlijk, zegt de mevrouw. (Ze wil precies nog vanalles zeggen, maar het komt niet echt.)

Je leest het boek uit.

(De zomer toen, de zomer nu. Beelden.)

Je schrijft een stukje over het boek. (Je weet nooit van tevoren of het zal lukken, je weet pas tijdens het schrijven of je het boek goed vond.) (Je hebt trouwens ook dat dikke boek over verlies uit, maar daarover ga je niets schrijven, denk je)

Een verse dag. Je beseft ineens dat je je weekendboodschappen moet doen.

De mevrouw in de winkel is terug, ze was een hele tijd weg. Je bent blij haar te zien, het is wederzijds.

Het wekelijkse tekstje. (Het vraagt je veel energie. Je bent nog altijd zo eindeloos kwaad, je probeert zachte woorden te vinden die genoeg zeggen. Je roept iets …  over de eerste minister die de weergoden gaat aanroepen. Dat kon er nog wel even bij, na eerder de barbecue en het zwembad, nu de weergoden. Je roept iets … Zouden ze trots zijn op zoveel brutaal cynisme? Je roept: SHAME ON YOU!)

Het is de warmste dag van het jaar. (Het begint een beetje te wegen, merk je, het maakt je zo moe.)

Een nieuw boek. Over wat een vader aan zijn dochters vertelt, over een ontrafelende wereld. Het ontroert je. (En het boek zelf is ook mooi. De letters zijn mooi, het voelt goed in je handen.)

Van die serie wil je het laatste seizoen zeker helemaal nog eens zien. (Het ontroert je erg. Het zal de vader in jou zijn.)

En nog eens vroeg op, zoals al wekenlang, om de koelte binnen te laten. Vaststelling: er is nauwelijks koelte buiten, maar het huis is wel blij.

En toch nog even naar de winkel. Een praatje aan de kassa. Ze kijkt zo uit naar regen, en koelte, zegt ze.

Je zoekt even naar het boek dat ooit van je grootvader was. “Onze bouwmaterialen. Deel IV. Hout.” (Van Prof. J.A. Van Der Kloes.) Hij kreeg het ooit als prijs, op de vakschool waar hij werd opgeleid tot schrijnwerker. Op een andere manier maakt het je rustig, te lezen over al die soorten hout en waarvoor ze kunnen gebruikt worden. Je zou het hem graag willen vragen nu, dat hij zou vertellen over het hout.

Je hoort het nieuws van de grote (de grootste) natuurbrand. Een gehucht moet ontruimd worden. Ooit was je daar, voor enkele dagen vakantie met een vriendin. Je stuurt haar een bericht.

(De weergoden blijken niet onder de indruk van cynisme. De Rijn is het ook nog steeds niet.)