Een nieuwe week. (In je hoofd leg je alle dingen die je nog moet doen netjes naast elkaar. Dat nu, dat moet nog wachten, dat is nog niet bekeken. Alsof je kunt schuiven.)
Je had de vorige dag snel nog een opiniestuk gemaakt, je krijgt bericht dat het zal worden geplaatst. (Eerst razen de woorden in snelle zinnen door je hoofd. Daarna worden ze rustiger, zodra je begint te schrijven. En eens de tekst klaar en weg is, zijn ook de woorden weer weg uit je. Iets in je legt zich neer.)
Die middag op tijd vertrekken om de trein te halen. Op weg naar een vriendin die je al een hele tijd niet meer zag. Er was altijd al iets bijzonders aan die treinrit, naar het uiteinde van het land. Tot waar het spoor stopt.)
Je bent blij haar te zien, je luistert naar haar verhalen. (En het is alsof je naar de tijd kijkt.) Je probeert iets te vertellen, over afwezigheid. (Je bent in het nu, denk je, niet meer toen. Je denkt iets over vloeibaarheid, hoe je zou willen.) Een geschenk.
Op de terugweg zegt de treinmeneer dat jullie allemaal moeten uitstappen. Er is iets aan de hand in Brussel-Zuid, nog zoveel stations verder. Iedereen stapt in de andere trein, een stoptrein. Je kijkt naar het landschap.
(Je ziet dat je stuk is geplaatst, het is daar, niet meer hier.)
Een andere dag. Je vertrekt naar de school, voor je presentatie. Hoe lang is het geleden dat je nog eens in die school was? De lerares haalt je op aan het onthaal. (De geluiden, de geuren, de muren die zich zoveel herinneren.)
Je geeft je les tweemaal. Je probeert de Belgische en Italiaanse scholieren in je veld te krijgen. (Het verhaal dat je vertelt, het zou een plek kunnen zijn.) De Italiaanse leraar komt je bedanken voor de beelden die je gebruikte. Tijdens de pauze komt het meisje vertellen over haar opa, die alles kan repareren, en alles zelf kan maken. Je vraagt of hij dat alles ook aan haar leert. Ja, zegt ze, ze glimlacht. Je hebt een geweldige opa, zeg je. (Een geschenk.)
Die namiddag, de vergadering. Je hebt alles goed voorbereid. (Ook deze vergadering is een geschenk, denk je. Je bent trots op de plek die er gekomen is.) Je kijkt naar hoe ze allemaal nog even staan te overleggen, na de vergadering. (Je bent blij.)
Die avond. Je loopt door die andere stad, op weg naar de prijsuitreiking. In het mooie gebouw. Op het grote scherm zien jullie wie de literaire prijzen winnen, even verderop in de schouwburg. (Je ziet het achterhoofd van je vriend.) Nadien nog een heel mooi gesprek. (Ook haar zag je al heel lang niet meer.) Ze komen allemaal binnen, voor de receptie. Je wacht nog even op je vriend, vertrekt dan naar de trein.
Onderweg, de etalage van de winkel met kostuums op maat. (Je droomt even.) En nog een mooi treingesprek.
Een nieuwe dag. Je probeert alles in te halen van de vorige dag. (Je bent graag op die plek, merk je weer. Misschien is het het licht, misschien is het het toetsgevoel, misschien is het gewoon ergens.)
Je volgt nog even het begin van de conferentie. Je praat met de jongeren. Je maakt foto’s. (Je zoekt het licht.) Daarna ga je verder werken. Je probeert nog snel een nota te maken.
De avondvergadering. Je luistert naar de verhalen, je stelt je nota voor. (Je draagt een idee, je ziet beelden, het mag bewegen, los van jou.)
Een andere dag. De vergadering, netjes binnen de voorziene tijd. Het gesprek met de twee studenten. (Het ontroert je, hoe scherp ze kijken naar de dingen. Je zou aan hen willen uitleggen hoe jij was, toen je hun leeftijd had.)
Die avond. Een afspraak. (Elders in de stad wordt er betoogd, je zou ook daar willen zijn, bij je vrienden. Iets over aanwezigheid.) Je luistert naar haar verhalen. Je denkt iets over hoe pijn beweegt in de tijd, hoe het wordt doorgegeven.
(Weer thuis. Je zou aanraakbaar kunnen zijn, denk je.) Je kijkt naar weer een aflevering van die reeks, met je warme dekentje. (Iets van de zorg die je ziet, het raakt je.)
Een nieuwe dag. Je haalt die vroegere trein nog net. (Even lijkt het alsof je zeeën aan tijd gaat winnen.)
Je puzzelt de vrijdagtekst in elkaar. (Misschien zijn het kleine huisjes, een beetje stil.)
Een mooi bericht, het maakt je week. (Je droomt iets over vloeibaar, ziet ineens hoe het zou kunnen zijn. Een geschenk, hoe je beelden kunt geven.)
Je lijstje is korter aan het worden, merk je.
Je vertelt iets aan de plant naast je bureau. De donkergroene bladeren glimmen. (Je verhalen zijn veilig.)
Het ritme van de trein, in je huid. Je zou kunnen verdwijnen, weg kunnen vloeien, en toch blijven.




