08 februari 2026

Monsterlijk moederschap


Monsterlijk moederschap
van Jozefien Van Beek is veel dingen tegelijk. Dit boek bestaat uit vijf essays die samen een groter verhaal vertellen. De teksten bewegen tussen verschillende plekken. Er zijn interessante beschouwingen over de manier waarop moeders en moederschap worden weergegeven in films en boeken. Je krijgt een feministische lezing van het genre van de horrorfilm, een persoonlijke fascinatie van Van Beek.

Moeders zijn vaak monsterlijk in die cultuurvormen. Dat zegt veel over onderliggende patriarchale mannelijke ideologische visies en structuren. De clichématige rozige verhalen over hoe fantastisch en geweldig en vervullend het moederschap is horen misschien wel thuis in dezelfde ideologische kaders. Ze leggen enorm veel druk op vrouwen die moeder willen worden, zichzelf voelen falen omdat ze niet beantwoorden aan de verwachtingen, wat voor een diepe eenzaamheid kan zorgen. Vertellen over de in allerlei opzichten lichamelijk verscheurende ervaring van het moeder worden, over duistere gedachten tegenover een kind, over spijt of leegte, het is niet gemakkelijk in een context waarin je blijkbaar alleen maar mag zeggen dat het allemaal fantastisch is.

Jozefien Van Beek verweeft haar boeiende reflecties met haar eigen ervaringen als vrouw die een kind wilde krijgen. Niet meteen zwanger worden. Bevallen en niet weten hoe je moeder moet zijn. Voelen dat je faalt bij het zoeken. Die ervaringen komen in een spiegel van de relatie met haar eigen moeder. Ontroerend, ontwapenend en confronterend. En even verwarrend als de liefde is.

Al die reflecties werken op een fascinerende manier op elkaar in, in essays die heel goed geschreven, helder, intiem en moedig zijn. Ze zeggen veel over de ervaringen van heel wat moeders. Er is een monsterlijke dimensie aan moederschap. Die in de ogen kijken is misschien de beste manier om alle verhalen over de werkelijkheid van het moederschap in beeld te krijgen en zo de vaak immense druk van een eenzijdige moederideologie die je niet los kunt zien van patriarchale structuren op vrouwen te verminderen. Je weg vinden tussen al die verwarrende gevoelens en verwachtingen is geen falen, maar een realiteit die meer aandacht verdient. Jozefien Van Beek heeft met Monsterlijk moederschap een heel dapper en bijzonder boek gemaakt dat veel lezers verdient.

07 februari 2026

Een balans


Een nieuwe week. Je denkt nog aan de mooie, heftige, droevige film die je op zondagavond zag. Iets over generaties vrouwen. Het geluid van het vallen. Ze vallen in hun pijn.

Alle treinen rijden weer. Het station lijkt blij.

(Het is de laatste week van het jaar 60, besef je ineens. Het is zo snel gegaan.)

Afspraak met een vriend. Doorpraten. (Iets over leven in waarheid, iets over strategie.) Het stelt je gerust. (Het is er nog.)

(Je bent na twee weken terug waar je wilde zijn. En toch is er iets veranderd, misschien is dat goed. Je hebt iets geleerd.)

Je bereidt de documenten van de vergadering voor. (Iets aarzelt nog.)

Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel legt uit dat hij vijf talen spreekt. Je bent blij voor hem. (Zou hij vaak die vraag krijgen?)

Je kijkt naar het lijstje.

Je denkt: misschien moet ik een opiniestuk schrijven. Je schrijft een opiniestuk. (Multitasken tijdens de middagpauze.)

(De stroom aan gedachten wordt rustiger, legt zich neer, na de woorden. Je hebt ze heel zorgvuldig gekozen. Je zult wel weer te zacht zijn. Het is niet erg, denk je. Het zijn jouw woorden.)

Die avond. De theatervoorstelling, een musical, eigenlijk. Je was een beetje moe, neemt je voor om gewoon mee te gaan met wat je zult zien. Het duurt even eer je mee bent. (Iets met woorden.) Je voelt – zoals zoveel anderen in de zaal – iets als: dit gaat ook over mij. Het beweegt mooi naar een vorm van verzet die jij ook zoekt. (In jouw woorden.) Laten we zeggen dat dit of dat bullshit is. Laten we het ownen, dat we Gutmenschen zijn, wat al die cynische politici ook zeggen. (Nooit cynisch worden, dat was het plan.)

Een andere dag. Eerst even koffie drinken met een vriend. Misschien kan hij het gebruiken. (Je bent blij dat je er mag zijn.)

Je probeert met je collega de finesses te begrijpen van het registratiesysteem. (Het is niet helemaal te begrijpen, is de conclusie. Wat misschien wel een vorm van troost is.)

Je krijgt een positief antwoord voor je opiniestuk. Even wachten nog. (Het is goed, denk je, je zult het minstens geprobeerd hebben. En voor daarna verlang je naar andere woorden.)

De mevrouw in de trein doet haar best om de hele rit zo hard en zo ver mogelijk te hoesten.

Je praat met een vriendin over een tekst. Je probeert te vertellen hoe de tekst werkte voor jou. (Teksten zijn aanraakbaar. Teksten kun je zien.)

Je denkt na over troost, probeert iets te verwoorden. (De dingen trekken zich terug in de woorden, er zijn geen franjes. Ze zijn doorzichtig.)

Een volgende dag. Op weg naar de conferentie. Een uitgebreid gesprek in de trein.

Je luistert naar de presentaties. Het is heel interessant. Je kijkt rond, stelt vast dat je mogelijk bijna de oudste bent in de zaal.

In de namiddag, mooie gesprekken, boeiende verhalen. (Ik moet vertrekken, sorry.) Bij het buitengaan praat je nog even met een van de sprekers. Je vertelt dat er ooit een link was tussen de winkel van je ouders en het bedrijf waar zij werkt. (Het lijkt ineens zo lang geleden.)

Een beetje verdwijnen in de treinrit. (De woorden van het tijdschrift, het ritme, meer wil je niet.)

Even over huis, en dan weer vertrekken voor de boekvoorstelling.

In de trein lees je verder in het boekje over moederschap. Het ontroert je, wat ze schrijft.

Je zoekt een zachte plaats, in de marge van de boekvoorstelling. Je maakt nog enkele foto’s, stuurt ze door.

(De buik.)

(Je had met jezelf afgesproken dat je die balans van het jaar dat je zestig werd zou af hebben voor dat jaar voorbij zou zijn. Je hebt nog even tijd, niet veel meer.)

Een nieuwe dag. (In je droom probeerde je heel erg hard om op je fiets vooruit te komen, het lukte nauwelijks. Je benen leken loodzwaar. Je wordt wakker met stijve benen, bijna verkrampt.)

Een vroegere trein, om wat eerder aan de vrijdagtekst te kunnen beginnen. Je bent helemaal alleen op het werk. De collega’s zijn allemaal al op de conferentie, jij gaat straks. Alleen de poetsmevrouw zul je zien die ochtend.

Alles net op tijd klaar, nog even de plantenronde, en dan loop je naar de metro. Je bent nog netjes op tijd voor het namiddaggedeelte.

Je zit op het podium, modereert het gesprek met die vijf mensen. Je probeert het een zachte stroom te geven. Het lijkt te lukken.

Even praten over de telefoon met je zus. (Je vertelt over de vorige week, over schaamte, over wat je leerde.) (En de films die ze zou moeten zien.)

Die avond schrijf je verder aan de balans. (Elk stuk vraagt toch veel energie. Alsof je jezelf moet modelleren of zo, onvermijdelijk.)

(Misschien had je vooraf, bij het begin van dat jaar, grotere antwoorden op grotere vragen verwacht. Het is anders gegaan. Maar bij het schrijven merk je dat er dingen veranderd zijn, dat zich een lijn lijkt aan te dienen. Iets met zachtheid. Misschien is dat de bedding.)

De volgende ochtend. Je bent weer eerst in de winkel. (Zoals elke week.) Jij bent onze klok, zegt de mevrouw van de winkel. Er is nog een man in de winkel die even voorspelbaar is als jij.

De rugzak met die scheur erin wegbrengen voor reparatie. (Helen, het is een mooi woord.)

Koffie drinken, met je maatje en zijn vrouw. En een mooi cadeau. Dit jaar begint te kantelen, het is daar.

31 januari 2026

Iets met schaamte


Je weet niet goed hoe je aan de week moet beginnen, je past niet in jezelf.

(Het droeve moment van het weekend beweegt nog in je lichaam. Diepe huidlagen. Verdriet van een familie, het raakte meer dan je had verwacht. Die gesprekken met vrienden, en wat ze bij jou leken te leggen. Die heel mooie en heftige film de vorige avond. Iets gedacht over troost. De plotse adempaniek, niet kunnen landen. Nauwelijks geslapen. Uitzonderlijk.)

Je moet iets vertellen, je hebt het in je hoofd voorbereid, al dagen. (Iets heeft je in de hoek gedrumd, zo lijkt het.) Het gaat niet zoals je wilde, je maakt een fout, zoals je normaal niet zou doen, je bent alleen maar onrust. (In de grote orde der dingen is het niet zo erg waarschijnlijk, maar voor jou wel.)

(Honderd dingen gaan door je heen. Diepe huidlagen. Je probeert tegen jezelf te zeggen dat je moet kijken naar wat er gebeurt. Het lukt niet. Waar kwam dat allemaal vandaan? Het gaat over liefde, zou je later kunnen zeggen, voor je zelfgekozen familie. Kwaad op jezelf. Extreem alleen. In de war.)

Je stuurt een bericht naar een vriendin. Ze zegt de juiste dingen. (Een kleine haven.)

(Je weet dat het nog enkele dagen zal duren, eer het door je heen is. Je zult moeten terugkeren, naar jezelf. Je kunt alleen maar wachten. Het is de herinnering van je lichaam die sprak.)

(Schaamte.)

Je zoekt een ritme voor de rest van de dag. Je collega is aanwezig, het doet je goed, terwijl jij afwezig bent, in het daar zijn.

(Zoeken naar een positief aanknopingspunt. Iets doen, trots, terug aansluiten bij die kant.)

Nacht in etappes. (Je huid blijft nog lang natrillen, je ademt het niet weg.)

Een andere dag. Je stapt naar de trein. Zal het ook vandaag meevallen? Er zijn genoeg treinen.

(Iets wacht nog steeds op een definitief onheil, een definitieve afwijzing. Het is een stem, weet je.)

Je werkt verder aan de dingen. Het lijstje geeft rust. Je betast de toetsen heel zorgvuldig. Ritme.

Je bent niet alleen op het werk, de dingen gaan gewoon verder. Iedereen herkent je, alles is gewoon, zoals het ook vorige week was.

(Iets wacht.)

(Een idee, je zou dat kunnen doen. Verbinden, zoals je altijd doet. Niet te snel, zeg je. Het kantelt.)

Je gaat langs bij de samenkomst die het begin is van een campagne. Blij om met enkele mensen te kunnen spreken. Het is mooi, hun gedrevenheid zien.

Daarna het concertje. Je vindt een plekje waar je stil kunt zijn, alleen maar hoeft te kijken en te luisteren. Het is zo mooi, hoe hij heel zacht zingt en speelt. En hoe zij met de contrabas omgaat. (Het was ooit je droom, contrabas.)

Je loopt door de stad naar huis. Het lijkt een gewone week.

Die nacht, een zin voor het gedicht.

Een andere dag. De handen van de kinesiste doen je goed. (Een beetje landen.)

Het is goed daar te zijn, denk je, terwijl je van zo hoog naar de stad beneden kijkt. Je ziet vliegtuigen die zich klaarmaken om te gaan landen.

(Iets in je huidlagen begint zich te ontspannen. Alsof het gevaar bijna weg is.)

(Lichte schaamte.)

De dingen doen. Kantelen in doen, strijdbaar zijn.

Een boeiende lange vergadering. De begeleider prikkelt je hersenen. Een heel mooi gesprek. (Je mag, er gebeurt niets.)

Die avond. Het is tijd voor het gedicht. Je hebt die ene zin. Je kijkt naar de woorden die volgen. Ze gaan een richting uit die als een omweg is. (Dat zeggen ze je.) Je laat hen een andere kant gaan. Een open kant, zonder omwegen. Je volgt het ritme. De woorden schrijven zichzelf. (Het is ook dit keer natuurlijk weer geen goed gedicht geworden, maar het is er. Het lijkt rustig, het lijkt zichzelf niet te verbergen, het is goed zo.)

Een andere dag. Het gedicht vertrekt. (Het is een deel van het ritueel, zoals elk jaar. Het is goed.)

Je denkt aan je zus. (Dit gaat over onze familie, zeg je haar.) Het legt zich neer.

De vergadering. Je kijkt naar je stem.

Op tijd weer naar huis, om dan daar straks op tijd te kunnen vertrekken.

Je wacht aan de bushalte. De mevrouwen naast je zijn app-professionals, kunnen van alle bussen die nog gaan komen zeggen of ze al onderweg zijn. Jouw bus heeft een half uur vertraging. Daar is ze.

In de bus krijg je een bericht van een vriendin. (Ze heeft dezelfde huidlagen, je kent de hare, zij de jouwe. Ze ziet het gedicht.)

De nocturne in het museum. De tentoonstelling raakt je diep. Je kijkt naar een pijnlijke bladzijde uit de geschiedenis. Je rijdt terug met een vriend. Je luistert naar mooie verhalen die je ontroeren.

Je antwoordt nog rustig op het bericht. (Ze zal je begrijpen, dat weet je. Jullie delen een huid.)

Een andere dag. Er rijden nog steeds genoeg treinen voor jou.

Je mag een bericht in de wereld sturen. Je bent zo trots. (Daar wil je zijn, daar mag je zijn, het is goed.)

Je volgt de vergadering op het scherm. Je geeft de planten water. Je werkt nog enkele dingen af, maakt een lijstje met alle nog in te halen puntjes. (Rustige controle.)

Die avond ga je nog even met een vriendin naar een nieuwjaarsreceptie. (Men herkent je.) Je hoort iets dat je een beetje droevig maakt. (Alleen.) (Je hebt iets geleerd deze week.)

Net voor middernacht. Toch nog verse lakens op bed leggen, het is een goed moment.

Een andere dag. De boodschappenronde.

Dingetjes van je lijstje afwerken. (De dingen zijn teruggekeerd, het kan. Je legt bruggetjes.)

Met een vriendin naar een boekvoorstelling. Een verhaal over kanker. Het is soms alsof jij in je hoofd antwoordt op de vragen van de moderator. Sommige antwoorden lopen gelijk, andere gaan een andere kant uit. Je begrijpt iets over je ziekte. Alsof een intuïtie die je al langer had wordt ondersteund door wat je hoort. Het is goed.

(Je bent weer aan de andere kant. Genoeg.)

 

29 januari 2026

24 januari 2026

Waar het leven hapert


De week lijkt een beetje transparant in je agenda. (Verlangen naar een ritme.)

Anderen vergaderen daar, jij zit hier. (Thuisfront. Zoals elke dag zeg je merci tegen de poetsmevrouw, die elke dag verlegen iets terugmompelt.)

Je probeert de procedure te begrijpen voor de koffie. (Een van je kerntaken is de koffie-, thee- en chocoladebevoorrading. Soms ook koekjes, al moet het niet te wild worden natuurlijk. Er is nu een nieuwe ingewikkelde procedure, zo blijkt. Tot nu toe was de procedure zoals thuis voor je keuken: even in je hoofd overlopen wat er nog in de kasten staat, en dan op tijd aanvullen. De nieuwe procedure werkt niet zoals je hoofd, dat is de samenvatting.)

Een andere dag. De meneer in de krantenwinkel herkent je. Tot volgende week, zegt hij. (De wereld kan voorspelbaar zijn.)

(Onderhuids een onrust in je lichaam. Wat zal er gebeuren de volgende dagen? Die eikel is toch zo eindeloos vermoeiend. De brief die hij verzond: de woorden van een misbruikende echtgenoot. Koude rillingen.) (Een laag diep in je laat zich zien, is gealarmeerd. Immer alert.)

Het namiddagseminarie. Je had alles netjes voorbereid. (De vorige dag nog een boek gehaald voor de spreker. Niet volgens de geijkte procedure.) Het is boeiend. Je bewaakt de timing strak. Iedereen lijkt tevreden.

Hollen om die trein te halen om op tijd op je afspraak te zijn. De wagon zit vol met scholieren uit Eupen. De mevrouw naast je, uit Luik, legt uit dat ze de hele tijd van plaats wisselen. Je vraagt haar of zij dan ook mee moest doen. Voorlopig niet, zegt ze.

Een volgende dag. (Ergens, daar in de wereld, bouwt de spanning zich op. Je voelt het tot hier.)

(Je probeert iets te formuleren, heel omzichtig, heel voorzichtig. Je kijkt naar hoe je de woorden kiest.)

In je hoofd stuiteren de zinnen over elkaar heen, gedachten flitsen heen en weer. (Misschien moet je morgen een stuk schrijven? Misschien zal dat helpen?)

Die avond sta je tegen het scherm te roepen.

(Je ziet in je hoofd een soort lijn, die al die zinnen zou kunnen ordenen. Tijdens de nacht bewegen de zinnen verder, autonoom.)

Een nieuwe ochtend. Je hoofd is een beetje mistig. Het nieuws. (Beweging, lichte opluchting, lichte verwarring.)

(Toch maar een stuk schrijven? Een stuk schrijven. De woorden razen op het scherm, je kunt je vingers nauwelijks volgen. En naar de krant sturen. Iets legt zich een klein beetje neer.)

(Hoe één zieke, akelige, wrede, zielige, weerzinwekkende, gevaarlijke, walgelijke man zoveel mensen tegelijk kan uitputten, het is een raadsel.)

(Antwoord van de krant, dat het toch niet zal lukken. Een andere plek afspreken.)

Een nieuwe dag. De tekst gaat de wereld in. (Niet meer dan een kleine rimpel. Maar je hebt het gedaan, iets zegt je dat dat goed is.)

Een mooi gesprek met een vriend, je wilt er voor hem zijn. Je kijkt naar hoe hij denkt, je mag kijken. (Plekken.)

Die avond. Je schrijft verder aan je balans van een jaar. (Als je het zo zegt, klinkt het zo belangrijk.) Je probeert iets te zeggen over verdriet. Hoe zou je dat in lichte woorden kunnen omschrijven? (Zorgen de woorden voor een vorm, voor iets dat heelt, of voor afstand?) Het maakt je moe.

Een volgende dag. (Je keek niet uit naar deze dag, dat voelde je, de voorbije dagen.)

Je bent te vroeg aan de bushalte, zoals steeds. Je kijkt.

Je loopt door het park waar de doden zijn. Er is zoveel licht, het gras lijkt niet te wachten, het is gewoon.

De dienst begint. Je zit tussen je familie. (We zijn er weer, denk je.) Het weegt.

Voor je zie je hoe kinderen heel zachtjes hun mama troosten. Het is zo breekbaar mooi. (En dat wat weegt, het is zo groot.) Je zou het willen, zonder dat iemand het zou zien. Je zou het zo graag willen, zwaarte wegnemen in dit hier. Dit hier is als een eindpunt van geaccumuleerde zwaarte.

Je luistert naar de verhalen, je ziet de foto’s.

Ze gaat naar voor, zegt de woorden. Over haar zus die er niet meer is. Het is hartverscheurend. Je ziet alle woorden, je ziet alles. (Woorden beschermen.) De lichtheid is zo zwaar. Ze is omringd door kleuren, de schilderijen van haar zus. (De kleuren waren haar leven, toch waren de kleuren niet sterk genoeg om haar in het leven te houden.) Je zou het willen, zonder dat ze het zou merken, dragen, al is het maar even.

(De rivier in je. Er is zoveel verdriet in deze familie. Intens droef. Intens kwaad.)

Mooie gesprekken, een geschenk. (Je voelt je klein.)

Het is goed, bij je familie zijn, in dit hier. Je kijkt. (Je zou zoveel verhalen willen horen.)

Je bent te vroeg aan de bushalte. Je kijkt.

Onderweg vult de bus zich langzaam. Het maakt je rustig. De hele wereld zit in de bus, zo lijkt het. Het maakt je zacht. Kom maar naast me zitten, zeg je tegen de vrouw die even lijkt te aarzelen. Je zou het willen vragen, wat haar verhaal is. Je doet het niet. Je kijkt naar haar handen. Je bedankt haar bij het uitstappen. Ze glimlacht.

Je fiets heeft rustig op je gewacht. Tijd voor de boodschappen. Het ritme. Het leven.

17 januari 2026

Wortels


En zo trekt de koude zich weer terug. (Later die week hoor je ’s morgens vroeg vogels fluiten, terwijl je naar het station loopt.)

De meneer komt langs om je ketel te herstellen. Hij legt alles uit, zodat je het ook zelf zou kunnen proberen. (Misschien is dat wel te spannend voor jou.)

Je opiniestuk gaat de wereld in. (Het beweegt, denk je. Misschien was het goed dat je het deed.)

Het webinar. De voorstelling van een nieuw rapport. (Je zou willen roepen tegen het scherm, iets als: ZUCHT! Zinnen razen door je hoofd.)

(Dat ding op je lijstje, je zou het moeten bekijken. Misschien morgen.)

Een andere dag.

(Volgens je agenda mag je gewoon de dag volgen, zoals die zich aan je zal laten zien. Dat is een mooie gedachte.)

(Je weet nog altijd niet of je die balans zou uitschrijven of niet. Je hebt nog enkele weken. Zestig jaar zijn brengt zware verantwoordelijkheden met zich mee in het kader van de zelfopvoeding, blijkbaar.)

De volgende dag.

(Wat bezielt die mensen, denk je. Zoveel haat, zoveel bagger… Iemand is een vrouw, iemand is zwanger, iemand is politica, iemand wil ervoor zorgen dat een kind veilig in de wereld kan komen. Dat alles volstaat blijkbaar voor zo’n lawine. ZUCHT!)

De avondvergadering. Even wordt het een beetje moeilijk. (Je ziet lijnen.)

En nog daarna even naar de nieuwjaarsreceptie. (En ’s nachts zinnen die door je hoofd gaan.)

Een andere dag. Snel beginnen in de ochtend met je bijdrage voor het nieuwjaarsetentje. (En toch nog een trein eerder dan je verwacht had.)

(Een verhaal over helen.)

Etentje met de collega’s. Verhalen over woorden uit het Nederlands die een plaats zoeken in het Frans. De volgorde van de grootste steden van Frankrijk. (En op tijd de afwasmachine vullen.)

De boeiende sessie over circulair bouwen. (Je hoort nog een mooi verhaal over je nieuwjaarskaart die haar bestemming bereikte. Hoe blij ze was. Het maakt je gelukkig.)

De volgende dag. ’s Ochtends nog even langs de dokter voor het voorschrift en die spuit.

De vrijdagtekst. (Terwijl denk je aan de andere tekst die je straks nog moet maken.)

Snel de weekendboodschappen doen. (Je, weer thuis, afvragen waar dat ene ding is gebleven. Een verdwijnboodschap, zoals een verdwijnsok in de was.)

(Het beeld van een baby op je buik. Het is hier warm, zeg je, ik ben er, slaap maar.)

(Je best doen om niet in slaap te vallen voor de televisie.)

Een vroege ochtend. (O ja, het is zaterdag.)

Je staat te wachten op het perron. De trein komt eraan. De conducteur stapt uit en vraagt of jij de machinist bent die de trein zal overnemen. Toch niet, zeg je. (Misschien was dat een compliment.)

(Wat bezielt die vreselijke man, denk je. Zoveel haat, zoveel wil tot kwetsen. Iemand is vrouw, iemand wilde vrouw zijn, iemand is vrouw, iemand is zichzelf. Dat alles volstaat blijkbaar voor zoveel ontkenning van het bestaan van een ander. Zoveel angst voor zichzelf. ZUCHT!)

Op weg naar het noorden. Straks op bezoek bij de doden, met je zus. De bus rijdt door het landschap van je jeugd.

Het graf van je oma die jullie nooit gekend hebben. (Ze was nog zo jong toen ze stierf, met al vijf kinderen.) Je vraagt aan je zus om verhalen te vertellen. Je wilt verhalen horen.

Het grasveld waar je moeder is gebleven, dicht bij de plek waar haar moeder zo jong stierf. Een mooi gesprek over wortels. (Wat heeft deze streek met jullie gedaan? Welke lijnen zijn er.)

Het graf van je vader, het graf van je grootvader, het graf van je grootmoeder. (Iets is in de tijd verdwenen.)

En alle verhalen, jullie verhalen.

Je loopt nog even langs het huis. Het zegt niets meer. (Het is in zichzelf verdwenen.)

We hebben dat goed gedaan toen, zeg je.

De bus laat even op zich wachten, vertraagd door die eeuwige file in het dorp. De bus beweegt zacht door het landschap. De trein heeft enkele minuten vertraging waardoor je die nog net kunt halen. (Het is altijd goed hier weer te kunnen vertrekken. Zo ben je minder afwezig.)

(Iets is verdrietig.)

(Wat je zou schrijven, als je het toch zou doen. Waarom je niet als ik kunt schrijven, waarom het je moet zijn.)

10 januari 2026

Sneeuwdrager


De eerste week terug. In het nieuwe jaar. Je bent blij dat je weer in de trein zit. (Je was ondertussen gewend aan het andere ritme, maar het is goed.)

(De plek ontvangt je rustig, is blij, voorzichtig.)

Tussen alles door ook nog de laatste nieuwjaarskaarten. Je brengt ze weg. (Iets mag bijna gaan liggen.)

Je leest een artikel in de krant, over een studie. Je ziet de vermoeiende reacties. Je denkt: zal ik een opiniestuk schrijven? Je schrijft een opiniestuk en stuurt het op. (Iets met wat je je had voorgenomen.)

De eerste avondvergadering van het jaar. (Je kijkt naar verhalen.)

Een andere dag. (Je hebt een min of meer droge route naar het station gevonden, waar de aarde je niet loslaat.)

Een nieuw lijstje. (Het moet nog een beetje op gang komen, denk je. Het lijstje heeft nog niet veel zin in zichzelf.)

(Moet je je goede voornemens ook echt opschrijven, of mogen ze vrij zweven door je lichaam?)

Je afspraak. (Iets schuift netjes in zichzelf. Iets herkent zichzelf.) Trage zinnen. Je vertelt haar het verhaal dat al een tijdje wachtte. (Je bent nadien blij dat het weg is.) (Je probeert bij jezelf te blijven, iets met die voornemens.) Een traag afscheid. (Een herinnering aan drijven, dat beeld is al genoeg, denk je.)

Lichter.

Een andere dag. (Iets hangt in de lucht.)

Op de tafel bij de kinesiste. (Uitgedeukt voor het nieuwe jaar.)

Je krijgt een droevig bericht. Iemand is er niet meer, je schrikt. (Je zag de vorige dagen nog haar kleurige schilderijen passeren, en nu ineens is ze er niet meer.) (Je denkt aan zwaarte, je zou iets lichter willen maken.)

Daar beneden is het verkeer stilgevallen door de hevige sneeuw. De bussen staan dwars over de weg, taxi’s schuiven weg, die meneer op zijn brommertje schuift achteruit. De drie politieagenten proberen het verkeer te regelen, maar lijken niet goed te weten wat ze dan zouden moeten regelen. Ze gaan dan maar even mee duwen bij een auto. Een ambulance probeert als schuivend en slalommend vooruit te komen. Een klein tractortje met strooizout beweegt naar de bussen.

(Het wordt niets met die krant, je stuurt je stuk naar een andere plek. Het antwoord is positief, waarschijnlijk.)

(Je bent waarschijnlijk weer de enige van het hele gebouw die in staat is sneeuw te ruimen. Er zijn nog zekerheden.)

De vergadering, op het scherm. Er gaat technisch iets fout, alleen je stem kan meedoen, je hoofd niet. (Is misschien niet zo  erg.)

Die avond wil je niet gewoon thuis zijn. Je gaat naar de film. Wat een bijzondere film. Wat een geweldige actrice. Heftig, rauw, poëtisch, ontroerend. Leven in fragmenten, herhalingen, langzaam je brokstukken bij elkaar rapen. Verenigen zal nooit meer lukken, ze bij elkaar laten schuilen, dat kan wel. Ook in afwezigheid kun je zijn. (En ja, je voelt aan alles dat die film door een vrouw gemaakt is. Dat zul je ook aan je collega zeggen.) Een vriend zat ook in de zaal, zo blijkt. Jullie lopen samen door de stad.

Een volgende dag. (Het voorziene concert van die avond is verplaatst, het verandert het ritme van je dag.)

De vergadering mag snel gaan, denk je.

(Een dagelijkse portie verbijsterend nieuws over een zieke wrede man. Het is een oefening.)

In de metro op weg naar de vergadering. Je kijkt naar de wereld.

Je krijgt een bericht over de naderende storm. Je kijkt naar de regen.

Ergens midden in de nacht word je wakker van een oranje zwaailicht buiten. Een man is een straatlamp aan het vervangen.

Een andere dag. Op weg naar het werk waai je bijna omver.

Je werkt de vrijdagtekst af. (Terug in dat ritme, je kunt er een beetje in verdwijnen.)

(Hoe zat het nu ook al weer met al die grote vragen die je ging oplossen in het jaar zestig?)

De receptie van die avond. Zou je toch niet met de bus gaan? (Wat zou je aandoen? Dat ene hemd is niet echt goed, denk je.)

Je fietst naar de receptie. De regen is nat, stel je vast.

Gesprekjes hier en daar. (Je bent zo blij dat hij er weer is, gezond en wel.) (Iemand komt je vertellen dat hij de tekst van jouw nieuwjaarskaart heeft gekregen. De tekst beweegt, zonder dat je het wist, hoe mooi.) (Je bent blij haar te zien.) (Zou hij je nog kennen? Ja hoor, een aangenaam gesprek.) Je vertrekt niet te laat, praat nog even met de mevrouwen van de garderobe, ze hebben het koud.

Een andere dag. Op weg voor de boodschappen. (Het lijkt hier en daar toch erg glad te zijn.)

Een afspraak met een vriendin. Een traag gesprek, het doet je goed. (En de vragen die je nog niet opgelost hebt.)

Op weg naar huis. (Misschien moet je die balans van het jaar wel uitschrijven, misschien is dat een goede oefening?)

Op weg naar de nieuwjaarsdrink. (Het is koud aan het worden.) De bomen langs de weg, op de flank van de berg zien er wonderlijk uit. Op elke tak – zo lijkt het – is voorzichtig sneeuw gestapeld. Het is als kunst. De zwaarte lijkt de takken niet te deren, ze zijn zichzelf, ze vallen samen met zichzelf.

(Zouden takken ook huidhonger hebben soms?)