De week lijkt een beetje leger. Het mag.
(De rugzak is blij dat hij er weer bij is.)
Een vraag. Kunnen we kennismaken? Ja. (Je kijkt even achterom, gaat het wel over jou?)
(Je denkt nog aan de vorige dagen, alsof alle verhalen zich nog traag op elkaar moeten leggen.)
(De dingen die je nog moet doen, je zou ze in hoopjes willen leggen.)
De documentaire op de televisie. Je kijkt. (Kwaad, verdrietig, geschokt, …) Je roept naar het scherm. (Iets over mannen.)
Een andere dag. Nog even thuis werken. Een lange telefoon. (Je luistert naar de woorden.)
De vergadering. Je schrijft de woorden in het schriftje. (Je zou trager willen schrijven.)
Reacties op de documentaire. (En weer – zucht – zijn er mannen – zucht – die zich geroepen voelen – zucht – om er toch even op te wijzen dat – zucht – vrouwen ook, en dat alle mannen hier weer onterecht – zucht – in een slecht daglicht…) (Je roept iets naar het scherm.)
Belangwekkend breed maatschappelijk onderzoek, met de collega’s. Met wie zou jij graag eens een koffietje gaan drinken? (Vrij te kiezen uit de hele wereld.) Het levert, zoals verwacht, belangwekkende wetenschappelijke data op.
De afspraak. (Onderweg op de fiets besef je, zoals steeds, dat je veel te vroeg daar zult zijn.) (Klein beetje zenuwachtig.) Daar komt ze binnen. Een heel boeiend gesprek. (Oei, is het al zo laat?)
Een andere dag. Stil op het werk.
De laatste beleidsnota’s zijn gelezen. Je werkt je nota af. (Blij.)
(Een suboptimale buikweek. Zucht.)
Het is warm buiten. De terrasdrang slaat toe bij velen. (Het maakt je om een of andere reden verdrietig.)
Die avond. Met een vriend naar het concert. Je weet nog niet helemaal wat je kunt verwachten. De muzikanten komen op het podium. Er gebeurt iets daar, dat zie je. In het eerste deel spelen ze die ene bijzondere plaat helemaal. Zo mooi, hoe je de muziek ziet bewegen, hoe ze een stroom volgen, ze zijn zo goed. In het tweede deel nog een aantal bekende nummers van die groep. (Je herinnert je het meeslepende geluid, organisch. Je ziet hoezeer die bas en die drum de bodem vormen van al het andere. Je ziet hoe de drumster en de bassist de stroom maken.) En dat ene nummer, dat nog dagen in je hoofd zal zitten. (Misschien moet je nog eens de teksten opzoeken, om die spirituele dimensie nog wat beter te begrijpen.)
De volgende dag. Niet meer alleen op het werk. Verhalen.
(Er zit ergens een knoop tussen je schouders, merk je.)
(De muziek van de vorige dag is er nog, in je huid.)
Een korte vergadering. (Dat was het plan.)
(Je denkt aan troost, je ziet iets.)
Na het werk, even je nieuwe jeans ophalen. (Ze voelt zo zacht.)
Een andere dag. Je begint vroeg, thuis. Je knutselt de tekst in elkaar. (Alsof je het in één lange adem doet. Daarna mag je even ontspannen.)
Je krijgt een bericht, iets over drijven. (Je ziet het beeld weer voor je.)
Op tijd vertrekken voor het bedrijfsbezoek. (Onderweg op de fiets, andermaal, beseffen dat je veel te vroeg daar zult zijn. Het is goed.)
Je luistert aandachtig naar alle presentaties. De ene na de andere, zoveel acties. Je probeert dwarse vragen te stellen. De vrouw naast je vraagt of ze ook jouw droomvraag krijgt. Het is boeiend. (Je leert ook iets over hoe jouw hoofd werkt. Het is goed.)
Op weg naar huis fiets je weer langs het grote ziekenhuis. (Langs deze weg fietste je toen naar je chemo en bestraling, soms komt het even terug.) Je bent moe.
Een andere dag. De boodschappen. (Het kwam nog aan bod in dat gesprek, eerder van de week.)
Koffie drinken met je maatje. En de laatste boodschappen.
De rest van de dag mag stil zijn, denk je.
Onderweg. De takken met hun felgroene knoppen groeien door de mazen van het hekwerk. (Alsof het leven altijd sterker is.) (Alsof het leven is wat je ervan maakt, en dat je dat kunt vieren.)
Het is goed.






