13 maart 2026

Laten we even gaan wandelen


Een nieuwe week. (Hoe zal het met de treinen zijn? Zul je plaats hebben?)

(Grr, dat oog is nog altijd niet helemaal in orde. Zouden die druppels wel goed genoeg helpen?)

Het is rustig op het werk. Je haalt dingen in. (Je hebt heen en weer zitten schuiven op je lijstje, het wordt tijd dat het verandert.)

Een vroegere trein terug, een poging. Er kan geen muis meer bij. Een volgende dan maar. (Misschien moet je je toch verontschuldigen voor die avondvergadering?)

(Toch maar die zalf halen bij de apotheek, hopelijk zal het dan snel beter zijn met je oog.)

Je kunt de vergadering digitaal volgen. (En tegelijk probeer je werk in te halen. Alsof je je zou moeten verantwoorden, denk je.)

De derde aflevering van die reeks. (Het maakt je telkens zo opstandig, die mannen… En het is zo ontroerend, hoe ze praten over hun dochter die er niet meer is, een vader en een moeder. Hoe ze in dat verdriet zacht bij elkaar kunnen zijn. Het moet zo onmetelijk zijn, denk je.)

Een volgende dag. De meneer in de krantenwinkel ziet dat je oog nog altijd niet oké is.

Het is druk op het werk. (Het verandert de ruimte, denk je, hoe de energie beweegt. En het licht, misschien verandert het ook. Hoe je kunt bewegen in het licht. Je kijkt.)

(Een minister heeft – vriendelijk gezegd – suboptimaal gecommuniceerd. Het lijkt of hij echt zijn best heeft gedaan om het voor zichzelf nog moeilijker te maken dan het al was. Oeps. Dat zoveel mensen zo kwaad zijn, het is alsof het je geruststelt. Je hoeft je dus nog niet aan te passen aan zoveel miskenning.)

(Je krijgt bericht dat je afspraak later die dag niet door zal gaan. Iets met drijven. Je had al een beeld. Al weet je niet of het zou passen bij wat het in het echt zou zijn. Het beeld mag bij je blijven.)

Je neemt een trage trein terug, dan kun je rustig zitten. Je maakt een hele nota in die ene rit. Alles in je schriftje, je moet het straks gewoon nog uitschrijven.

Je haalt de cd op die je bestelde. (Die muziek is zo mooi, de beelden van dat concert komen terug. Er werd iets aangeraakt, die avond.)

Die avond, in de zaal. De kandidaten vooraan leggen uit waar ze voor staan. De zaal zit vol, het ontroert je. (Je bent trots, je bent dankbaar, je bent moe, je bent rusteloos door die ene vraag, je kijkt rond, je ziet hoe oud je bent, je laat je verrassen, je zou nog zoveel mensen even iets willen zeggen, blij dat ze er zijn, en nog…) Napraten. Dag zeggen. (“Ken je mijn naam nog? Woew!”) In etappes naar huis gaan, blij dat de avond voorbij is. (Je bent te moe om nog op dat ene berichtje te antwoorden, je zegt het haar.)

Een andere dag. Een overleg, met de man op het scherm. (Beetje blij dat het niet te lang zal duren.)

(Onderhuids rusteloos. Iemand zal op deze dag het leven loslaten, vertrekken uit de pijn. Er is een stilte die met je meeloopt, de hele dag.)

Een mooi gesprek. Je kende haar nog niet. (Zoveel jong leven. Even zie je het voor je: alle tijd die nog op haar wacht.)

Je begint aan die documenten, het werd tijd. (Gewicht weghalen uit het lijstje.)

De avondvergadering. Je stelt je vragen. (Wat maakt je gelukkig, wat maakt je nog wat rusteloos?) Voor ze antwoorden kijken ze telkens even naar omhoog.

(Je bent moe.)

De volgende dag. Alle treinen rijden terug. (Al hebben ze al meteen een vertraging, en zijn ze korter.)

In de stad beginnen mensen zich klaar te maken voor de grote betoging, later die dag.

Je krijgt een bericht. (Ja, ze is niet meer in het leven. Het maakt je droef. En je bent blij voor haar, dat het lijden voorbij is. Je had haar nog zoveel leven gegund.)

Door het raam van je werk zie je hoe beneden duizenden mensen zich verzamelen. Af en toe zie je een grote ballon die zich losmaakt van de mensen, om te vertrekken.

(Je afspraak van die avond wordt uitgesteld. Het is ook iets met leven en dood. Het maakt je droef.)

Je ziet dat het de verjaardag is van je grootmoeder. Even rekenen, ze zou 123 geworden zijn. (Zou je haar mogen missen? Zou je iemand mogen missen?) Laten we even gaan wandelen, zou je haar willen zeggen. Jouw arm in de hare. (Alsof je haar een klein beetje omhoog zou trekken, zodat ze zeker niet zou kunnen vallen. Ik zorg ervoor dat je niet valt, nooit, zo kun je bij me blijven. Ze zou vragen hoe het met je gaat. Je zou zeggen dat het goed gaat. Het zou goed zijn.)

Of je een opiniestuk kunt schrijven voor hem? Je schrijft een opiniestuk. (Hij zal de woorden nog moeten kneden, in de andere taal.)

(Je oog is eindelijk terug in orde, hoop je.)

Thuis zie je dat je de kiemen kunt oogsten. Ze groeiden de vorige dagen, in die glazen potjes. (Een mooi cadeau van haar. Je stuurt haar een foto van de oogst.)

Die avond werk je nog door. (Weer iets weg van het lijstje. Het begint anders te ademen.)

Een nieuwe dag. (Wakker worden door uit een bijzondere droom te kantelen.)

De vrijdagtekst afwerken. (Je kijkt naar de woorden.)

De dialoog die je hebt georganiseerd. Je luistert naar die ambtenaren. (Zou je ook een vraag mogen stellen?) Je stelt een vraag.

Je loopt naar het station. De trein die je normaal neemt staat op jou te wachten, zo voelt het. (Omtrein me, denk je, breng me naar huis. Het is tijd om thuis te komen.)

07 maart 2026

Gelijktijdig

 


Een nieuwe week in een nieuwe maand. (Ging de tijd vorig jaar ook zo snel?)

Je ziet dat het de sterfdag van je vader is. Het lijkt al zo lang geleden. (Eigenlijk was hij niet zo heel veel ouder dan jij nu bent toen hij stierf. Je probeert je te herinneren hoe zijn leven was toen hij even oud was als jij nu. Misschien kun je een beetje in dat beeld schuiven. Het lukt niet, iets met de tijd.)

(En ook de volgende dagen zul je kwaad blijven op die zieke oranje man. Elke keer kijk je met ongeloof en verbijstering en eindeloze weerzin naar zijn geraaskal. Alles, alles, alles is fout aan hem. Je roept tegen het scherm.)

Je hoort de minister van defensie op de radio. (Je roept tegen de radio. Een uitgebreid antwoord raast door je hoofd.)

Een vergadering op het kabinet van de minister. Het is alsof je even moet wachten op de woorden in je hoofd.

(Je zou tijd tussen de tijd willen schuiven. Je denkt aan de namen, ‘we moeten dringend nog eens afspreken’. Nu zou je het willen kunnen doen. Alleen maar tijd hebben voor hen, alleen maar luisteren en kijken.)

De tweede aflevering van die reeks. Het hakt er andermaal diep in. (Je ligt met tranen in bed, je zou iemand willen kunnen troosten, zou iets willen kunnen helen.)

Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel herkent je meteen.

De mevrouw tegenover je, in de trein. Je zag haar eerder ergens, weet niet waar.

Net op tijd voor de commissie, die namiddag. Je leert weer veel uit de bespreking van de dossiers. Ik was zo blij dat je erbij was vorige week, hoor je nog net voor je vertrekt. Ze vertelt je iets dat je ook droevig maakt.

(Je probeert iets te begrijpen over jezelf. In je hoofd is een daar om naar hier te kijken.)

Je zou nog zoveel moeten doen, het lukt niet allemaal. (Je zou een beetje willen leunen in de tijd.)

De volgende dag. De lange werkvergadering. Het voelt goed, dit samen denken. Je ziet de gedachten bewegen. (Je begrijpt nog altijd niet goed hoe dat werkt in je hoofd.)

Je luistert naar verhalen. (Je zou moeten verder werken, maar dit is belangrijker denk je. Dat werk kun je die avond nog wel inhalen.)

Die avond. Je blijft weer plakken bij die oude serie die opnieuw wordt uitgezonden. Die ene verpleegster, hoe ze is. Het raakt iets, diep in je huid. Alsof je ineens begrijpt hoe het kan zijn. (Je denkt ook nog even aan toen, die ene avond in het ziekenhuis, die ene verpleegster die vroeg of ze jou als laatste mocht verzorgen, zodat ze alle tijd kon nemen.)

Een andere dag. Je denkt aan iemand. (Ik moet haar een berichtje sturen vandaag, vragen hoe het met haar gaat.)

De vergadering. Je stelt de nota voor die je maakte. (Iets met strategieën.)

Je krijgt een bericht. (Gelijktijdigheid.) Wat ze schrijft ontroert je erg. (Waaraan heb je dat verdiend? Je kijkt even achterom.) Een geschenk, in de tijd.

Een afspraak. (Het is druk in het café, die avond is er in de zaal boven een première. Je ziet de acteurs.) Wat een boeiend, wervelend gesprek. (Het is mooi, denk je, dat je zoveel boeiende mensen mag leren kennen.)

De volgende dag. Zoals elke maand mag je even in die vergadering zitten.

Het is heel erg druk in de trein. De scholieren hebben alle plaatsen ingenomen. Ze zitten dicht bij elkaar, staan te dansen, lopen heen en weer. (Glimlach.)

Je probeert de tijd in te halen, voor de vrijdagtekst. De tijd voor die tekst laat zich niet plooien, merk je, zoals steeds. Je moet gewoon het ritme volgen, tot alles klaar is.

Terwijl de poetsmevrouw aan het stofzuigen is, begin je al met de planten. (Ze zijn blij.)

(Waarom werkt dat ene ding niet? Je had gehoopt alles nog netjes af te werken voor je zou vertrekken. Misschien wil de kosmos je iets zeggen.)

Een afspraak. Ze spreekt snel en intens. Je probeert zo goed mogelijk te luisteren. (Je zou haar ook graag gewoon wat rust in haar hoofd geven, denk je.)

Bijna thuis. Een gesprek met een vriend. Iets over een verlies. (De kosmos heeft een plan, zo blijkt later.)

(Eerst proberen dat ding in orde te krijgen, zodat je dat bericht kunt publiceren. Het lukt uiteindelijk, het kan bewegen.)

Die avond. (Die actrice is beter dan de serie, denk je.)

Dat ene moment, net voor je gaat slapen. Je begrijpt iets over de dag die voorbij is. (En toch nog snel verse lakens op het bed leggen.)

Een nieuwe dag. De boodschappenronde. De mevrouw aan de kassa vraagt je iets over het type pasta. Je gaat kijken. (Had ik nu maar mijn bril bij me…)

Onderweg naar je afspraak zoek je een beeld, iets dat past bij het verhaal van je week. Get lost! (Misschien stond je dat al de hele week te roepen tegen het scherm.)

Een bijzonder gesprek. Wat je hoort, het is een geschenk, denk je. Ze leert je iets over jezelf. (Het beweegt nog een tijd door je heen.)

Je kijkt naar de tijd.

28 februari 2026

Life's What You Make It


De week lijkt een beetje leger. Het mag.

(De rugzak is blij dat hij er weer bij is.)

Een vraag. Kunnen we kennismaken? Ja. (Je kijkt even achterom, gaat het wel over jou?)

(Je denkt nog aan de vorige dagen, alsof alle verhalen zich nog traag op elkaar moeten leggen.)

(De dingen die je nog moet doen, je zou ze in hoopjes willen leggen.)

De documentaire op de televisie. Je kijkt. (Kwaad, verdrietig, geschokt, …) Je roept naar het scherm. (Iets over mannen.)

Een andere dag. Nog even thuis werken. Een lange telefoon. (Je luistert naar de woorden.)

De vergadering. Je schrijft de woorden in het schriftje. (Je zou trager willen schrijven.)

Reacties op de documentaire. (En weer – zucht – zijn er mannen – zucht – die zich geroepen voelen – zucht – om er toch even op te wijzen dat – zucht – vrouwen ook, en dat alle mannen hier weer onterecht – zucht – in een slecht daglicht…) (Je roept iets naar het scherm.)

Belangwekkend breed maatschappelijk onderzoek, met de collega’s. Met wie zou jij graag eens een koffietje gaan drinken? (Vrij te kiezen uit de hele wereld.) Het levert, zoals verwacht, belangwekkende wetenschappelijke data op.

De afspraak. (Onderweg op de fiets besef je, zoals steeds, dat je veel te vroeg daar zult zijn.) (Klein beetje zenuwachtig.) Daar komt ze binnen. Een heel boeiend gesprek. (Oei, is het al zo laat?)

Een andere dag. Stil op het werk.

De laatste beleidsnota’s zijn gelezen. Je werkt je nota af. (Blij.)

(Een suboptimale buikweek. Zucht.)

Het is warm buiten. De terrasdrang slaat toe bij velen. (Het maakt je om een of andere reden verdrietig.)

Die avond. Met een vriend naar het concert. Je weet nog niet helemaal wat je kunt verwachten. De muzikanten komen op het podium. Er gebeurt iets daar, dat zie je. In het eerste deel spelen ze die ene bijzondere plaat helemaal. Zo mooi, hoe je de muziek ziet bewegen, hoe ze een stroom volgen, ze zijn zo goed. In het tweede deel nog een aantal bekende nummers van die groep. (Je herinnert je het meeslepende geluid, organisch. Je ziet hoezeer die bas en die drum de bodem vormen van al het andere. Je ziet hoe de drumster en de bassist de stroom maken.) En dat ene nummer, dat nog dagen in je hoofd zal zitten. (Misschien moet je nog eens de teksten opzoeken, om die spirituele dimensie nog wat beter te begrijpen.)

De volgende dag. Niet meer alleen op het werk. Verhalen.

(Er zit ergens een knoop tussen je schouders, merk je.)

(De muziek van de vorige dag is er nog, in je huid.)

Een korte vergadering. (Dat was het plan.)

(Je denkt aan troost, je ziet iets.)

Na het werk, even je nieuwe jeans ophalen. (Ze voelt zo zacht.)

Een andere dag. Je begint vroeg, thuis. Je knutselt de tekst in elkaar. (Alsof je het in één lange adem doet. Daarna mag je even ontspannen.)

Je krijgt een bericht, iets over drijven. (Je ziet het beeld weer voor je.)

Op tijd vertrekken voor het bedrijfsbezoek. (Onderweg op de fiets, andermaal, beseffen dat je veel te vroeg daar zult zijn. Het is goed.)

Je luistert aandachtig naar alle presentaties. De ene na de andere, zoveel acties. Je probeert dwarse vragen te stellen. De vrouw naast je vraagt of ze ook jouw droomvraag krijgt. Het is boeiend. (Je leert ook iets over hoe jouw hoofd werkt. Het is goed.)

Op weg naar huis fiets je weer langs het grote ziekenhuis. (Langs deze weg fietste je toen naar je chemo en bestraling, soms komt het even terug.) Je bent moe.

Een andere dag. De boodschappen. (Het kwam nog aan bod in dat gesprek, eerder van de week.)

Koffie drinken met je maatje. En de laatste boodschappen.

De rest van de dag mag stil zijn, denk je.

Onderweg. De takken met hun felgroene knoppen groeien door de mazen van het hekwerk. (Alsof het leven altijd sterker is.) (Alsof het leven is wat je ervan maakt, en dat je dat kunt vieren.)

Het is goed.

22 februari 2026

Zacht verzet


Een week met gezichten. Je zult veel mensen zien, je kunt kijken.

Je stukje vertrekt naar de wereld. (Of gewoon: vertrekt.) Je laat iets los. (Iets in je is een klein beetje zenuwachtig. Misschien laat je te veel zien. Of misschien is het net goed voor jou.)

Je stuurt je tekst door naar een vriendin, je denkt dat zij misschien blij zal zijn met wat je geschreven hebt. (Ze ziet het, je wist het.)

(Je denkt aan water.)

Een middagafspraak. Je zegt hem, op jouw manier, dat je trots bent op hem.

Een afspraak. Het is goed dat je je verhaal nog eens kunt vertellen aan haar. Het is goed dat je haar kunt horen. (Je maakt je een beetje zorgen.)

(Je krijgt een heel mooi bericht, het maakt je vloeibaar.)

Weer thuis, ze belt aan. Je bent blij haar weer te zien. Ze knipt je haar. (Wat is de geschiedenis van die grijze krullen? Waar kom je vandaan?) Haar verhalen ontroeren je. (Je bent blij dat ze in je leven is.)

Een andere dag. Je bent niet alleen op het werk. Verhalen. (Soms begrijp je iets over hoe oud je bent.)

(Je hoort iets over drijven. Beelden. Je herinnert je beelden van wat er nog niet was.)

Een afspraak. Je hebt net je plekje gevonden wanneer ze binnenkomt. Een verhaal over drijven. Een traag gesprek, iets over bewegen in je huid. En over wat niet weggaat. (We doen dat goed, denk je. Je bent dankbaar.)

Een andere dag. De kinesiste deukt je uit, zoals elke week. (Zacht blijven.)

(Je tekst beweegt rustig verder, zie je. Het mag, misschien. Misschien zijn jouw woorden niet van jou alleen.)

(Je denkt aan water.)

Je ploegt verder door de beleidsnota’s. Je ziet wonderlijke varianten van eloquent weinig tot niets zeggen. (Zouden de woorden ook pijn voelen? Zouden ze kunnen denken: ik wil niet in deze zin staan?)

Een lijstje met puntjes. (Iets aarzelt.)

Die avond. Je moet nu echt wel de recepten gaan kiezen voor het etentje in het weekend. (Zodat je er enkele dagen naartoe kunt denken.)

Een volgende dag. (Iets is opgewekt aan deze dag, merk je.)

De vergadering is kort. (Het is goed.)

Die avond, de schouwburg. Blij dat zij erbij is, een avond van mooie woorden. De schrijvers komen op het podium, een voor een. Verhalen over de liefde. Je kijkt naar de woorden. (Even denk je: ik weet weer waarom hij niet mijn ding is, ik moet het haar vertellen.) Je hoort haar voorlezen uit het boek dat je vorig jaar nog las, en het is alsof wat je toen las, ineens anders klinkt, met terugwerkende kracht.

Na de voorstelling. Je aarzelt, maar zegt haar dan toch dat je haar boek zo goed vond. Ze bedankt je. Je praat nog even met die andere vrouw op het podium, bedankt haar voor het mooie gedicht, en hoe ze het las. (Je bent verlegen, zoals steeds. Je beweegt in de amateurwoordafdeling.)

Een andere dag. Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. (Er zijn ondertussen eigenlijk twee vrijdagteksten, besef je.) De vrijdagteksten, dus.

Je krijgt bericht dat je rugzak hersteld is. Je vertrekt, en op weg naar huis haal je de rugzak op. Je vertelt aan de mevrouw iets over je rugzakherstelervaring. (Sommigen zouden het een klantenreis noemen, denk je.) Weer thuis vul je de rugzak terug, je bent blij.

Op de muur net naast je huis heeft iemand in licht oranje de woorden ‘Bijna lente!’ geschreven. Je moet goed kijken om het te zien. (Sommige woorden wachten tot ze door jou bevrijd worden.)

De vergadering met de hoofden op het scherm. Je ziet een strategie.

Op tijd voor je afspraak. Ze komt even later binnen. Goed om bij te praten. (Je probeert iets te vertellen over zachtheid.)

Weer thuis nog de boodschappenlijstjes maken voor het etentje van de volgende dag.

De volgende dag. (Al lichtjes nerveus.)

Heen en weer fietsen door de regen om al je boodschappen te doen. Weer thuis. Alles ligt klaar, je hoeft niet meer naar buiten. Nu kun je alleen met het eten en het huis bezig zijn tot ze komen vanavond. Je herhaalt in je hoofd nog eens de volgorde van alles wat je te doen hebt. (In het kader van het bevorderen van de kookstress maak je zoals elk jaar dingen die je nog nooit eerder maakte.)

(Zien die gnocchi die je net maakte er wel uit als echte gnocchi? Zijn die ribbeltjes wel goed?)

Ze zijn er, zitten aan de tafel. Alles is klaar, je hoeft alleen nog maar bij hen te zijn de rest van de avond. Je kijkt, je luistert, je bent zo blij dat ze er zijn. (Een zachte plek die er al zo lang is.) Je zou hun graag willen zeggen hoe bijzonder het voor je is, dat ze al zo lang in je leven zijn. Je probeert. Verhalen die voor het eerst verteld worden.

Na het feest, alles een beetje opruimen, de afwas is voor morgenvroeg. En zoals elk jaar op dat moment dezelfde plaat opleggen, met dat ene nummer.

Een nieuwe dag. Na het ontbijt rustig de afwas doen. Het gaat snel, zoals steeds. De planten fluisteren je nog iets toe.

(Je denkt aan water, je denkt aan vloeien.)

Een mooie wandeling met een vriendin, een bezoek aan de abdij. Verhalen. Even op het kerkhof naar het graf van je vroegere dokter. (Zijn achternaam is weg van het graf, zie je.) Je vertelt over hem, wat hij voor je betekende, hoe hij je in het leven hield, maar er zelf niet in kon blijven. Je praat nog even met de vrouw aan het onthaal. Ze lijkt blij je te zien. Het is wederzijds.

En nog. Verhalen, over zijn in afwezigheid. Over kiezen voor zachtheid. (Kiezen voor de rivier.)

14 februari 2026

Hart


De nieuwe week begint. Een nieuw jaar begint. Het is je verjaardag.

Je denkt nog aan het concert van de vorige dag. Die wonderlijke vrouw, die vanaf de eerste noten op haar banjo iets neerlegde in de ruimte, in dat droevige lied. En dat je dacht: hier wil ik zijn, in dit hier, in dit nu, ik moet alleen maar ademen. (In het helen voel je soms wat er pijn deed, denk je.)

(Je bent een beetje verlegen, in je verjaardag. Je weet niet helemaal zeker hoe je jezelf daarin neer kunt leggen. Zoveel berichten. Alsof er zoveel liefde naar je toe stroomt, en je niet weet wat je moet doen. Je probeert alleen maar te ademen.)

Je denkt vooral: het is fijn om aan al die mensen te kunnen denken. Zij zijn je landkaart, door hen weet je waar je bent. Je kunt lijnen trekken, en zo zien waar jij bent, zou kunnen zijn, misschien mag zijn. Het is goed, je kijkt.

Je haalt nog chocolade, voor de vergadering die je die avond hebt.

Pakjes wachten op je, geduldig.

Een veilig plekje in de trein, je loopt zacht naar de vergadering. (Iets in je stem is traag, het mag.) Kijk, ik heb chocolade meegebracht, voor jullie.

Laat op de avond, weer thuis. (Je kijkt naar de laatste momenten van de dag, je buigt.)

Een andere dag. (Misschien wen je al een beetje. Misschien heb je het uiteindelijk toch goed gedaan met dat jaar zestig. Anders dan je had verwacht, maar misschien toch beter.)

Voorzichtig in de dag schuiven, ritme zoeken.

Die avond, een nieuwe klimaatwake. Eigenlijk ben je een beetje stil, maar het geeft niet. Je had geen zin om dingen te doen, eigenlijk, maar het is goed. Mooie gesprekken. En kijken naar het web van het leven. (Misschien wil je gewoon een beetje droef zijn.)

Die nacht. Je kijkt naar het onderwerp dat zich aandient, voor het stukje dat je de volgende dag moet schrijven. (Dat zal het dus zijn.)

Een andere dag. In het journaal hoor je een reportage over een onderzoek over 60-plussers. Ineens besef je dat jij met je 61 nu dus 60-plusser bent. Lichte schok. En dan weer glimlachen.

Je hebt tussendoor ook nog je stuk te schrijven. Iets over zachtheid. (Het heeft iets te maken met die balans, denk je. Iets is je duidelijk geworden. Het is heel moeilijk uit te leggen zonder dat het raar klinkt, maar je ziet het in je lichaam, waar de weg is. Je kent iemand die het zal begrijpen.) Het is moeilijker dan je dacht, het komt dichter bij iets dat week is. Het is. (Zo is het goed, het zal wel blijken.)

De avondvergadering. (En nog een cadeau, het blijft duren. Het mag.)

Traag naar huis.

Een volgende dag. Je haalt lekkers, voor je collega’s. (Het ruikt zo lekker, terwijl je in de trein zit.)

Het is een glimlachdag, denk je.

Je ziet hallucinante beelden van de ondervraging van een procureur-generaal. Hoe kan die vrouw in de spiegel kijken, vraag je je af. Hoe ver kun je gaan in je vrijwillige onderwerping aan een zieke man, een fascist?

Op weg naar huis. Onverwacht kom je een stoere meid tegen die je al lang niet meer zag, je bent zo blij haar te zien. Haar vriendin vraagt wie jij bent. Ze zegt dat jij haar tweede vader bent. (Je smelt.)

Het concert die avond, met een dierbare vriendin. Na het voorprogramma is het even wachten tot ze met hun tweeën op het podium komen. Ze lijken zo zacht, zo aandachtig, zo vriendelijk. Ze beginnen te spelen, en er gebeurt iets. Het is onwaarschijnlijk mooi. Soms is het alsof ze zelf kijken naar de muziek die daar ontstaat. Die muziek heeft twintig jaar tijd genomen, zo blijkt. Misschien hebben ze heel die tijd traag gekeken. (Tranen.) Het is alsof ze je laten zien hoe je heel zou kunnen zijn. Het is alsof je als een ander mens uit de schouwburg komt. (Je bent dankbaar.) (En je weet, zacht, ja, dat is het, het mag.)

Een nieuwe dag. De vrijdagtekst. Je knutselt de dingen in elkaar.

Het is fijn dat je uiteindelijk toch niet alleen bent.

Een vergadering, je kijkt naar de bewegingen op het scherm, ogen en rimpels.

De dag mag zich neerleggen. Je leest nog een verhaal dat je erg ontroert, en een beetje droevig maakt.

Je komt van ver, in de ochtend.

De boodschappenronde. Gesprekjes aan de kassa.

Je staat je zus en je schoonbroer op te wachten op het perron. (De wind is koud.)

Op de wagon van een wachtende trein staat een soort Valentijnboodschap. I want to hold you as the stars hold the night.

Een mooi bezoek. Je kijkt naar de verhalen. (Soms leggen ze zich neer, soms vertrekken ze, soms zoeken ze zichzelf nog.)

Je neemt afscheid op het perron.

Op weg naar huis kom je, op dezelfde plek, een stoere meid tegen. Je glimlacht. (Die vraag is voor een andere keer.)

08 februari 2026

Monsterlijk moederschap


Monsterlijk moederschap
van Jozefien Van Beek is veel dingen tegelijk. Dit boek bestaat uit vijf essays die samen een groter verhaal vertellen. De teksten bewegen tussen verschillende plekken. Er zijn interessante beschouwingen over de manier waarop moeders en moederschap worden weergegeven in films en boeken. Je krijgt een feministische lezing van het genre van de horrorfilm, een persoonlijke fascinatie van Van Beek.

Moeders zijn vaak monsterlijk in die cultuurvormen. Dat zegt veel over onderliggende patriarchale mannelijke ideologische visies en structuren. De clichématige rozige verhalen over hoe fantastisch en geweldig en vervullend het moederschap is horen misschien wel thuis in dezelfde ideologische kaders. Ze leggen enorm veel druk op vrouwen die moeder willen worden, zichzelf voelen falen omdat ze niet beantwoorden aan de verwachtingen, wat voor een diepe eenzaamheid kan zorgen. Vertellen over de in allerlei opzichten lichamelijk verscheurende ervaring van het moeder worden, over duistere gedachten tegenover een kind, over spijt of leegte, het is niet gemakkelijk in een context waarin je blijkbaar alleen maar mag zeggen dat het allemaal fantastisch is.

Jozefien Van Beek verweeft haar boeiende reflecties met haar eigen ervaringen als vrouw die een kind wilde krijgen. Niet meteen zwanger worden. Bevallen en niet weten hoe je moeder moet zijn. Voelen dat je faalt bij het zoeken. Die ervaringen komen in een spiegel van de relatie met haar eigen moeder. Ontroerend, ontwapenend en confronterend. En even verwarrend als de liefde is.

Al die reflecties werken op een fascinerende manier op elkaar in, in essays die heel goed geschreven, helder, intiem en moedig zijn. Ze zeggen veel over de ervaringen van heel wat moeders. Er is een monsterlijke dimensie aan moederschap. Die in de ogen kijken is misschien de beste manier om alle verhalen over de werkelijkheid van het moederschap in beeld te krijgen en zo de vaak immense druk van een eenzijdige moederideologie die je niet los kunt zien van patriarchale structuren op vrouwen te verminderen. Je weg vinden tussen al die verwarrende gevoelens en verwachtingen is geen falen, maar een realiteit die meer aandacht verdient. Jozefien Van Beek heeft met Monsterlijk moederschap een heel dapper en bijzonder boek gemaakt dat veel lezers verdient.

07 februari 2026

Een balans


Een nieuwe week. Je denkt nog aan de mooie, heftige, droevige film die je op zondagavond zag. Iets over generaties vrouwen. Het geluid van het vallen. Ze vallen in hun pijn.

Alle treinen rijden weer. Het station lijkt blij.

(Het is de laatste week van het jaar 60, besef je ineens. Het is zo snel gegaan.)

Afspraak met een vriend. Doorpraten. (Iets over leven in waarheid, iets over strategie.) Het stelt je gerust. (Het is er nog.)

(Je bent na twee weken terug waar je wilde zijn. En toch is er iets veranderd, misschien is dat goed. Je hebt iets geleerd.)

Je bereidt de documenten van de vergadering voor. (Iets aarzelt nog.)

Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel legt uit dat hij vijf talen spreekt. Je bent blij voor hem. (Zou hij vaak die vraag krijgen?)

Je kijkt naar het lijstje.

Je denkt: misschien moet ik een opiniestuk schrijven. Je schrijft een opiniestuk. (Multitasken tijdens de middagpauze.)

(De stroom aan gedachten wordt rustiger, legt zich neer, na de woorden. Je hebt ze heel zorgvuldig gekozen. Je zult wel weer te zacht zijn. Het is niet erg, denk je. Het zijn jouw woorden.)

Die avond. De theatervoorstelling, een musical, eigenlijk. Je was een beetje moe, neemt je voor om gewoon mee te gaan met wat je zult zien. Het duurt even eer je mee bent. (Iets met woorden.) Je voelt – zoals zoveel anderen in de zaal – iets als: dit gaat ook over mij. Het beweegt mooi naar een vorm van verzet die jij ook zoekt. (In jouw woorden.) Laten we zeggen dat dit of dat bullshit is. Laten we het ownen, dat we Gutmenschen zijn, wat al die cynische politici ook zeggen. (Nooit cynisch worden, dat was het plan.)

Een andere dag. Eerst even koffie drinken met een vriend. Misschien kan hij het gebruiken. (Je bent blij dat je er mag zijn.)

Je probeert met je collega de finesses te begrijpen van het registratiesysteem. (Het is niet helemaal te begrijpen, is de conclusie. Wat misschien wel een vorm van troost is.)

Je krijgt een positief antwoord voor je opiniestuk. Even wachten nog. (Het is goed, denk je, je zult het minstens geprobeerd hebben. En voor daarna verlang je naar andere woorden.)

De mevrouw in de trein doet haar best om de hele rit zo hard en zo ver mogelijk te hoesten.

Je praat met een vriendin over een tekst. Je probeert te vertellen hoe de tekst werkte voor jou. (Teksten zijn aanraakbaar. Teksten kun je zien.)

Je denkt na over troost, probeert iets te verwoorden. (De dingen trekken zich terug in de woorden, er zijn geen franjes. Ze zijn doorzichtig.)

Een volgende dag. Op weg naar de conferentie. Een uitgebreid gesprek in de trein.

Je luistert naar de presentaties. Het is heel interessant. Je kijkt rond, stelt vast dat je mogelijk bijna de oudste bent in de zaal.

In de namiddag, mooie gesprekken, boeiende verhalen. (Ik moet vertrekken, sorry.) Bij het buitengaan praat je nog even met een van de sprekers. Je vertelt dat er ooit een link was tussen de winkel van je ouders en het bedrijf waar zij werkt. (Het lijkt ineens zo lang geleden.)

Een beetje verdwijnen in de treinrit. (De woorden van het tijdschrift, het ritme, meer wil je niet.)

Even over huis, en dan weer vertrekken voor de boekvoorstelling.

In de trein lees je verder in het boekje over moederschap. Het ontroert je, wat ze schrijft.

Je zoekt een zachte plaats, in de marge van de boekvoorstelling. Je maakt nog enkele foto’s, stuurt ze door.

(De buik.)

(Je had met jezelf afgesproken dat je die balans van het jaar dat je zestig werd zou af hebben voor dat jaar voorbij zou zijn. Je hebt nog even tijd, niet veel meer.)

Een nieuwe dag. (In je droom probeerde je heel erg hard om op je fiets vooruit te komen, het lukte nauwelijks. Je benen leken loodzwaar. Je wordt wakker met stijve benen, bijna verkrampt.)

Een vroegere trein, om wat eerder aan de vrijdagtekst te kunnen beginnen. Je bent helemaal alleen op het werk. De collega’s zijn allemaal al op de conferentie, jij gaat straks. Alleen de poetsmevrouw zul je zien die ochtend.

Alles net op tijd klaar, nog even de plantenronde, en dan loop je naar de metro. Je bent nog netjes op tijd voor het namiddaggedeelte.

Je zit op het podium, modereert het gesprek met die vijf mensen. Je probeert het een zachte stroom te geven. Het lijkt te lukken.

Even praten over de telefoon met je zus. (Je vertelt over de vorige week, over schaamte, over wat je leerde.) (En de films die ze zou moeten zien.)

Die avond schrijf je verder aan de balans. (Elk stuk vraagt toch veel energie. Alsof je jezelf moet modelleren of zo, onvermijdelijk.)

(Misschien had je vooraf, bij het begin van dat jaar, grotere antwoorden op grotere vragen verwacht. Het is anders gegaan. Maar bij het schrijven merk je dat er dingen veranderd zijn, dat zich een lijn lijkt aan te dienen. Iets met zachtheid. Misschien is dat de bedding.)

De volgende ochtend. Je bent weer eerst in de winkel. (Zoals elke week.) Jij bent onze klok, zegt de mevrouw van de winkel. Er is nog een man in de winkel die even voorspelbaar is als jij.

De rugzak met die scheur erin wegbrengen voor reparatie. (Helen, het is een mooi woord.)

Koffie drinken, met je maatje en zijn vrouw. En een mooi cadeau. Dit jaar begint te kantelen, het is daar.