(Soms zou je stukken tijd, of misschien beter niet-tijd, tussen de tijd willen kunnen schuiven. Ergens in een plooi de tijd open schuiven, en daar dan gaan zitten. En alleen maar kijken. En wachten, op niets.)
De week begint. (Nog een week waar je je hoofd bij moet houden, van het ene naar het andere.) (Het junigevoel.)
Op tijd terug vertrekken voor je namiddagvergadering. Je wacht nog even voor het gebouw, je bent te vroeg. Je kijkt gewoon. Een vriendin ziet je, neemt je mee naar binnen.
Je mag de vergadering voorzitten. (Ik ben zo gelukkig, denk je, met deze plek, deze mensen.) Misschien is jouw taak wel: verhaal zijn.
Zoals alle vorige keren probeer je vroeg klaar te zijn, zodat ze allemaal nog tijd hebben om met elkaar te spreken. Het is alsof ze rond de tafels hollen, om elkaar nog dingen te vragen of te zeggen. (Het is zo mooi, denk je.)
Een etentje. Iemand vroeg je om zijn manuscript te lezen. Hij wou nog wat doorpraten over je reactie. Een mooi gesprek, denk je. (Je leert iets over een eenzaamheid.)
Een andere dag. De halfjaarlijkse controle bij de tandarts. Je doet het goed, voor je leeftijd. Het klinkt een beetje als: we doen het goed. (Ze gaat al zo lang met je mee.) Er is ergens een klein stukje afgebroken. Ze vijlt het scherpe kantje ervan af. (Iets als oud worden.)
Alle klussen die je nog te doen hebt. (Dat jaarverslag lijkt een beetje op een grote olifant.) Je probeert zo snel mogelijk alles af te werken.
Je afspraak. Je stuurt haar een bericht dat je trein vertraging heeft en dat je mogelijk enkele minuten te laat zult zijn. (Je had het in je hoofd vooraf anders uitgerekend.) Je fietst snel door de stad, gaat nog een brood halen, om dan uiteindelijk nog een volle minuut voor het afgesproken uur aan te komen, nog voor zij er is. (Misschien wou de kosmos je iets zeggen.) Een bijzonder gesprek. Je moet goed nadenken, maar de dingen vallen wel in elkaar.
Die avond, nog wat doorwerken aan het jaarverslag.
Een volgende dag. Het lijstje. (En de dingen die je voorlopig nog even moet laten wachten.)
Je moet even langs de bank, om je identiteitskaart te laten inlezen. De mevrouw die ook zit te wachten vertelt de hele tijd. Dat er geen mensen meer zijn in een bankkantoor. Dat de mensen niet meer nadenken. En dan die Rus die ontsnapt is uit het ziekenhuis. En dan die rellen in Belfast. En dan haar moeder. En dat je het allemaal niet weet. Hoe het zal gaan met het leven. (Wat je ook beaamt.)
Verder knutselen aan het jaarverslag.
De avondvergadering. (Je bent een beetje moe.)
Ingewikkelde dromen.
De volgende dag. (Eigenlijk zou je liefst gewoon rustig willen doorwerken, alleen maar dat. Maar je schuift van de ene in de andere vergadering.)
De voormiddagvergadering. (Je had eigenlijk geen zin om daar te zijn, maar maakt er maar het beste van.) Het is wel fijn die ene collega nog eens terug te zien. Dat vindt zij ook blijkbaar. Je duwt jezelf door je vermoeidheid heen. Het wordt nog een boeiende discussie.
De namiddag. Je zit in de jury. (Alles gebeurt op het scherm.) Je bent onder de indruk van hun verhaal.
En de avondvergadering. Je luistert goed naar de presentatie, laat de vragen in je hoofd heen en weer gaan. (Je weet nooit zeker of je jezelf wel echt ziet zoals je bent.) Je luistert naar verhalen. Verhalen? Iemand vraagt het zich af. Er zijn geen grenzen aan je verbeelding, er zijn wel grenzen aan de planeet. Zeg je. Daar moet je iets mee doen, zegt ze. (Je denkt na.)
(De nacht is weer net te kort.)
Een nieuwe dag.
(Je denkt al na over woorden die je straks zult schrijven. Andere woorden wil je, dat zul je zeggen, denk je. Verlangen naar een gedicht. Het is zo groot. En de plek van die woorden, daar wil je zijn.)
Je ploegt je door het werk aan de vrijdagtekst. Je moet straks op tijd vertrekken voor dat bezoek. Het zal nipt zijn.
De trein die je wilde halen lukt net niet, het is de volgende. Eigenlijk een vertraging dus. Je stuurt een berichtje dat je waarschijnlijk enkele minuten te laat zult zijn. Je fietst van het station zo snel mogelijk naar de abdij, voor het bezoek. (Je komt daar ongeveer een minuut te laat aan, de meeste anderen zijn er nog niet. De kosmos.)
Het bezoek ontroert je. De vrouwen die met een kleine scalpel en eindeloos veel geduld muurschilderingen bevrijden uit de lagen van de tijd. Het is of ze zich aarzelend laten zien, de beelden, de verhalen die ze vertellen. Er is die ene muur, waarop de stenen geschilderd zijn. Balanceren op de rand van het blijven en het verdwijnen. En zwijgen. (Het is alsof die ene muur tegen jou spreekt: je mag het zien, kijk maar.)
Terug thuis werk je door tot een stuk in de avond. Eerst nog even dat ene tekstje. (Je doet het toch maar, zoals het in je hoofd zat. Het verlangen naar een gedicht.) En dan snel verder. Het jaarverslag is klaar. Je doet ook die andere dringende dingen nog. (Je kijkt een beetje scheel.) En dan nog het lijstje maken voor de tickets.
Een akelig wezen, dat jou wil opschrokken, in je droom.
Vroeg weer op stap, in de volgende dag. In de trein, naar de vergadering. (Je zult weer te vroeg daar zijn, het is niet anders.)
Je installeert je achteraan. Terwijl je alles hoort, zit je klaar om je tickets te bestellen. (Ja! Het kan. Nee! Het lukt niet. Iets loopt al meteen vast. Rustig blijven Jean. Nog eens. Ja! Er zijn nog 1.001 wachtenden voor u. Gewoon rustig wachten Jean, het komt goed. Ja, je kunt! Het systeem lijkt nog even te zuchten af en toe, loopt weer even vast. Rustig blijven Jean. Ja! Het is gelukt, ze zijn binnen.) Pauze in de vergadering. Je bent onder de indruk van wat je hoort.
Ook nog snel de boodschappen doen, over huis, en weer vertrekken om te gaan helpen. Hopen groenten snijden, voor het grote etentje de volgende dag. (Het is goed, denk je, hier wil ik zijn.)
(Je zou een foto willen van de plooi in de tijd. Misschien was die muur het wel.)
(De volgende dag. Zal misschien iets met je doen. Je denkt aan de anderen. Het is goed.)






