(Je denkt nog na over het mooie gesprek die zondagavond. Misschien begrijp je iets meer over waar je vandaan komt. Je kijkt naar je handen. Je kijkt naar de tijd.)
(Er is nog dat beeld van die eenhoorn die je zag in het museum. Je denkt aan iemand.)
Even op en neer naar die andere stad, voor een vergadering. Het doet goed om even bij je vrienden te zijn.
(Je hebt nog een tekst te schrijven deze week. De tekst die er nog niet is, moet je nog aanraken.)
En lezen, veel lezen. (Soms is het alsof je de woorden opzuigt of inademt, alsof ze je omhullen. Soms zijn ze als een bestemming.)
Een lang gesprek met je zus. (Je zou haar zoveel willen vragen, eigenlijk.)
Een andere dag. Je bent een beetje zenuwachtig, of misschien gewoon kwetsbaar.
De trein en de bus. Je bent nog te vroeg, wacht rustig in die gang tussen het grote gebouw en de vijver. De andere mensen beginnen ook aan te komen. (Je probeert verhalen te zien.)
Je schuift aan, groet de familie, je bent een beetje verlegen.
De uitvaartdienst ontroert je diep. Er is zoveel liefde in de ruimte. (Zo kan het dus ook zijn, zo voelt dat, dat wat jouw lichaam niet kent.) Je wilt er gewoon een beetje zijn voor haar, ergens op de achtergrond. Ondanks al het verdriet is het ook als een geschenk. Een ode aan zoveel leven. (Klein, verward, falen.) Het is zo mooi, hoe zij er zijn. Je buigt het hoofd.
Je wacht nog even op haar, zegt niets, kijkt gewoon. Je bent blij dat je er mocht zijn. Je vertrekt naar de bus.
Honderd gedachten gaan door je hoofd, terwijl de bus door het landschap schuift. (Misschien ben je veel te weinig.) De tekst die je nog moet schrijven raakt je aan. (Is het wel een goed idee om over de liefde te schrijven?) Het onderwerp heeft je gekozen.
Je hoopt dat haar dag nog goed zal verlopen.
Een stille namiddag. Lezen. Over rouw, en verder leven.
Een afspraak met een dierbare vriendin. Je bent blij dat ze er is. (Je ziet dat wat van jullie is.) Je vraagt het haar, of je… Ze stelt je gerust. (Je krijgt een mooi bericht.)
Je legt je langzaam in de nacht.
Een nieuwe dag. Eerst alle dingen die je nog moest doen. Dan is het tijd voor de tekst. (Je bent een beetje bang, maar je kunt alleen vooruit nu.) Je probeert te ademen in de woorden die op je scherm verschijnen. De tekst schrijft zichzelf. (Veel tranen.) Zal het wel goed zijn?
De tekst is vertrokken.
En weer een vers boek.
Filmpjes met lange interviews met de schrijvers van de boeken die je gelezen hebt. (Het is bijzonder om op die plek te kunnen zijn, denk je.)
Een volgende dag. (Zoveel dromen, de voorbije nachten, denk je.)
Een beetje verder met de nuttige dingen.
In de winkel een gesprekje, over haar dikke buik. Je bent zo blij voor haar.
Een boek bestellen. Dankjewel. (Je bent haar voornaam even vergeten.)
Het boek is zo mooi. (Je wou nu een boek over de liefde.)
En weer een stuk schrijven over een boek. (Je weet nooit vooraf hoe dat zal gaan. Als het klaar is, is het alsof er iets in je gaat liggen. Je legt het boek op het stapeltje van net gelezen. Je kijkt naar het stapeltje.)
En weer een dag. Vroeg op voor de vuilniszak. Vroeg op voor de koele lucht die de kamers aanraakt.
De maandelijkse vergadering. Je hebt je puntje netjes voorbereid.
Een afspraak met een dierbare vriendin. Iets over woorden. Iets over afwezigheid. En aanwezigheid. Ontroerd en dankbaar.
Misschien ben je onderweg.
Je moet nog een tekstje maken, zoals elke week.
In een nieuw boek beginnen. Je bent een beetje te moe, merk je.
Een heel mooi interview met de auteur van dat boek. Het is zo bijzonder om haar bezig te zien.
Die nacht, even opstaan om te gaan plassen. De lamp in de badkamer begeeft het. (O nee, nu niet. Wanneer het ook gebeurt, je denkt altijd: o nee, nu niet.)
Tussen de weekendboodschappen, even naar die grote winkel, voor die lamp. Onderweg zie je nog een vriendin voorbij rijden. (Dat zal zeker geluk brengen.) In die grote winkel niet de indruk geven dat je een beetje zenuwachtig bent. (Vergeleken met al die anderen, zul je wel dom zijn, ongetwijfeld.) Dapper, toch maar even vragen aan die meneer of dit echt de juiste lamp is. Ja.
De nieuwe lamp zit erin, en werkt. (Zucht!) Je kunt verder met de boodschappen.
De mevrouw aan de kassa vroeg vorige keer wat jouw naam was. Nu vraag je de hare. Laura. Mooie naam, past goed bij haar, denk je.






