Een nieuwe week in een nieuwe maand. (Ging de tijd vorig jaar ook zo snel?)
Je ziet dat het de sterfdag van je vader is. Het lijkt al zo lang geleden. (Eigenlijk was hij niet zo heel veel ouder dan jij nu bent toen hij stierf. Je probeert je te herinneren hoe zijn leven was toen hij even oud was als jij nu. Misschien kun je een beetje in dat beeld schuiven. Het lukt niet, iets met de tijd.)
(En ook de volgende dagen zul je kwaad blijven op die zieke oranje man. Elke keer kijk je met ongeloof en verbijstering en eindeloze weerzin naar zijn geraaskal. Alles, alles, alles is fout aan hem. Je roept tegen het scherm.)
Je hoort de minister van defensie op de radio. (Je roept tegen de radio. Een uitgebreid antwoord raast door je hoofd.)
Een vergadering op het kabinet van de minister. Het is alsof je even moet wachten op de woorden in je hoofd.
(Je zou tijd tussen de tijd willen schuiven. Je denkt aan de namen, ‘we moeten dringend nog eens afspreken’. Nu zou je het willen kunnen doen. Alleen maar tijd hebben voor hen, alleen maar luisteren en kijken.)
De tweede aflevering van die reeks. Het hakt er andermaal diep in. (Je ligt met tranen in bed, je zou iemand willen kunnen troosten, zou iets willen kunnen helen.)
Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel herkent je meteen.
De mevrouw tegenover je, in de trein. Je zag haar eerder ergens, weet niet waar.
Net op tijd voor de commissie, die namiddag. Je leert weer veel uit de bespreking van de dossiers. Ik was zo blij dat je erbij was vorige week, hoor je nog net voor je vertrekt. Ze vertelt je iets dat je ook droevig maakt.
(Je probeert iets te begrijpen over jezelf. In je hoofd is een daar om naar hier te kijken.)
Je zou nog zoveel moeten doen, het lukt niet allemaal. (Je zou een beetje willen leunen in de tijd.)
De volgende dag. De lange werkvergadering. Het voelt goed, dit samen denken. Je ziet de gedachten bewegen. (Je begrijpt nog altijd niet goed hoe dat werkt in je hoofd.)
Je luistert naar verhalen. (Je zou moeten verder werken, maar dit is belangrijker denk je. Dat werk kun je die avond nog wel inhalen.)
Die avond. Je blijft weer plakken bij die oude serie die opnieuw wordt uitgezonden. Die ene verpleegster, hoe ze is. Het raakt iets, diep in je huid. Alsof je ineens begrijpt hoe het kan zijn. (Je denkt ook nog even aan toen, die ene avond in het ziekenhuis, die ene verpleegster die vroeg of ze jou als laatste mocht verzorgen, zodat ze alle tijd kon nemen.)
Een andere dag. Je denkt aan iemand. (Ik moet haar een berichtje sturen vandaag, vragen hoe het met haar gaat.)
De vergadering. Je stelt de nota voor die je maakte. (Iets met strategieën.)
Je krijgt een bericht. (Gelijktijdigheid.) Wat ze schrijft ontroert je erg. (Waaraan heb je dat verdiend? Je kijkt even achterom.) Een geschenk, in de tijd.
Een afspraak. (Het is druk in het café, die avond is er in de zaal boven een première. Je ziet de acteurs.) Wat een boeiend, wervelend gesprek. (Het is mooi, denk je, dat je zoveel boeiende mensen mag leren kennen.)
De volgende dag. Zoals elke maand mag je even in die vergadering zitten.
Het is heel erg druk in de trein. De scholieren hebben alle plaatsen ingenomen. Ze zitten dicht bij elkaar, staan te dansen, lopen heen en weer. (Glimlach.)
Je probeert de tijd in te halen, voor de vrijdagtekst. De tijd voor die tekst laat zich niet plooien, merk je, zoals steeds. Je moet gewoon het ritme volgen, tot alles klaar is.
Terwijl de poetsmevrouw aan het stofzuigen is, begin je al met de planten. (Ze zijn blij.)
(Waarom werkt dat ene ding niet? Je had gehoopt alles nog netjes af te werken voor je zou vertrekken. Misschien wil de kosmos je iets zeggen.)
Een afspraak. Ze spreekt snel en intens. Je probeert zo goed mogelijk te luisteren. (Je zou haar ook graag gewoon wat rust in haar hoofd geven, denk je.)
Bijna thuis. Een gesprek met een vriend. Iets over een verlies. (De kosmos heeft een plan, zo blijkt later.)
(Eerst proberen dat ding in orde te krijgen, zodat je dat bericht kunt publiceren. Het lukt uiteindelijk, het kan bewegen.)
Die avond. (Die actrice is beter dan de serie, denk je.)
Dat ene moment, net voor je gaat slapen. Je begrijpt iets over de dag die voorbij is. (En toch nog snel verse lakens op het bed leggen.)
Een nieuwe dag. De boodschappenronde. De mevrouw aan de kassa vraagt je iets over het type pasta. Je gaat kijken. (Had ik nu maar mijn bril bij me…)
Onderweg naar je afspraak zoek je een beeld, iets dat past bij het verhaal van je week. Get lost! (Misschien stond je dat al de hele week te roepen tegen het scherm.)
Een bijzonder gesprek. Wat je hoort, het is een geschenk, denk je. Ze leert je iets over jezelf. (Het beweegt nog een tijd door je heen.)
Je kijkt naar de tijd.
