Misschien zou je even moeten kunnen verdwijnen na de laatste noten. Naar ergens waar het warm en veilig is. Waar de buitenwereld je niet kan bereiken. Waar iemand je zegt dat alles goed zal komen. Waar je even zou kunnen geloven dat je in wezen toch niet alleen bent.
Je zou er gewoon kunnen wachten op de avond die langzaam komt. De nacht die alles zal helen. Niet alles waarschijnlijk, maar toch genoeg om een nieuwe dag te beginnen.
De planten groeien gewoon verder, misschien is dat de troost. Ze hebben de lente tot bij jou gebracht. Ze kijken je aan, en zeggen: we kunnen het wel, vertrouw ons maar. Ze zeggen: vertrouw jezelf maar.
Misschien moet je fluisteren tegen de stilte die zich om je heen nestelt. Misschien moet je iets zeggen, zodat de woorden blijven liggen, enkele dan toch.
En wat als er geen andere troost komt? Wat als je alleen de muziek hebt om het andere eind van de ravijn te halen?
Het huis was dichtbij, bedenk je later. Je hoefde niet ver te gaan om weer daar te zijn waar je kunt schuilen voor monsters en demonen, voor een kille nacht, voor het nooit weten waar de weg naar huis is. Je hoefde alleen de rituelen op te pikken die ondertussen zijn gaan behoren bij dat huis. Traag heen en weer lopen. Eten maken. Alles weer netjes opruimen.
Welke plek zou er geraakt zijn? Zouden er terreinen van je landkaart zijn die niet bestand zijn? Zouden ze zo te betreden zijn? En hebben ze zo verhalen onthuld die daar lagen te sluimeren?
Het zou lang duren eer je alles zou vertellen. Er zou veel voor nodig geweest zijn om die plek te betreden.
En toch, je hebt de weg naar het huis gevonden. Misschien had het wel de hele tijd op je gewacht. Ook daar valt de avond langzaam. Je adem legt zich voorzichtig neer bij deze laatste uren van een dag.
En wat er overblijft. Een traag verlangen. Schroom. En alles wat niet gezien wordt.
En toch is het goed zo, denk je. Je zult jezelf neer kunnen leggen straks. Je zou jezelf voorzichtig onder kunnen stoppen. De dromen zullen hun werk wel doen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten