Een nieuwe week. Je denkt nog aan de mooie, heftige, droevige film die je op zondagavond zag. Iets over generaties vrouwen. Het geluid van het vallen. Ze vallen in hun pijn.
Alle treinen rijden weer. Het station lijkt blij.
(Het is de laatste week van het jaar 60, besef je ineens. Het is zo snel gegaan.)
Afspraak met een vriend. Doorpraten. (Iets over leven in waarheid, iets over strategie.) Het stelt je gerust. (Het is er nog.)
(Je bent na twee weken terug waar je wilde zijn. En toch is er iets veranderd, misschien is dat goed. Je hebt iets geleerd.)
Je bereidt de documenten van de vergadering voor. (Iets aarzelt nog.)
Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel legt uit dat hij vijf talen spreekt. Je bent blij voor hem. (Zou hij vaak die vraag krijgen?)
Je kijkt naar het lijstje.
Je denkt: misschien moet ik een opiniestuk schrijven. Je schrijft een opiniestuk. (Multitasken tijdens de middagpauze.)
(De stroom aan gedachten wordt rustiger, legt zich neer, na de woorden. Je hebt ze heel zorgvuldig gekozen. Je zult wel weer te zacht zijn. Het is niet erg, denk je. Het zijn jouw woorden.)
Die avond. De theatervoorstelling, een musical, eigenlijk. Je was een beetje moe, neemt je voor om gewoon mee te gaan met wat je zult zien. Het duurt even eer je mee bent. (Iets met woorden.) Je voelt – zoals zoveel anderen in de zaal – iets als: dit gaat ook over mij. Het beweegt mooi naar een vorm van verzet die jij ook zoekt. (In jouw woorden.) Laten we zeggen dat dit of dat bullshit is. Laten we het ownen, dat we Gutmenschen zijn, wat al die cynische politici ook zeggen. (Nooit cynisch worden, dat was het plan.)
Een andere dag. Eerst even koffie drinken met een vriend. Misschien kan hij het gebruiken. (Je bent blij dat je er mag zijn.)
Je probeert met je collega de finesses te begrijpen van het registratiesysteem. (Het is niet helemaal te begrijpen, is de conclusie. Wat misschien wel een vorm van troost is.)
Je krijgt een positief antwoord voor je opiniestuk. Even wachten nog. (Het is goed, denk je, je zult het minstens geprobeerd hebben. En voor daarna verlang je naar andere woorden.)
De mevrouw in de trein doet haar best om de hele rit zo hard en zo ver mogelijk te hoesten.
Je praat met een vriendin over een tekst. Je probeert te vertellen hoe de tekst werkte voor jou. (Teksten zijn aanraakbaar. Teksten kun je zien.)
Je denkt na over troost, probeert iets te verwoorden. (De dingen trekken zich terug in de woorden, er zijn geen franjes. Ze zijn doorzichtig.)
Een volgende dag. Op weg naar de conferentie. Een uitgebreid gesprek in de trein.
Je luistert naar de presentaties. Het is heel interessant. Je kijkt rond, stelt vast dat je mogelijk bijna de oudste bent in de zaal.
In de namiddag, mooie gesprekken, boeiende verhalen. (Ik moet vertrekken, sorry.) Bij het buitengaan praat je nog even met een van de sprekers. Je vertelt dat er ooit een link was tussen de winkel van je ouders en het bedrijf waar zij werkt. (Het lijkt ineens zo lang geleden.)
Een beetje verdwijnen in de treinrit. (De woorden van het tijdschrift, het ritme, meer wil je niet.)
Even over huis, en dan weer vertrekken voor de boekvoorstelling.
In de trein lees je verder in het boekje over moederschap. Het ontroert je, wat ze schrijft.
Je zoekt een zachte plaats, in de marge van de boekvoorstelling. Je maakt nog enkele foto’s, stuurt ze door.
(De buik.)
(Je had met jezelf afgesproken dat je die balans van het jaar dat je zestig werd zou af hebben voor dat jaar voorbij zou zijn. Je hebt nog even tijd, niet veel meer.)
Een nieuwe dag. (In je droom probeerde je heel erg hard om op je fiets vooruit te komen, het lukte nauwelijks. Je benen leken loodzwaar. Je wordt wakker met stijve benen, bijna verkrampt.)
Een vroegere trein, om wat eerder aan de vrijdagtekst te kunnen beginnen. Je bent helemaal alleen op het werk. De collega’s zijn allemaal al op de conferentie, jij gaat straks. Alleen de poetsmevrouw zul je zien die ochtend.
Alles net op tijd klaar, nog even de plantenronde, en dan loop je naar de metro. Je bent nog netjes op tijd voor het namiddaggedeelte.
Je zit op het podium, modereert het gesprek met die vijf mensen. Je probeert het een zachte stroom te geven. Het lijkt te lukken.
Even praten over de telefoon met je zus. (Je vertelt over de vorige week, over schaamte, over wat je leerde.) (En de films die ze zou moeten zien.)
Die avond schrijf je verder aan de balans. (Elk stuk vraagt toch veel energie. Alsof je jezelf moet modelleren of zo, onvermijdelijk.)
(Misschien had je vooraf, bij het begin van dat jaar, grotere antwoorden op grotere vragen verwacht. Het is anders gegaan. Maar bij het schrijven merk je dat er dingen veranderd zijn, dat zich een lijn lijkt aan te dienen. Iets met zachtheid. Misschien is dat de bedding.)
De volgende ochtend. Je bent weer eerst in de winkel. (Zoals elke week.) Jij bent onze klok, zegt de mevrouw van de winkel. Er is nog een man in de winkel die even voorspelbaar is als jij.
De rugzak met die scheur erin wegbrengen voor reparatie. (Helen, het is een mooi woord.)
Koffie drinken, met je maatje en zijn vrouw. En een mooi cadeau. Dit jaar begint te kantelen, het is daar.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten