08 mei 2026

Verzet


De week begint stil, zoals je wilde.

Een afspraak. Je probeert haar zo goed mogelijk te helpen. (Je praat in omtrekkende bewegingen.)

(De tekst die je later deze week moet schrijven. Het is alsof je een beetje schrik hebt van het onderwerp dat op je afkomt. Je kijkt.)

Een bericht over een verdacht pakket in een trein, het station wordt ontruimd, zo lees je. Het verkeer ligt stil. Even later lees je dat het probleem voorbij is en dat het treinverkeer langzaam weer op gang komt. Je wacht nog even en gaat dan naar het station, kijkt naar de mensen. (Uiteindelijk lukt het om een rustig plekje te vinden.)

Regen.

Die nacht. (Je probeert te kijken naar de tekst die zal komen. Je lijkt te wachten op een andere tekst, die niet komt.)

Een andere dag.

Je gaat maar niet naar die conferentie, wilt liever bij je collega’s zijn. (Verhalen.)

(Misschien komt er nog een andere tekst.)

Kleine overlegjes, zo zou je het kunnen omschrijven. Je schrijft op kleine papiertjes.

(Wat zul je zeggen tijdens de avondvergadering?)

De treinen hebben zich weer hersteld, na de vorige dag. (Zouden treinen herinneringen hebben?)

Een overleg, samen eten, vooruit kijken. (Je ziet iets van je leeftijd.)

De avondvergadering. Het gesprek beweegt rustig heen en weer. Er is iets van rouw in het gesprek, denk je. (Je probeert onbeweeglijk te denken.) Je stapt voorzichtig rond in het gesprek.

Moe.

Die nacht. (Als er nog een andere tekst komt, moet het snel gebeuren. Het zal niet.)

De volgende dag. Je hebt altijd verhalen voor je kinesiste. (Verhaalvoorbereiding.)

Het overleg. Bewegen tussen varianten van het Nederlands. (Vloeibaar.)

De tekst wacht op je. Je begint, weet nog niet hoe het ritme zal worden. (Je weet niet goed waarom deze tekst je een beetje bang maakt. Alsof je ergens overheen moet, en je dat al wist. Wie het stuk leest, zal waarschijnlijk niets merken, denk je. En het zal wel weer te genuanceerd, te voorzichtig, te zacht zijn. Terwijl je schrijft, voel je waarom het zo belangrijk is voor jou, stukjes die in elkaar passen. Het heeft iets te maken met het goede doen. Het leven in waarheid.)

Je loopt door de stad, op weg naar huis. De tekst beweegt nog in je, maar begint zich langzaam neer te leggen. (Ja.)

Nog een laatste keer door de zinnen gaan, hier en daar een beetje kneden. (Sexy zal het niet zijn, maar voor jou is het goed zo. Je kijkt naar hoe je beweegt in de tijd.)

Je lichaam laat iets los. (Je zou water kunnen zijn, je zou het kunnen laten zien.)

Een andere dag. Het ritme van de vergaderingen. (Jij maakt ze telkens korter dan ze anders zouden geweest zijn. Alsof je zomaar lege tijd mag aanraken.)

(Er lijkt een verhaal te bewegen in je. Doe je wat je te doen hebt?)

(Dat idee van dat nieuwe boek? Misschien zitten alle elementen al heel voorzichtig in dat stuk?)

Op het perron. Je kijkt naar de mensen, hoe ze bewegen. (Het is niet erg als je nu niemand ziet die je kent.)

Je belt met je zus. (Iets herken je telkens opnieuw, als voor het eerst, als altijd al.)

De serie komt dichter bij het moment dat je nog eens zou willen zien.

Een nieuwe dag. (Geen droom met schoenen die verdwijnen.)

De poetsmevrouw vertelt over haar kinderen. Ze zegt dat ze liever niet thuis blijft als ze zich een beetje minder goed voelt. Ze wil gaan werken.

De vrijdagtekst is klaar. Je kijkt nog eens naar de zinnen. Die ene moet toch een beetje anders.

Je zorgt voor de planten, zorgt ervoor dat er geen afwas meer is, neemt afscheid van de plek, voor nu.

In de trein terug denk je aan je stem, aan wat je zult gaan lezen. Onderweg laat je je stem een beetje dalen.

Je luistert naar de anderen voor je. Het raakt je al heel erg. Dan ben jij aan de beurt. De ene na de andere naam. Mensen die bij het verzet waren in de oorlog, die opgepakt werden, die stierven, ergens in een of ander kamp. En dan hun leeftijd. (Je hoort hoe diep je stem klinkt in de luidspreker. Je probeert het ritme van je stem te volgen, rustig.) (Het is alsof je al die mensen voor je ziet, zonder foto, als aan de achterkant van de woorden. Ze kijken je zwijgend aan, in afwezigheid.) (Even kantel je, sommigen waren zo jong.) Na jouw stuk ga je weer zitten, om verder te luisteren. (Tranen.)

Het lijkt zo druk in de stad, wanneer je naar huis gaat. Je voelt je klein en kwetsbaar. (Doe je wel wat je te doen hebt? Je bent in deze tijd geworpen. Ben je wel moedig genoeg?) (Ze lopen zwijgend met je mee, al zie je ze niet.)

Het mag stil zijn, denk je.  

Geen opmerkingen: