16 mei 2026

En de kleuren


Iets als: een korte week. (Het is maar hoe je het noemt.)

Een rustig begin. (Ritme zoeken, verlangen naar een ritme.)

Dat ene ding, je begon er al zo vaak aan. Je zou het eindelijk willen kunnen afwerken, of in gang zetten. (Je begint met de voorbereiding.)

De mevrouw die je je nieuwe identiteitskaart geeft. (Je vingerafdrukken blijken bij jou te horen, wat een hele opluchting is. Je vinger zegt dat je jezelf bent.)

(Zou je nog ergens tussendoor die ene tekst kunnen schrijven?)

Je vraagt aan de jongen aan de kassa of hij al een goede dag heeft gehad. Niet echt eigenlijk, zo blijkt.

Een andere dag. Alle andere dingen van het lijstje afwerken, alsof je je tafel leegmaakt.

Dan doorwerken, dat ene ding, tot het klaar genoeg is. (Een heuveltje.)

De avondvergadering. (Zou je het zeggen? Of toch maar niet? Toch maar wel. Je zoekt naar de juiste woorden.) En nog even napraten. (Blij dat je haar nog even kon zien.)

De volgende dag. Het stadsbezoek, met de collega’s. Je leert Luik opnieuw kennen. Het ritme van de straten, mee bepaald door waar vroeger het water was. De beeldjes in de gevels, om onheil af te schrikken. De eclectische stijl.

Na de middag, het museum met de aquaria. De jonge vrouw die jullie rondleidt. Het is ontroerend hoe gepassioneerd ze is over elke vis. Fascinerende verhalen over vissen die van geslacht wisselen. (Misschien zouden die vreselijke bange venten van de andere kant van de oceaan hier ook eens moeten komen. Het is gewoon. Het is.) De haai maakt rondjes, laat zich zien.

Je wilt ook op tijd weer weg. (Buikvoorspelbaarheid is niet altijd gegarandeerd.) Mooi gesprek in de trein nog. (Blij dat je weer thuis bent.)

Een andere dag. (Een vrije dag.) Je werkt in de ochtend. (Inhalen. Alles netjes weer in orde.) (Ritme.)

Een mooi gesprek. Iets over geloven, en in wat dan wel of niet. Iets over spiritualiteit. En over Kant. En de dingen die je te doen hebt. (Het beweegt heel rustig heen en weer, legt zich neer.)

Die avond. Net voor je vertrekt, iets als: lekker buitje. Je bent er toch nog op tijd. Een mooi cadeau, lekker eten op een bijzondere plek. (Beetje verlegen.) Een traag gesprek. Een plek. (Dankbaar.)

Een nieuwe dag. (Een brug.) Je begint al vroeg in de ochtend, de vrijdagtekst. (Ritme.) De andere dingen. Even alles terug nalezen voor die tekst die je zou schrijven. (Misschien.)

Als geschenk voor jezelf even naar de boekhandel. (Iets als thuiskomen.)

Dus toch maar beginnen aan dat opiniestuk, in een lange beweging.

De actie op het plein, voor de Nakba. Je kijkt naar de mensen, luistert naar de toespraken. (Het maakt je klein en kwetsbaar. Zoveel onrecht.) (Misschien was meer stilte ook goed geweest, denk je, op weg naar huis. Je weet het niet.)

Ingewikkelde dromen.

De boodschappenronde. (Ritme.)

Een afspraak. Het is al zo lang geleden dat je haar nog zag. (Net wel, net niet in de zon gaan zitten. Net warm genoeg, net te fris ineens, en weer terug.) Een cadeau, een cadeau. Je verhaal beweegt heen en weer, je ziet de dingen nog wat beter. Een grote meid passeert. Je glimlacht. (En, zullen we binnenkort? Ja, misschien wel.)

Op weg naar de manifestatie. Feest en protest, Pride. (Voor jou is het iets te veel lawaai, maar dit keer heb je je oordoppen wel bij.) Je staat tussen zoveel mensen. Je kijkt. Het is goed hier te zijn, denk je. Het ontroert je diep. In kleuren zijn. (Liefde zou genoeg moeten zijn. Je voelt de onderhuidse onrust, naast de trots, naast het feest. Je zou zo graag willen dat niemand in dit hier bang zou moeten zijn.) (Je bent kwaad, over de georganiseerde angst, door bange mannen, bang van hun eigen onzekerheid.) (Je denkt aan de kinderen die je niet hebt, in welke wereld ze zullen opgroeien.) Je loopt rustig mee, kijkt. Tranen.

Je loopt naar de trein, in kleuren.

Geen opmerkingen: