En ineens loop je rond in het paleis. Het statige symbool van een wereld waar jij niet bij hoorde, nooit bij zou horen, wat je ook deed. En je loopt daar rond, ziet al die plekken nu voor het eerst aan de binnenkant. En de verhalen dienen zich aan. Het was een oorlog die je de kans gaf om naar binnen te gaan, waar de verhalen huizen. Het paleis dat gedoemd is om in elkaar te stuiken. De Poolse auteur Wiesław Myśliwski nodigt je met zijn boek Het paleis (uit 1970, en weergaloos vertaald door Karol Lesman) uit in een heel eigen universum. Het is een spiegelpaleis, dat je kunt lezen als een bijtende kritiek op een wereld van ongelijkheid die eindeloos lang niet heeft bewogen en nu ineens wankelt. Het is een nimmer stoppende stroom van verhalen, die iets lijken te zeggen over een onuitputtelijke kracht, die staat voor bevrijdende verbeelding. Het is een plek waar je mensen hoort praten, eindeloos, in het ritme van gesprekken, niet in de vorm van een gestructureerde roman. Het is een paleis voor de kracht van taal, een paleis dat sterker blijkt dan alle wereldse rijkdom. En het is een tegelijk meeslepend, weerbarstig, satirisch, vermoeiend en fascinerend boek. Het laat je niet zomaar binnen, je krijgt er niet zomaar vat op. Maar als je blijft, kun je ervaren hoe het is als de Walls Come Tumbling Down.
Het opzet van het boek is in wezen eenvoudig. Ergens, op een niet bepaald moment in de tijd – misschien bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, misschien bij de inname van Polen door de Sovjet-Unie – breekt er een oorlog uit. Die was al lang aangekondigd, en nu is hij daar. Jacob, een herder, ziet hoe alle mensen uit het rijke landgoed de benen nemen en wegvluchten. Hij zelf wil niet weg, en gaat naar binnen. Hij kwam nooit verder dan de deur, en kan nu door de gangen dolen, in alle kamers kijken, de somptueuze rijkdom zien.
Wat volgt, lijkt op een soort eindeloze monoloog in het hoofd van Jacob, maar het is veel meer dan dat. Jacob gaat van kamer tot kamer, probeert tot zich door te laten dringen wat hij ziet, en verplaatst zich in het hoofd van ‘de edele heer’. Vanuit dat nieuwe gezichtspunt kan hij een wereld zien waar hij zelf als eenvoudige herder nooit toe zou behoren. Je probeert als lezer een beetje te volgen waar je bent in het gebouw, en in wiens hoofd je eigenlijk bent. Al heel snel lukt dat niet meer. Het lijkt erop dat je beweegt tussen verschillende generaties van ‘edele heren’. In hun beschermde wereld hebben ze hun besognes, zijn ze soms eenzaam, doen ze maar wat. Maar tegelijk leven ze schaamteloos in hun privileges. Ze kijken neer op de mensen die voor hen werken en buigen, eigenen zich jonge vrouwen toe, en doen ermee wat ze willen. Ze kunnen zich verheven en artistiek voordoen, maar vervallen even snel in een pijnlijk neerkijken op gewone mensen, vol misprijzen. Misschien zijn die verhalen inwisselbaar, omdat het min of meer feodale systeem waarin ze zitten al een eeuwigheid bestaat. De rijkdom blijft binnen dezelfde klasse, met een goedkeurend oog van vertegenwoordigers van de kerk. Voor de arme mensen die op het platteland proberen te overleven, zijn er weinig alternatieven, en verzet leidt tot niets.
Uit een aantal persoonlijke verhalen merk je hoe pijnlijk die hele situatie al is geweest voor Jacob zelf. Maar tegelijk staat hij voor een hele groep van mensen. In de ogen van de heer zijn ze anoniem en inwisselbaar. Het maakt na een tijd al helemaal niet meer uit of je weet wie er nu eigenlijk aan het woord is. Dat paleis is een soort symbolische plek, waar alle verhalen opgestapeld zijn en hun eigen leven leiden, als geesten of demonen. Hoewel alle ruimtes nu ineens leeg zijn, zijn de verhalen er nog. Maar door zelf de verhalenstroom over te nemen of zich erdoor te laten meedrijven, krijgt Jacob ook een zekere macht over hen. Het ene verhaal kantelt in het andere. Van het ene register schuift het op naar een heel ander. Sommige stukken duren heel erg lang, andere zijn snel weer weg. De tekst beweegt op een tempo en een associatief ritme zoals mensen praten. Soms herhalend, soms ongestructureerd, soms spannend, soms vervelend en saai.
Dat verhalenuniversum laat op een fascinerende manier twee dingen zien: de knechtende en tegelijk ook de bevrijdende kracht van verhalen. Die schijnbaar eeuwig durende wereld van tweedeling, waarin machtelozen zich blind moesten schikken in hun rol, terwijl de machtigen op hen neerkeken en de privileges van hun kaste beschermden, steunde op verhalen. Verhalen die legitimeren dat iedereen een vaste plaats heeft en dat rijkdom of politieke macht omwille van de sociale orde niet in vraag mogen gesteld worden. Het zijn verstikkende verhalen, die van zichzelf zeggen dat ze waarheden zijn. Maar daarnaast kun je die verhalen ook van binnenuit uithollen door andere verhalen die net wel hun verhaalzijn vieren en gebruiken. Dan is het mogelijk alle rituelen van de macht, al die aristocratische praat, alle leugens van de communistische elite ineens te ontmaskeren door literaire kracht, door satire, door poëzie. Dan is zogenaamde ‘boerenliteratuur’ ineens iets heel anders.
Het is niet altijd eenvoudig om je zomaar mee te laten nemen door dit boek, dat niet is opgebouwd als een klassieke roman en dat je niet bij het handje neemt. Het kan soms moeilijk zijn om als het ware in het paleis binnen te komen. Maar eens je je overgeeft aan het associatieve ritme, aan de immense taalvirtuositeit, aan het spel van verhaalsoorten en registers, voel je de subversieve kracht van dit boek. Misschien dachten de communistische leiders dat dit boek de val van het feodale machtssysteem beschreef, als een soort lof op ‘de’ arbeider. Maar daarmee zagen ze dan hun eigen paleis niet meer.
Je krijgt als lezer niet één duiding of interpretatie mee. Het lijkt in eerste instantie een beetje een tijdloos verhaal, uit een verleden dat bij sommigen nostalgie zal opwekken, in een landelijk universum. Maar het is geen sociaal realisme. Eens je met enige afstand kijkt naar hoe het verhalenuniversum van het paleisuniversum functioneert, en eens je je durft overgeven aan de stuwende kracht van die associatieve stroom van verhalen, zie je de bijtende kritiek. Die stroom klinkt dan als de verontwaardiging van een simpele herder, die symbool staat voor zoveel anderen. Wat zo lang niet mocht gezegd worden, stroomt naar buiten. Die wereld die zo onaantastbaar leek, bleek ineens door een externe factor – de oorlog – heel erg kwetsbaar. Het lege paleis bevat nog wel de oude verhalen, maar ze worden op zo’n manier in een veel ruimere stroom van verhalen gebracht dat ze op het einde onherroepelijk leiden tot een soort implosie van het gebouw, en van een wereld waar het voor stond. En dat die muren in elkaar stuiken voelt aan als gerechtigheid.
Het paleis is een heel bijzonder boek, voor wie het als lezer aandurft om mee in de stroom te stappen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten