04 juli 2026

Wolken


De voorvoorlaatste week. (Deze week zal het rustig worden, denk je. Even toch.)

In de koelte loop je naar het station. Het is weer even wennen, maar het doet goed.

Lijstje met dingen die nog moeten. (Alle dingen die voor de vakantie zal beginnen zouden moeten gedaan zijn. Het lijkt een soort straat.)

De poetsmevrouw vertelt over haar kinderen. Hoe ze wil dat ze goed studeren, en ook Nederlands zullen leren. Zodat ze het beter zullen hebben dan zij.

Die avond, een vergadering. (Je was ze bijna vergeten.) Interessante gesprekken. (En je telt ook af: na deze nog maar één avondvergadering te gaan.)

(Een haperende nacht.)

Een nieuwe dag. (Elke dag ben je wel blij, merk je, voor een nieuwe dag.)

Die middag, een seminarie van de Klimaatzaak. De slimme mensen op het podium geven hun beschouwingen. Je kijkt rond, zoveel mensen die je kent. (Zouden ze ook zo kwaad zijn deze dagen, zoals jij bent? Ja, blijkbaar.) Iemand die je een tijdje niet meer zag. Ze is er met haar nieuwe kindje. Zo mooi, je smelt een beetje.

Na het werk, op tijd in de bioscoop. Er zijn weinig mensen in de zaal. Je bent moe, maar het doet je goed om alleen maar in een verhaal te moeten zijn. Het is zo ontroerend mooi, zo tragisch. De radeloze vader, met zijn twee kinderen, onderweg. Hoe ze naar elkaar kijken.

Na de film loop je door de stad. Het is alsof je het niet goed kunt verdragen dat er zoveel mensen zijn, volle terrassen, alsof vorige week er niet was. En het verhaal van die vader heeft je zo droef gemaakt, het is alsof je hem in je kunt voelen. (Iets is zo ontroostbaar.)

Een andere dag.

Je leest een stuk in de krant dat je kwaad maakt. (Je kunt het voorlopig alleen nog maar diagonaal lezen.)

(In je hoofd beweegt de rest van de dag een eindeloze reeks van zinnen.)

(Toch maar een antwoord schrijven, denk je, straks.)

Je krijgt het bericht van je zus waar je onderhuids al een tijd op wachtte. Er is een nieuw kindje in de wereld. (Je bent nu grootoom, of oudoom, of welk woord zou je daarvoor moeten gebruiken?) Je bent zo ongelooflijk blij. (Die meid die in je hoofd ook nog altijd een beetje klein is soms, en op die foto op je schouders zit, die vakantie toen ze haar eerste stapjes zette, die is nu zelf een mama.)

(In de trein lees je het stuk opnieuw. Hij is zo denigrerend, het is nog erger dan je dacht.)

Na het eten begin je zo snel mogelijk te schrijven. (De tekst mag wat langer worden, denk je. Je wilt de nuances rustig formuleren, in een tekst die open genoeg is, en toch een plek inneemt.) De woorden stromen, in een lange beweging.

In de nacht beweegt de tekst nog in je lichaam, het is niet anders.

Volgende dag. Zo snel mogelijk terug in de tekst ademen, in de zinnen bewegen. Je voelt de woorden in je vingers. Je wacht nog even, en dan mag de tekst vertrekken. (De tekst is nu daar, uit je lichaam.)

(Je merkt dat de tekst een beetje beweegt zoals je gehoopt had.)

De vergadering. Je kijkt rond, luistert naar de zinnen. (Ik ben hier graag, denk je.)

Je belt met je zus, voor meer verhalen over de baby. (Je smelt weer.)

Je krijgt een bericht dat je heel erg ontroert. (Misschien kun je met een tekst iemand beschermen, of minstens niet alleen laten.)

Een langere nacht. (Er bewegen geen woorden in je lichaam, alleen beelden.)

Een verse dag.

Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. Al het andere is net op tijd klaar. Je neemt je tijd voor de planten, en vertrekt. Je hebt nog iets geschreven over hoe kwaad je nog steeds bent. (Misschien geef je zo woorden aan anderen, misschien is dat al genoeg.)

Onderweg, onverwachte ontmoetingen. Je ben zo blij haar weer eens te zien, het is al zo lang geleden.

Je maakt je klaar om te vertrekken naar het Wereldkamp. Dat nummer dat je hebt gekozen, je laat het nog even door het huis razen.

Je kunt meerijden met een vriendin. (Haar auto lijkt voor jou wel een teletijdmachine.) Jullie komen aan op het terrein waar de tenten staan. Je probeert de plek een beetje te voelen, je kijkt naar de mensen, ziet veel bekende gezichten. Mooie gesprekken. Je kijkt naar de mensen die bezig zijn met de volksdansen. (Zoveel jeugdherinneringen. Misschien ben je toch een oude man?)

Het panelgesprek. (Misschien heb je je iets te goed voorbereid, het geeft niet.) Je blijft toch maar in je plek van oude man, of zo. Je vertelt over de rivier, over Julia, over Iedereen is van de wereld. De mevrouw die na jullie eerste ronde komt, maakt een soort grap over Julia die zich niet helemaal neerlegt voor jou, maar het is niet erg.

De reis terug, in de nacht, nu met zijn drieën. Een mooi gesprek over kinderen, waarom wel, waarom niet, wat ze met je doen, hoe ze aan- en afwezig zijn. Het is als een geschenk, dat je gewoon mee mag praten. (Het zal wel nooit wennen.)

Een korte nacht.

De boodschappenronde, werk inhalen, de kranten. Ergens in de namiddag stopt het. Alsof een lege plek naar je kijkt. En je kijkt, naar wolken.

Geen opmerkingen: