18 juli 2026

Helemaal leeg


Het zijn de laatste dagen voor. (Je mag bijna.)

Het laatste lijstje afwerken de volgende dagen. (Het gaat ook over andere woorden, denk je. Even wachten nog.)

De poetsmevrouw is ook aan het aftellen, het is ook haar laatste week. Ze vertelt je dat ze dankzij jou ook gewoon op blote voeten rondloopt. (Je hebt al een tijdje de indruk dat ze pijn heeft aan haar voeten, hoe ze door de gang loopt.) Ze is blij dat het hier zomaar mag.

(Even horen of je stuk nog zal gepubliceerd worden. Ja.)

Op weg naar huis nog een cadeau zoeken voor je maatje. (Ja, dat zal hij wel graag lezen, denk je.)

Toch maar even een stukje schrijven over dat boek dat je de vorige dag hebt uitgelezen. (Tijdens het schrijven begrijp je ineens iets over dat boek.)

Verder kijken naar die film die je zo raakte. Die twee vrouwen. Zoveel verlangen dat moet bewegen tussen fossielen. Die ogen.

Een andere dag. (De nacht haperde.)

De vergadering. (Je kijkt in je hoofd naar een strategie.)(Misschien zou je liever naar iets anders kijken.)

Je luistert naar verhalen. (Verhalen hebben andere woorden. Ze huizen op een andere plek in je lichaam, denk je.)

Het inpakken van je cadeau is andermaal suboptimaal gelukt. (Wat wel een troostende gedachte is. Iets als jouw leven, suboptimaal gelukt. Het mag haperen.)

Je bent blij dat je even bij hem kunt zijn, op zijn verjaardag. (En je hoopt dat zijn reis goed zal verlopen en dat hij veilig en wel weer terug zal komen binnen enkele weken.)(Het is altijd een beetje ingewikkeld, dierbaren die weggaan.)(Maar minder dan vroeger.)

Je schuift in de film, en blijft kijken. Heerlijk hoe de film balanceert tussen licht absurd en tragisch. De mensen zijn zo mooi. (Het einde is zo mooi.)

Een nieuwe dag. Er staan nog enkele klusjes op je lijstje. Je werkt ze zorgvuldig af. (Geen losse eindjes, een clean desk is in het vooruitzicht.)

Een bijzonder moment in de namiddag. Je staat in het parkje tussen de mensen, het zijn je vrienden. De jonge man op het podium. Het begin van wat een monument zal worden voor de klimaatslachtoffers. (Je bent zo trots op hem, je bent zo verdrietig, je bent zo kwaad, je voelt je klein, je bent blij dat je hier bent, je bent zo moe.) Je legt een bloem, kijkt naar de lijst met namen.

Die avond. Je ziet een filmpje met een mooi interview. Iets over een ander soort vrijheid. (Ineens zie je het voor je. Het is als een sleutel tot de tekst die je nog moet schrijven.)

Je gaat nog even kijken of zij er is. Haar groepje vrienden. Ze zijn muziek aan het draaien. Daar staat ze, en daar is haar vriendje. Het is fijn om even daar te kunnen zijn, te kunnen kijken naar haar leven. (Zou ze weten dat je trots bent op haar?)

Je kijkt opnieuw naar een stuk van de film. Merkwaardig hoe de gezichten van de acteurs al een beetje anders lijken, alsof ze meer in zichzelf schuiven.

Een volgende dag. (De voorlaatste.)

Je ziet dat je stuk gepubliceerd is. Het vertrekt. (Het is nu een beetje uit je systeem.)

Je geeft een miniopleiding voor je collega’s. Website onderhouden voor beginners. Je herinnert je nog toen jij de uitleg kreeg, en de helft niet begreep. (Je probeert het beter te doen.)

Op weg naar de trein. (Heel moe. Het gevoel dat elk jaar komt, zo net voor je vakantie begint. Het is tijd.)

(Je hebt even geen zin om bekenden tegen te komen, je wilt gewoon alleen in de trein zitten, doen alsof je je krant leest.)

(Je moet nog altijd dat ene stuk ook schrijven, deze week nog.)(Geduld)

(Je kunt nooit goed uitleggen hoe woorden bewegen in je lichaam. Hoe sommige woorden je lichaam wegtrekken, hoe je verlangt naar andere woorden, die iets anders doen met je huid.)

Een nieuwe dag. De laatste.

Je bouwt de vrijdagtekst op, als met blokjes. (Het is als een kleine berg waar je nog over moet.) Geduldig de Franse en de Engelse vertaling maken. En dat persbericht van de Commissie waarop je wachtte, is er eindelijk. De tekst kan naar buiten.

De poetsmevrouw komt afscheid nemen.

De planten. Rustig en zorgvuldig. Je vertelt verhalen. (De planten thuis kennen al je geheimen.)

En de allerlaatste dingen.

En dan vul je – het wordt stilaan tijd – je aanvraag voor vakantiedagen in. (Sommige tradities moeten in ere worden gehouden.)

Ja. Het moment. Clean desk. (Eindelijk.) Helemaal leeg. (Eigenlijk fysiek gezien even netjes leeg als elke andere dag, maar het voelt aan als een ander soort leeg.)

Iets trager dan anders loop je door de stad naar huis. Je kijkt naar de mensen.

Die avond. (Eigenlijk ben je te moe, maar toch.) Je wilt nog even naar dat ene concert gaan kijken, met de accordeonist. (Het is zo druk in de stad.) Je zoekt een plekje achteraan op het plein. (In die straat woonde je ooit nog.) Hij speelt zo mooi. (Je kijkt naar de mensen. Zoveel mooie lijnen, in gezichten, in evenwichten. Verhalen die je niet kent. Het is een mooie gedachte. Je ziet hoe een vriendin vooraan staat te dansen.) (Eigenlijk kun je al dat gepraat niet goed verdragen, je zou alleen maar willen luisteren, en kijken.)

Een nieuwe dag. Je lichaam schuift langzaam in de vakantie, merk je. (Het zal nog enkele dagen haperen.)

Je hebt met jezelf afgesproken dat je die ene tekst nog zou schrijven. Je begint eraan na de boodschappen. (Dat was een mooi gesprek met de Litouwse mevrouw, aan de kassa.) Nog even enkele andere dingen, en dan begin je er dus aan. Het vraagt je veel. (Je zou willen leunen in andere woorden, stilaan. Iets zou je mogen dragen, zonder vragen te stellen.) Je laat de tekst het overnemen, tot hij klaar is. (Alleen de volgende ochtend nog eens nalezen en bewerken, en dan mag ook die tekst de wereld in.)

Je gaat liggen. Het is.

Geen opmerkingen: