Gisteren een zeer boeiend debat bijgewoond met de groene Duitse voormalige buitenlandminister Joschka Fischer. Hij hield een gedreven pleidooi voor de ‘Verenigde Staten van Europa’. Met veel passie sprak hij over de noodzaak om verdere stappen te zetten in de Europese integratie, met het oog op de grote veranderingen die aan de gang zijn in de mondiale orde en de maatschappelijke uitdagingen die ons te wachten staan.
En net nu is ook een nieuw rapport gepubliceerd dat de belangrijkste risico’s voor de wereldgemeenschap in kaart brengt. Je zou kunnen zeggen dat de wereld erg kwetsbaar is. En als je het overzicht bekijkt van de mogelijke risico’s, hun potentiële impact en hun graad van waarschijnlijkheid, dan zie je dat met name door de mens meegeproduceerde risico’s, zoals de klimaatverandering, het hoogst scoren. En wat als de “paradox van de 21ste eeuw” wordt omschreven, is in wezen niet zo’n verrassing: “Naarmate de globalisering voortschrijdt, groeit de wereld verder uit elkaar.”
In zo’n landschap toekomstgericht aan beleid doen, vraagt een heel ander soort politiek dan wat we jammer genoeg in onze eigen contreien deze dagen op het scherm zien passeren, om het heel vriendelijk te zeggen. Als je als kleintje wilt overleven, moet je ‘groot’ durven denken. En dat is iets heel anders dan jezelf ‘groot’ voordoen door ‘klein’ te denken.
Een belangrijk uitgangspunt in het verhaal van Fischer was de vaststelling dat de wereld fundamenteel aan het veranderen is. We gaan er in veel gevallen nog gemakshalve van uit dat Europa, of de trans-Atlantische as, het centrum van de wereld is, of alleszins het ijkpunt der dingen. We willen onszelf graag wijsmaken dat we vanuit dat idee ook ‘controle’ hebben over de dingen. De globaliseringprocessen – die voor een deel wel degelijk ‘gewild’ zijn door politieke keuzes en dus geen anonieme krachten – hebben ondertussen genoeg duidelijk gemaakt dat de ‘oude’ politieke structuren niet meer in staat zijn om voldoende greep te krijgen op de gebeurtenissen. En tegelijk verschuift de machtsbalans in de wereld naar oostelijke richting. Dat alles doet zich voor in een wereld van naderende schaarste van grondstoffen, dreigende klimaatchaos en schrijnende tegenstellingen tussen arm en rijk. De centrale strategische vraag die Europa zich moet stellen, is of het in die wereld een actieve mondiale speler wil worden. Voor Fischer is het duidelijk: de volgende tien jaar zullen beslissend zijn voor de plaats van Europa in de wereld. Ofwel proberen we actief ons lot mee in handen te nemen, en dan is er nood aan een sterker Europa. Ofwel plooien we ons op onszelf terug, voeren achterhoedegevechten en zullen we wegschuiven in de marge, en zo ook de kans missen om een actieve rol te spelen in de sociaal-ecologische bijsturing van de globalisering.
Maar ‘Europa’ durven zijn, in de 21ste eeuw is blijkbaar moeilijk voor velen. De EU maakt een serieuze crisis door. Velen vinden het wel lekker om de EU van zowat alles de schuld te geven, of kiezen voor een verkeerd soort Eurokritiek, waarbij ze het bestaan van bovennationale politieke structuren aanvallen, in plaats van het nog vaak foute beleid dat door Europese instellingen wordt gevoerd (op vraag van nationale politici). Voor velen is de verleiding blijkbaar groot om terug te gaan ‘renationaliseren’, om zichzelf wijs te maken dat je ‘terug’ zou moeten naar de veilige en zogenaamd overzichtelijke structuren van weleer.
In het debat werd er terecht voor gepleit om Europa verder te ontwikkelen als een politieke structuur ‘voorbij de natiestaat’. Ten gronde blijft de overtuiging van de Europese federalisten overeind, dat je nood hebt aan sterke politieke integratie op een bovennationaal niveau. En dat niet enkel als een vredesproject, maar ook als de enige manier om effectief nog beleid te kunnen voeren in een wereld die fundamenteel anders is dan bij het begin van de 20ste eeuw. Supranationale politieke instellingen wil niet zeggen dat je een soort ‘superstaat’ gaat uitbouwen, integendeel. Ook met sterkere Europese instellingen zullen de landen niet verdwijnen. Maar waar het al lang duidelijk is dat nationale staten niet kunnen overleven zonder een overkoepelende structuur wordt die nood de volgende jaren alleen maar acuter. Wie bekijkt wat er de voorbije maanden gebeurde met de crisis van de euro zag in de feiten een nooit eerder geziene politieke keuze om bovennationaal te werken en handelen, als enige manier om (ook nationaal) te overleven. Wie een eerlijke analyse maakte, moest vaststellen dat we dringend nood hebben aan een sterkere politieke integratie op EU-niveau. Wel je markt en je munt Europees organiseren, maar niet zoveel andere dimensies van je beleid wordt te riskant, dreigt landen tegen elkaar uit te spelen, en verhindert dat Europa een voldoende sterke rol speelt op het mondiale toneel.
Voorbij de natiestaat denken is op een rustige maar ook koelbloedige manier in meer lagen denken, kiezen voor ‘multi-level governance’ zoals men dat noemt. De werkelijke betekenis van subsidiariteit is de dingen op het juiste niveau doen, en niet: zoveel mogelijk dingen op een zo laag mogelijk niveau doen. Naarmate de wereld complexer wordt en zwaartepunten naar elders verschuiven, is het blijkbaar aantrekkelijk om te gaan zoeken naar verondersteld veilige havens. Maar een post-nationale politiek wil niet zeggen dat je een nieuw natiestaatje gaat maken, maar dan nog kleiner. Of om het anders te zeggen: de krachten die bepalend zullen zijn voor onze welvaart in de toekomst liggen niet aan de andere kant van de taalgrens maar op een hoger niveau. En als je die krachten mee wilt sturen in een goede richting, dan heb je nood aan de goede instrumenten, op het goede niveau. Een echte toekomstgerichte staatshervorming betekent dus niet jezelf ervan proberen te overtuigen dat de wereld daarbuiten op zal houden verder te draaien als je zoveel mogelijk bevoegdheden naar een regio haalt. Het betekent wel dat je een nuchtere analyse maakt en bekijkt hoe je bevoegdheden op een goede manier verdeelt over Europees, nationaal en regionaal niveau.
Je moet dus ook op een andere manier gaan denken over een begrip als soevereiniteit. Het oude idee was dat je als politieke gemeenschap volledig soeverein was over het territorium van die gemeenschap. Je zou dus volledig kunnen bepalen wat er wel en wat er niet gebeurde, of je in de ene of de andere richting zou gaan. Het soevereine volk kon dat alles bepalen via de politieke vertegenwoordigers die het koos. En dat alles werd verbonden met de klassieke natiestaten. Die oude vormen en gedachten zijn in essentie waardevol, maar door de feiten voorbijgestreefd. Natiestaten kunnen al lang niet meer de loop der dingen bepalen. Er bestaat trouwens al lang een theorie die stelt dat de Europese integratie de ‘redding van de natiestaat’ was. Nationale staten konden als het ware doorgaan met te doen alsof ze een natiestaat waren, in de oudere zin van het woord, enkel en alleen omdat er een bovennationale structuur is. Maar als we de positieve kern van het begrip soevereiniteit, in een democratische gemeenschap van burgers, overeind willen houden, dan zullen we ‘groter’ moeten leren denken. In het oude schema blijven denken, en daarbij ook nog eens je landje nog kleiner maken, dat zal vast en zeker niet helpen tegen de stormen van de klimaatverandering, de woelige wateren van de financiële markten en de economische machtstrijd van de nieuwe groeilanden.
De enige manier om de kern van de soevereiniteit in positieve zin overeind te houden, is leren denken in een concept van collectieve soevereiniteit. We zitten samen in dezelfde boot. Wat Europa betreft, wil dat zeggen dat landen en regio’s zullen blijven bestaan. Die meerlagige structuur moet zo functioneren dat effectief aan beleid kan worden gedaan, op het juiste niveau, en dat er ook genoeg ruimte is voor diversiteit en identiteit. Maar het betekent ook dat het huidige niveau van Europese politieke integratie niet volstaat. We zullen stappen verder moeten zetten. Dat betekent onder meer de instrumenten voorzien voor een sterker extern beleid op het wereldtoneel. En dat betekent ook een sterker stelsel van sociale normen en afspraken op Europees niveau die kunnen voorkomen dat landen of regio’s te zeer met elkaar gaan concurreren. Collectieve soevereiniteit betekent ook dat in volle eerlijkheid wordt gekeken naar de ernst van de ecologische crisis. Voorkomen dat de klimaatverandering een klimaatchaos wordt is een immense opgave, die we alleen bovennationaal zullen kunnen aanpakken. Als we tegelijk de emissies van broeikasgassen met tientallen procenten naar beneden willen krijgen, en ook nog eens een duurzaam energienetwerk van de toekomst willen uitbouwen, dan kan dat alleen als we dat aanpakken op een schaal die groot genoeg is en die ‘nationaal egoïsme’ voorkomt. Als we een veilige wereld willen, dan kan dat alleen als het ook een rechtvaardige wereld is. Europese politiek moet dus ook kosmopolitische politiek zijn. En dat impliceert dan weer een inclusieve politieke cultuur waarin mensen als burger actief met hun verschillende identiteiten leren omgaan, niet een cultuur waarin gepoogd wordt mensen in te passen in een model waarin ze maar één (regionale) identiteit zouden mogen hebben.
De vraag naar het politiek handelen in de wereld van de 21ste eeuw is dus ook een vraag naar het wezen van de democratie. Kun je mee de loop der dingen sturen, of geef je je macht uit handen? Vanuit een eigentijdse federale logica bewust kiezen om het Europese politieke niveau democratisch te versterken is een cruciaal antwoord op die vraag. Denken dat je die vraag kunt ontwijken door terug te keren naar de veiligheid van de oude vormen is een strategie die gedoemd is om te falen.
13 januari 2011
09 januari 2011
Het trage ontwaken

Misschien reageert je lichaam anders in het weekend. Je doet je best om – zoals steeds – zwierig uit bed te springen, in een poging jezelf te overtuigen dat je weer eens flitsend door de dag zal schieten. Het lijkt zelfs redelijk te lukken. Tot je later de stad in gaat voor de boodschappen, en je dus ook andere mensen ziet die je aanspreekt. Het lijkt alsof je stem ergens verloren loopt in je lichaam, dat blijkbaar bij de ochtendsprong is achtergebleven. Je weet niet of het nog terug zal komen, of het je nog zal inhalen vandaag. Het is altijd een gok, een leap of faith. Om te kunnen vertrouwen dat het goed zal komen mag je niet denken.
Je zit in de hoek van de kamer, daar waar je je boek uitleest. Het wordt langzaam donkerder in de kamer. Om de zoveel bladzijden kijk je even rond. Om te zien hoe de stadia van donker de dingen betasten. Ze zijn er nog, dat weet je. Wat ze zijn, het is er ook nog. Er gaat een grote rust uit van die trage verandering. Je zegt tegen jezelf dat je ziet dat de dagen al langer aan het worden zijn. Of het echt ook zo is, wil je nu liever niet weten.
Het is het eerste boek dat je helemaal hebt uitgelezen in deze nieuwe zetel. Je houdt even je adem in bij dit moment. Het moet ergens bewaard worden. Deze plek is gemaakt voor de vele die nog zullen volgen. En om naar het licht te kijken. Van opzij naar het licht kijken, dat is anders.
Je houdt je handen voor je hoofd bij het kijken. Tussen je vingers door kijken zou moeten beschermen blijkbaar tegen de spannende dingen die je ziet. Bij zo ongeveer elke aflevering zit je zo te kijken. In het kader van het zelfonderzoek test je even of het anders spannend is zonder handen. Toch maar liever met, denk je later.
De weekendkranten op een zondagochtend. Terwijl je leest, herinner je je het aantal keren dat je de voorbije week hebt zitten roepen tegen het scherm. Tegen een krant roepen doe je blijkbaar niet. Zou het uitzicht van woorden op zich al een verstillend effect hebben? Of is het enkel het uur van de dag?
De kleine drempel die je telkens weer over moet voor je begint te poetsen. Nog heel even zoek je een excuus om nog snel iets anders te doen. Heel even maar. Soms zoek je gewoon een uitvlucht. Soms ben je bang van dat hoekige lijf dat steeds weer kraakt tijdens die bezigheid. Van de pijn die weer zal komen.
Nieuwe apparaten, en hoe spannend ze zijn. Het in elkaar zetten van de nieuwe stofzuiger maakt je erg zenuwachtig, al weet je niet waarom. Je bekijkt later je bewegingen. De stand van de zon maakt dat je elk pluisje op de stenen vloer goed ziet liggen, en ziet verdwijnen in het nieuwe apparaat. Je moet nog leren hoe je sierlijk, en rechtop, de slang kunt bedienen.
De vragen voor het gesprek worden bedacht terwijl je met de dweil onder je bed gaat. Wat zou je jezelf toewensen voor dit jaar? Dus niet: wat zijn je goede voornemens. Dat zou te gemakkelijk zijn. Je kunt een ander iets toewensen, oprecht, vanuit je liefde of vriendschap. Je moet een beetje afstand nemen om het goed te kunnen doen, afstand van iets in jezelf. Maar wat zou je jezelf toewensen? Je schrikt van je eigen antwoord op die vraag.
Na het poetsen het eerste moment van zitten, het is altijd even moeilijk. Dit keer doe je het voor de piano. Je speelt de bewerking van het lied zoals die op het blad staat. De klanken verbazen en ontroeren je. Even begrijp je niet hoe die noten op het blad via je hoofd naar je vingers gaan. De piano lijkt je gerust te stellen: het komt wel goed, vertrouw me maar. Even is er een ander die je dit graag zou zien spelen, maar hij is er niet meer. Je zou het hem graag laten zien nu, deze plek.
Je ziet hoe ze allemaal rondom jou zitten, voor het eerst in het nieuwe huis. In een mooi gesprek, over de moeilijke vragen. Ze passen goed in het huis. Dat had je vooraf onrustig gemaakt. Hoe het zou zijn als ze er allemaal waren. Hoe het ritme van de ruimte zou zijn.
En als iedereen weer weg is, ruim je voorzichtig alles weer op. De afwas later wordt zorgvuldig uitgevoerd. Bij het naderen van het einde van deze dag horen rituele bewegingen.
Bij de woorden ga je trager ademen. Iets in je rug wordt traag wakker, bij Famous Blue Raincoat. Misschien zou je iets kunnen wensen.
Je zit in de hoek van de kamer, daar waar je je boek uitleest. Het wordt langzaam donkerder in de kamer. Om de zoveel bladzijden kijk je even rond. Om te zien hoe de stadia van donker de dingen betasten. Ze zijn er nog, dat weet je. Wat ze zijn, het is er ook nog. Er gaat een grote rust uit van die trage verandering. Je zegt tegen jezelf dat je ziet dat de dagen al langer aan het worden zijn. Of het echt ook zo is, wil je nu liever niet weten.
Het is het eerste boek dat je helemaal hebt uitgelezen in deze nieuwe zetel. Je houdt even je adem in bij dit moment. Het moet ergens bewaard worden. Deze plek is gemaakt voor de vele die nog zullen volgen. En om naar het licht te kijken. Van opzij naar het licht kijken, dat is anders.
Je houdt je handen voor je hoofd bij het kijken. Tussen je vingers door kijken zou moeten beschermen blijkbaar tegen de spannende dingen die je ziet. Bij zo ongeveer elke aflevering zit je zo te kijken. In het kader van het zelfonderzoek test je even of het anders spannend is zonder handen. Toch maar liever met, denk je later.
De weekendkranten op een zondagochtend. Terwijl je leest, herinner je je het aantal keren dat je de voorbije week hebt zitten roepen tegen het scherm. Tegen een krant roepen doe je blijkbaar niet. Zou het uitzicht van woorden op zich al een verstillend effect hebben? Of is het enkel het uur van de dag?
De kleine drempel die je telkens weer over moet voor je begint te poetsen. Nog heel even zoek je een excuus om nog snel iets anders te doen. Heel even maar. Soms zoek je gewoon een uitvlucht. Soms ben je bang van dat hoekige lijf dat steeds weer kraakt tijdens die bezigheid. Van de pijn die weer zal komen.
Nieuwe apparaten, en hoe spannend ze zijn. Het in elkaar zetten van de nieuwe stofzuiger maakt je erg zenuwachtig, al weet je niet waarom. Je bekijkt later je bewegingen. De stand van de zon maakt dat je elk pluisje op de stenen vloer goed ziet liggen, en ziet verdwijnen in het nieuwe apparaat. Je moet nog leren hoe je sierlijk, en rechtop, de slang kunt bedienen.
De vragen voor het gesprek worden bedacht terwijl je met de dweil onder je bed gaat. Wat zou je jezelf toewensen voor dit jaar? Dus niet: wat zijn je goede voornemens. Dat zou te gemakkelijk zijn. Je kunt een ander iets toewensen, oprecht, vanuit je liefde of vriendschap. Je moet een beetje afstand nemen om het goed te kunnen doen, afstand van iets in jezelf. Maar wat zou je jezelf toewensen? Je schrikt van je eigen antwoord op die vraag.
Na het poetsen het eerste moment van zitten, het is altijd even moeilijk. Dit keer doe je het voor de piano. Je speelt de bewerking van het lied zoals die op het blad staat. De klanken verbazen en ontroeren je. Even begrijp je niet hoe die noten op het blad via je hoofd naar je vingers gaan. De piano lijkt je gerust te stellen: het komt wel goed, vertrouw me maar. Even is er een ander die je dit graag zou zien spelen, maar hij is er niet meer. Je zou het hem graag laten zien nu, deze plek.
Je ziet hoe ze allemaal rondom jou zitten, voor het eerst in het nieuwe huis. In een mooi gesprek, over de moeilijke vragen. Ze passen goed in het huis. Dat had je vooraf onrustig gemaakt. Hoe het zou zijn als ze er allemaal waren. Hoe het ritme van de ruimte zou zijn.
En als iedereen weer weg is, ruim je voorzichtig alles weer op. De afwas later wordt zorgvuldig uitgevoerd. Bij het naderen van het einde van deze dag horen rituele bewegingen.
Bij de woorden ga je trager ademen. Iets in je rug wordt traag wakker, bij Famous Blue Raincoat. Misschien zou je iets kunnen wensen.
08 januari 2011
Olivia
Ik zag haar zitten aan het onthaal. Ze zat wat doelloos voor zich uit te staren. Op het scherm van haar laptop was een lichtjes tot droefheid stemmend spel patience te zien. Om haar schouders had ze een brede sjaal geslagen. Ze heette Olivia, zo bleek.
‘Ik moet hier blijven zitten de hele avond, en veel mensen vinden het blijkbaar normaal om de deur lang open te laten staan. Maar voor mij is het wel koud elke keer. En ik warm al zo moeilijk op deze dagen.’
Of er dan iets speciaals was gebeurd of zo, wilde ik weten. En ze vertelde me over haar vriendje, of beter haar ex-vriendje. Giorgio, zo heette hij. Op nieuwjaarsdag had hij haar in de steek gelaten.
‘Weet je, zwaar doorzakken op oudjaar, dat is niet zo mijn ding. Eigenlijk wil ik het liefst met die donkere dagen in de zetel kruipen, onder een dekentje, en dan tranerige films kijken. En dan zo iemand die tegen je aan komt zitten, en zijn arm om je heen slaat, of je helemaal omringt als het ware, zodat je lekker warm hebt, en je helemaal veilig voelt. Maar Giorgio heeft dat soort dingen nooit echt graag gedaan.’
Giorgio, zo zei ze, was eigenlijk wel een goede jongen, maar hij voelde zich wat onzeker. In de loop der jaren was hij zich steeds vaker als een mannetje gaan gedragen.
‘Hij deed alsof hij een echte macho was. Nu ja, al die macho’s doen alsof ze iets zijn, een macho dus. Op mij maakt het nooit veel indruk, integendeel. Misschien dat hij daar wat zenuwachtig van werd, ik weet het niet. Met die sneeuw van de voorbije weken was het weer van dat. Hij begon er weer over dat we eigenlijk een 4x4 hadden moeten kopen. Dat zou nu erg goed van pas gekomen zijn, volgens hem. Als ik dan vroeg waarvoor, dan kon hij er niet echt op antwoorden. Hij begon ook al vanaf het ontbijt in een zwarte zonnebril in huis rond te lopen, want dat was cool. En dan nog de hele dag rondbazuinen hoe geweldig de NVA wel is, want dat waren toch echte mannen. Heb je die gasten al eens bekeken? Ik weet het toch niet zo goed.’
Bij het kerstfeest was het al een beetje fout beginnen gaan. De mama van Olivia had heel lekker gekookt, allemaal recepten die ze had leren kennen in de cursus vegetarisch koken die ze volgde. Giorgio zat de hele tijd te zagen omdat hij geen vlees kreeg. Allemaal een beetje voorspelbaar, en doorzichtig volgens Olivia.
‘Het is zo dat Giorgio om een of andere reden schrik heeft van broccoli. Het moet te maken hebben met een jeugdtrauma of zo, ik weet het niet. Maar zodra hij broccoli ziet, wordt hij heel zenuwachtig. Mijn mama had een heerlijke groentetaart gebakken, en hij was bang dat er ergens broccoli in zou zitten, dus begon hij maar te zagen over het vlees dat er niet was. Flauw allemaal. En vroeger zou hij dat nooit gedaan hebben, hij kon trouwens altijd goed opschieten met mijn moeder.’
Het was de voorbije maanden al af en toe moeilijk geweest sinds hij een nieuwe baas kreeg op het werk. Een vrouw. Dat zag hij blijkbaar niet zitten.
‘Hij begon ineens te praten over dingen die zij had gezegd of gedaan, en die tegen zijn eergevoel in gingen. Eergevoel? Dat woord had hij nog nooit gebruikt. Ik weet nog altijd niet goed wat hij daar juist mee bedoelde, maar hij voelde zich blijkbaar vernederd of zo. Hij zei dat de Jean-Pierre, zijn collega, er ook zo over dacht. Het had al lang genoeg geduurd allemaal. Wat er dan zo lang duurde, kon hij niet zo goed zeggen.’
In elk geval, met oudjaar de hele avond gezellig thuis blijven, daar had Giorgio geen zin in. Ze hadden nog wel samen gegeten. Olivia had voor hem blinde vinken gemaakt, dat at hij altijd graag. Maar veel had hij niet gezegd. Om half twaalf was hij vertrokken, hij wilde naar het vuurwerk gaan.
‘Vuurwerk, dat is echt mijn ding niet. Ik heb er schrik van. Maar ik vond het niet zo erg dat Giorgio wel ging kijken. Ik wist dat hij lang weg zou blijven, dus ik ben vroeg gaan slapen. En toen ik ’s morgens opstond, was hij nog altijd niet thuis. Tegen de middag kwam hij erdoor, en zei hij me dat hij bij het vuurwerk de vrouw van zijn leven had leren kennen. Ene Wendy. Wendy had wel respect voor hem, zij was tenminste wel een echte vrouw. En hij was weg.’
Voorzichtig vroeg ik haar hoe het nu ging, en of het misschien toch niet beter was zonder Giorgio.
‘Ja, eigenlijk wel, dat moet ik bekennen. Al is het soms wel heel stil en leeg in huis. Ik heb al zijn spullen al bij elkaar gezet, hij moet ze maar komen halen. Ik heb van de week al drie keer broccoli gemaakt. Lekker. Eigenlijk kan ik nu doen wat ik wil, alleen weet ik nog niet zo goed hoe ik dat moet doen, denk ik. Maar het komt wel in orde. Zeker als de mensen die deuren dicht zouden doen.’
Ik ben een glas champagne voor haar gaan halen, en gaf haar nog een afscheidskus voor ik doorging. En ik lette er goed op dat de deur goed dicht was. Ze wuifde nog even naar me, en draaide zich daarna weer naar haar laptop.
‘Ik moet hier blijven zitten de hele avond, en veel mensen vinden het blijkbaar normaal om de deur lang open te laten staan. Maar voor mij is het wel koud elke keer. En ik warm al zo moeilijk op deze dagen.’
Of er dan iets speciaals was gebeurd of zo, wilde ik weten. En ze vertelde me over haar vriendje, of beter haar ex-vriendje. Giorgio, zo heette hij. Op nieuwjaarsdag had hij haar in de steek gelaten.
‘Weet je, zwaar doorzakken op oudjaar, dat is niet zo mijn ding. Eigenlijk wil ik het liefst met die donkere dagen in de zetel kruipen, onder een dekentje, en dan tranerige films kijken. En dan zo iemand die tegen je aan komt zitten, en zijn arm om je heen slaat, of je helemaal omringt als het ware, zodat je lekker warm hebt, en je helemaal veilig voelt. Maar Giorgio heeft dat soort dingen nooit echt graag gedaan.’
Giorgio, zo zei ze, was eigenlijk wel een goede jongen, maar hij voelde zich wat onzeker. In de loop der jaren was hij zich steeds vaker als een mannetje gaan gedragen.
‘Hij deed alsof hij een echte macho was. Nu ja, al die macho’s doen alsof ze iets zijn, een macho dus. Op mij maakt het nooit veel indruk, integendeel. Misschien dat hij daar wat zenuwachtig van werd, ik weet het niet. Met die sneeuw van de voorbije weken was het weer van dat. Hij begon er weer over dat we eigenlijk een 4x4 hadden moeten kopen. Dat zou nu erg goed van pas gekomen zijn, volgens hem. Als ik dan vroeg waarvoor, dan kon hij er niet echt op antwoorden. Hij begon ook al vanaf het ontbijt in een zwarte zonnebril in huis rond te lopen, want dat was cool. En dan nog de hele dag rondbazuinen hoe geweldig de NVA wel is, want dat waren toch echte mannen. Heb je die gasten al eens bekeken? Ik weet het toch niet zo goed.’
Bij het kerstfeest was het al een beetje fout beginnen gaan. De mama van Olivia had heel lekker gekookt, allemaal recepten die ze had leren kennen in de cursus vegetarisch koken die ze volgde. Giorgio zat de hele tijd te zagen omdat hij geen vlees kreeg. Allemaal een beetje voorspelbaar, en doorzichtig volgens Olivia.
‘Het is zo dat Giorgio om een of andere reden schrik heeft van broccoli. Het moet te maken hebben met een jeugdtrauma of zo, ik weet het niet. Maar zodra hij broccoli ziet, wordt hij heel zenuwachtig. Mijn mama had een heerlijke groentetaart gebakken, en hij was bang dat er ergens broccoli in zou zitten, dus begon hij maar te zagen over het vlees dat er niet was. Flauw allemaal. En vroeger zou hij dat nooit gedaan hebben, hij kon trouwens altijd goed opschieten met mijn moeder.’
Het was de voorbije maanden al af en toe moeilijk geweest sinds hij een nieuwe baas kreeg op het werk. Een vrouw. Dat zag hij blijkbaar niet zitten.
‘Hij begon ineens te praten over dingen die zij had gezegd of gedaan, en die tegen zijn eergevoel in gingen. Eergevoel? Dat woord had hij nog nooit gebruikt. Ik weet nog altijd niet goed wat hij daar juist mee bedoelde, maar hij voelde zich blijkbaar vernederd of zo. Hij zei dat de Jean-Pierre, zijn collega, er ook zo over dacht. Het had al lang genoeg geduurd allemaal. Wat er dan zo lang duurde, kon hij niet zo goed zeggen.’
In elk geval, met oudjaar de hele avond gezellig thuis blijven, daar had Giorgio geen zin in. Ze hadden nog wel samen gegeten. Olivia had voor hem blinde vinken gemaakt, dat at hij altijd graag. Maar veel had hij niet gezegd. Om half twaalf was hij vertrokken, hij wilde naar het vuurwerk gaan.
‘Vuurwerk, dat is echt mijn ding niet. Ik heb er schrik van. Maar ik vond het niet zo erg dat Giorgio wel ging kijken. Ik wist dat hij lang weg zou blijven, dus ik ben vroeg gaan slapen. En toen ik ’s morgens opstond, was hij nog altijd niet thuis. Tegen de middag kwam hij erdoor, en zei hij me dat hij bij het vuurwerk de vrouw van zijn leven had leren kennen. Ene Wendy. Wendy had wel respect voor hem, zij was tenminste wel een echte vrouw. En hij was weg.’
Voorzichtig vroeg ik haar hoe het nu ging, en of het misschien toch niet beter was zonder Giorgio.
‘Ja, eigenlijk wel, dat moet ik bekennen. Al is het soms wel heel stil en leeg in huis. Ik heb al zijn spullen al bij elkaar gezet, hij moet ze maar komen halen. Ik heb van de week al drie keer broccoli gemaakt. Lekker. Eigenlijk kan ik nu doen wat ik wil, alleen weet ik nog niet zo goed hoe ik dat moet doen, denk ik. Maar het komt wel in orde. Zeker als de mensen die deuren dicht zouden doen.’
Ik ben een glas champagne voor haar gaan halen, en gaf haar nog een afscheidskus voor ik doorging. En ik lette er goed op dat de deur goed dicht was. Ze wuifde nog even naar me, en draaide zich daarna weer naar haar laptop.
05 januari 2011
Na de stilte
‘Ben jij nooit bang dat je niet alles zult gezegd hebben wat je wilde zeggen, of wat je had kunnen zeggen?’
‘Nee, eigenlijk niet.’
‘Soms krijg ik ineens schrik. Dan denk ik: ik had dat nog moeten zeggen, misschien weet ze wel niet dat ik dat dacht of zo.’
‘Ik denk dat je je te veel zorgen maakt. Je bent eigenlijk wel duidelijk meestal.’
‘Het kan me zo onrustig maken soms.’
‘Je hebt al genoeg gedaan om je voor te bereiden op wat zou kunnen gebeuren. Je kunt het niet allemaal in je hand houden.’
‘Ik weet het, je hebt gelijk.’
‘Weet je nog toen je die foto’s van mij maakte? We waren ook hier toen.’
‘Ja, dat weet ik nog goed.’
‘Het was toen ook zo dat je iets wilde bewaren.’
‘Ja, een moment. Toen was het misschien wel een beetje om iets te bevriezen, of beter om een moment in de tijd vast te leggen. Een punt, waar je naar kunt kijken, waar je terug naartoe kunt gaan. Nu zou het meer zijn om de verandering in de tijd te zien.’
‘Jij blijft altijd maar kijken. Wat zie je dan?’
‘Het is elke dag verschillend. Je ziet andere dingen. En heel langzaam zie je ook de verandering. Nu vind ik dat gemakkelijker, er is tijd.’
‘Als ik je bezig zie, vraag ik me soms af of ik alles niet te gemakkelijk neem. Misschien is het wel uitstel, dat kan ook.’
‘Ik denk dat jij meer vertrouwen hebt in de dingen.’
‘Het zou kunnen. Maar ik weet niet of het dat is.’
‘Wat denk je dan?’
‘Misschien denk ik wel dat er altijd nog tijd genoeg zal zijn, als de dingen zich aandienen. En zelfs als het niet zo is, dan is het nog maar zo.’
‘Ik kan dat niet.’
‘Ik weet het, en het is niet erg.’
‘Herinner je je nog hoe we hier altijd naar de zonsondergang zaten te kijken?’
‘Ja, natuurlijk. Je denkt soms echt dat ik al die dingen zou kunnen vergeten, is het niet?’
‘Ik weet het niet, misschien wel.’
‘Maak je maar geen zorgen.’
‘Eergisteren droomde ik nog van je. Je kwam in mijn droom, en gaf me een plakboek. Met foto’s, en verhalen, en brieven, allemaal dingen die je had verzameld.’
‘Ja? Dat is mooi. Zou dat iets willen zeggen?’
‘Geen idee. Het was verrassend, het liet iets zien van dingen die ik niet wist, die ik niet vermoedde.’
‘Het is misschien wel een goed idee, om zo’n plakboek te maken voor jou.’
‘Dat zou spannend zijn. Wie weet ga ik het ook wel doen.’
‘Wat zou er dan gebeuren als je niet alles gezegd hebt?’
‘Ik weet het niet. Soms zeg je iets tegen iemand, iets dat mooi is, en dat die ander even doet glimlachen of blozen. Het kan heel klein zijn. Maar het blijft hangen, waarschijnlijk. Bij mij is het toch altijd zo, als er iemand zoiets tegen mij zegt. Het zijn die dingen die je dag maken. Als je het niet doet, voorkom je als het ware herinneringen. Je ontneemt iets aan een ander, iets dat er had kunnen zijn. En dat is niet goed, denk ik.’
‘En denk je dan dat er zoveel dingen zijn die je nog niet gezegd hebt?’
‘Soms wel.’
‘Weet je, als je er niet meer bent, zal er nog altijd genoeg van jou over zijn, daar heb je wel goed voor gezorgd ondertussen.’
‘Is dat zo? Ik zou willen dat het zo was.’
‘Ja, het is zo. Je kwelt jezelf steeds opnieuw, en het is niet nodig.’
‘Je bent lief.’
‘Zullen we nog een wandeling maken? Niet te lang. Maar even nog, voor het echt nacht is.’
‘Dat is een goed idee. Er zijn veel sterren vanavond.’
‘Ze wachten op ons. Maar ze vragen wel dat we heel stil zijn.’
‘Heel stil?’
‘Ja, heel stil. Tot we weer terug hier zijn. Zou je dat durven?’
‘Ik denk het wel.’
‘Nee, eigenlijk niet.’
‘Soms krijg ik ineens schrik. Dan denk ik: ik had dat nog moeten zeggen, misschien weet ze wel niet dat ik dat dacht of zo.’
‘Ik denk dat je je te veel zorgen maakt. Je bent eigenlijk wel duidelijk meestal.’
‘Het kan me zo onrustig maken soms.’
‘Je hebt al genoeg gedaan om je voor te bereiden op wat zou kunnen gebeuren. Je kunt het niet allemaal in je hand houden.’
‘Ik weet het, je hebt gelijk.’
‘Weet je nog toen je die foto’s van mij maakte? We waren ook hier toen.’
‘Ja, dat weet ik nog goed.’
‘Het was toen ook zo dat je iets wilde bewaren.’
‘Ja, een moment. Toen was het misschien wel een beetje om iets te bevriezen, of beter om een moment in de tijd vast te leggen. Een punt, waar je naar kunt kijken, waar je terug naartoe kunt gaan. Nu zou het meer zijn om de verandering in de tijd te zien.’
‘Jij blijft altijd maar kijken. Wat zie je dan?’
‘Het is elke dag verschillend. Je ziet andere dingen. En heel langzaam zie je ook de verandering. Nu vind ik dat gemakkelijker, er is tijd.’
‘Als ik je bezig zie, vraag ik me soms af of ik alles niet te gemakkelijk neem. Misschien is het wel uitstel, dat kan ook.’
‘Ik denk dat jij meer vertrouwen hebt in de dingen.’
‘Het zou kunnen. Maar ik weet niet of het dat is.’
‘Wat denk je dan?’
‘Misschien denk ik wel dat er altijd nog tijd genoeg zal zijn, als de dingen zich aandienen. En zelfs als het niet zo is, dan is het nog maar zo.’
‘Ik kan dat niet.’
‘Ik weet het, en het is niet erg.’
‘Herinner je je nog hoe we hier altijd naar de zonsondergang zaten te kijken?’
‘Ja, natuurlijk. Je denkt soms echt dat ik al die dingen zou kunnen vergeten, is het niet?’
‘Ik weet het niet, misschien wel.’
‘Maak je maar geen zorgen.’
‘Eergisteren droomde ik nog van je. Je kwam in mijn droom, en gaf me een plakboek. Met foto’s, en verhalen, en brieven, allemaal dingen die je had verzameld.’
‘Ja? Dat is mooi. Zou dat iets willen zeggen?’
‘Geen idee. Het was verrassend, het liet iets zien van dingen die ik niet wist, die ik niet vermoedde.’
‘Het is misschien wel een goed idee, om zo’n plakboek te maken voor jou.’
‘Dat zou spannend zijn. Wie weet ga ik het ook wel doen.’
‘Wat zou er dan gebeuren als je niet alles gezegd hebt?’
‘Ik weet het niet. Soms zeg je iets tegen iemand, iets dat mooi is, en dat die ander even doet glimlachen of blozen. Het kan heel klein zijn. Maar het blijft hangen, waarschijnlijk. Bij mij is het toch altijd zo, als er iemand zoiets tegen mij zegt. Het zijn die dingen die je dag maken. Als je het niet doet, voorkom je als het ware herinneringen. Je ontneemt iets aan een ander, iets dat er had kunnen zijn. En dat is niet goed, denk ik.’
‘En denk je dan dat er zoveel dingen zijn die je nog niet gezegd hebt?’
‘Soms wel.’
‘Weet je, als je er niet meer bent, zal er nog altijd genoeg van jou over zijn, daar heb je wel goed voor gezorgd ondertussen.’
‘Is dat zo? Ik zou willen dat het zo was.’
‘Ja, het is zo. Je kwelt jezelf steeds opnieuw, en het is niet nodig.’
‘Je bent lief.’
‘Zullen we nog een wandeling maken? Niet te lang. Maar even nog, voor het echt nacht is.’
‘Dat is een goed idee. Er zijn veel sterren vanavond.’
‘Ze wachten op ons. Maar ze vragen wel dat we heel stil zijn.’
‘Heel stil?’
‘Ja, heel stil. Tot we weer terug hier zijn. Zou je dat durven?’
‘Ik denk het wel.’
02 januari 2011
De lijstjes
Lijstjes van dingen die je zou willen doen. Zou moeten doen. Had willen doen. Lijstjes die je niet wil maken. Lijstjes die niet te maken zijn.
Je kijkt naar een lijstje, nu, aan het eind van de kerstvakantie. Er staan veel streepjes. Dat is goed. Misschien had je er extra veel opgezet, om veel te kunnen doorstrepen, zegt iemand in je. Daar houden we nu even geen rekening mee, zeg je.
Lijstjes die niet worden opgeschreven, maar enkel in je hoofd blijven. Ze bestaan ook. Misschien zijn ze niet voor publicatie, zelfs niet voor jezelf. Je zou ze gaan verstoppen. Soms doe je het toch, zoals je ook als kind al deed. Gedachten die niet gezien mogen worden toch even stiekem opschrijven. Om te zien hoe het is, als de woorden er staan. Om ze dan weer even snel te verscheuren, in duizend stukjes of zo.
Het verlangen naar een lijstloos lijstje. Naar de volle leegte die zo zou ontstaan. Het totale nu, de totale overgave, het totale verlies. Het is te denken, soms.
Soms lijkt het tijd voor een lichte melancholie. Toch misschien vooral op een zondag. Wat je dan voelt, moet onbenoemd blijven. Zodra het in woorden zou te zien zijn, en al zeker in een rijtje, zou het kunnen overgaan tot iets anders.
De dingen die je zou verteld hebben aan je dochter, als ze er geweest was.
In de overgang van een periode van veel doen, de hele tijd door, naar een periode van weinig of niets doen, is het alsof je zelf hapert. De onrust die je voelt als je dan kunt doen wat je al zo lang wilde, niets namelijk. De onrust die je niet wilt voelen omdat je toch enkele dingen moet doen, die je alleen nu zou kunnen doen. De onrust die je ook kunt voelen als je dan echt niets doet. En het verleidelijke van een lijstje van dingen die je moet doen, hoe klein of onbenullig ook, die je nadien het gevoel kunnen geven dat je iets gedaan hebt. Het wordt allemaal wel beter na die overgang, je weet het wel. En toch.
De gedachten van net voor het slapengaan. Je hebt de laatste lamp uitgedaan, en je loopt door het donker. Bijna donker. Er komt nog lichtschijnsel door de gordijnen in de grote kamer. Je loopt heel voorzichtig, bijna teder door de kamer. Je buigt nog even voor het einde van de dag. Het is nog even voor je het licht in de slaapkamer aan zult doen. De gedachten van dat moment.
Je kijkt naar de stapel boeken die nog te lezen zijn. Uitgesteld genot. Ook dat zal wel een vorm van discipline zijn. Je probeert je voor te stellen hoe je hoofd zal voelen als die stapel toch gelezen zal zijn, zou zijn.
Je kunt een dag ook zien als momenten. Elke dag is er wel een moment dat je verrast. Dat je onverwacht ontroert, dat je buik verwarmt. Je had het ook niet kunnen zien, denk je wel eens. Je had het zomaar aan je voorbij kunnen laten gaan. Er zijn de momenten van eenzaamheid. Ze kunnen je overvallen, je even wegzuigen. Ze kunnen ook langzaam weer weggaan. Er zijn de momenten dat de dingen gewoon stromen, als een rivier die alle vertrouwen heeft in de eigen beweging, die zich geen zorgen maakt over wat er morgen nog zal bewegen, zich misschien niet eens kan indenken dat er ooit geen stroming zou kunnen zijn.
En de dingen waar je bang van bent, of de dingen waarvan je weet dat ze je bang zouden kunnen maken. Als je zelf een tekening was, zou je kunnen aanduiden waar de niet af te dekken plekken zitten, waar je raakbaar bent.
Je betrapt jezelf erop dat je ergens, heel stiekem, zelfs niet zichtbaar voor jezelf, een lijstje had gemaakt van alle dingen die je zouden kunnen beschermen tegen elk onweer. En natuurlijk weet je dat dat geen zin heeft, en je net nog kwetsbaarder maakt. En je weet dat het zo vaak al wel lukt om het glijdende zand niet te willen vastnemen. En toch is er soms die verleiding. Misschien is het besef daarvan al voldoende.
En al het falen. De momenten waarop je iets hebt nagelaten dat in het andere geval had kunnen herinnerd worden. Het onvermogen dat je overviel, en dat later niet rechtgezet werd.
De kansen die je niet mag missen. De kans die je elke keer opnieuw krijgt, om iets te zeggen waarvan je ooit, anders, zult denken: waarom heb ik dat toen niet gezegd. Ze mogen nooit een lijstje worden, enkel een uitnodiging.
Het verlangen naar verhalen. Alle dingen die je zou willen horen. Of beter: het vertellen ervan. En hoe het zou zijn als al die verhalen verteld worden.
Je kijkt naar een lijstje, nu, aan het eind van de kerstvakantie. Er staan veel streepjes. Dat is goed. Misschien had je er extra veel opgezet, om veel te kunnen doorstrepen, zegt iemand in je. Daar houden we nu even geen rekening mee, zeg je.
Lijstjes die niet worden opgeschreven, maar enkel in je hoofd blijven. Ze bestaan ook. Misschien zijn ze niet voor publicatie, zelfs niet voor jezelf. Je zou ze gaan verstoppen. Soms doe je het toch, zoals je ook als kind al deed. Gedachten die niet gezien mogen worden toch even stiekem opschrijven. Om te zien hoe het is, als de woorden er staan. Om ze dan weer even snel te verscheuren, in duizend stukjes of zo.
Het verlangen naar een lijstloos lijstje. Naar de volle leegte die zo zou ontstaan. Het totale nu, de totale overgave, het totale verlies. Het is te denken, soms.
Soms lijkt het tijd voor een lichte melancholie. Toch misschien vooral op een zondag. Wat je dan voelt, moet onbenoemd blijven. Zodra het in woorden zou te zien zijn, en al zeker in een rijtje, zou het kunnen overgaan tot iets anders.
De dingen die je zou verteld hebben aan je dochter, als ze er geweest was.
In de overgang van een periode van veel doen, de hele tijd door, naar een periode van weinig of niets doen, is het alsof je zelf hapert. De onrust die je voelt als je dan kunt doen wat je al zo lang wilde, niets namelijk. De onrust die je niet wilt voelen omdat je toch enkele dingen moet doen, die je alleen nu zou kunnen doen. De onrust die je ook kunt voelen als je dan echt niets doet. En het verleidelijke van een lijstje van dingen die je moet doen, hoe klein of onbenullig ook, die je nadien het gevoel kunnen geven dat je iets gedaan hebt. Het wordt allemaal wel beter na die overgang, je weet het wel. En toch.
De gedachten van net voor het slapengaan. Je hebt de laatste lamp uitgedaan, en je loopt door het donker. Bijna donker. Er komt nog lichtschijnsel door de gordijnen in de grote kamer. Je loopt heel voorzichtig, bijna teder door de kamer. Je buigt nog even voor het einde van de dag. Het is nog even voor je het licht in de slaapkamer aan zult doen. De gedachten van dat moment.
Je kijkt naar de stapel boeken die nog te lezen zijn. Uitgesteld genot. Ook dat zal wel een vorm van discipline zijn. Je probeert je voor te stellen hoe je hoofd zal voelen als die stapel toch gelezen zal zijn, zou zijn.
Je kunt een dag ook zien als momenten. Elke dag is er wel een moment dat je verrast. Dat je onverwacht ontroert, dat je buik verwarmt. Je had het ook niet kunnen zien, denk je wel eens. Je had het zomaar aan je voorbij kunnen laten gaan. Er zijn de momenten van eenzaamheid. Ze kunnen je overvallen, je even wegzuigen. Ze kunnen ook langzaam weer weggaan. Er zijn de momenten dat de dingen gewoon stromen, als een rivier die alle vertrouwen heeft in de eigen beweging, die zich geen zorgen maakt over wat er morgen nog zal bewegen, zich misschien niet eens kan indenken dat er ooit geen stroming zou kunnen zijn.
En de dingen waar je bang van bent, of de dingen waarvan je weet dat ze je bang zouden kunnen maken. Als je zelf een tekening was, zou je kunnen aanduiden waar de niet af te dekken plekken zitten, waar je raakbaar bent.
Je betrapt jezelf erop dat je ergens, heel stiekem, zelfs niet zichtbaar voor jezelf, een lijstje had gemaakt van alle dingen die je zouden kunnen beschermen tegen elk onweer. En natuurlijk weet je dat dat geen zin heeft, en je net nog kwetsbaarder maakt. En je weet dat het zo vaak al wel lukt om het glijdende zand niet te willen vastnemen. En toch is er soms die verleiding. Misschien is het besef daarvan al voldoende.
En al het falen. De momenten waarop je iets hebt nagelaten dat in het andere geval had kunnen herinnerd worden. Het onvermogen dat je overviel, en dat later niet rechtgezet werd.
De kansen die je niet mag missen. De kans die je elke keer opnieuw krijgt, om iets te zeggen waarvan je ooit, anders, zult denken: waarom heb ik dat toen niet gezegd. Ze mogen nooit een lijstje worden, enkel een uitnodiging.
Het verlangen naar verhalen. Alle dingen die je zou willen horen. Of beter: het vertellen ervan. En hoe het zou zijn als al die verhalen verteld worden.
01 januari 2011
Voorname voornemens
Een nieuw jaar of niet, er moet natuurlijk nagedacht worden over belangrijke dingen. De voordelen van de alleenwonende staat zijn in dit verband duidelijk: er is niemand die kan controleren of je wel degelijk over belangrijke dingen nadenkt op een nieuwjaarsdag.
Zelfbevraging over goede voornemens. Je denkt eraan nadat je hebt liggen soezen in de zetel. Er zijn van die tradities op nieuwjaarsdag. Zoals het invullen van de nieuwe agenda. Netjes alle verjaardagen overschrijven, en telkens even aan al die mensen denken. En natuurlijk ook het bekijken van de Jools Holland Hootenanny. Zoveel uur later natuurlijk, ook al netjes opgenomen, zodat je rustig kunt kijken, subtiel meewiegend onder je dekentje. Andermaal is er niemand die je hier ziet liggen, wat ook wel zijn voordelen heeft. Als het weer voorbij is, dus actief nadenken over goede voornemens. Ze moeten er natuurlijk wel zijn voor de dag rond is.
Dan maar even terugdenken aan het einde van het vorige jaar. Het kleine meisje tegenover je aan de tafel doet hard haar best om te raden hoe oud je bent. Met zo’n blik van: ik zal me nog mild opstellen, want ik weet dat grote mensen gevoelig zijn voor verkeerde schattingen van hun leeftijd. Ze zit er toch stevig naast. Van de anderen in het gezelschap wordt de leeftijd quasi perfect geschat, al zou er in dat verband sprake kunnen geweest zijn van voorkennis. Maar je kunt gelukkig alles ten goede keren. Zo is het toch onmiskenbaar een fantastisch gevoel te weten dat je vijftien jaar jonger bent dan je eruit ziet. Op die manier kun je zeker nog heel erg oud worden.
Het blijft een bijzonder gevoel, midden in de nacht weer naar huis fietsen na het feest. Gelukkig is er nauwelijks nog ergens enige vuurwerkonzin te horen. De stilte van het fietspad naast het spoor is beter. Het is alsof je een geheim deelt als je daar fietst.
Beelden genoeg, denk je. Maar hoe staat het met de goede voornemens?
Toch nog even naar het begin van het nieuwe jaar. Het wakker worden. Met die nieuwe gordijnen kun je niet goed zien hoeveel licht er al is buiten. Daarmee vervullen ze in wezen een functie die eigen is aan gordijnen, zou je kunnen zeggen. Je had je er al op voorbereid dat je wel weer te vroeg zou wakker worden, zoals elk jaar. Het te vroeg valt nogal mee, het is gewoon een beetje vroeg. En wat zijn de eerste gedachten van het nieuwe jaar? Het is alsof je in je hoofd alle mensen die bij je zijn, in dat hoofd, verspreid over het hele landschap, even bekijkt, even spreekt en even aanraakt. Ze zijn er allemaal nog, stel je met een gerust hart vast. Je zou willen dat ze dicht bij je blijven.
Dat het een jaar van grote veranderingen was, denk je. En dat het veranderen nog niet helemaal gedaan is, probeer je te denken. Je observeert jezelf even, als stond je in de hoek van de kamer te kijken. Je ziet enkele dingen waarover je nu eigenlijk een diepgaand gesprek zou moeten voeren met jezelf, in het kader van het voorbereidend werk voor het maken van de goede voornemens. Misschien is dat toch iets voor later op de dag, zeg je tegen jezelf, opgelucht.
Iemand met een grote kennis van het subtiele diepte-interview zou nu zelfs veel uit je loskrijgen, denk je nog. Gelukkig is die iemand niet aanwezig.
Toch maar snel even de planten water geven. Dat is wel een tastbare daad. Zou zelfs een goed voornemen kunnen zijn.
Je had nog gedacht, toen je ’s nachts de straat van je huis in reed, dat je samen oud aan het worden bent, met al die mensen die in je huid zitten. Je kunt ze allemaal voelen. Het is alsof je de jaren ineens voor je ziet. Je wacht even voor je de sleutel in het slot duwt dat de grote poort zal openen van de parkeergarage waar je je fiets in zult rijden. Je glimlacht.
Zou je een lijstje moeten maken van die goede voornemens? Zou je ze moeten ordenen, per categorie?
Iets in de spiegel zegt je dat je eigenlijk al lang weet wat je voornemens zijn, ze zijn al tot je gekomen. Alles ligt al voor je, zoals steeds.
Tegelijk vraag je je ook af of er toch niet iets zou te doen zijn aan die vijftien jaar.
Nieuwjaarswens 2011
Misschien is het mogelijk, dat je
ergens aankomt, om er te blijven
Je hoeft zelfs geen zwerver
geweest te zijn
Misschien is het mogelijk, dat je je
neerlegt, om de verhalen te horen
Je kijkt om je heen, en ziet
waar de wind geweest is
Misschien is het mogelijk, dat er
nog tijd is voor heling
Je houdt het woord in je handen
zoals de aarde met jou doet
Misschien is het mogelijk, dat je de rivier
weerspiegeld ziet in trage ogen
Je kijkt naar de rimpels, en fluistert iets
dat ooit kan verdwijnen in het landschap
jan
ergens aankomt, om er te blijven
Je hoeft zelfs geen zwerver
geweest te zijn
Misschien is het mogelijk, dat je je
neerlegt, om de verhalen te horen
Je kijkt om je heen, en ziet
waar de wind geweest is
Misschien is het mogelijk, dat er
nog tijd is voor heling
Je houdt het woord in je handen
zoals de aarde met jou doet
Misschien is het mogelijk, dat je de rivier
weerspiegeld ziet in trage ogen
Je kijkt naar de rimpels, en fluistert iets
dat ooit kan verdwijnen in het landschap
jan
Abonneren op:
Posts (Atom)