29 januari 2011

Hoe zou je het willen

Hoe zou je oud willen worden? Je denkt er wel eens aan, terwijl je bezig bent met oud te worden (al ben je natuurlijk nog heel erg jong, daarover kan geen twijfel bestaan).

Je ziet de mensen op het feest. Ze zijn bijna allemaal ouder. Ze doen dat goed. Even kun je je voorstellen dat jij er ook zo zou kunnen staan, binnen een jaar of vijftien. Mooi rechtop, ondertussen helemaal grijs, minzaam glimlachend. En misschien nog altijd even goed in staat tot verontwaardiging. Misschien wel meer, maar toch ook anders.

Je hoorde een verhaal over een retraite. Een week lang in een klooster. Dus ook een week lang niet mogen lezen. Je kunt je allerlei dingen voorstellen die je perfect een week zou kunnen missen, langer zelfs. Maar geen woorden, dat is ondenkbaar. Soms ben je bang. Zullen al die woorden nog op je wachten, terwijl je oud begint te worden? Je hoopt dat ze er tot de laatste dag zullen zijn.

Je denkt aan je lieve grootmoeder. Ze is lang in het leven gebleven. Jij bent een man, je zult het zo lang wel niet trekken. Hoewel, waarom niet? Men heeft het tegen je gezegd, dat je niet mag denken dat je niet oud zou kunnen worden, dat je dat niet meer mag denken. Dus, waarom niet? Zou je haar wijsheid er ook bij krijgen dan?

De oude man op de bank naast je in de trein vertelt zijn hele leven aan de jonge man die tegenover hem zit. Hoe hij een medaille van de koningin der Nederlanden heeft gekregen. Het maakte hem allemaal niet zoveel uit, eerlijk gezegd, het was allemaal goed. De jonge man stapt een halte eerder uit. De oude man staat rustig op bij de volgende halte, en zegt tegen de andere mensen: doet u maar hoor, ik heb toch alle tijd. Hij lijkt gelukkig te zijn.

Of je wel de tijd zult hebben om met iedereen vrede te sluiten zoals het hoort, je weet het niet.

Of je leven goed genoeg zal geweest zijn, in het geval dat je toch niet oud zou worden. Moeilijke vraag. Het antwoord zou elke dag ja moeten zijn. En dat terwijl er ook elke dag iets onvervangbaars bij zou kunnen komen.

Soms zie of lees je een interview met een oude man of vrouw, en dan denk je: die lichtheid zou ik wel willen. Het is geen frivole lichtheid, geen onwetende, integendeel zelfs. Het is een lichtheid die pas komt na veel zwaarte.

Het kan zijn dat er meer pijn bij komt. Het kan ook zijn dat er pijn verdwijnt. En het kan zijn dat dat niet meer uitmaakt.

Soms zie je alleen de praktische dingen. Wat zul je doen als je je been niet meer over de fietsbuis krijgt?

En je ziet jezelf ineens zitten, in die zetel, maar nu ben je oud geworden. Je zit er nog steeds, en kijkt nog altijd naar het licht. De planten zijn ondertussen al wel erg gegroeid. Maar je zit er nog altijd graag. Je hebt je voorgenomen om nu zo stilaan toch eens de klassiekers te gaan lezen, of zoiets. Allemaal dan.

En de verhalen, zullen ze er nog zijn? Weet je nog toen? Wat dacht je toen, vertel het nu eens?

Misschien begin je op een bepaald moment wel met het schrijven van brieven die laatste brieven zouden kunnen zijn. Het zou mooi zijn. Dat men een stapeltje brieven zou vinden, met een mooi rood lint rond. Voor iedereen een mooie brief met laatste woorden.

Misschien zul je soms ineens bang worden, omdat er niemand meer achter je staat, en ondertussen ook niemand meer voor je. Alleen nog mensen naast je. Misschien zal dat gebeuren, en zal de paniek toeslaan. Misschien gaan ze ook gewoon weer voorbij, die momenten.

Misschien zal alles gewoon vanzelf gaan. Alle dingen die je je nu voorstelt, die zouden kunnen gebeuren. Al die dingen waarvan je denkt dat je zult weten wanneer ze gebeuren. Misschien schuiven ze gewoon rondom jou voorbij, en zul je nog steeds denken aan wat er zal gebeuren als je ooit oud zult zijn.

27 januari 2011

De geschiedenis


Een titel in de krant: “Ik wil de geschiedenis ingaan als…” Het blijft toch raar, mensen die zo’n woorden over zichzelf kunnen gebruiken. Misschien kun je zeggen dat je zou willen dat een bepaald idee waar je voor staat, of een groep mensen met wie je je verbonden voelt een steen zou kunnen verleggen in de rivier. Misschien kun je hopen dat je ooit iets zult doen waardoor mensen je zullen herinneren. En heel misschien kun je ervan dromen dat wat je gedaan hebt onbewust ooit het verschil zal maken en van enige invloed zal geweest zijn op de loop der dingen, nadien bekeken. Die droom zou dan toch nog maar alleen gaan over de verandering waaraan je hebt meegewerkt, en niet over je eigen plaats.

Maar je eigen naam noemen, samen met de geschiedenis, in dezelfde zin, alsof je je kunt voorstellen dat je daar een plaats in zult krijgen, dat is nog wat anders. Het klinkt bijna alsof de geschiedenis een soort eregalerij is, waarvan je tegelijk vindt dat jij er in thuis hoort. Raar, dat je een droom, of ambitie, die je kunt hebben, zo nodig met jezelf moet verbinden. Dat je dingen wilt bereiken of veranderen, dat is mooi, maar die dingen zijn toch alleen maar belangrijk omwille van zichzelf. Zo zou het toch moeten zijn. Als je hard je best doet om de wereld een klein beetje groener en rechtvaardiger te maken, dan doe je dat toch in de eerste plaats omwille van dat doel, of voor de kinderen die je al dan niet zelf hebt.

Mensen zijn falende en haperende wezens, die er het beste van proberen te maken. Elke dag, elk uur, zijn er oneindig veel keuzes die je kunt maken, heel veel heel kleine, en soms een grotere. Al die keuzes zijn belangrijk. Ze nodigen je uit, om het goede te doen. Om alleen maar te luisteren naar een ander, en niet je eigen denkbeelden ertussen te laten komen. Om naar een ander te kijken alsof je haar of hem voor het eerst ziet. Om moedig te zijn, wanneer je dat kunt, en je hoofd niet af te wenden. Hoe je al die dingen doet, hoe je in al die afzonderlijke momenten staat, dat is misschien nog wel veel belangrijker dan het zichtbare resultaat dat ze zouden opleveren. Hoe bescheiden je bent, en hoe leeg je kunt worden, dat is misschien wel veel belangrijker dan de vraag of jouw naam in het boek van de geschiedenis zal worden geschreven.

En je weet het natuurlijk niet. Zo vaak faal je, doe je niet wat je had kunnen doen. Misschien ben je bang. Misschien laat je toch nog jezelf tussen jou en een ander komen, en zeg je tegen die ander dingen die je eigenlijk aan jezelf aan het zeggen bent. Misschien laat je kansen voorbij gaan om te kiezen voor de kleine liefde.

Wat wil je achterlaten, wat wil je dat er achterblijft? Langzaam verdwijnen in de herinnering van een ander, dat is toch al heel mooi. Misschien hopen dat er sommige mensen zijn die jou goed kenden en na jouw leven zullen denken dat je toch af en toe een goed mens was. Misschien in je leven iets maken, een mooi verhaal of een mooie kast, dat er nadien nog zal zijn, niet omwille van jou maar enkel omwille van zichzelf. Misschien is zo’n verlangen, de stiekeme hoop dat je iets zult maken dat zou kunnen blijven, al te veel.

Misschien wil je wel dat het leven blijft, en geef je het daarom door, aan je kinderen, of in de vorm van liefde aan al wie je dierbaar is. “Ik zou willen dat het leven blijft.” Dat zou al een heel andere kop in de krant zijn.

Je ziet jezelf, met alle deuken en littekens, met alle fouten die je maakte, al je onvermogen en al het gestamel. In de galerij van het onaffe, het tekortschietende. Het de volgende keer beter doen, en als dat niet lukt de keer daarna. Dat is al een mooie ambitie. Het is een ambitie die heel ver staat van de geschiedenis die sommigen in willen gaan, maar er misschien toch meer mee te maken heeft dan het lijkt.

Sommige mensen gebruiken te veel het woord ik in zinnen waar er meer plaats zou moeten zijn voor de twijfel en de voorzichtigheid. Ik zou het woord van het domein van de kwetsbaarheid moeten zijn, niet dat van de wil tot inname. Misschien zou dat wel goed zijn voor de geschiedenis.

23 januari 2011

Nergens naartoe

Je zit te wachten op het bijna lege perron van het bijna lege station. Zo lijkt het toch. Dit moet zowat het eenzaamste station van het land zijn, denk je wel. Telkens je hier ’s avonds zit te wachten, denk je dat je definitief gestrand bent. Dat gevoel heb je in de loop der jaren altijd gehad hier. Ineens zie je dat alle aankondigingborden op de perrons leeg zijn. Wil dat zeggen dat het nulpunt hier is bereikt? Alle treinen rijden nergens naartoe. Ze komen ook nergens vandaan. Dat zou willen zeggen dat je nu op die plek bent tussen hier en daar, tussen ergens en nergens, het ultieme niemandsland, waar de zwaartekracht zichzelf zou kunnen opheffen.

Je houdt van het ritme in deze trein. Hoe het landschap beweegt. Hoe je nooit zeker weet wanneer je de grens echt overgaat. Je kijkt telkens goed, en je bent blij dat je het nooit zeker weet. Zoals je nooit zeker weet wanneer een rimpel in de huid begint. Er zou een moment voor en een moment na kunnen zijn, maar wat ertussen ligt, weet je nooit. Je bekijkt de mensen in de trein. Deze mensen zie je alleen in deze trein.

Je denkt terug aan een droom eerder van de week. Het was een droom in een droom. In je droom was je verbaasd over wat je allemaal kon doen in de droom die je aan het dromen was in je droom dus. Raar hoofd, denk je nog. In een andere droom was iemand ziek, zo dacht je toch. De hele dag ging het door je hoofd: moet ik haar bellen om te vragen of ze ook echt ziek is? Je deed het toch maar niet, maar je zult het toch vragen de volgende keer als je haar ziet.

Het bewegende landschap aan de andere kant van het raam bewaart alle verhalen die je hier ooit dacht, in deze reizen. Alle gedachten, alle beelden. Je moet maar even kijken, en ze komen allemaal terug. Toen, ooit, hier, dacht je dat. Ze zijn hier goed.

Iets in je lichaam lijkt een signaal te zijn. Van iets. Misschien. Van niets. Misschien. Je weet het niet. Het kan je heel even uit je balans halen. Heel even lijkt het of al het leven dat je sinds toen terug verdiend hebt ook een tijdelijk bestand zou kunnen zijn.

Ineens is ze er weer. De kamer in het ziekenhuis. Hoe het ’s nachts was. De geluiden in de gang. Het lichtje dat aan bleef naast je bed. Hoe op een bepaalde manier alles goed was in zo’n nacht, hoe het ook heel even leek alsof je veilig was.

Je ziet de plekken. Je ziet de plek waar je zoveel brieven hebt geschreven. Daar op die bank. Ook dat was een niemandsland. Waar enkel de woorden waren. Waar zijn ze nu?

Zou je ooit ergens goed in zijn, denk je even. Soms is het gemakkelijker om te aanvaarden dat de woorden falen, altijd falen, zo lijkt het wel. Soms ook niet. Heel af en toe laten ze het verlangen zien naar de woorden die ze zouden kunnen zijn. Dichter dan dat ben je er nog niet bij gekomen. En dichter dan dat zul je misschien nooit komen. Het heeft ook iets te maken met die plekken in je hoofd waar je niet durft komen, denk je nog. Daar zou het kunnen gebeuren, maar die moed heb je niet, je hebt te veel te verliezen, denk je. Tot dan zullen al je woorden in het beste geval hun onhandige zelf blijven.

Je zit nog steeds op hetzelfde perron. Het is de laatste halte voor je weer thuis zult komen. En ineens komt er toch een bestemming op het bord. Iets heeft beschikt dat je wel naar huis mag vandaag. Er zijn weer richtingen, je kunt weer vertrekken van hier, van deze leegte. De zwarte vrouw die naast je is komen zitten glimlacht zachtjes naar je. En ineens zie je ook een vertrouwd gezicht op je afkomen, en later nog een. De trein rijdt door de avond, op weg naar waar je reis voor vandaag zal stoppen, daar waar je het straks warm zult maken.

22 januari 2011

Loflied op de rijpe vrouw


Opgroeien in de liefde, en dat dankzij oudere vrouwen. Zo zou je het boek Loflied op de rijpe vrouw van Vincent Vizinczey kunnen samenvatten. De auteur werd geboren in Hongarije, ontvluchtte het land ten tijde van de opstand in 1956 en kwam in Canada terecht. Het boek wordt gepresenteerd als de “amoureuze herinneringen van András Vajda”, een professor filosofie aan de universiteit van Michigan, die emigreerde uit Hongarije. Fictieve memoires, die misschien wel heel dicht liggen bij het leven van de auteur.

Als de jonge Vajda twee jaar is, wordt zijn vader vermoord door de nazi’s. Hij groeit daarna op, enerzijds bij de paters en anderzijds in de warme omgeving van de wereld van zijn moeder en haar vriendinnen. In de samenkomsten die zijn moeder ’s namiddags organiseert met de andere vrouwen, vindt hij het volmaakte geluk. Het is meteen het startpunt voor de rest van zijn reis als opgroeiende jongen. Hij heeft een grote honger naar alles wat vrouwelijk is, en de vrouwen uit het boek zullen hem – bewust of onbewust – bij de hand nemen en hem binnenleiden in de volwassenheid.

Na de oorlog komt hij in een Amerikaans legerkamp in Oostenrijk terecht, waar hij na een tijd zowaar een soort pooier wordt, die bemiddelt tussen de Hongaarse vrouwen en de soldaten. Het is een voorname gravin die hem het meest fascineert en die hem enkele eerste lessen in de liefde zal geven. Later keert hij terug naar Boedapest, en gaat weer bij zijn moeder wonen. Zijn ervaringen met jonge meisjes zijn teleurstellend. Ze zijn even onervaren als hij en lijken hem soms vooral erg leeg. Terwijl blijven de hormonen wel door zijn lijf jagen.

Het is uiteindelijk zijn mooie buurvrouw Maya, een twintigtal jaar ouder, die hem echt in de liefde zal inwijden. Zij leert hem alles wat er te leren is. Als een gretige leerling slurpt hij haar genot in zich op, als een organische wijsheid die hem zomaar wordt aangeboden. Het verloopt allemaal heel intens en vanzelfsprekend tegelijk. Hij is hevig verliefd, en het afscheid doet pijn.

Daarna komen er andere vrouwen, terwijl het leven in Hongarije begint te veranderen. De communistische terreur neemt toe, en de liefde helpt hem overeind te blijven in een beangstigende omgeving. Het patroon blijft wel hetzelfde. De relaties die hij als student heeft met meisjes van zijn leeftijd vallen vaak tegen, de romances met oudere, veelal getrouwde vrouwen zijn meestal zorgeloos en warm. De geschiedenis komt echter dichterbij, en Vajda raakt betrokken bij de opstand in 1956. Hij ontvlucht het land, en komt in Italië terecht, waar hij zijn plek moet zoeken als vluchteling, en waar hij ook een nieuwe liefde vindt.

Uiteindelijk zal hij werk vinden in Canada. De niet-Europese omgeving blijkt niet altijd gemakkelijk voor Vajda. Hij moet wennen aan de andere omgangsvormen, en wordt opnieuw verliefd. Die liefde betekent zowat het einde van zijn jeugd. Het is tijd voor de professor om zich te gaan vestigen.

Tijdens het lezen van het boek ontwikkel je al snel iets als een zoete glimlach. Dat komt voor een groot deel door de toon van het boek. Het verhaal van Vajda is niet het verhaal van een Don Juan die zoveel mogelijk trofeeën wil verzamelen. Er zijn dan wel erg veel vrouwen in zijn leven, maar het zijn de liefdes die overblijven. De amoureuze en erotische belevenissen worden met veel warmte en verwondering beschreven. Je voelt hoe Vajda echt heeft gehouden van de vrouwen die hij beschrijft. Op hun manier vormen ze een mooie weg naar volwassenheid.

Tegelijk is er ook de hele tijd een licht melancholische ondertoon. Verweven tussen alle belevenissen krijg je allerlei filosofische beschouwingen. En hoewel de historische context meestal subtiel verweven wordt, zijn de passages over de Hongaarse geschiedenis, en het keerpunt 1956 erg sterk. De verteller lijkt de grote woorden over al dan niet heroïsche daden te schuwen, maar je voelt ook hoe de gebeurtenissen knagen. Vajda is uiteindelijk de hele tijd op de vlucht, en vindt momenten van thuiskomen in de warme aanwezigheid van de vrouwen op zijn pad. Misschien verbinden ze hem telkens opnieuw een klein beetje met die vrouwenmiddagen uit zijn kindertijd.

De stijl waarin het verhaal verteld wordt is rustig, helder, en soms bijna hoofs teder. Vaak is het ook grappig en ontwapenend. De heel subtiele ondertoon van verdriet en ontheemding houdt alles mooi in balans.

20 januari 2011

Wat is de lucht mooi


Je loopt naar het station, na een goed gevulde werkdag. En je denkt alleen maar: wat is de lucht mooi. Je herhaalt het nog eens in je hoofd: wat is de lucht mooi. Je vraagt je af waaraan je dat mooie cadeau verdiend hebt.

De vrouw op het podium staat een beetje houterig te bewegen terwijl ze haar teksten declameert over de muziek. Je probeert de woorden te zien die zij zegt. En tegelijk denk je: die wat lichtere lippenstift die je nu op hebt, staat je toch veel beter dan die fel rode.

En je denkt aan zondagochtend. Hoe je opstond. Hoe je de gordijnen optrok, en alleen maar dacht: wat is de lucht mooi. Je haalde snel je fototoestel, voor het geval de lucht weer zou verdwijnen. Daarna kon de dag verder beginnen.

De radio maakt je plots wakker uit een hevige droom. Je hoopt in dat ene moment dat je je droom nog even vast zou kunnen houden. En het lukt. Hij zal de hele dag in je hoofd blijven hangen.

Je loopt door de stad, het is al donker geworden. Je probeert je vermoeidheid zachtjes van je af te laten glijden, naar je schaduw. Die schaduw blijft je trouw, al heel lang ondertussen. Je loopt iets trager dan anders, denk je. Hoopt dat je niets meer moet zeggen voor de rest van de avond.

Vertellen we elkaar wel de verhalen die er echt toe doen? Je weet het niet. Soms is het niet erg om de vertrouwde weg te kiezen. Soms is de andere beter. Misschien laten we nog te veel ongezegd. En ongeroerd.

Je verlangt naar een thuiskomst. Je beseft het ineens, terwijl je over het smalle voetpad loopt. Je zou heel graag helemaal thuiskomen nu. En de deur achter je dichttrekken. Je zou een warm hoekje kunnen zoeken, om je daar tot een klein bolletje te maken.

Je verlangt naar muziek. Je staat voor de kast, tot ze jou vindt. “Oh, pray for you, pray for me, / Sing it like a song -/ Life is short but, by the grace or cruel heart of God/ The night is long” En je weet weer dat je daar wilde zijn.

De verhalen over de wonden die de tijd niet kon helen blijven door je hoofd gaan. Ze maken je klein, en een beetje wankel. Je handen zullen altijd wel te klein blijven. Iemand zegt je dat je er een beetje moe uit ziet, en vraagt wat er is. Je zegt het maar niet.

Je komt thuis, na het concert. Het is al laat. De heldere maan heeft je begeleid op je hele tocht tot hier. Je sluit de gordijnen, en ziet hoe het licht van de maan er rustig doorheen komt. En je weet dat je de goede gordijnen hebt gekozen. Het licht zal altijd bij je komen, uiteindelijk.

Niet te warm, zeg je tegen jezelf, in het kader van de innerlijke dialoog. Niet te veel verwennen, niet te gemakkelijk toegeven aan wat je wel zou willen. Het is gemakkelijker zo, het genot op voldoende afstand houden. Zo kijk je in de spiegel.

De volgende maand komt dichterbij. De maand waarin het licht zo mooi zal zijn. De maand waarin je zult weten dat de dagen langer worden. Je weet het eigenlijk nu al een beetje. Een beetje alsof je te vroeg je cadeau openmaakt. En denkt: wat is de lucht mooi.

16 januari 2011

Of het er nog is

‘Vind je dit niet raar zo, na al die jaren?’
‘Nee, eigenlijk niet, het verbaast me wel.’
‘Misschien kijken we anders nu.’
‘We hebben veel tijd, laten we die ook nemen, dat lijkt me wel een goed idee.’
‘Het is opmerkelijk, wat je je herinnert. Ik herinner me nog hoe jij in de tuin stond te werken, en hoe ik toekeek vanuit het raam.’
‘Ja? Dat is wel grappig. Ik herinner me nog hoe lang je erover gedaan had om me iets te vragen.’
‘Dat kun je wel zeggen. Ik ben altijd al het langzame type geweest, denk ik.’
‘Het valt me op, jij kijkt zoveel, en je ziet soms zo weinig.’
‘Misschien wil ik sommige dingen niet zien, en ga ik ervan uit dat ze er wel niet zullen zijn.’
‘Je vergist je dan toch wel soms, wees maar gerust.’
‘Ik was eigenlijk wel bang om je weer terug te zien.’
‘Ik ook toch wel.’
‘Waarom doen we dat? Is het geen tijdverspilling?’
‘Dat zou je wel kunnen zeggen, maar het is wat het is.’
‘Ik ben alleen maar ouder geworden, denk ik. En rustiger ook een beetje.’
‘Dat weet ik niet, op een bepaalde manier ben je helemaal niet veranderd, en op een andere manier heel erg. Ik kan het niet zo goed uitleggen.’
‘Ik herinnerde me nog dat ik vroeger vaak het gevoel had dat je zo weinig zei. Ik wou vaak meer horen. Hoe de dingen waren voor jou, wat je dacht.’
‘En ik wou soms ook wel meer zeggen, maar ik kon het niet. Het kwam niet. Alsof de woorden ergens stolden in mijn keel of zo.’
‘En is dat veranderd? Is het anders nu?’
‘Eigenlijk niet, maar nu, hier, gaat het wel goed.’
‘Wat is er anders dan, nu?’
‘Misschien dat we minder te verliezen hebben nu. Ik weet het niet zo goed.’
‘Sommige dingen worden gemakkelijker met het ouder worden. Misschien is er in zekere zin ook meer ballast, maar je voelt minder de behoefte om die te willen verbergen.’
‘Ik zou je maar niet te veel zorgen maken. Ik was ook in de war toen trouwens, meer dan ik wilde toegeven.’
‘Ga je daar nog iets over vertellen straks?’
‘Misschien wel, ik weet het nog niet.’
‘Wat ik wel mooi vind aan het ouder worden, is dat je, ergens onderweg, toch vrede sluit met jezelf. Niet helemaal waarschijnlijk, maar toch. Heb jij dat ook niet?’
‘Niet echt eigenlijk. Ik hoopte wel dat het zou komen, maar als ik eerlijk ben, moet ik zeggen dat ik van die vrede nog niet altijd veel voel.’
‘Had je dan iets willen vinden of zo?’
‘Ik kan het moeilijk uitleggen, maar soms zit ik nog te veel vast in mezelf. Ik hoopte dat dat over zou gaan, maar het is niet zo gelopen.’
‘Toch zijn je ogen anders. Je lijkt toch iets bereikbaarder dan toen, of zo.’
‘Is dat zo? Ik voel het zelf niet echt.’
‘Ik denk het wel. Misschien moet je het maar riskeren, dat gevoel, waarom niet? Het is toch al laat, en we zijn hier nu toch.’
‘Wat jij nu allemaal doet, durfde je toen ook niet.’
‘Dat is waar.’
‘En je praat nog altijd graag. Ik dacht vroeger soms: zwijg nu even, en doe gewoon iets, niet praten, anders wordt het veel te moeilijk.’
‘En is dat nog steeds zo?’
‘Toch wel een beetje. Maar het ligt ook aan mij. Niet praten lijkt soms zoveel veiliger.’
‘Bij mij is het soms net omgekeerd. Ik wil weten hoe de dingen zijn, voor ik ze helemaal kan vertrouwen.’
‘Ja, zo ben je wel. Ik denk dat jij altijd de hele gebruiksaanwijzing wilt kennen. Maar dat hoeft niet altijd, vaak niet zelfs. Soms gaat er zo ook veel verloren.’
‘Je hebt wel gelijk denk ik. Maar soms ga ik te snel uit van mijn eigen falen, om het eens met een zwaar woord te zeggen. Ik zie altijd de dingen die ik zelf niet kan of durf. En ik neem dan maar aan dat het voor die ander allemaal vanzelf gaat of duidelijk is.’
‘En dat is natuurlijk niet zo.’
‘Nee, en als je dat weet, wordt het eigenlijk gemakkelijker.’
‘Had je dat al maar wat eerder geweten, het zou beter geweest zijn.’
‘Misschien wel, misschien niet. Vroeger maakte me dat vaak opstandig en onzeker. Nu vind ik het niet meer erg. Je kunt maar zijn wie je bent op dat moment van je leven. De ene doet over sommige dingen langer dan de andere, maar leert zo ook weer heel wat onderweg.’
‘Jij zult je altijd wel meer vragen stellen dan ik, denk ik. Kun je het nu niet gewoon even laten rusten? Laten we nu alleen van dit moment genieten.’
‘Misschien wel. Ik zal mijn best doen.’
‘Nee, dat mag je nu net niet doen, je best doen.’
‘Je hebt gelijk. Ik zal niet mijn best doen.’
‘Dat hoor ik graag.’

15 januari 2011

De trapper



Je kunt ze verliezen. Je kunt er ook één verliezen, een trapper.

Soms zou je alle dingen uit elkaar willen rafelen. Zodat je ze een voor een naast elkaar kunt leggen. Zodat je alles een voor een kunt bekijken, betasten en in je opnemen.

Hoe je ineens uitwijkt met je fiets. Om de glasscherven te vermijden. En daarna weer verder rijdt. Alsof er niets gebeurd is.

Soms zou je jezelf uit elkaar willen rafelen. En elk stukje traag weer in elkaar zetten. In de goede volgorde. Alsof alles goed functioneert. En alsof je alleen nog maar ademt.

Je zoekt tussen stapels boeken op de tafel in de winkel. Welk boek zou goed zijn voor haar? Je zou willen kunnen ruiken aan het verhaal, om het zeker te weten.

Iets maakt je onrustig. Misschien is het toch je rug. Je zaterdagrug.

Soms zie je de rand van het leven. Omdat anderen over die rand verdwenen zijn. Het doet je rillen, terwijl je traag verder fietst.

Heb je vandaag het leven zomaar voorbij laten gaan? Niet eens bewust dat het bewoog? Heb je het zomaar als vanzelfsprekend genomen?

Je rijdt het kruispunt over, dat zoals steeds zo immens lijkt. Heel even, daar in het midden lijk je zo kwetsbaar. Het gaat weer over.

Je denkt aan dat ene lied. “Come home, come home, ye who are weary, come home” Er gebeurt iets in je schouders.

Er rijden enkele fietsers tussen de vele auto’s die aanschuiven. Net als je van een opening gebruik kunt maken om een stukje vooruit te kunnen gaan, breekt je trapper af.

Is er iets aan de hand? Willen de dingen je iets zeggen? Misschien kun je gewoon geloven dat je been te sterk is. Dat zou je wel willen.

Je zet de fiets, met één trapper, tegen de muur van de kerk, en gaat de trappen op. Het is alsof je je fiets nu naakter achterlaat dan anders.

Je weet nooit wat je moet zeggen, denk je, terwijl je toch iets zegt. Je lijkt zo groot, nu je hier staat, en iets zou willen zeggen dat het verdriet van een ander even zou kunnen dragen.

Ben je nu groot geworden? Je vraagt het je wel eens af als je voor de spiegel staat. Of het moment waarop je als kind zo hevig wachtte eigenlijk al gepasseerd is.

Misschien is de tijd gekomen dat je elkaar weer tegenkomt bij een begrafenis. Het klinkt wat ongemakkelijk, en je schaamt je een beetje voor die vaststelling.

Zouden we dan toch groot geworden zijn, denk je, terwijl je hen ziet staan. Ze dragen hun vader het leven uit.

Het zitten maakt je lichaam langzaam rustiger. De pijn trekt zich heel even terug. Misschien ben jij zo hoekig, of is het toch de stoel.

Je kunt eindeloos lang kijken, en toch weet je zo weinig van elkaar, denk je. Zou je het soms toch goed doen?

Je loopt de trappen weer af, je voelt je verlegen tussen al die mensen. Je laat het niet merken. Je verlangt naar iets. Je laat het niet merken.

Het eerste stuk is bergaf. Dat kun je nog bollen. Daarna ga je te voet verder. Met de fiets aan de hand. De hele stad door.

Het is alsof je iets zou moeten weten nu. Je weet het niet. Iets over verlies.