In de hoek van de kamer kun je vanille ruiken. Voorzichtig. Het doet je warm glimlachen, als dat zou kunnen. Even voorzichtig.
Als november. En soms kruip je wat dichter naar het midden van het bed. Alsof.
Soms moet je wachten. Soms kun je wachten. Tot dat moment van de zondag. Ergens diep in de namiddag. Waar je alleen maar alleen kunt zijn, zo lijkt het.
Zoals de weg in het landschap zich kan herinneren. Wie er ooit ging. De verhalen bewaard. Zo is het misschien ook met de muren van je huis. Je bent de eerste bewoner. Je gedachten, de gesprekken, de verhalen, ze worden bewaard. Als onzichtbaar patina. De koude zal een stap terug zetten.
Iets over littekens. Ze doen alsof ze verdwijnen, in je landschap.
Je fluisterhuid. Ze wordt benaderd. Ergens halfweg je droom. Een hoofd dat nauwelijks merkbaar buigt.
Iets over pijn. En wat je erover hoorde. En wat zich onder je huid heeft genesteld. Misschien is een zondag een goede dag voor het nulpuntbesef.
Je kunt denken aan mooie woorden. Je hoeft ze niet eens te zien, en nog minder te horen. Je kunt ze vermoeden, in hun tastbaarheid. En wat je zou willen geven.
De dingen die je deed, het herstellen, het opruimen, het loslaten wat niet meer moest blijven in je kast, het herschikken, misschien was het wel een goede manier om de winter te laten naderen.
Dat je even niet meer wist hoe oud je nu eigenlijk bent. En wat dat zou willen zeggen.
Je hoort iemand zeggen dat ze naar huis zullen gaan. Zal dat woord ooit ongemerkt passeren?
Hoeveel tijd zou er nodig zijn. Om de zwaartekracht uit je greppels te laten verdampen.
De adem die je begroet. Als was het een thuiskomst.
De verhalen hebben zich neergelegd. Ergens in je achterhoofd. Als je je ogen sluit, en ze daarna tegen je oogkassen duwt, kun je de verhalen voelen neerdruppelen naar je rug. Daar verspreiden ze zich. Om te blijven.
Wat je nu zou antwoorden, als de vraag je gesteld zou worden. Het zal niet gehoord worden.
Iets zal zich misschien weer terugtrekken. In het achterland. Of in het mos.
Hoe stil het kan worden.
Iets over het iemand iets onthouden. Een moeilijke gedachte. Al was ze heel mooi uitgesproken.
Hoe het avond wordt. Als vanille.
04 november 2012
03 november 2012
Muskrat Ramble
Hoe het klonk in 1926. Je grootvader was toen 26. Zo lang is het geleden. En tegelijk lijkt het zo dichtbij. Net buiten bereik, zoiets. Bijna aan te raken. De hele dag al is Louis Armstrong in je buurt, die van de jaren 20. Het was er een goede dag voor, om een of andere reden.
Sommige gedachten hebben tijd nodig. Ze zoeken zich een weg door je lichaam, na een onrustige nacht. Je hoofd een ander tempo dan de rest van dat lijf. Tot ergens de dingen elkaar weer vinden.
Al die ideeën, al die beelden. Ze staan te dringen. Eens ze er zijn, kunnen ze niet zomaar weer weg. Ze moeten gewoon zachtjes door je huid schuiven. Het moet wachten tot je weer alleen bent. Pas dan begint iets van je adem te vertragen, en kun je alles uitspreiden, een voor een, naast elkaar.
Misschien is er iets in die muziek dat de ruimte verandert rondom jou.
En zo leggen mooie gesprekken zich na een tijd weer neer. Daar waar je ze beter kunt bekijken, waar ze aanraakbaar geworden zijn. Waar ze zich kunnen nestelen in je landschap.
Het moet iets zijn als het getij, dat het zand betast. Hoe je heen en weer gaat tussen samen zijn en daarna alleen willen zijn, om weer samen te kunnen zijn, waarna je weer alleen wilt zijn, om het samen dat er was te kunnen bekijken, te laten schuiven door je poriën, tot het daar is waar het moet zijn. Tot het wordt tot sediment in je huid.
Dat het op zo’n mooie manier veel kan zijn, een ander tegenover jou, en enkel de woorden, en hoe ze bewegen, in alle tijd. En hoe dankbaar het je kan maken. Dat je alleen daar kunt zijn, op die plek.
Ook in die muziek is er veel. Op een afstand. Je kunt kijken naar hoe alles beweegt. Waar dat alles vandaan komt, je zult het nooit begrijpen.
Hoe je na het laatste bezoek weer thuiskomt. Iets verandert al, zodra je de deur achter je sluit. Je voelt het, ergens in je buik, ergens in je nek.
Hoe eb en vloed naar elkaar kunnen verlangen, ondeelbaar. Pas in het terugtrekken kun je het water beter zien. Zo gaat het altijd.
Zo kun je ook naar je stem kijken. Hoe ze klinkt, hoe ze beweegt. Hoe ze soms een beetje van je wegdrijft, hoe ze weer terug kan komen.
Misschien kun je zo iets over jezelf leren.
En de rituelen van het opruimen. Rustig alles afwassen, en weer de kast in. De muziek kijkt toe. Ze zorgt voor een ergens. Een ergens dat ver genoeg is om dichtbij te kunnen zijn.
Misschien kun je jezelf zien als getij. En is het goed om die vorm van water te zijn.
En alles wat je zou willen zeggen, er zal altijd nog genoeg zijn voor een andere keer. Denk je.
Het zou kunnen eindigen met West End Blues. Voor nu dan toch.
02 november 2012
Even een deegje
Even een deegje maken, en dan snel wat woordjes. Zou het zo zijn? Je handen ruiken nog naar de boter die in het deeg zit. Mmm. Goed dat er geen boterhandliefhebbers in de buurt zijn. Van die woordjes zou niet veel in huis komen. In je hoofd nog eens even de volgorde van de dingen bekijken. Wat moet je eerst maken? Wat zal wanneer in de oven moeten? Wat zal wanneer klaar zijn als je bezoek op dat uur komt? Zit er nog een beetje marge op? Er zijn van die kookafwijkingen die je nooit afgeleerd krijgt. Blijkbaar.
Een intens mooi gesprek. Soms denk je dat zij je het best kent, en dat na al die jaren. Het is mooi. En alles wat je altijd wilde zeggen, het wordt allemaal gezegd, stap voor stap.
Een intens mooie film. Hartverscheurend mooi. Alles klopt aan die film. Het is niet anders te zeggen. Een rauwe schoonheid die je klein maakt. Blij dat je daar was, op die plek.
En toch nog even schrik dat de bioscoopantiterreureenheid je ter plekke zal komen molesteren, minstens, omdat je – onbedoeld!, ik herhaal: onbedoeld! – zomaar op de verkeerde rij zit. Zomaar denken dat je op rij 8 zit, en dan stiekem op rij 7 gaan zitten, waardoor de popcorn- en vervelende-madammen-balans in de zaal verstoord wordt. Gelukkig ben je in goed gezelschap, en kan zij bevestigen dat het geheel en al jouw schuld is. Alles eigenlijk, alle wereldproblemen ook. Dat lucht geweldig op.
Tussendoor nog even denken aan die groentetaart die je straks gaat maken. En wat er allemaal in zal gaan. En of het deeg lekker zal zijn.
Weer thuis na de film, nog even uitzakken in de zetel. Er wordt nog gebeld aan de voordeur, zo laat. Een politiemevrouw staat voor de deur. Dat er bij een van de bovenburen is ingebroken, en of je iets gemerkt hebt tussen zeven en negen. Nee, je zat in de film, zeg je. (De politiemevrouw vraagt niet welke film.) En of je alle verdachte dingen zou willen melden. De ochtend nadien zie je een tas onderaan de trap in de kelder. Die stond daar gisteren ook al toen je thuiskwam, besef je ineens. Je vroeg je nog af: wat staat die rare tas hier te doen? Terwijl je naar de markt fietst je de hele tijd afvragen of je nu moet melden dat er een mogelijk ‘verdachte’ tas staat. Als je later op de dag boodschappen gaat doen (voor een deegje) komen er net nog twee politiemensen aan, een politieman en een politiemevrouw (die laatste is ongetwijfeld van CSI Louvain of zo, en zou jouw vingerafdrukken zo uit het blote hoofd herkennen van op een kilometer afstand). Je laat aan de politieman de tas zien, en zegt erbij dat je helemaal niet weet of het wel van belang is. (Maar die mevrouw gisteren had gezegd dat je ALLES moest melden, en ook onmiddellijk…) Het blijkt mee te vallen, de tas is niet verdacht. En jij gelukkig ook niet.
Je moet die ene schoen laten herstellen. Heel gedub over de existentiële vraag welke schoenen je dan wel aan zou moeten doen om die ene schoen weg te brengen. Eigenlijk is het je enige paar schoenen. (In sommige opzichten blijk je toch een man te zijn.) Moet je dan in je sandalen naar de schoenmaker gaan? En als het dan gaat regenen, hoe moet dat dan? Belangrijke kwesties met andere woorden.
Voor je aan het opruimen en het koken begint, nog snel even een soort middagdutje doen. Er is een wat kleffe film op de televisie. Blijkbaar ben je qua middagdutje helemaal toe aan een kleffe film. (Maar of dat gesnotter nu echt wel nodig was? Watje.)
Tijd om aan de nadeegjeswerkzaamheden te beginnen. Lichte kookstress. Zoals altijd een beetje bang dat je niet alles op tijd af zult hebben. (Om dan waarschijnlijk zoals alle andere keren daarvoor vast te moeten stellen dat je te vroeg klaar zult zijn met alle werkzaamheden.) Er zijn nog zekerheden in het leven.
Een intens mooi gesprek. Soms denk je dat zij je het best kent, en dat na al die jaren. Het is mooi. En alles wat je altijd wilde zeggen, het wordt allemaal gezegd, stap voor stap.
Een intens mooie film. Hartverscheurend mooi. Alles klopt aan die film. Het is niet anders te zeggen. Een rauwe schoonheid die je klein maakt. Blij dat je daar was, op die plek.
En toch nog even schrik dat de bioscoopantiterreureenheid je ter plekke zal komen molesteren, minstens, omdat je – onbedoeld!, ik herhaal: onbedoeld! – zomaar op de verkeerde rij zit. Zomaar denken dat je op rij 8 zit, en dan stiekem op rij 7 gaan zitten, waardoor de popcorn- en vervelende-madammen-balans in de zaal verstoord wordt. Gelukkig ben je in goed gezelschap, en kan zij bevestigen dat het geheel en al jouw schuld is. Alles eigenlijk, alle wereldproblemen ook. Dat lucht geweldig op.
Tussendoor nog even denken aan die groentetaart die je straks gaat maken. En wat er allemaal in zal gaan. En of het deeg lekker zal zijn.
Weer thuis na de film, nog even uitzakken in de zetel. Er wordt nog gebeld aan de voordeur, zo laat. Een politiemevrouw staat voor de deur. Dat er bij een van de bovenburen is ingebroken, en of je iets gemerkt hebt tussen zeven en negen. Nee, je zat in de film, zeg je. (De politiemevrouw vraagt niet welke film.) En of je alle verdachte dingen zou willen melden. De ochtend nadien zie je een tas onderaan de trap in de kelder. Die stond daar gisteren ook al toen je thuiskwam, besef je ineens. Je vroeg je nog af: wat staat die rare tas hier te doen? Terwijl je naar de markt fietst je de hele tijd afvragen of je nu moet melden dat er een mogelijk ‘verdachte’ tas staat. Als je later op de dag boodschappen gaat doen (voor een deegje) komen er net nog twee politiemensen aan, een politieman en een politiemevrouw (die laatste is ongetwijfeld van CSI Louvain of zo, en zou jouw vingerafdrukken zo uit het blote hoofd herkennen van op een kilometer afstand). Je laat aan de politieman de tas zien, en zegt erbij dat je helemaal niet weet of het wel van belang is. (Maar die mevrouw gisteren had gezegd dat je ALLES moest melden, en ook onmiddellijk…) Het blijkt mee te vallen, de tas is niet verdacht. En jij gelukkig ook niet.
Je moet die ene schoen laten herstellen. Heel gedub over de existentiële vraag welke schoenen je dan wel aan zou moeten doen om die ene schoen weg te brengen. Eigenlijk is het je enige paar schoenen. (In sommige opzichten blijk je toch een man te zijn.) Moet je dan in je sandalen naar de schoenmaker gaan? En als het dan gaat regenen, hoe moet dat dan? Belangrijke kwesties met andere woorden.
Voor je aan het opruimen en het koken begint, nog snel even een soort middagdutje doen. Er is een wat kleffe film op de televisie. Blijkbaar ben je qua middagdutje helemaal toe aan een kleffe film. (Maar of dat gesnotter nu echt wel nodig was? Watje.)
Tijd om aan de nadeegjeswerkzaamheden te beginnen. Lichte kookstress. Zoals altijd een beetje bang dat je niet alles op tijd af zult hebben. (Om dan waarschijnlijk zoals alle andere keren daarvoor vast te moeten stellen dat je te vroeg klaar zult zijn met alle werkzaamheden.) Er zijn nog zekerheden in het leven.
28 oktober 2012
De kleuren van het bos
‘Ik ben blij dat je gekomen bent. Ik ben wel een beetje zenuwachtig.’
‘Ik ook, eerlijk gezegd. Het was zo lang geleden, het was tijd dat we elkaar nog eens zagen. Het mocht nu wel.’
‘Het was ook al lang geleden dat ik nog eens in het bos was.’
‘Ja? Vroeger ging je toch elke week?’
‘Ja, dat is waar. Ik weet niet goed waarom ik dat niet meer doe.’
‘Maar nu zijn we hier. Het is wel een beetje fris.’
‘Dat is niet zo erg. De kleuren zijn even mooi.’
‘Jij hebt altijd wel van de herfst gehouden.’
‘Ja, je voelt de verandering dan zo goed. Er hangt iets van melancholie in de lucht. Je moet vertrouwen hebben, en elk jaar moet je er weer een beetje aan wennen.’
‘Ik ben meer voor de lente, denk ik. Als alles in de tuin weer begint.’
‘Ben je in de winter nooit bang dat de lente niet zal komen?’
‘Nee, nooit. De winter is wel niet zo mijn ding, eigenlijk.’
‘Ik moest nog aan je denken gisteren. Op de markt waren het de laatste druiven van het seizoen.’
‘Die lekkere?’
‘Ja, die. En het is nog steeds dezelfde mevrouw bij de druiven. Ik was dit jaar haar eerste klant, bij het begin van het seizoen.’
‘Die druiven herinner ik me nog goed.’
‘Ze doen iets met mijn buik, ze maken hem rustig. En hoe is het met de tuin?’
‘De tuin is er nog altijd. Hij is op een bepaalde manier dieper geworden. Niet in de zin van groter of zo, maar dieper. Ik weet niet waarom ik dat woord nu kies. De tuin heeft meer betekenis gekregen of zo, ik kan het niet uitleggen.’
‘Het klinkt mooi alleszins.’
‘Soms is de tuin als een eiland waar ik naartoe kan gaan. Daar kloppen alle dingen, voor even dan toch.’
‘Jij bent wel gemaakt voor je tuin, dat heb ik altijd gevonden.’
‘Ja, dat is wel zo.’
‘Dit stuk van het bos vind ik altijd heel bijzonder. Je bent hier voorbij de tunnel. Aan de andere kant van iets. Hier is het bos anders. Hier is het alleen van zichzelf, of zoiets.’
‘Dat is dan weer echt iets voor jou, dat soort beelden. Je bent niet echt veranderd precies.’
‘Toch wel, denk ik toch.’
‘Ja?’
‘Misschien ben ik wel wat rustiger geworden, in sommige dingen dan. Minder ongeduldig.’
‘Als dat zo is, dan ben ik blij voor jou.’
‘Ja?’
‘Ik had het altijd moeilijk met jouw onrust. Ik kon er niets mee, het maakte me een beetje machteloos.’
‘Ik weet het. Ik wou het niet zo, maar het kon niet anders, denk ik.’
‘Misschien niet. Ik was ook nog een stuk jonger toen.’
‘Nu zouden we er misschien meer over praten.’
‘Misschien. Hoe is het met je dochter trouwens?’
‘Goed, heel goed. Ik wou bijna zeggen: ze is groot geworden. Maar dat klinkt zo lullig. Het is een grote meid nu.’
‘Vertel er nog eens iets over.’
‘Soms is het alsof ze zo onbevreesd naar de wereld kijkt. Ze staat rechtop, en ze lijkt klaar voor alles wat er zou kunnen gebeuren. Laat maar komen, dat lijken haar ogen dan te zeggen. En op andere momenten kan ze ineens ook weer klein en kwetsbaar zijn. Dan komt ze naar me toe, en kruipt ze tegen me aan. Dan vraagt ze of ze even zo mag blijven zitten. Tot het weer over is.’
‘En wat is het? Het dat weer over gaat?’
‘Dat weet ik nooit, dat zegt ze niet. Ze vroeg nog naar je van de week. Of ik wist hoe het met je ging. Ik heb haar gezegd dat ik je vandaag zou zien.’
‘Zeg haar maar dat het goed gaat met mij. Ik heb nog altijd die foto, waar zij en ik samen op staan.’
‘Daar zal ze blij mee zijn als ze dat hoort.’
‘Heb je dat soms ook? Dat je ineens bang bent van het ouder worden? Dat het je zo ineens overvalt. En dat je denkt: wat heb ik nu eigenlijk gedaan met mijn leven?’
‘Af en toe wel. Maar niet zo vaak, gelukkig.’
‘Ik heb het al een paar keer gehad. Vooral sinds… Nou ja, je weet wel.’
‘Ja, je moet er later maar iets meer over vertellen.’
‘Misschien, ik weet het nog niet.’
‘Ik heb alle tijd.’
‘Ja?’
‘Alle tijd. Dat is toch al iets.’
‘Ja, dat is al iets.’
‘Wat is er?’
‘Mag ik je arm nemen? Ik heb het ineens koud gekregen.’
‘Ja, dat is goed. Dat gingen we trouwens altijd nog een keer doen.’
‘Wat?’
‘Zo, zoals nu, als we oud zouden zijn.’
‘Hadden we dat afgesproken?’
‘Ja, natuurlijk, weet je dat niet meer?’
‘Nee, niet echt. Maar het was wel een goede afspraak.’
‘Zie je die kleuren daar?’
‘Ja, mooi.’
Of het zal lukken
Of het zal lukken. Die vraag krijg je regelmatig wel eens. De dromen die je deelt met zoveel anderen. Of er nog tijd genoeg is. Of je niet te optimistisch bent. En wat je met onmacht doet?
Moeilijke vragen. Vooral moeilijk als het lijkt alsof jij die vragen moet kunnen beantwoorden waarop anderen ook geen antwoord hebben. Alsof het dan aan jou zou liggen. Alsof je door je antwoord zou moeten bewijzen dat er alle reden tot hoop is. Alsof er pas na dat antwoord bereidheid is om een stap vooruit te zetten.
Soms lijkt het een beetje alsof jij in het water staat, en mensen aan de rand van het water van je verwachten dat je kunt garanderen dat het zeker niet koud zal zijn als ze er een voet in zetten. En soms bijna alsof je zou moeten kunnen bewijzen dat de anderen over het water zouden kunnen lopen naar de andere kant.
Misschien bestaat dat beeld enkel in je hoofd soms, en deel je gewoon dezelfde vragen. Op dat moment sta je enkel op een andere plaats in de kamer, heb je een andere rol, en is het niet meer dan dat.
Op andere momenten is het niet zo. Dan lijkt het op zoeken naar waarheden, en hoe dicht je erbij kunt komen.
Of het zal lukken? Het zou kunnen lukken, ja. Maar misschien lukt het niet meer. Dat zou kunnen.
En wat is hoop? Is het de garantie dat je zeker aan de andere kant van het water zult komen? Dat lijkt een vorm van hoop die onvrij is. Een soort verlangen naar stoffeloosheid, naar niet weten, niet moeten weten. Misschien is het een oerverlangen dat we allemaal hebben, dat er iets of iemand zou zijn die alles van je schouders neemt, die je zegt dat het niet koud is, terwijl het stenen uit de grond vriest. Iemand die alle drassigheid voor je wegneemt. Al is dat dan tegelijk ook iemand die daarmee je laatste excuses wegneemt.
Misschien is hoop wel nattigheid. In het water staan, met niets anders dan je huid tussen jou en het water. Niet meer dan de keuze om daar te staan. Tussen de vragen die je niet kunt beantwoorden. In het besef dat je misschien wel nooit aan de andere kant zult komen.
Hoe je er staat, is misschien wel belangrijker dan de zekerheid van de andere oever. Dat probeer je jezelf aan te leren.
En het voortdurend falen zou je misschien wel vrijer kunnen maken, denk je. Op een of andere manier.
Misschien kan hoop enkel goddeloos zijn. Met een god zou het te gemakkelijk zijn.
En hoe kun je geduld leren? Als er geen tijd meer is. Dat je alleen maar adem bent. Het zou je kunnen troosten.
En alles wat niet te zeggen is. Misschien kun je het strompelen wel leren. Heel voorzichtig. Waardoor het woord antwoord in de herfst zou kunnen verdwijnen.
Herfstbereidheid. Zou het daarover gaan? En hoe het je kan raken.
Nat worden is niet zo erg. En als er te veel tranen zijn, kun je gewoon even kopje onder gaan. Waarna al het water van je af kan sijpelen.
Moeilijke vragen. Vooral moeilijk als het lijkt alsof jij die vragen moet kunnen beantwoorden waarop anderen ook geen antwoord hebben. Alsof het dan aan jou zou liggen. Alsof je door je antwoord zou moeten bewijzen dat er alle reden tot hoop is. Alsof er pas na dat antwoord bereidheid is om een stap vooruit te zetten.
Soms lijkt het een beetje alsof jij in het water staat, en mensen aan de rand van het water van je verwachten dat je kunt garanderen dat het zeker niet koud zal zijn als ze er een voet in zetten. En soms bijna alsof je zou moeten kunnen bewijzen dat de anderen over het water zouden kunnen lopen naar de andere kant.
Misschien bestaat dat beeld enkel in je hoofd soms, en deel je gewoon dezelfde vragen. Op dat moment sta je enkel op een andere plaats in de kamer, heb je een andere rol, en is het niet meer dan dat.
Op andere momenten is het niet zo. Dan lijkt het op zoeken naar waarheden, en hoe dicht je erbij kunt komen.
Of het zal lukken? Het zou kunnen lukken, ja. Maar misschien lukt het niet meer. Dat zou kunnen.
En wat is hoop? Is het de garantie dat je zeker aan de andere kant van het water zult komen? Dat lijkt een vorm van hoop die onvrij is. Een soort verlangen naar stoffeloosheid, naar niet weten, niet moeten weten. Misschien is het een oerverlangen dat we allemaal hebben, dat er iets of iemand zou zijn die alles van je schouders neemt, die je zegt dat het niet koud is, terwijl het stenen uit de grond vriest. Iemand die alle drassigheid voor je wegneemt. Al is dat dan tegelijk ook iemand die daarmee je laatste excuses wegneemt.
Misschien is hoop wel nattigheid. In het water staan, met niets anders dan je huid tussen jou en het water. Niet meer dan de keuze om daar te staan. Tussen de vragen die je niet kunt beantwoorden. In het besef dat je misschien wel nooit aan de andere kant zult komen.
Hoe je er staat, is misschien wel belangrijker dan de zekerheid van de andere oever. Dat probeer je jezelf aan te leren.
En het voortdurend falen zou je misschien wel vrijer kunnen maken, denk je. Op een of andere manier.
Misschien kan hoop enkel goddeloos zijn. Met een god zou het te gemakkelijk zijn.
En hoe kun je geduld leren? Als er geen tijd meer is. Dat je alleen maar adem bent. Het zou je kunnen troosten.
En alles wat niet te zeggen is. Misschien kun je het strompelen wel leren. Heel voorzichtig. Waardoor het woord antwoord in de herfst zou kunnen verdwijnen.
Herfstbereidheid. Zou het daarover gaan? En hoe het je kan raken.
Nat worden is niet zo erg. En als er te veel tranen zijn, kun je gewoon even kopje onder gaan. Waarna al het water van je af kan sijpelen.
27 oktober 2012
Dat de lucht zo mooi was
Dat de lucht zo mooi is, denk je, terwijl je de trein terug naar huis neemt.
Iemand zegt je dat je te optimistisch bent. Merkwaardige gedachte. Ze brengt je even in de war.
De vrouw op het podium, in het toneelstuk. Je zou haar iets willen zeggen, denk je. Al heb je geen idee wat. Iets over dingen die goed zouden kunnen zijn, ergens.
De twee jongens in de trein. Moeite doend om stoer te zitten. Petje scheef. En de hele tijd die vreselijke muziek uit dat grote rode apparaat. Nou ja, muziek. Zou je toch niet iets gaan zeggen?
Verlangen naar een dag die alleen zichzelf is. Een dag die zich gewoon voor je ogen uitrolt, en die je gewoon mag volgen.
Na het toneelstuk thuis nog even in de zetel liggen. En daar zo ongeveer in een minicoma vallen. En daar schrik van krijgen. Bijna niet durven gaan slapen nadien.
Het boek over relaties lezen, en je afvragen of voor sommige waarheden aanvaarden of berusten het juiste woord is.
De vrouw kijkt van buiten door het raam naar je, terwijl je staat af te wassen. Ze glimlacht.
Die nacht een derde keer opstaan. Sommige nachten worden je enkel in etappes gegund.
Je afvragen hoe lang je die sokken met al die gaten in nog bij zult houden. Je tegelijk afvragen waar al die gaten vandaan komen. En waar alles wat ooit in die nu gaten zat naartoe is.
Na de vergadering naar huis fietsen, het is al laat. Dat je al een heel leven fietst. En dat je soms, ineens, in een plotse siddering, denkt dat er iets zou kunnen gebeuren. Daar.
Je bent zo blij haar terug te zien. Je had het niet verwacht, haar daar te zien. Ze geeft je een boek, en een heel verhaal. Misschien gaat ze naar over de oceaan, voor lang.
De zwarte mevrouw in de metro. Met het kindje op haar rug. De kleine oogjes kijken je diep aan. De ogen van de moeder zijn diep vermoeid. Een ander diep, dus.
De zwarte mevrouw tegenover je, even later in de vergadering. Je zou kunnen blijven kijken. Het groen van haar kleed. En het donker oranje van die band in haar haar. Hoe perfect kleuren kunnen zijn. En je mag zomaar iets tegen haar zeggen.
De blonde mevrouw, nog iets later, in een andere vergadering, aan de andere kant van de tafel. Je gaat je even voorstellen. Ze zegt dat ze je ergens van kent. Is dat zo?
Proefondervindelijk proberen te ontdekken of er meer plaats is in de trein van 17.18 uur, als je vooraan het perron gaat staan. Merken dat ook daar iedereen probeert voor te kruipen in de rij om in te stappen.
De trein op spoor 1 heeft tien minuten vertraging. De trein op spoor 3 heeft tien minuten vertraging. Spoorverandering. De trein van spoor 1 zal binnenkomen op spoor 3, en de trein van spoor 3 zal binnenkomen op spoor 1. Iets begrijp je niet helemaal.
Slalommen om met je fiets niet in het glas te rijden.
Dat de lucht zo ongelooflijk mooi is, denk je in de trein, op weg naar huis.
Iemand zegt je dat je te optimistisch bent. Merkwaardige gedachte. Ze brengt je even in de war.
De vrouw op het podium, in het toneelstuk. Je zou haar iets willen zeggen, denk je. Al heb je geen idee wat. Iets over dingen die goed zouden kunnen zijn, ergens.
De twee jongens in de trein. Moeite doend om stoer te zitten. Petje scheef. En de hele tijd die vreselijke muziek uit dat grote rode apparaat. Nou ja, muziek. Zou je toch niet iets gaan zeggen?
Verlangen naar een dag die alleen zichzelf is. Een dag die zich gewoon voor je ogen uitrolt, en die je gewoon mag volgen.
Na het toneelstuk thuis nog even in de zetel liggen. En daar zo ongeveer in een minicoma vallen. En daar schrik van krijgen. Bijna niet durven gaan slapen nadien.
Het boek over relaties lezen, en je afvragen of voor sommige waarheden aanvaarden of berusten het juiste woord is.
De vrouw kijkt van buiten door het raam naar je, terwijl je staat af te wassen. Ze glimlacht.
Die nacht een derde keer opstaan. Sommige nachten worden je enkel in etappes gegund.
Je afvragen hoe lang je die sokken met al die gaten in nog bij zult houden. Je tegelijk afvragen waar al die gaten vandaan komen. En waar alles wat ooit in die nu gaten zat naartoe is.
Na de vergadering naar huis fietsen, het is al laat. Dat je al een heel leven fietst. En dat je soms, ineens, in een plotse siddering, denkt dat er iets zou kunnen gebeuren. Daar.
Je bent zo blij haar terug te zien. Je had het niet verwacht, haar daar te zien. Ze geeft je een boek, en een heel verhaal. Misschien gaat ze naar over de oceaan, voor lang.
De zwarte mevrouw in de metro. Met het kindje op haar rug. De kleine oogjes kijken je diep aan. De ogen van de moeder zijn diep vermoeid. Een ander diep, dus.
De zwarte mevrouw tegenover je, even later in de vergadering. Je zou kunnen blijven kijken. Het groen van haar kleed. En het donker oranje van die band in haar haar. Hoe perfect kleuren kunnen zijn. En je mag zomaar iets tegen haar zeggen.
De blonde mevrouw, nog iets later, in een andere vergadering, aan de andere kant van de tafel. Je gaat je even voorstellen. Ze zegt dat ze je ergens van kent. Is dat zo?
Proefondervindelijk proberen te ontdekken of er meer plaats is in de trein van 17.18 uur, als je vooraan het perron gaat staan. Merken dat ook daar iedereen probeert voor te kruipen in de rij om in te stappen.
De trein op spoor 1 heeft tien minuten vertraging. De trein op spoor 3 heeft tien minuten vertraging. Spoorverandering. De trein van spoor 1 zal binnenkomen op spoor 3, en de trein van spoor 3 zal binnenkomen op spoor 1. Iets begrijp je niet helemaal.
Slalommen om met je fiets niet in het glas te rijden.
Dat de lucht zo ongelooflijk mooi is, denk je in de trein, op weg naar huis.
21 oktober 2012
Hoe doe je dat
Hoe doe je dat? Al die belangrijke kwesties. Zoals.
Tijdens de quiz de naam van de uitvoerder zoeken. Je kent het nummer. Je weet dat je al enkele keren de naam van die groep hebt gezocht. Je weet dat je het zou kunnen weten, denk je. (Soms weet je dat een bepaalde naam niet meer zal komen, soms weet je dat die wel zou kunnen komen.) Het antwoordblad moet afgegeven worden. In je hoofd zie je al dat die naam uit drie woorden bestaat. Ze doemen uit een mist op. Je weet al het derde woord. Overdrive. Het derde woord is overdrive. En het eigenlijk toch een heel klein beetje erg vinden dat je het niet wist. Andermaal een al te laag zen-gehalte. Moet beter kunnen, hoewel dat woord moet natuurlijk een nog lager zen-gehalte heeft. Terwijl erop geattendeerd worden dat je toch goed je best moet doen. Hoe doe je dat?
In de trein zitten, voor de lange rit terug. Je kunt toch een zitplaats bemachtigen. (Wat zijn er toch veel handtassen die een eigen zitplaats nodig hebben…) Je doet je best om een goede houding te zoeken, die de mevrouw in de stoel naast je niet zal hinderen. Met je arm leunen op die steun tussen jullie in. Zij zit volop op haar schermpje bezig, haar arm raakt tussentijds de hele tijd de jouwe aan. Hoe doe je dat? Mag je dat fijn vinden? De kleine rillingen telkens, ergens in je wervels.
Omgaan met het besef. Vrede sluiten met de eilanden in jezelf, en beseffen dat je nooit een vasteland zult worden. De patronen zien, nog beter zien wat jouw aandeel was in de dingen die niet goed gingen. Ook zien wat je geleerd hebt. Alles zonder oordeel of illusies bekijken, nog niet weglopen van het beeld. En daarna weer gewoon verder gaan. Hoe doe je dat?
Verschillende loopjes uitproberen. Zien hoe je anders kunt bewegen. Hoe je een andere balans in je lichaam kunt krijgen. Je afvragen of die al dan niet anders zouden kunnen waargenomen worden door anderen. En of je daar dan rekening mee zou moeten houden.
Erop gewezen worden dat je af en toe blijkbaar met een zekere mate van ernstigheid naar de dingen kijkt. Ook wanneer dat in je hoofd niet zo voelt. Horen dat wat dus binnen in jou, op dat moment, als neutraal aanvoelt buiten als bijna kwaad kan overkomen. Je afvragen of dat toch niet een beetje anders zou moeten.
Les staan te geven en merken dat de studenten wel luisteren, maar niet durven antwoorden op je vragen. Ook nauwelijks durven lachen. In het kader van de saaiheidpreventie had je nochtans enkele grappige foto’s in de presentatie gestoken. Waar blijkbaar alleen de twee aanwezige docenten mee lachen. Vermoeden dat het misschien zou kunnen liggen aan de zekere mate van ernstigheid die je zou kunnen uitstralen (tussen de grapjes door). Of aan de lichtweerkaatsing op je kale kop. Terwijl je verder praat even alle opties overlopen, in het kader van het multitasken. Een van de opties zou kunnen zijn dat ze ook bij alle andere docenten zo zijn. Die optie als laatste mogelijkheid overwegen. En toch niet denken dat het alleen maar aan jou kan liggen, hoe doe je dat?
Je afvragen of je niet nog een extra saaiheidpreventiescreening moet doen op die presentatie die je volgende week moet geven.
Beseffen hoe de mooi de herfst al is, als je de wonderlijke kleuren ziet van de bladeren die op de weg liggen. Beseffen hoe lang het al geleden is dat je nog eens in het bos was. Merken dat je iets gemist lijkt te hebben. En het willen goedmaken, op een of andere manier.
Heel graag naar die ene film willen gaan kijken. Maar helemaal niet graag in die bioscoop naar die film willen gaan kijken. Overwegen je erbij neer te leggen dat je de film pas binnen x tijd zult zien. Dat toch ook een klein beetje onnozel vinden. De intense interne dialoog over deze kwestie in je hoofd observeren. Denken dat je in het kader van de zelfopvoeding toch een of andere beslissing zou moeten nemen, voor het probleem zichzelf heeft opgelost door het verdwijnen van de film uit de zaal. Hoe doe je dat?
Tijdens de quiz de naam van de uitvoerder zoeken. Je kent het nummer. Je weet dat je al enkele keren de naam van die groep hebt gezocht. Je weet dat je het zou kunnen weten, denk je. (Soms weet je dat een bepaalde naam niet meer zal komen, soms weet je dat die wel zou kunnen komen.) Het antwoordblad moet afgegeven worden. In je hoofd zie je al dat die naam uit drie woorden bestaat. Ze doemen uit een mist op. Je weet al het derde woord. Overdrive. Het derde woord is overdrive. En het eigenlijk toch een heel klein beetje erg vinden dat je het niet wist. Andermaal een al te laag zen-gehalte. Moet beter kunnen, hoewel dat woord moet natuurlijk een nog lager zen-gehalte heeft. Terwijl erop geattendeerd worden dat je toch goed je best moet doen. Hoe doe je dat?
In de trein zitten, voor de lange rit terug. Je kunt toch een zitplaats bemachtigen. (Wat zijn er toch veel handtassen die een eigen zitplaats nodig hebben…) Je doet je best om een goede houding te zoeken, die de mevrouw in de stoel naast je niet zal hinderen. Met je arm leunen op die steun tussen jullie in. Zij zit volop op haar schermpje bezig, haar arm raakt tussentijds de hele tijd de jouwe aan. Hoe doe je dat? Mag je dat fijn vinden? De kleine rillingen telkens, ergens in je wervels.
Omgaan met het besef. Vrede sluiten met de eilanden in jezelf, en beseffen dat je nooit een vasteland zult worden. De patronen zien, nog beter zien wat jouw aandeel was in de dingen die niet goed gingen. Ook zien wat je geleerd hebt. Alles zonder oordeel of illusies bekijken, nog niet weglopen van het beeld. En daarna weer gewoon verder gaan. Hoe doe je dat?
Verschillende loopjes uitproberen. Zien hoe je anders kunt bewegen. Hoe je een andere balans in je lichaam kunt krijgen. Je afvragen of die al dan niet anders zouden kunnen waargenomen worden door anderen. En of je daar dan rekening mee zou moeten houden.
Erop gewezen worden dat je af en toe blijkbaar met een zekere mate van ernstigheid naar de dingen kijkt. Ook wanneer dat in je hoofd niet zo voelt. Horen dat wat dus binnen in jou, op dat moment, als neutraal aanvoelt buiten als bijna kwaad kan overkomen. Je afvragen of dat toch niet een beetje anders zou moeten.
Les staan te geven en merken dat de studenten wel luisteren, maar niet durven antwoorden op je vragen. Ook nauwelijks durven lachen. In het kader van de saaiheidpreventie had je nochtans enkele grappige foto’s in de presentatie gestoken. Waar blijkbaar alleen de twee aanwezige docenten mee lachen. Vermoeden dat het misschien zou kunnen liggen aan de zekere mate van ernstigheid die je zou kunnen uitstralen (tussen de grapjes door). Of aan de lichtweerkaatsing op je kale kop. Terwijl je verder praat even alle opties overlopen, in het kader van het multitasken. Een van de opties zou kunnen zijn dat ze ook bij alle andere docenten zo zijn. Die optie als laatste mogelijkheid overwegen. En toch niet denken dat het alleen maar aan jou kan liggen, hoe doe je dat?
Je afvragen of je niet nog een extra saaiheidpreventiescreening moet doen op die presentatie die je volgende week moet geven.
Beseffen hoe de mooi de herfst al is, als je de wonderlijke kleuren ziet van de bladeren die op de weg liggen. Beseffen hoe lang het al geleden is dat je nog eens in het bos was. Merken dat je iets gemist lijkt te hebben. En het willen goedmaken, op een of andere manier.
Heel graag naar die ene film willen gaan kijken. Maar helemaal niet graag in die bioscoop naar die film willen gaan kijken. Overwegen je erbij neer te leggen dat je de film pas binnen x tijd zult zien. Dat toch ook een klein beetje onnozel vinden. De intense interne dialoog over deze kwestie in je hoofd observeren. Denken dat je in het kader van de zelfopvoeding toch een of andere beslissing zou moeten nemen, voor het probleem zichzelf heeft opgelost door het verdwijnen van de film uit de zaal. Hoe doe je dat?
Abonneren op:
Posts (Atom)