11 november 2012

Ze dolen door je hoofd


Ze dolen door je hoofd. In lange rijen. Eindeloos lange rijen. Vandaag laten ze zich even zien, maar ze zijn er altijd.

Je zit veilig binnen. Het is warm. Alles is netjes. En zij zijn daar. Ze ploeteren door de modder van Passendale. Als ze al een meter vooruit komen. Als ze ooit nog een meter vooruit zullen komen. Nooit zullen ze nog een meter vooruit komen.

Misschien staan ze toe te kijken, terwijl de rode bloemblaadjes naar beneden dwarrelen. Misschien ook niet.

Misschien waren ze bij de bijna drieduizend doden die vielen op de laatste dag van de oorlog. In die enkele uren tussen het ondertekenen van dat papier in die treinwagon en het moment waarop het ineens voorbij was. Zijn er nog gradaties in absurditeit?

Ze zijn zo jong, en tegelijk zo eindeloos oud. Hun ogen zijn hol. Hun handen beven.

In die rijen zijn ze eindelijk verenigd, geallieerden en Duitsers naast elkaar. Ze kijken elkaar nog altijd een beetje verlegen aan.

Misschien vertellen ze elkaar wel over de bestanden rond kerstmis. Toen ze samen beslisten om even niet te schieten. Toen cadeautjes werden uitgewisseld, een voetbalwedstrijdje werd gespeeld. Misschien is dat zo’n verhaal dat eindeloos opnieuw kan worden verteld. Als was het een luguber familiefeest.

Je zou ze willen binnenlaten, daar waar het warm is. Maar ze kunnen niet binnen komen. Ze kunnen alleen verder, altijd opnieuw.

Dat het voorbij is, zou je willen zeggen. En ze zouden je vragen of hun kinderen, die ze nooit gezien hebben, het leven overleefd hebben.

En de eindeloze nacht in dat stinkende, verzopen niemandsland. Hoe zou het geweest zijn? Als je het hun vraagt, sluiten ze hun ogen, en draaien ze hun hoofd opzij.

Op de luchtfoto’s zie je een kraterlandschap. In de modder zie je, als je goed kijkt, de lijken liggen. Het zou een kleurenfoto kunnen zijn, zo zwart-wit is ze. Het is zo koud daar, waar ze liggen. Waar ze gevallen zijn. Gevallen, alsof ze ook hadden kunnen struikelen.

En verlegen vraag je hun wat je zou moeten doen. Naast al het andere is herinneren niet slecht, zeggen ze. Vergeet nooit de modder, dat zeggen ze. Vergeet nooit de modder.

Het landschap heeft zichzelf weer aarzelend hersteld. Het is gebleven, niet weggegaan. Je zou er nog begrip voor hebben gehad. Dat het landschap vertrokken was, alleen een nog grotere peilloze leegte achterlatend. Maar het landschap is gebleven. Dromend van heling, door de voetstappen van de levenden.

Ze dolen door je hoofd. In eindeloos lange rijen. Je staat langs de weg te kijken, daar ergens. Je zwijgt, en buigt je hoofd. Doe dat niet, zeggen ze, kijk, kijk naar ons. En ze dolen verder.

10 november 2012

Een vleugje

Hoe zou je het doen? Je eigen weg van het midden bewandelen?

Eerst je eigen falen in het oog nemen, denk je. Daar waar je tekortschiet. Daar waar je er niet was voor die ander die net op dat moment iets van jou had willen horen of zien. Daar waar je even had willen toegeven aan ijdelheid. Daar waar je het gesprek naar jouw kant wilde trekken. Daar waar je iets voor jezelf wilde, en je niet uit je woorden kwam.

En al die dingen die je niet weet van jezelf. Motieven die je niet kent of die je ontsnappen. Littekens die je zinnen bepalen, ook al wil je het niet.

En na al die dingen kan er iets van pijn zijn door wat anderen doen. Misschien hoort het bij deze tijd van het jaar. Misschien hoort het bij je leeftijd, bij waar je bent in die leeftijd. Dat je het zo moeilijk verdraagt. Anderen die soms alleen aan zichzelf lijken te denken, zichzelf tot een belang hebben gemaakt. Het is niet anders te omschrijven. Je kunt er niet aan wennen.

Soms zou je alleen willen bewegen, heel even dan toch, in een ruimte van zorgzaam falen. Iets in die aard. Waar er voorzichtig gepraat wordt, over wat het geheel is, of zoiets. Waar een ander de woorden gebruikt die toegang geven tot wie je daar zou kunnen zijn.

De gedachten schuiven heen en weer door je hoofd. Alsof ze iets aan het voorbereiden zijn. Een voorzichtig afscheid van iets, al weet je nog niet van wat, en zul je het misschien nooit weten. Het zal zijn weg gaan, zoals al die andere keren.

Ineens is het alsof je lijkt op je vader, of je grootvader, ze hadden dat allebei.

En zo werk je verder. De fietsband plakken. Van je minst geliefde wiel, als het op plakken aankomt. Misschien is het wel een oefening in loslaten.

Even ga je liggen. Het is niet anders. Je rug vraagt het, zelfs niet heel erg vriendelijk.

En je werkt verder. De klussen die moeten gebeuren. Vragen die moeten beantwoord worden. Een tekst die geschreven moet worden. Je zou alles netjes af willen werken.

En toch.

Je zou willen dat iemand je iets vraagt, denk je. En als het dan gebeurt, weet je niet goed of je het moet zeggen.

Dat er een vleugje verdriet door je kieren lijkt te sijpelen. Waar het vandaan komt, weet je niet goed. Of toch wel? Het diende zich aan.

Je laat het daar, dat zal het beste zijn. Je blijft in dezelfde ruimte, en observeert. Zo zal alles wel een plek vinden in de kamer.

Het eten is bijna klaar. Je ruimt alle boodschappen netjes op. Alles op de juiste plek. Dat klopt dan toch.

De stad lijkt zo stil daarbuiten. Tot je erop begint te letten.

Met aandacht afwassen, of zo. En hoe dat je adem verandert.

Trager door het huis gaan. Zoals dat hoort bij de avond. Je rug heeft nog geen vrede, denk je.

Misschien is het wel november.

08 november 2012

Toch maar geen Wagner


Ik leerde haar pas echt kennen tijdens de pauze van een Wagnerconcert. Ik had haar daarvoor gezien op het perron. En eigenlijk had ik haar nog daarvoor gezien, in een wat ongemakkelijke positie.

Het zit zo. Op weg naar het werk zijn er werken bezig (ja, dat is tweemaal werk), tussen het station en de toren waarin ik werk (veel werk dus). Daardoor moet je een straatje omlopen. Het is een wat raar straatje. Om een of andere reden zitten er allerlei mevrouwen in het raam. Dus ook ’s morgens vroeg al. Het lijkt me niet zo praktisch allemaal. En het moet ook wel koud zijn, om daar zo te zitten in je ondergoed. Om een of andere, waarschijnlijk dezelfde, reden hebben ze blijkbaar geen zin om zich aan te kleden. Ik heb het een paar dagen in het oog gehouden, wat ze nu eigenlijk zitten te doen daar. De ene kijkt naar de televisie, een heel klein schermpje. De andere zit te breien, en roept tussendoor iets naar mensen die voorbij lopen (vooral naar de mannen, heb ik de indruk). En nog een andere doet blijkbaar meer aan cultuur. Op de vensterbank ligt een stapeltje boeken. En net als in de trein wil ik altijd graag weten wat andere mensen lezen. Boven op de stapel ligt Het Vaginaboek van Goedele Liekens. Dat schijnt een nuttig boekwerk te zijn, met allerlei tips over tuinieren, of zoiets. Maar als er nog mensen zijn die denken dat er nauwelijks Nederlandstaligen zijn in Brussel? Zo zie je maar.

In elk geval, vorige week op het perron werd ik aangesproken door een zwarte mevrouw. Ze heette Victoria. Of ik niet die jongen was met dat grappige groene mutsje, wou ze weten. Altijd wel leuk als iemand je jongen noemt, vooral als die zelf een pak jonger is dan je zelf bent. Ik zei dat ik inderdaad een groene muts heb. Ik moest nog wel iets doen aan het loopje, zei ze ook.

Ik wist nog altijd niet waar ze me dan gezien had. In het straatje, zei ze. Met die ramen. En met het boek van mevrouw Liekens. Dat was zij dus. Of dat toch niet heel koud was, wou ik meteen weten. Ze legde het me allemaal uit. Ja, het is wel koud, maar dat minuscule ondergoed, uitgestald over die gracieuze vormen, is wel van Damart. Sommige strategische plekken blijven dus toch warm. En wat je niet ziet van buiten, ze heeft meestal dikke sokken aan. Soms wel twee paar. (Het is algemeen geweten dat vrouwen gemakkelijk koude voeten hebben. Heeft iets met de haarvaten te maken. Victoria bleek geen uitzondering te zijn.)

Victoria woonde in Sint-Truiden, en nam elke dag gewoon de trein naar het werk, net als ik. Weliswaar naar een ander soort werk, maar goed. Ze stapte mee in dezelfde trein, we konden nog voor een stukje samen blijven zitten. Ze had me al een paar keer opgemerkt, vertelde ze. (Het blijft een verontrustende gedachte, dat mensen mij opmerken. Zal misschien aan dat loopje liggen.) Ze was ervan overtuigd dat ik een artistiekerig type was. Dat had ze aan mijn handen gezien. (Niets is nog veilig…)

Ze had twee grote passies: de boeken van Michel Houellebecq en de muziek van Richard Wagner. Dat was even slikken. De twee heren in kwestie zijn niet echt mijn ding, eerlijk gezegd. Maar een mens moet altijd vriendelijk blijven natuurlijk. Ze stelde me een lichtjes ontregelende vraag. Of ik niet met haar mee wilde gaan. Ik moest onwillekeurig aan dat ondergoed van Damart denken, maar ze had een geheel andere intentie. Het ging over een Wagnerconcert, diezelfde avond. Haar achterneef, die mee zou gaan, had ineens geen zin meer. Dat had dan weer iets te maken met So You Think You Can Dance, op de televisie. Ze had hem nog uitgelegd dat er iets bestaat als een digicorder, maar hij had geantwoord dat je zo’n dingen live moet zien. Onzin natuurlijk. In elk geval, ze had dus nog een kaart over. Ze ging nu even op en neer naar huis, om een ander kleed aan te trekken en van schoenen te wisselen.

O jee, Wagner. De onderhuidse vermoeidheid sloeg helemaal toe, ergens ter hoogte van de aansluiting van de nek en de schedel achteraan, altijd een gevoelige plek. Maar, in het kader van de zelfopvoeding probeer ik niet altijd nee te zeggen op dingen die vreemd, of mogelijk een klein beetje beangstigend zijn. (Ik maak vorderingen, durf het zelfs al aan naar een bioscoop te gaan met hopen popcornverslindende wezens rondom mij.) Victoria keek me diep aan, heel diep, en fluisterde daarna iets in mijn oor. Het had met dat mutsje te maken, denk ik, ik ben niet helemaal zeker.

Enkele uren later zat ik met haar in de schouwburg, voor een Wagnerconcert. En daar leerde ik haar dus echt kennen. Tijdens de derde van zeven pauzes. Of ik het ook zo vreselijk vond, die mensen die heten en noemen verwarren, vroeg ze. Een schot in de roos. (Soms weet je niet waarom iemand dagen in je hoofd kan blijven hangen, waarom je ’s nachts ligt te woelen in bed, rusteloos, met je buik in een kramp. Het gaat over een of andere snaar, diep in jou, die betast is door een zielsverwant. Soms is het ook gewoon acute zinsverbijstering natuurlijk, geheel en al buiten jouw wil om.)

De derde pauze vloog voorbij. Van het Wagnerconcert kon dat iets minder gezegd worden. Bij de vierde pauze probeerde ik het onderwerp voorzichtig in de groep te werpen. Wat is er mis met Bach? Dat zei ik. Bach brengt me telkens weer in een hogere sfeer. Zelfs als ik het wat rommelig op mijn oude piano thuis zit te spelen, zie ik de muziek nog voor mij. En als andere handen die toetsen beroeren, terwijl ik de afwas doe, lukt het ook nog. Maar Wagner… Als Victoria mijn geliefde was geweest, zou ik haar uitleggen dat ik veel wil doen voor de liefde, maar dat er toch grenzen zijn. Wagner is zo’n grens voor mij.

Victoria keek me bedroefd aan. Er was duidelijk ergens een diepere verwantschap tussen ons. Haar weerzin tegen het foutief gebruik van het woord weerhouden was even diep als die van mij. Maar dat ik haar niet kon volgen in Wagner (en ook niet in Houellebecq) dat vond ze jammer, heel jammer.

Een mens moet vriendelijk blijven. Ik heb het nog volgehouden tot de vijfde pauze. Toen moest ik afscheid nemen van Victoria. Ze begreep me wel. En ze vond me wel dapper. Tot nu toe had niemand het met haar tot de vijfde pauze uitgehouden. Ze zei dat we zeker BFF zouden blijven. (Moest ik thuis meteen opzoeken, iets als: goede vriendjes voor altijd.)

En elke morgen wuift ze nu naar mij, door het raam. En ik neem even mijn mutsje af, en maak een sierlijke beweging, beengewijs dan. Een soort poging tot pirouette of zo. Dan fonkelen haar mooie ogen even. En dat kan ze gebruiken, in dat gure en tot triestigheid aanzettende kleine straatje. Misschien breng ik haar nog wel eens een ander boek, om boven op de stapel te leggen. Boven op Goedele Liekens. Een veggie kookboek of zo, dat is ook goed om te dromen van wat zou kunnen zijn.

04 november 2012

Als vanille

In de hoek van de kamer kun je vanille ruiken. Voorzichtig. Het doet je warm glimlachen, als dat zou kunnen. Even voorzichtig.

Als november. En soms kruip je wat dichter naar het midden van het bed. Alsof.

Soms moet je wachten. Soms kun je wachten. Tot dat moment van de zondag. Ergens diep in de namiddag. Waar je alleen maar alleen kunt zijn, zo lijkt het.

Zoals de weg in het landschap zich kan herinneren. Wie er ooit ging. De verhalen bewaard. Zo is het misschien ook met de muren van je huis. Je bent de eerste bewoner. Je gedachten, de gesprekken, de verhalen, ze worden bewaard. Als onzichtbaar patina. De koude zal een stap terug zetten.

Iets over littekens. Ze doen alsof ze verdwijnen, in je landschap.

Je fluisterhuid. Ze wordt benaderd. Ergens halfweg je droom. Een hoofd dat nauwelijks merkbaar buigt.

Iets over pijn. En wat je erover hoorde. En wat zich onder je huid heeft genesteld. Misschien is een zondag een goede dag voor het nulpuntbesef.

Je kunt denken aan mooie woorden. Je hoeft ze niet eens te zien, en nog minder te horen. Je kunt ze vermoeden, in hun tastbaarheid. En wat je zou willen geven.

De dingen die je deed, het herstellen, het opruimen, het loslaten wat niet meer moest blijven in je kast, het herschikken, misschien was het wel een goede manier om de winter te laten naderen.

Dat je even niet meer wist hoe oud je nu eigenlijk bent. En wat dat zou willen zeggen.

Je hoort iemand zeggen dat ze naar huis zullen gaan. Zal dat woord ooit ongemerkt passeren?

Hoeveel tijd zou er nodig zijn. Om de zwaartekracht uit je greppels te laten verdampen.

De adem die je begroet. Als was het een thuiskomst.

De verhalen hebben zich neergelegd. Ergens in je achterhoofd. Als je je ogen sluit, en ze daarna tegen je oogkassen duwt, kun je de verhalen voelen neerdruppelen naar je rug. Daar verspreiden ze zich. Om te blijven.

Wat je nu zou antwoorden, als de vraag je gesteld zou worden. Het zal niet gehoord worden.

Iets zal zich misschien weer terugtrekken. In het achterland. Of in het mos.

Hoe stil het kan worden.

Iets over het iemand iets onthouden. Een moeilijke gedachte. Al was ze heel mooi uitgesproken.

Hoe het avond wordt. Als vanille.

03 november 2012

Muskrat Ramble


Hoe het klonk in 1926. Je grootvader was toen 26. Zo lang is het geleden. En tegelijk lijkt het zo dichtbij. Net buiten bereik, zoiets. Bijna aan te raken. De hele dag al is Louis Armstrong in je buurt, die van de jaren 20. Het was er een goede dag voor, om een of andere reden.

Sommige gedachten hebben tijd nodig. Ze zoeken zich een weg door je lichaam, na een onrustige nacht. Je hoofd een ander tempo dan de rest van dat lijf. Tot ergens de dingen elkaar weer vinden.

Al die ideeën, al die beelden. Ze staan te dringen. Eens ze er zijn, kunnen ze niet zomaar weer weg. Ze moeten gewoon zachtjes door je huid schuiven. Het moet wachten tot je weer alleen bent. Pas dan begint iets van je adem te vertragen, en kun je alles uitspreiden, een voor een, naast elkaar.

Misschien is er iets in die muziek dat de ruimte verandert rondom jou.

En zo leggen mooie gesprekken zich na een tijd weer neer. Daar waar je ze beter kunt bekijken, waar ze aanraakbaar geworden zijn. Waar ze zich kunnen nestelen in je landschap.

Het moet iets zijn als het getij, dat het zand betast. Hoe je heen en weer gaat tussen samen zijn en daarna alleen willen zijn, om weer samen te kunnen zijn, waarna je weer alleen wilt zijn, om het samen dat er was te kunnen bekijken, te laten schuiven door je poriën, tot het daar is waar het moet zijn. Tot het wordt tot sediment in je huid.

Dat het op zo’n mooie manier veel kan zijn, een ander tegenover jou, en enkel de woorden, en hoe ze bewegen, in alle tijd. En hoe dankbaar het je kan maken. Dat je alleen daar kunt zijn, op die plek.

Ook in die muziek is er veel. Op een afstand. Je kunt kijken naar hoe alles beweegt. Waar dat alles vandaan komt, je zult het nooit begrijpen.

Hoe je na het laatste bezoek weer thuiskomt. Iets verandert al, zodra je de deur achter je sluit. Je voelt het, ergens in je buik, ergens in je nek.

Hoe eb en vloed naar elkaar kunnen verlangen, ondeelbaar. Pas in het terugtrekken kun je het water beter zien. Zo gaat het altijd.

Zo kun je ook naar je stem kijken. Hoe ze klinkt, hoe ze beweegt. Hoe ze soms een beetje van je wegdrijft, hoe ze weer terug kan komen.

Misschien kun je zo iets over jezelf leren.

En de rituelen van het opruimen. Rustig alles afwassen, en weer de kast in. De muziek kijkt toe. Ze zorgt voor een ergens. Een ergens dat ver genoeg is om dichtbij te kunnen zijn.

Misschien kun je jezelf zien als getij. En is het goed om die vorm van water te zijn.

En alles wat je zou willen zeggen, er zal altijd nog genoeg zijn voor een andere keer. Denk je.

Het zou kunnen eindigen met West End Blues. Voor nu dan toch.

02 november 2012

Even een deegje

Even een deegje maken, en dan snel wat woordjes. Zou het zo zijn? Je handen ruiken nog naar de boter die in het deeg zit. Mmm. Goed dat er geen boterhandliefhebbers in de buurt zijn. Van die woordjes zou niet veel in huis komen. In je hoofd nog eens even de volgorde van de dingen bekijken. Wat moet je eerst maken? Wat zal wanneer in de oven moeten? Wat zal wanneer klaar zijn als je bezoek op dat uur komt? Zit er nog een beetje marge op? Er zijn van die kookafwijkingen die je nooit afgeleerd krijgt. Blijkbaar.

Een intens mooi gesprek. Soms denk je dat zij je het best kent, en dat na al die jaren. Het is mooi. En alles wat je altijd wilde zeggen, het wordt allemaal gezegd, stap voor stap.

Een intens mooie film. Hartverscheurend mooi. Alles klopt aan die film. Het is niet anders te zeggen. Een rauwe schoonheid die je klein maakt. Blij dat je daar was, op die plek.

En toch nog even schrik dat de bioscoopantiterreureenheid je ter plekke zal komen molesteren, minstens, omdat je – onbedoeld!, ik herhaal: onbedoeld! – zomaar op de verkeerde rij zit. Zomaar denken dat je op rij 8 zit, en dan stiekem op rij 7 gaan zitten, waardoor de popcorn- en vervelende-madammen-balans in de zaal verstoord wordt. Gelukkig ben je in goed gezelschap, en kan zij bevestigen dat het geheel en al jouw schuld is. Alles eigenlijk, alle wereldproblemen ook. Dat lucht geweldig op.

Tussendoor nog even denken aan die groentetaart die je straks gaat maken. En wat er allemaal in zal gaan. En of het deeg lekker zal zijn.

Weer thuis na de film, nog even uitzakken in de zetel. Er wordt nog gebeld aan de voordeur, zo laat. Een politiemevrouw staat voor de deur. Dat er bij een van de bovenburen is ingebroken, en of je iets gemerkt hebt tussen zeven en negen. Nee, je zat in de film, zeg je. (De politiemevrouw vraagt niet welke film.) En of je alle verdachte dingen zou willen melden. De ochtend nadien zie je een tas onderaan de trap in de kelder. Die stond daar gisteren ook al toen je thuiskwam, besef je ineens. Je vroeg je nog af: wat staat die rare tas hier te doen? Terwijl je naar de markt fietst je de hele tijd afvragen of je nu moet melden dat er een mogelijk ‘verdachte’ tas staat. Als je later op de dag boodschappen gaat doen (voor een deegje) komen er net nog twee politiemensen aan, een politieman en een politiemevrouw (die laatste is ongetwijfeld van CSI Louvain of zo, en zou jouw vingerafdrukken zo uit het blote hoofd herkennen van op een kilometer afstand). Je laat aan de politieman de tas zien, en zegt erbij dat je helemaal niet weet of het wel van belang is. (Maar die mevrouw gisteren had gezegd dat je ALLES moest melden, en ook onmiddellijk…) Het blijkt mee te vallen, de tas is niet verdacht. En jij gelukkig ook niet.

Je moet die ene schoen laten herstellen. Heel gedub over de existentiële vraag welke schoenen je dan wel aan zou moeten doen om die ene schoen weg te brengen. Eigenlijk is het je enige paar schoenen. (In sommige opzichten blijk je toch een man te zijn.) Moet je dan in je sandalen naar de schoenmaker gaan? En als het dan gaat regenen, hoe moet dat dan? Belangrijke kwesties met andere woorden.

Voor je aan het opruimen en het koken begint, nog snel even een soort middagdutje doen. Er is een wat kleffe film op de televisie. Blijkbaar ben je qua middagdutje helemaal toe aan een kleffe film. (Maar of dat gesnotter nu echt wel nodig was? Watje.)

Tijd om aan de nadeegjeswerkzaamheden te beginnen. Lichte kookstress. Zoals altijd een beetje bang dat je niet alles op tijd af zult hebben. (Om dan waarschijnlijk zoals alle andere keren daarvoor vast te moeten stellen dat je te vroeg klaar zult zijn met alle werkzaamheden.) Er zijn nog zekerheden in het leven.

28 oktober 2012

De kleuren van het bos


‘Ik ben blij dat je gekomen bent. Ik ben wel een beetje zenuwachtig.’
‘Ik ook, eerlijk gezegd. Het was zo lang geleden, het was tijd dat we elkaar nog eens zagen. Het mocht nu wel.’
‘Het was ook al lang geleden dat ik nog eens in het bos was.’
‘Ja? Vroeger ging je toch elke week?’
‘Ja, dat is waar. Ik weet niet goed waarom ik dat niet meer doe.’
‘Maar nu zijn we hier. Het is wel een beetje fris.’
‘Dat is niet zo erg. De kleuren zijn even mooi.’
‘Jij hebt altijd wel van de herfst gehouden.’
‘Ja, je voelt de verandering dan zo goed. Er hangt iets van melancholie in de lucht. Je moet vertrouwen hebben, en elk jaar moet je er weer een beetje aan wennen.’
‘Ik ben meer voor de lente, denk ik. Als alles in de tuin weer begint.’
‘Ben je in de winter nooit bang dat de lente niet zal komen?’
‘Nee, nooit. De winter is wel niet zo mijn ding, eigenlijk.’
‘Ik moest nog aan je denken gisteren. Op de markt waren het de laatste druiven van het seizoen.’
‘Die lekkere?’
‘Ja, die. En het is nog steeds dezelfde mevrouw bij de druiven. Ik was dit jaar haar eerste klant, bij het begin van het seizoen.’
‘Die druiven herinner ik me nog goed.’
‘Ze doen iets met mijn buik, ze maken hem rustig. En hoe is het met de tuin?’
‘De tuin is er nog altijd. Hij is op een bepaalde manier dieper geworden. Niet in de zin van groter of zo, maar dieper. Ik weet niet waarom ik dat woord nu kies. De tuin heeft meer betekenis gekregen of zo, ik kan het niet uitleggen.’
‘Het klinkt mooi alleszins.’
‘Soms is de tuin als een eiland waar ik naartoe kan gaan. Daar kloppen alle dingen, voor even dan toch.’
‘Jij bent wel gemaakt voor je tuin, dat heb ik altijd gevonden.’
‘Ja, dat is wel zo.’
‘Dit stuk van het bos vind ik altijd heel bijzonder. Je bent hier voorbij de tunnel. Aan de andere kant van iets. Hier is het bos anders. Hier is het alleen van zichzelf, of zoiets.’
‘Dat is dan weer echt iets voor jou, dat soort beelden. Je bent niet echt veranderd precies.’
‘Toch wel, denk ik toch.’
‘Ja?’
‘Misschien ben ik wel wat rustiger geworden, in sommige dingen dan. Minder ongeduldig.’
‘Als dat zo is, dan ben ik blij voor jou.’
‘Ja?’
‘Ik had het altijd moeilijk met jouw onrust. Ik kon er niets mee, het maakte me een beetje machteloos.’
‘Ik weet het. Ik wou het niet zo, maar het kon niet anders, denk ik.’
‘Misschien niet. Ik was ook nog een stuk jonger toen.’
‘Nu zouden we er misschien meer over praten.’
‘Misschien. Hoe is het met je dochter trouwens?’
‘Goed, heel goed. Ik wou bijna zeggen: ze is groot geworden. Maar dat klinkt zo lullig. Het is een grote meid nu.’
‘Vertel er nog eens iets over.’
‘Soms is het alsof ze zo onbevreesd naar de wereld kijkt. Ze staat rechtop, en ze lijkt klaar voor alles wat er zou kunnen gebeuren. Laat maar komen, dat lijken haar ogen dan te zeggen. En op andere momenten kan ze ineens ook weer klein en kwetsbaar zijn. Dan komt ze naar me toe, en kruipt ze tegen me aan. Dan vraagt ze of ze even zo mag blijven zitten. Tot het weer over is.’
‘En wat is het? Het dat weer over gaat?’
‘Dat weet ik nooit, dat zegt ze niet. Ze vroeg nog naar je van de week. Of ik wist hoe het met je ging. Ik heb haar gezegd dat ik je vandaag zou zien.’
‘Zeg haar maar dat het goed gaat met mij. Ik heb nog altijd die foto, waar zij en ik samen op staan.’
‘Daar zal ze blij mee zijn als ze dat hoort.’
‘Heb je dat soms ook? Dat je ineens bang bent van het ouder worden? Dat het je zo ineens overvalt. En dat je denkt: wat heb ik nu eigenlijk gedaan met mijn leven?’
‘Af en toe wel. Maar niet zo vaak, gelukkig.’
‘Ik heb het al een paar keer gehad. Vooral sinds… Nou ja, je weet wel.’
‘Ja, je moet er later maar iets meer over vertellen.’
‘Misschien, ik weet het nog niet.’
‘Ik heb alle tijd.’
‘Ja?’
‘Alle tijd. Dat is toch al iets.’
‘Ja, dat is al iets.’
‘Wat is er?’
‘Mag ik je arm nemen? Ik heb het ineens koud gekregen.’
‘Ja, dat is goed. Dat gingen we trouwens altijd nog een keer doen.’
‘Wat?’
‘Zo, zoals nu, als we oud zouden zijn.’
‘Hadden we dat afgesproken?’
‘Ja, natuurlijk, weet je dat niet meer?’
‘Nee, niet echt. Maar het was wel een goede afspraak.’
‘Zie je die kleuren daar?’
‘Ja, mooi.’