11 juni 2020

Gedachten 86

Een buiknacht.

(Soms is een buik als een tektonische plaat. Met naschokken.)

Je kijkt ernaar.

De aardlagen.

Elke ochtend weer de planten netjes op de terrasrand zetten. Alsof ze uit bed gehaald worden.

(Angela Hewitt speelt verder.)

Je rug, ook.

Je bereidt je tussenkomst nog even voor.

Er is nog net tijd genoeg om een beetje rustig die mails te beantwoorden.

En daar zit je dan, in Estland. Net echt. Het is even prutsen om jouw presentatie goed in beeld te krijgen, maar daarna lukt het wel. De mevrouw die alles presenteert, zit voor een poster van een werk van Gustav Klimt, denk je. (Je kijkt op en neer.)

(In het vorige webinar had je uitgelegd dat net zoals de collega uit Leiden zei prutsen de governancestrategie is. Zo min of meer.)

Sommige sprekers die na jou komen zeggen wel heel ingewikkelde dingen. (Misschien ben je niet slim genoeg om daar zomaar tussen te zitten.) De papa is aan het woord, terwijl het kleine kindje blijkbaar steeds dichterbij komt en veel lawaai maakt. Hij praat onverstoorbaar verder. Hij heeft de functie achtergrond vaag maken ingesteld, maar je ziet toch ineens hoe de mama heen en weer loopt en het kinderlawaai verdwijnt.

In de categorie ‘woorden waar je jeuk van krijgt’: hands on.

(Je kijkt tussendoor nog eens naar je handen. Iemand vertelde je ooit iets over je handen en je stem.)

Roepen naar de krant. Twee heren die heel stoer als echte mannen een nieuw rapport maken met ‘openingen’ voor een mogelijke nieuwe formatiepoging. En die geven ze dan wel af aan een vrouw die dan het echte finale werk zou moeten doen. Enkele andere heren die tot voor kort vooral verkondigden dat die vrouw in kwestie toch geen blijk gaf van ‘echt leiderschap’ (versta: ze is geen echte man en leider, zoals ik dat wel ben, vanzelfsprekend) vinden het goed dat die vrouw dat doet. Maar dan moeten er wel twee mannen naast haar gaan staan. Een confederale machistische logica. (Venten zijn zo vermoeiend…)

Na het eten de stad even in voor boodschappen. Het is fijn weer in de zonderverpakkingwinkel te zijn, denk je. Er kan ook nog net een elleboogje af.

Gaat het wel goed met jou?

Net op tijd weer thuis voor het volgende webinar. Nu moet je alleen maar kijken.

Een heel mooi verhaal. Over iets al weten. En hoe je dat verwart.

Trillende handen.

Nog even de stad in, om reservemaskers op te halen. Met een boodschap erop.

Op het plein zijn veel mensen boodschappen aan het krijten.

Weer thuis.

Je zoekt naar je woorden.

Nog een videovergadering. (Je had nog net op tijd een lijstje kunnen maken met je vragen.)

Roepen naar de televisie. Diezelfde minister die enige tijd geleden een enigszins suboptimale beurt maakte in het verhaal over de meettoestellen voor de dieselwagens. Ook als je een slechte beurt maakt, kun je daar in principe nadien nog iets over zeggen waardoor je het begrijpt, of kun je zeggen dat je fout zat en dat je het anders zult doen. Niets van dat. Verbijsterd keek je toen naar het scherm. Diezelfde minister heeft voor 40 km het vliegtuig genomen, nota bene nadat de persconferentie al gegeven was. Haar verklaring wekt niet bepaald meer vertrouwen op, om het vriendelijk te zeggen.

Een boeiende avondvergadering, nog eens video. Je leert veel. Tussendoor loop je even weg om te gaan klappen. Op een of andere manier zou je willen dat er een moment zou zijn om dat klappen af te ronden, zonder de inhoud van het ritueel dat het voor je was los te laten. Een moment ook om diep het hoofd te kunnen buigen en te rouwen voor de doden. Het blijft zo verwarrend, denk je. Je zag de files in de stad, je zag hoe erg veel mensen op terrasjes zaten, overal onderweg waren. Alsof iedereen nu echt vooruit aan het gaan was. De cijfers in het journaal, die duizenden mensen met een gezicht en een verhaal, ze lijken soms in de plooi verdwenen van dat wat zo snel mogelijk achter ons moet liggen. Laten we dus nog eens buigen voor de doden, of zo, denk je.

De avond legt zich traag neer. Alle afspraken zijn voorbij. De beelden die nog geen beelden zijn, ze komen voorzichtig weer bij je terug. Ze blijven dicht bij je. Je kijkt even achterom, maar er is daar niemand anders. Je bent dankbaar.

Alleen nog je adem, en Das wohltemperierte Klavier.

10 juni 2020

Gedachten 85

Een dag onderweg, zo lijkt het wel. Het voelt goed, hoe het je verandert voor even.

Je krijgt de techniek van het mondmaskerliggen op de tafel van de kinesiste steeds beter onder controle.

Thuis boterhammetjes maken en je rugzak in orde zetten. Je mag weer.

De vrouw op het perron staat allerlei mooie evenwichtsoefeningen te doen met haar step. Zouden je ogen er boven dat masker genoeg glimlachend uitzien?

Vaststelling. Boven je mondmasker je bril opzetten als je net in de trein zit, het leidt tot hevig aandampen. Je krant verdwijnt voor je ogen, komt langzaam weer terug.

Je vraagt je of hoe het met Victoria zou zijn. Misschien moet je haar nog eens bellen?

Als je stopt met de gedachten, zou 99 dan beter zijn dan 100? Misschien is onaf net iets beter. Een meer kwetsbaar verlangen.

Je loopt door de Kruidtuin. Iedereen knikt vriendelijk goedendag.

Het voetgangerslicht blijft precies langer op groen staan.

In de lift moet je met je rug naar andere mensen gaan staan. Er staan geen andere mensen in de lift. In de spiegel sta je wel met je rug naar jezelf.

Vijf van de acht zijn aanwezig. Het lijkt wel gewoon. (Iedereen is blij er te zijn. Goed kijken naar elkaar in drie dimensies.)

Op je computer begint een updatemarathon.

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou?

Mooie verhalen. Iets over nabij en alleen zijn. En iets over de corona-uitgroei. En dingen die de tijd aan de tijd laten.

(Je zou nog op die twee lange mails willen antwoorden. Maar dan moet het eerst een beetje leeg zijn in je hoofd, zodat je traag kunt denken.)

Het is goed daar te zijn.

Hoe fijn het is, dat andere toetsenbord te voelen. Anders aanraken.

Het licht is anders.

(Je kijkt naar je handen. Zou je niet te oud zijn? Ze hebben ook een verhaal.)

Je denkt aan de handen van je grootvader.

Je knutselt een presentatie in elkaar. Ze floept naar Estland. Zou het in Tallinn even warm zijn als hier? (En wat zou dat verder verschil uitmaken?)

Je moest nog een nota maken, die roetsjt er in een lange beweging zo uit.

Een aarzelend mooi verhaal. Iets over tranen. En de zee.

Misschien ben je ver weg. Misschien niet.

(Over dat sterven moet je nog een beetje nadenken.)

(Angela Hewitt blijft spelen.)

Je blijft een heel stuk langer dan je had voorzien. Het is wel leuk daar, eigenlijk. (En er komt maar geen einde aan die marathon op je computer.)

Vaststelling. Als je een pepermuntje extra strong in je mond hebt, komen er pepermuntdampen in je ogen door een mondmasker.

De mensen op het perron.

Op weg naar huis. Niet de kortste weg nemen, maar de net iets langere. Om meer mensen te kunnen zien onderweg.

De man in het journaal. Hij zegt tegen een luchtvaartmaatschappij dat die vlieger niet opgaat. Zomaar poëzie.

Die mevrouw die je vaak in het journaal ziet. Nu voor een petanquebaan. Elke keer denk je: ze heeft haar haar te donker gekleurd, het hoeft niet zo.

(Je denkt iets over cool.)

Het verhaal van de handen.

(Je rug trilt.)

Het is weer een ander aanraken, de toetsen. (Soms ligt het ook gewoon aan je handen. Misschien verandert het de woorden.)

De varens kijken.

09 juni 2020

Gedachten 84

Een diepere nacht. (En toch weer een schoenverhaal in de droom.)

Een drukke dag, eigenlijk wel.

Lijstjes die overzichtelijk lijken, tot ze zichzelf verstoren. Met dingen die nog moeten gedaan worden. Even.

(Het zou kunnen dat je computer na al die jaren voorzichtig begint te verslijten. Het brengt je in de war. Je zult allerlei circulaire oplossingen bedenken. Maar stiekem blijf je ook wel voorstander van dingen die blijven.)

(Dat je zelf aftakelt, tot daar toe, maar die startknop van je laptop, dat is wat anders…)

Kleine gesprekjes tussendoor. En ze zijn allemaal interessant.

(Je hoort Angela Hewitt Bach spelen. Je zou uren naar haar kunnen kijken.)

(Na een drukke dag en een lange vergadering nog woorden zoeken, terwijl je huid een beetje protesteert. Het is niet zo eenvoudig.)

(Gewoon kijken zou gemakkelijker kunnen zijn.)

(Je denkt aan een trage dans.)

Even de stad in om een tijdschrift te halen. En bij de apotheker langs te gaan. Je vraagt of alles goed gaat met haar. Alleen al voor die glimlach zou je binnengaan.

(Je adem legt zich voorzichtig neer.)

Je test de verbinding voor het webinar van later die week. Jouw woorden komen ergens in Estland uit een scherm. De mevrouw die jij ziet op je scherm kijkt wel nogal ernstig, en heeft een subtiel zenuwtrekje precies.

(Net zoals die journaliste die je de vorige dag mee in het journaal zag zitten. Ze heeft een mooie stem. En na het spreken moet haar gelaat precies even terug goed gezet worden, met kleine bewegingen. De-articuleren, of zo.)

Een ander geurtje.

De mevrouw voor je in de winkel wil bij iedereen die er werkt zo lang mogelijk uitleg vragen en commentaar geven precies.

(De dingen die je moet doen. In je hoofd stapelen ze zich op. Het is wel een net stapeltje. Dat is ook al iets.)

Je begint aan de vertaling van dat grote verslag. Prutswerk voor gevorderden.

(In het webinar van de vorige dag kreeg het woord prutsen ook een officiële status. Je mag het dus vrij gebruiken.)

De puntjes voor de vergadering van ’s avonds. Normaal bereid je die altijd voor in de treinrit van stad naar stad. Nu zit je thuis. Je hoofd werkt anders, wanneer je niet in de trein zit.

Van de ene kamer naar de andere. Te weinig afstand voor een tussenplek. Je staat even te wachten in de andere kamer (die dan al de ene is geworden). Een verdriet komt over je.

Verhaallagen bewegen.

(Er zou even een leegte mogen zijn, denk je.)

(En daarnaast een gesprek dat de hele tijd doorloopt, alleen een beetje verschuift van achtergrond naar voorgrond. Ergens.)

De rijst is lekker, het valt je op.

Normaal moet je lijstje klaar zijn – volgens je eigen wetten – voor de vergadering begint. In die laatste tien minuten heb je nog drie mails te versturen en dat lijstje met mogelijke onderwerpen te maken. Terwijl de vergadering bezig is, vul je het nog verder aan. (Misschien is dat wel niet geheel onvergeeflijk.)

(Stel dat je onvoorbereid op de vergadering zou zitten… Diverse vormen van standrechtelijke executie zouden kunnen overwogen worden.)

De anderen in de vergadering. Sommige stemmen hoor je veel intenser dan anders.

Je hoort dat iemand onverwacht is overleden. Je hebt warme herinneringen aan hem.

(Het stukje zal dus later zijn dan de andere dagen. Misschien kan dat getolereerd worden.)

Je raakt het gesprek nog even aan.

Je zoekt Bach, en daarna de woorden.

De dag mag leeg worden.

08 juni 2020

Gedachten 83

Een beetje wiebelig na een woelerige nacht.

Ergens midden in de nacht de beweging van de ondergaande zon, die daarna weer opgaat, en ondergaat. En dan kijken hoe je adem de zon volgt. En de zee was er al.

Je kijkt.

En het verhaal beweegt zelf.

De koffie.

Je bereidt je tussenkomst voor het webinar voor. (Die zin klinkt ondertussen al heel gewoon.)

Je hoofd blijkt nog steeds redelijk analoog. Normaal was het seminarie in Mechelen geweest. Zodra er beweging komt op het scherm denk je dat je in Mechelen bent. (En dat webinar binnen enkele dagen is in je hoofd wel degelijk in Estland.)

(Kinderlijk plezier voor gevorderden.)

Je leert weer allerlei nieuwe moeilijke woorden. Die bewegen heel circulair door de ruimte.

Jij brengt je verhaal in twee sessies na elkaar. (En het lijkt net echt.) (Toch wel jammer dat je niet iedereen kunt zien, daar wen je niet echt aan.)

Tussendoor wachten verhalen op de achtergrond. (Straks ga je rustig antwoorden, denk je.)

De verhalen in de krant.

Eerst even alleen bij de woorden zijn. Je leest traag. De woorden maken je een beetje wiebelig, merk je. Je probeert te antwoorden. Plekken die nog geen woordplekken zijn.

En dat is wel mooi.

Je werkt verder. Je dagelijkse voorraad links, netjes bij elkaar.

Je denkt aan de kinderen die weer naar school mogen. Hoe zou het zijn? Hoe zouden ze het doen?

In de categorie de Jean leert nieuwe dingen bestel je zomaar een abonnement voor van die fietsen aan het station. (Er moet weer een aangepast en sterk wachtwoord bedacht worden.)(Stel dat je het woord zwak zou nemen, met nog een hoop cijfers en tekens en toestand, dan heb je toch een sterk wachtwoord. Wat ook wel een vorm van kosmische troost is, enigszins.)

En dan ook nog die vertaling nalezen en verbeteren. Verpletterend sensueel is de tekst niet. (Je blijft er toch altijd op hopen, dat ergens in zo’n doorwrochte tekst zomaar een zin staat te fonkelen. Een zin die een beetje dwarsig is. Die al wiebelend en woelend het verondersteld volwassen status quo heel even op wankele benen brengt, met een voorzichtige fijne glimlach. Als een kleine daad van verzet, of gewoon een moment van lente dat je niet had zien aankomen. Zo’n zin dus. Niet. In dit geval.)

Van sommige zinnen vraag je je af of men het echt zo bedoeld heeft, wat het ook moge wezen. Je vraagt het even na bij je collega. Ja, dus.

Je hoort Tom Waits. And it’s time, time, time.

Het meisje dat bovenaan woont, staat sierlijk te dansen voor haar opa. Ze zou nog uren kunnen doorgaan, zo lijkt het wel.

De mevrouw met de kinderwagen die elke dag heen en weer loopt.

De vrouw in First Dates die zegt dat een echte man aan de andere kant van de tafel toch wel een entrecote zou moeten nemen. (Je roept iets naar het scherm.) Hij eet iets anders, en het komt toch nog goed precies. De ogen, die doen het.

Je rug zit in de buitenbaan, denk je.

Verhalen volgen hun eigen weg in je lichaam, denk je.

Tom Waits zingt Swordfishtrombone. Je houdt nog altijd van dat ritme. Je kunt er bewust van gaan wiebelen.

En zo raken de dingen elkaar.

En morgen is er weer een dag.

07 juni 2020

Gedachten 82

Die ene mevrouw in jouw droom (een actrice), hoe komt die daar eigenlijk? En wat is jouw taak als bemiddelaar? En wat betekent die hele stapel invulbladen? (Je hebt soms een rare dromenbedenker in dienst in je hoofd…)

Iets over melancholie. En wachten op het ritme van de zondag.

Je kijkt naar die dansende mensen. Je denkt aan een trage dans.

Verhalen raken elkaar, het blijft een mysterie, hoe dat werkt.

De dingen die je ziet, blijkbaar.

En net voor het poetsen zou moeten beginnen, een lange telefoon van een dierbare vriendin. Het is lang geleden dat jullie elkaar hoorden.

Het is mooi om de tijd te zien in de tijd.

En dus ook nog poetsen. (Je rug vertrekt van een suboptimale startpositie.)

En terwijl de jazzplaten. Ze zijn echt goed. Je probeert de lijnen te zien van de verschillende instrumenten, alsof je ze zou kunnen ontrafelen. Ze gaan naar elkaar toe, zwermen uit, en komen telkens weer terug.

Het automatisme in je handen bij het bedienen van de platenspeler. Je hebt het geleerd als kind, en zoals fietsen verleer je dat niet blijkbaar.

Je leest een mooi interview met die vrouw die je al enkele keren zag dansen. Dat mooie stuk met al die vrouwen, die de zee dansten. Of het stuk van haar alleen, waar ze Bob Dylan danste. Ik ben net zoals mijn bewegingen efemeer. Wat een mooie zin.

(Je hebt de moed niet, denk je, om die plek aan te raken waar kunstenaars durven komen. Misschien vergis je je, je weet het niet. Je kunt die plek zien. Soms kun je bijna aanraken waar die plek in je lichaam is. Maar dichter dan dat, het kan niet, denk je. Of denk je voorlopig.)

En ook een heel mooi interview met de theatermaker in de boekenbijlage.

(Iets over de tijd in je lichaam. Denk je.)

Tijd om even te gaan liggen, hoog tijd.

Een stukje verder lezen in het geweldige boek, op het terras. Al ben je eigenlijk een beetje te moe.

En daarna nog twee fijne terrasgesprekken. (Misschien was je er niet helemaal op voorbereid, en is het daardoor nog intenser om mensen in drie dimensies te zien.)

De melancholie van de zondagnamiddag. Iets over dichtbijverwarring. Lijnen die je ook zou willen kunnen ontrafelen, ontdoen van zwaartekracht.

Die mooie jonge mensen in het journaal ontroeren je. Je voelt je klein.

De regen ruiken.

Woorden in etappes.

Een heel mooi verhaal. Het raakt iets in je.

Lijnen die bij elkaar komen, die elkaar ergens al raakten. Voor je het wist.

De wind is trager.

Je schrijft met een glimlach, en stotterende vingers.

De dag mag zich neerleggen.

06 juni 2020

Gedachten 81

De twee dikke kranten uit de brievenbus halen. Honger.

Het vaste ritueel. Eerst dat wekelijkse artikel over de liefde lezen. Daarna komt de rest.

In de winkel voor de weekendboodschappen. Je krijgt de vraag wat je allemaal doet, zo’n hele week. Je probeert het uit te leggen en je schrikt zelf een beetje.

Denken aan aardbeien. Die zijn voor later.

Later in de wereldwinkel. De meneer vraagt hoe lang je met zo’n reep chocolade doet. Je legt hem het universele principe van de chocoladeondergrens uit.

De grote tabel die je nog moest invullen. Dan is dat document ook klaar.

De wind.

Je loopt door de stad naar het station. Je zult waarschijnlijk weer veel te vroeg daar zijn, maar het is niet anders.

Je staat er dus veel te vroeg.

Daar komt ze aan. (Je stond ondertussen te praten met een vriend, maar je breekt het gesprek enigszins bruusk af. Overmacht.) Ze is veranderd, sinds je haar zag de vorige keer. Zo’n grote meid. Je hebt wel honderd vragen voor haar, maar er zijn maar enkele minuten. (Drie of vier vragen.) Je bent zo blij haar te zien. Knuffelen mag nog niet. (Even is er intense knuffelaandrangverwarring.) En ze is weer weg.

Tranen in de winkelstraat.

Je loopt even langs bij je maatje. Een deurgesprek. Het doet goed hem weer te zien. (Hij gaat helemaal voor een woest kapsel.)

Even over huis.

Een mooie windwandeling. De eerste na sluit aan bij de laatste voor.

(Je moet ook terug een beetje wennen, zegt je lichaam.)

De verhalen bewegen.

De wind.

Je rug (die er al was).

Een vraag. Hoe en waar zou je willen sterven?

Hoe je jezelf af en toe de vraag stelt hoe het zou zijn als je nog een maand zou hebben. (Sommige antwoorden komen pas later.) Jezelf vragen of je dan het gevoel zou hebben dat je genoeg zou gedaan hebben. De vraag of je genereus genoeg was. De vraag of je moedig was wanneer dat een verschil maakte. De vraag of al je dierbaren wel genoeg zouden weten dat je hen  graag hebt gezien. (Een kwellende vraag.)

Maar ook dingen als: niet te veel hinder veroorzaken voor anderen, niet te veel ruimte innemen. Hopen dat je alles netjes geregeld hebt. Maar eigenlijk ook, en misschien is dat het enige: hopen dat er iemand is die je hand vasthoudt op dat moment.

Maar eigenlijk ook een soort rusteloze angst. Dat je er niet meer zult zijn voor die mensen voor wie je er nog graag een hele tijd zou willen kunnen zijn. (Een verwarrende gedachte, alsof je er geen recht op hebt.) Je bent natuurlijk volstrekt misbaar. Maar in een of andere droom of verlangen zou je het kunnen zijn, een plek waar het een beetje veilig is en warm. (Een te moeilijke gedachte, eigenlijk.)

Terwijl loop je door de stad weer naar huis.

De wind.

Je rug.

Hoeveel plaats neem je in?

Je kijkt naar de mensen.

(De pijn is uitgestelde pijn, of opgespaarde.)

Weer thuis schuiven de beelden door je heen. Iets over korte armen. Vragen die iemand je eerder van de week stelde. Hoe traag het zou moeten zijn. Die vraag, wie jij bent.

Misschien moeten de beelden zich voorzichtig in je neerleggen.

De wind.

05 juni 2020

Gedachten 80

De vorige avond laat nog een fijn terrasgesprek. Je had eerder die dag nog gedacht: wanneer zien we elkaar nog eens.

Kinderen worden groot, denk je nog.

Die ochtend, je enige vergadering van die dag. Je hoort van een vriend dat hij die nacht opnieuw opa geworden is. Met de volle maan.Je bent blij voor hem.

(Soms ben je even vergeten dat de tijd verder beweegt, tot er weer een kind geboren wordt.)

(Je zou aanraakbaar kunnen zijn.)

Drie zakken knuffels en twee zakken kinderboekjes. Je propt ze op je fiets en brengt ze weg. Het verzamelpunt is beneden onder het gebouw. De mevrouw bedankt je. Er zijn al terug veel spullen gebracht, zegt ze. Niet zo lang geleden was alles op. Misschien hebben kinderen al die tijd gewacht op fonkelende ogen.

Je knutselt verder aan de tekst van elke vrijdag. (Het is eigenlijk elke keer meer werk dan je hoopte, stel je vast.)

Je krijgt een bericht met veel vragen (en ook iets over de dans). Je zou de tijd willen hebben om op alles rustig te kunnen antwoorden. In het echt. Je kunt alleen snel al iets antwoorden. De woorden gaan nog enkele keren heen en weer. (Binnenkort gaan jullie in het echt verder praten.)

Een telefoon. Tussen de werkvragen door vertelt ze hoe moeilijk het soms was de voorbije weken om niet te verdrinken tussen en met de kinderen.

Je krijgt een bericht van een grote meid. Ze is toevallig in je buurt de volgende dag. (Je was net van plan haar zelf ook een berichtje te sturen.) Je zult ervoor zorgen dat je haar toevallig tegenkomt. (Wat een fijn vooruitzicht, denk je.)

Hoe gelukkig het je maakt, om daar te staan, en minutenlang alleen maar naar de regen te kijken.

De meneer in de winkel verontschuldigt zich omdat er een scheurtje zit in de broodzak. Hij wil meteen een andere zak nemen. Hij lijkt een beetje verrast als je zegt dat dat vooral niet hoeft. De mevrouw aan de kassa vraagt het daarna ook nog eens, en is ook heel even verrast. Het zou ook verschil maken voor als je het brood in de diepvries legt, zegt ze. Diepvries? Daar doen wij niet aan, zeg je.

Je denkt nog aan dat mooie liedje, de vorige avond, in die serie. Het leek zo’n nulpunt, even weg van de zwaartekracht van de chaos. Komm und trag mich durch die Welt. (Wat is er met die zin? Je bent er niet tegen bestand.)

Je ziet dat er bij de buurvrouw een verjaardag gevierd wordt. Het kleine meisje wordt twee jaar.

(Iets is rustiger in je huid. Je benen zijn niet rusteloos, je handen zijn warm, het tintelt.)

(Je kijkt.)

De tekst is bijna klaar. Je collega wijst je erop dat de vertaalmachine van het woord ‘topvrouw’ (in dit geval van UNEP) la meilleure femme heeft gemaakt. Wat ook wel mooi is eigenlijk.

Poëzie krijg je soms zomaar cadeau.

Je zit een beetje zenuwachtig klaar voor het scherm. De celloklas geeft een optreden. Van de ene naar de andere woonkamer. In verschillende stadia van zenuwachtigheid. (Misschien wel hoe ouder hoe zenuwachtiger.) Je ziet haar al in het klein bovenaan zitten, naast haar mama. Ze is aan de beurt nu. Met een wat ingehouden statigheid speelt ze. (Bijna had je gezegd: met een uitgestreken gezicht. Dat zou een onbedoeld te flauw grapje zijn.) Je weet niet helemaal zeker in welk hokje dat past, maar je bent heel trots op haar. (En de eenhoorn vertrekt nog.)

(Gelukkig is er niemand die je ziet, terwijl je staat te koken. Ze zouden zo door je heen blazen.)

De lichte verwarring die je voelt bij het journaal. Alle dingen ‘die weer mogen’. Het lijkt zo veel, om een of andere reden. Alsof je ineens ziet hoe eindeloos veel dingen er tegelijk bezig zijn, als ‘alles’ weer mag. Misschien had je geleerd om niet alles tegelijk te zien en zie je nu hoe alle dingen zich weer in elkaar haken. Misschien was je wel stiekem een beetje gaan houden van het gevoel dat je de dingen gewoon een voor een naast elkaar kon zien, in volgorde (en dus niet allemaal tegelijk). Je weet niet helemaal zeker wat je eigenlijk voelt.

(Je kijkt.)

De mevrouw ontroert je. Hoe ze hoopt terug te kunnen gaan naar dat kamertje, weer aan het raam zitten en haar klanten ontvangen. Want er is niets meer.

De man ontroert je. De voormalige politiecommissaris. Hoe hij beweegt als hij praat. Zijn ogen. (Het fenomeen baseballpet zul je echter wel nooit begrijpen, denk je.)

(Misschien zou alles je kunnen ontroeren.)

Je ziet de hagel.

(Zoveel dingen nog die je zou willen vragen, besef je.)

De dingen mogen zich neerleggen.