De week lijkt een beetje transparant in je agenda. (Verlangen naar een ritme.)
Anderen vergaderen daar, jij zit hier. (Thuisfront. Zoals elke dag zeg je merci tegen de poetsmevrouw, die elke dag verlegen iets terugmompelt.)
Je probeert de procedure te begrijpen voor de koffie. (Een van je kerntaken is de koffie-, thee- en chocoladebevoorrading. Soms ook koekjes, al moet het niet te wild worden natuurlijk. Er is nu een nieuwe ingewikkelde procedure, zo blijkt. Tot nu toe was de procedure zoals thuis voor je keuken: even in je hoofd overlopen wat er nog in de kasten staat, en dan op tijd aanvullen. De nieuwe procedure werkt niet zoals je hoofd, dat is de samenvatting.)
Een andere dag. De meneer in de krantenwinkel herkent je. Tot volgende week, zegt hij. (De wereld kan voorspelbaar zijn.)
(Onderhuids een onrust in je lichaam. Wat zal er gebeuren de volgende dagen? Die eikel is toch zo eindeloos vermoeiend. De brief die hij verzond: de woorden van een misbruikende echtgenoot. Koude rillingen.) (Een laag diep in je laat zich zien, is gealarmeerd. Immer alert.)
Het namiddagseminarie. Je had alles netjes voorbereid. (De vorige dag nog een boek gehaald voor de spreker. Niet volgens de geijkte procedure.) Het is boeiend. Je bewaakt de timing strak. Iedereen lijkt tevreden.
Hollen om die trein te halen om op tijd op je afspraak te zijn. De wagon zit vol met scholieren uit Eupen. De mevrouw naast je, uit Luik, legt uit dat ze de hele tijd van plaats wisselen. Je vraagt haar of zij dan ook mee moest doen. Voorlopig niet, zegt ze.
Een volgende dag. (Ergens, daar in de wereld, bouwt de spanning zich op. Je voelt het tot hier.)
(Je probeert iets te formuleren, heel omzichtig, heel voorzichtig. Je kijkt naar hoe je de woorden kiest.)
In je hoofd stuiteren de zinnen over elkaar heen, gedachten flitsen heen en weer. (Misschien moet je morgen een stuk schrijven? Misschien zal dat helpen?)
Die avond sta je tegen het scherm te roepen.
(Je ziet in je hoofd een soort lijn, die al die zinnen zou kunnen ordenen. Tijdens de nacht bewegen de zinnen verder, autonoom.)
Een nieuwe ochtend. Je hoofd is een beetje mistig. Het nieuws. (Beweging, lichte opluchting, lichte verwarring.)
(Toch maar een stuk schrijven? Een stuk schrijven. De woorden razen op het scherm, je kunt je vingers nauwelijks volgen. En naar de krant sturen. Iets legt zich een klein beetje neer.)
(Hoe één zieke, akelige, wrede, zielige, weerzinwekkende, gevaarlijke, walgelijke man zoveel mensen tegelijk kan uitputten, het is een raadsel.)
(Antwoord van de krant, dat het toch niet zal lukken. Een andere plek afspreken.)
Een nieuwe dag. De tekst gaat de wereld in. (Niet meer dan een kleine rimpel. Maar je hebt het gedaan, iets zegt je dat dat goed is.)
Een mooi gesprek met een vriend, je wilt er voor hem zijn. Je kijkt naar hoe hij denkt, je mag kijken. (Plekken.)
Die avond. Je schrijft verder aan je balans van een jaar. (Als je het zo zegt, klinkt het zo belangrijk.) Je probeert iets te zeggen over verdriet. Hoe zou je dat in lichte woorden kunnen omschrijven? (Zorgen de woorden voor een vorm, voor iets dat heelt, of voor afstand?) Het maakt je moe.
Een volgende dag. (Je keek niet uit naar deze dag, dat voelde je, de voorbije dagen.)
Je bent te vroeg aan de bushalte, zoals steeds. Je kijkt.
Je loopt door het park waar de doden zijn. Er is zoveel licht, het gras lijkt niet te wachten, het is gewoon.
De dienst begint. Je zit tussen je familie. (We zijn er weer, denk je.) Het weegt.
Voor je zie je hoe kinderen heel zachtjes hun mama troosten. Het is zo breekbaar mooi. (En dat wat weegt, het is zo groot.) Je zou het willen, zonder dat iemand het zou zien. Je zou het zo graag willen, zwaarte wegnemen in dit hier. Dit hier is als een eindpunt van geaccumuleerde zwaarte.
Je luistert naar de verhalen, je ziet de foto’s.
Ze gaat naar voor, zegt de woorden. Over haar zus die er niet meer is. Het is hartverscheurend. Je ziet alle woorden, je ziet alles. (Woorden beschermen.) De lichtheid is zo zwaar. Ze is omringd door kleuren, de schilderijen van haar zus. (De kleuren waren haar leven, toch waren de kleuren niet sterk genoeg om haar in het leven te houden.) Je zou het willen, zonder dat ze het zou merken, dragen, al is het maar even.
(De rivier in je. Er is zoveel verdriet in deze familie. Intens droef. Intens kwaad.)
Mooie gesprekken, een geschenk. (Je voelt je klein.)
Het is goed, bij je familie zijn, in dit hier. Je kijkt. (Je zou zoveel verhalen willen horen.)
Je bent te vroeg aan de bushalte. Je kijkt.
Onderweg vult de bus zich langzaam. Het maakt je rustig. De hele wereld zit in de bus, zo lijkt het. Het maakt je zacht. Kom maar naast me zitten, zeg je tegen de vrouw die even lijkt te aarzelen. Je zou het willen vragen, wat haar verhaal is. Je doet het niet. Je kijkt naar haar handen. Je bedankt haar bij het uitstappen. Ze glimlacht.
Je fiets heeft rustig op je gewacht. Tijd voor de boodschappen. Het ritme. Het leven.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten