En zo trekt de koude zich weer terug. (Later die week hoor je ’s morgens vroeg vogels fluiten, terwijl je naar het station loopt.)
De meneer komt langs om je ketel te herstellen. Hij legt alles uit, zodat je het ook zelf zou kunnen proberen. (Misschien is dat wel te spannend voor jou.)
Je opiniestuk gaat de wereld in. (Het beweegt, denk je. Misschien was het goed dat je het deed.)
Het webinar. De voorstelling van een nieuw rapport. (Je zou willen roepen tegen het scherm, iets als: ZUCHT! Zinnen razen door je hoofd.)
(Dat ding op je lijstje, je zou het moeten bekijken. Misschien morgen.)
Een andere dag.
(Volgens je agenda mag je gewoon de dag volgen, zoals die zich aan je zal laten zien. Dat is een mooie gedachte.)
(Je weet nog altijd niet of je die balans zou uitschrijven of niet. Je hebt nog enkele weken. Zestig jaar zijn brengt zware verantwoordelijkheden met zich mee in het kader van de zelfopvoeding, blijkbaar.)
De volgende dag.
(Wat bezielt die mensen, denk je. Zoveel haat, zoveel bagger… Iemand is een vrouw, iemand is zwanger, iemand is politica, iemand wil ervoor zorgen dat een kind veilig in de wereld kan komen. Dat alles volstaat blijkbaar voor zo’n lawine. ZUCHT!)
De avondvergadering. Even wordt het een beetje moeilijk. (Je ziet lijnen.)
En nog daarna even naar de nieuwjaarsreceptie. (En ’s nachts zinnen die door je hoofd gaan.)
Een andere dag. Snel beginnen in de ochtend met je bijdrage voor het nieuwjaarsetentje. (En toch nog een trein eerder dan je verwacht had.)
(Een verhaal over helen.)
Etentje met de collega’s. Verhalen over woorden uit het Nederlands die een plaats zoeken in het Frans. De volgorde van de grootste steden van Frankrijk. (En op tijd de afwasmachine vullen.)
De boeiende sessie over circulair bouwen. (Je hoort nog een mooi verhaal over je nieuwjaarskaart die haar bestemming bereikte. Hoe blij ze was. Het maakt je gelukkig.)
De volgende dag. ’s Ochtends nog even langs de dokter voor het voorschrift en die spuit.
De vrijdagtekst. (Terwijl denk je aan de andere tekst die je straks nog moet maken.)
Snel de weekendboodschappen doen. (Je, weer thuis, afvragen waar dat ene ding is gebleven. Een verdwijnboodschap, zoals een verdwijnsok in de was.)
(Het beeld van een baby op je buik. Het is hier warm, zeg je, ik ben er, slaap maar.)
(Je best doen om niet in slaap te vallen voor de televisie.)
Een vroege ochtend. (O ja, het is zaterdag.)
Je staat te wachten op het perron. De trein komt eraan. De conducteur stapt uit en vraagt of jij de machinist bent die de trein zal overnemen. Toch niet, zeg je. (Misschien was dat een compliment.)
(Wat bezielt die vreselijke man, denk je. Zoveel haat, zoveel wil tot kwetsen. Iemand is vrouw, iemand wilde vrouw zijn, iemand is vrouw, iemand is zichzelf. Dat alles volstaat blijkbaar voor zoveel ontkenning van het bestaan van een ander. Zoveel angst voor zichzelf. ZUCHT!)
Op weg naar het noorden. Straks op bezoek bij de doden, met je zus. De bus rijdt door het landschap van je jeugd.
Het graf van je oma die jullie nooit gekend hebben. (Ze was nog zo jong toen ze stierf, met al vijf kinderen.) Je vraagt aan je zus om verhalen te vertellen. Je wilt verhalen horen.
Het grasveld waar je moeder is gebleven, dicht bij de plek waar haar moeder zo jong stierf. Een mooi gesprek over wortels. (Wat heeft deze streek met jullie gedaan? Welke lijnen zijn er.)
Het graf van je vader, het graf van je grootvader, het graf van je grootmoeder. (Iets is in de tijd verdwenen.)
En alle verhalen, jullie verhalen.
Je loopt nog even langs het huis. Het zegt niets meer. (Het is in zichzelf verdwenen.)
We hebben dat goed gedaan toen, zeg je.
De bus laat even op zich wachten, vertraagd door die eeuwige file in het dorp. De bus beweegt zacht door het landschap. De trein heeft enkele minuten vertraging waardoor je die nog net kunt halen. (Het is altijd goed hier weer te kunnen vertrekken. Zo ben je minder afwezig.)
(Iets is verdrietig.)
(Wat je zou schrijven, als je het toch zou doen. Waarom je niet als ik kunt schrijven, waarom het je moet zijn.)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten