Het bergdorp in de sneeuw. Iets wat er altijd was, is aan het sterven. Samen met de oude mensen die alleen daar konden zijn, zich niet goed konden voorstellen dat ze daar niet zouden willen of moeten zijn. Ook al was en is het geen idyllische plek, hoe mooi ze ook lijkt. Misschien zijn de buitenstaanders, ook al wonen ze al hun hele leven daar, in de meerderheid. Een oude man verliest zijn beste vriend, zoekt zijn weg door de sneeuw, wil misschien wel verloren lopen in het landschap dat hij zo goed kent. De sneeuw verzacht het beladen landschap en is een laag van zwijgen die over de dingen wordt gelegd. Door de sneeuw, van de Duitse auteur Tommie Goerz, is een heel mooi stil boek dat veel laat zien tussen de woorden, voor wie wil kijken.
Het boek omvat enkele dagen in een klein bergdorp waar de tijd een beetje heeft stilgestaan. Het hoofdpersonage Max, een man van tachtig, kijkt door het raam van zijn huisje tussen de oude appelbomen. Hij kijkt naar het vallen van de sneeuw. Dan hoort hij de doodsklok. Iemand is gestorven. Het duurt even eer hij te weten komt dat het zijn beste vriend Schorsch is die is overleden. Als lezer volg je hem in die enkele dagen tussen die dood en de begrafenis. De oude gewoonten worden voortgezet. Je zoekt elkaar op, en er is een wake, een avond en een nacht, bij het dode lichaam. Het zijn rituelen van verbinding. Je vertelt verhalen aan elkaar over de afwezige, je zorgt voor elkaar, je geeft een lichaam aan de aarde, en het leven gaat verder.
Op een heel ingetogen, stille manier, laat het boek de lezer heel veel verhalen zien. Gezwegen en verzwegen verhalen. Je ziet het kleine dorp, dat ooit het vanzelfsprekende ankerpunt was van een wereld. Daarbuiten was de grote wereld, waar alles snel ging, waar de moderne tijd zorgde voor nieuwe vormen van vervreemding. In die kleine wereld was er al zoveel te zien, zoveel te leren, onder meer over alle kruiden die je zomaar kon plukken, als je wist wat je moest zoeken. Het was een genoeg, maar dat was tegelijk een gedwongen genoeg. De (ongesproken) samenlevingsregels van de dorpsgemeenschap zijn ook hard. Je schikt je, je zwijgt, je sluit je ogen voor allerlei vormen van uitsluiting van wie ‘anders’ is. Het is niet eenvoudig iets te verlangen dat groter is dan het gekende, misschien moet je leren om niet te verlangen, of anders aanvaarden dat je niet helemaal past.
Max is iemand die lijkt te passen, nergens anders zou willen zijn, maar eigenlijk ook niet past, al is er geen ‘elders’. Hij is een beetje vastgelopen in de tijd, kan niet mee met veel moderne ‘steedse’ dingen, wil eigenlijk ook niet meer veranderen. Maar in de manier waarop je door zijn ogen zijn verhaal leert kennen, voel je dat er heel wat lagen onder zitten. Hij heeft die heel bijzondere ‘stille’ vriendschap gehad. Die twee mannen die gewoon in elkaars buurt willen zijn, om dan veel te zwijgen. Met kleine rituelen, zoals de appels van de boom van Max, die bij Schors terecht moeten komen. Max die zich eigenlijk vaak meer op zijn gemak voelt bij de vrouwen van het dorp dan bij de brutale mannen. Het is zo mooi, hoe hij na het eerste deel van de wake, met de mannen, blijft zitten om ook samen met de vrouwen bij het lichaam van zijn vriend te blijven. Hoe hij zich rustig voelt in de verhalen van de vrouwen. En zij zullen begrijpen waarom het zo belangrijk is dat die appels die Schorsch zo lekker vond mee in de kist gaan.
Het dorp is letterlijk in zichzelf gekeerd. Mensen die al vele jaren wonen in de ‘nieuwe wijk’, zullen door de oude bewoners altijd als nieuweling worden gezien. Wanneer er sprake is van gekleurde mensen die naar het dorp zouden komen, wordt er snel en niet al te subtiel gehandeld om dat te voorkomen. Max kent alle verhalen over de vaak trieste of gewelddadige dingen die gebeurd zijn achter de ramen van huizen, veelal veroorzaakt door stugge bange mannen. Tot op een bepaald moment in de tijd had hij iemand kunnen zijn die ook een plek zou vinden in een eigen gezin, met kinderen. Dat moment ging voorbij, en zwijgend zocht hij een weg in een plek die hij dan zelf maakte voor zichzelf, met een sterke band met de natuur, en ook met zijn vriend.
Een man die uit de andere wereld passeert om te wandelen – een concept dat Max niet begrijpt – maakt foto’s van Max en zijn wereld. Alsof hij iets vastlegt dat ‘echt’ is, iets dat een soort idylle zou uitstralen, iets dat zal verdwijnen. In de foto wordt iets bevroren. Max gaat er gewillig in mee, vertelt over hoe bijzonder het dorp wel is, maar laat ook verstaan dat er veel akelige peilloze verhalen zijn weggeduwd onder de opgelegde stilte van het dorp.
De sneeuw is veel dingen tegelijk. Het is iets waar je behoedzaam doorheen moet bewegen, op weg naar anderen, om niet te vallen. De sneeuw legt een zachte laag over het landschap, dat er daardoor onschuldig uit begint te zien. De sneeuw maakt het stil, maar kan ook een beeld zijn voor alles wat stil gemaakt is, wat onder dat tapijt is geduwd. De sneeuw zet aan tot samenzijn bij elkaar, in de warmte, om verhalen te vertellen. Maar de koude sneeuw kan ook gevaarlijk of dodelijk zijn.
Tommie Goerz laat dat alles zien in een compacte en zachte stijl. Alsof de woorden een beetje stil worden uitgesproken, met veel witruimte. En in kleine korte zinnen wordt dan ineens heel veel gezegd, bijna onopvallend. Je moet als lezer goed luisteren naar die zinnen, zo lijkt het. Een dergelijk thema zou misschien gemakkelijk kunnen leiden tot een wat klef of voorspelbaar heimatboek, maar hij blijft de hele tijd aan de goede kant van de lijn en heeft een bijzondere toon gevonden die zelf niet nostalgisch is en je zo als lezer anders laat kijken. In het personage van Max zie je hoe er in zo’n dorpsgemeenschap die velen graag zouden willen zien als een of ander ideaal van nabijheid en samenhorigheid misschien wel veel meer buitenstaanders zijn dan velen willen beseffen. Het motto van het boek (van Etienne Kern) is: “Les absents sont partout.” Misschien is dat wel een sleutel om dit heel bijzondere boek nog beter te begrijpen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten