21 maart 2026

Uitgewikkeld


De week lijkt zo gevuld. (Je ziet zoveel dingen tegelijk die je allemaal zou moeten doen. Je zou alles in vakjes willen indelen, en die dan rustig in volgorde afwerken. Alsof dat zou kunnen.)

De afspraak is weggevallen, je kunt rustig doorwerken. De formulieren voor je evaluatie en planning. (Hoe evalueer je je eigen jaar?)

Het evaluatie- en planningsgesprek. (Dat klinkt een beetje ingewikkelder dan het is, denk je. Een aangenaam gesprek, dat is het eigenlijk.)

De mevrouw aan de kassa legt uit dat ze je klantenkaart gefikst heeft. Je wist niet dat die moest gefikst. Ze legt uit dat het door de overgang van het oude naar het nieuwe systeem heel ingewikkeld was, maar dat ze het uitgewikkeld hebben. Dat is een mooie gedachte, zeg je, en een mooi woord.

Die avond, in de schouwburg, samen met een grote meid. Je bent blij dat ze erbij is. De zanger die je al zo vaak zag, nu in muziektheater. Welke rollen spelen mensen in het leven? Dragen ze een masker? En wie is het die meekijkt in onze levens? Na de voorstelling breng je haar nog naar de bus. Je wacht tot de bus vertrekt en zwaait. (Het maakt je warm vanbinnen, dat gewoon kunnen doen, er gewoon kunnen zijn.) Een mooie avond.

Je ziet de laatste aflevering van die reeks. De vrouw die het geweld van haar ex-man overleefde. (In je hoofd blijf je roepen.)

Een andere dag. De vergadering. Je hebt een nieuw schriftje. (Je probeert op de lijntjes te schrijven.)

Je krijgt een bericht met een stem. (Je zoekt een plek voor een stem.)

De andere vergadering. Je ene collega op het scherm. (Een systeem bedenken waarin de dingen kunnen passen. In je hoofd zie je het. Je weet nooit hoe dat juist werkt.)

Die avond, een voorstelling. Misschien beweegt het een beetje tussen dans en circus. Lichamen in de tijd. De vrouw vraagt aan het publiek om een droom te geven. (Je denkt dat je zoveel dromen hebt dat het pijn doet, en weet niet wat welke je eerst zou moeten noemen.) Het is zo mooi om te zien, hoe ze bewegen. (Elk lichaam heeft een bepaald ritme, denk je.)

Daarna nog een mooi gesprek. En voor je vertrekt ga je nog even dankjewel zeggen aan de vrouw, en zegt iets over al die dromen. Ze glimlacht. (En je denkt nog na over troost. Het woord is te groot voor jou, denk je.)

Een volgende dag. Je werkt thuis in de ochtend. Je kijkt het na, de bus zou moeten rijden straks

Die middag. De bus rijdt, je vertrekt naar de uitvaartdienst. Je loopt over het terrein naar de gebouwen. Je ziet bordjes met namen van mensen die er niet meer zijn. Je wacht even bij de heuvel waar je nicht aan de wind werd gegeven.

De aula loopt vol, de dienst begint. Je luistert naar de verhalen. Ineens komen er beelden terug. Hoe je daar zo vaak stond, in die keuken. Je hoort een leven in verhalen. (Misschien is het wel goed, is het wel normaal, dat je op zo’n plek aan je eigen dood denkt, aan verhalen.) Ik ben blij dat ik haar gekend heb, denk je. Mooie gesprekken na de dienst. Iets ontroert je. (Je mag er gewoon zijn, je mag gewoon bij de verhalen zijn.) Op tijd weer naar de bushalte, nog even namen lezen onderweg. De buschauffeur heet je welkom in zijn bus. Net als nog niet zo lang geleden, toen met je nicht, is er iets dat je troost in deze rit, iets dat je zacht maakt.

Die avond. De vergadering van je appartementsgebouw. Maar er zijn niet genoeg mensen. Je mag snel weer vertrekken. Er wacht nog een afwas. (Je bent ook wel een beetje blij, dat je alleen kunt zijn, met verhalen en de afwas.)

De volgende dag. De algemene vergadering op het werk. (Onderweg oefen je een antwoord, op een vraag die misschien zal komen.) Het licht in die zaal is mooi. Je maakt veel foto’s. (Het is alsof het fototoestel je iets zou willen geven. Iets met licht.)

Die avond. Een etentje, ter ere van een vriend. Je kijkt naar de mensen rond de tafel. (Je ziet hoe ze naar jou kijken.) Je vraagt aan de mevrouw van het restaurant om een foto te maken. Verhalen. Je deelt verhalen met hen, denk je. (Iets over het leven.)

Een andere dag. Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar.

Een gesprek met een vriend. De woorden zoeken zichzelf, met precisie. (Je kunt de woorden zien, de woorden die er al zijn, de woorden die komen, een voor een.) Je bent dankbaar dat je er kunt zijn.

(Die tekst die je zou willen schrijven, je kunt hem al zien in je hoofd. Hopelijk wacht hij op je.)

Nog eens een avond gewoon thuis. (Het dekentje.)

Vroeg op, de volgende dag.

Voor je vertrekt voor je boodschappenronde moet er nog gestemd worden. (De dingen zullen nu bewegen zoals ze bewegen.)

De mevrouw van de winkel komt naar je toe, terwijl je nog aan je fiets staat. Om je te zeggen dat iemand niet meer in de winkel werkt. En ook om te zeggen dat ze het gedicht dat jij schreef zo heel erg mooi vond. (Een geschenk.)

Je vertrekt voor de stiltewandeling. Je maakte je zorgen, maar bent natuurlijk toch weer te vroeg aan de abdij. Je loopt nog even over het kerkhof. Het graf van die man die zoveel voor jou betekend heeft, toen, in die jaren. Het is een van de enige graven waar je in de loop der jaren regelmatig eens naartoe ging. Om even te voelen hoe het met hem gaat. (Hij hield jou in het leven, kon er zelf niet in blijven.) En om te zeggen dat het goed gaat met jou. Hoe hij zei, toen, dat het allemaal goed zou komen met jou. (Misschien was hij iets van een vader voor jou. Hopelijk weet hij hoe dankbaar je bent, voor jouw leven, dat bij je bleef.)

De wandeling. Jullie lopen in stilte rond die bijzondere plek. Iemand loopt naast je. Je kijkt haar aan. (Je zou iets willen vragen, je doet het niet.) En daarna nog de dichter die zijn gedichten telkens tweemaal leest. En nog enkele fijne gesprekjes. (Je bent blij dat je iets kon zeggen aan haar, je wou haar niet in de steek laten.)

Het is de geboortedag van Bach. Zijn muziek is bij je, ergens, terwijl je fietst.

De laatste boodschappen. En dan vertrekken voor de zwerfvuilactie. Het heeft iets rustgevends, zo door de straten lopen, op zoek naar dingen die je van de grond kunt plukken met je grijper. (Dit is mijn familie, voel je, terwijl jullie wachten op het resultaat van de stemming.)

Je fietst naar huis. De dingen mogen zich neerleggen. 

Geen opmerkingen: