Een nieuwe week. (Hoe zal het met de treinen zijn? Zul je plaats hebben?)
(Grr, dat oog is nog altijd niet helemaal in orde. Zouden die druppels wel goed genoeg helpen?)
Het is rustig op het werk. Je haalt dingen in. (Je hebt heen en weer zitten schuiven op je lijstje, het wordt tijd dat het verandert.)
Een vroegere trein terug, een poging. Er kan geen muis meer bij. Een volgende dan maar. (Misschien moet je je toch verontschuldigen voor die avondvergadering?)
(Toch maar die zalf halen bij de apotheek, hopelijk zal het dan snel beter zijn met je oog.)
Je kunt de vergadering digitaal volgen. (En tegelijk probeer je werk in te halen. Alsof je je zou moeten verantwoorden, denk je.)
De derde aflevering van die reeks. (Het maakt je telkens zo opstandig, die mannen… En het is zo ontroerend, hoe ze praten over hun dochter die er niet meer is, een vader en een moeder. Hoe ze in dat verdriet zacht bij elkaar kunnen zijn. Het moet zo onmetelijk zijn, denk je.)
Een volgende dag. De meneer in de krantenwinkel ziet dat je oog nog altijd niet oké is.
Het is druk op het werk. (Het verandert de ruimte, denk je, hoe de energie beweegt. En het licht, misschien verandert het ook. Hoe je kunt bewegen in het licht. Je kijkt.)
(Een minister heeft – vriendelijk gezegd – suboptimaal gecommuniceerd. Het lijkt of hij echt zijn best heeft gedaan om het voor zichzelf nog moeilijker te maken dan het al was. Oeps. Dat zoveel mensen zo kwaad zijn, het is alsof het je geruststelt. Je hoeft je dus nog niet aan te passen aan zoveel miskenning.)
(Je krijgt bericht dat je afspraak later die dag niet door zal gaan. Iets met drijven. Je had al een beeld. Al weet je niet of het zou passen bij wat het in het echt zou zijn. Het beeld mag bij je blijven.)
Je neemt een trage trein terug, dan kun je rustig zitten. Je maakt een hele nota in die ene rit. Alles in je schriftje, je moet het straks gewoon nog uitschrijven.
Je haalt de cd op die je bestelde. (Die muziek is zo mooi, de beelden van dat concert komen terug. Er werd iets aangeraakt, die avond.)
Die avond, in de zaal. De kandidaten vooraan leggen uit waar ze voor staan. De zaal zit vol, het ontroert je. (Je bent trots, je bent dankbaar, je bent moe, je bent rusteloos door die ene vraag, je kijkt rond, je ziet hoe oud je bent, je laat je verrassen, je zou nog zoveel mensen even iets willen zeggen, blij dat ze er zijn, en nog…) Napraten. Dag zeggen. (“Ken je mijn naam nog? Woew!”) In etappes naar huis gaan, blij dat de avond voorbij is. (Je bent te moe om nog op dat ene berichtje te antwoorden, je zegt het haar.)
Een andere dag. Een overleg, met de man op het scherm. (Beetje blij dat het niet te lang zal duren.)
(Onderhuids rusteloos. Iemand zal op deze dag het leven loslaten, vertrekken uit de pijn. Er is een stilte die met je meeloopt, de hele dag.)
Een mooi gesprek. Je kende haar nog niet. (Zoveel jong leven. Even zie je het voor je: alle tijd die nog op haar wacht.)
Je begint aan die documenten, het werd tijd. (Gewicht weghalen uit het lijstje.)
De avondvergadering. Je stelt je vragen. (Wat maakt je gelukkig, wat maakt je nog wat rusteloos?) Voor ze antwoorden kijken ze telkens even naar omhoog.
(Je bent moe.)
De volgende dag. Alle treinen rijden terug. (Al hebben ze al meteen een vertraging, en zijn ze korter.)
In de stad beginnen mensen zich klaar te maken voor de grote betoging, later die dag.
Je krijgt een bericht. (Ja, ze is niet meer in het leven. Het maakt je droef. En je bent blij voor haar, dat het lijden voorbij is. Je had haar nog zoveel leven gegund.)
Door het raam van je werk zie je hoe beneden duizenden mensen zich verzamelen. Af en toe zie je een grote ballon die zich losmaakt van de mensen, om te vertrekken.
(Je afspraak van die avond wordt uitgesteld. Het is ook iets met leven en dood. Het maakt je droef.)
Je ziet dat het de verjaardag is van je grootmoeder. Even rekenen, ze zou 123 geworden zijn. (Zou je haar mogen missen? Zou je iemand mogen missen?) Laten we even gaan wandelen, zou je haar willen zeggen. Jouw arm in de hare. (Alsof je haar een klein beetje omhoog zou trekken, zodat ze zeker niet zou kunnen vallen. Ik zorg ervoor dat je niet valt, nooit, zo kun je bij me blijven. Ze zou vragen hoe het met je gaat. Je zou zeggen dat het goed gaat. Het zou goed zijn.)
Of je een opiniestuk kunt schrijven voor hem? Je schrijft een opiniestuk. (Hij zal de woorden nog moeten kneden, in de andere taal.)
(Je oog is eindelijk terug in orde, hoop je.)
Thuis zie je dat je de kiemen kunt oogsten. Ze groeiden de vorige dagen, in die glazen potjes. (Een mooi cadeau van haar. Je stuurt haar een foto van de oogst.)
Die avond werk je nog door. (Weer iets weg van het lijstje. Het begint anders te ademen.)
Een nieuwe dag. (Wakker worden door uit een bijzondere droom te kantelen.)
De vrijdagtekst afwerken. (Je kijkt naar de woorden.)
De dialoog die je hebt georganiseerd. Je luistert naar die ambtenaren. (Zou je ook een vraag mogen stellen?) Je stelt een vraag.
Je loopt naar het station. De trein die je normaal neemt staat op jou te wachten, zo voelt het. (Omtrein me, denk je, breng me naar huis. Het is tijd om thuis te komen.)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten