22 mei 2026

Grootvaders


(Je denkt nog een beetje aan de vorige dag. Een mooi concertje, een fijn verjaardagsfeest. En veel regen. Hoe je de hele tijd bleef rijden achter dat jongetje op zijn kleine fiets, die maar bleef trappen in de regen.)

(Die droom. Misschien is het een herinnering.)

Je kijkt in de krant. Hee, zou er net nu ook iemand anders een opiniestuk hebben gemaakt over vliegen? O nee, het is het jouwe! (Oeps.) (Klein beetje zenuwachtig.)

In de trein een berichtje. Iemand las je stuk in de krant.

(Onderhuids. Iets.)

Het overleg lijkt een beetje in rondjes te draaien. Je zoekt een andere invalshoek. (De dingen vallen ineens netjes in elkaar.)

Een andere dag. Je presentatie. Je ziet de mensen op het scherm. (Waar zouden je woorden naartoe gaan?)

De vergadering. (Je zoekt het ritme van de woorden, denk je.)

De trein. (Je zou in iets willen leunen.)

(Dat bericht. Het raakte je toch, alsof het bij jou gelegd werd. Je kijkt, naar rimpels op het water. Je wacht. Zo gaat het.)

De conferentie. Je loopt rond met het fototoestel. Je zoekt momenten.

(Je buik wil niet hier zijn.)

Alles netjes opruimen.

(Moe in de trein. Beelden in je hoofd.)

(Misschien kan de wind door je heen gaan?)

Een nieuwe dag.

De verjaardag van je grootvader. Hij zou 126 geworden zijn. (Kom je met me mee? Nu mag jij jouw hand in mijn jaszak steken. Daar is het lekker warm. Ik zou willen dat je handen altijd warm zijn. Niet meer koud, zoals toen, net voor. We hebben alle tijd. Kijk, daar gaan we iets drinken. Wat zou je graag willen? Ik zie hoe je rondkijkt. En ik zou je vragen: vertel nog eens van toen, vertel nog eens van toen. Ik zou willen weten hoe je stem nu zou klinken, als je zou vertellen van toen.)

Het interview. De vrouw op het scherm wil je interviewen. Alles is goed. Ze lijkt zich bij elke vraag te verontschuldigen.

(Je leunt in je leeftijd.)

(Hoe zou het geweest zijn, als grootvader? De plek waar je nooit zult komen.)

De bijeenkomst. Je zoekt een plekje achteraan, je wilt kijken. (Het loopt niet zoals je had gehoopt, denk je. In je hoofd zeg je wat je zou willen horen, denk je.) Iets maakt je droevig.

Je vertrekt vroeg, om op tijd te zijn voor je volgende vergadering. (Even nog langs huis. Je zoekt iets dat warm is.)

De vergadering. Je kijkt naar de plannen die de ontwerper voorstelt. Je bent er blij mee. Ze maken een plek, probeer je uit te leggen.

(Die nacht. Je zou willen leunen in iets.)

Een nieuwe dag. Alle dingen van het lijstje, dat is het plan.

Verhalen.

(De plek waar je zit, ze wacht op je, telkens.)

Het wordt warmer buiten, het wordt warm. (Je wordt verondersteld blij te zijn. Maar iets maakt je droef.)

Iemand wil vriendje worden, zie je. (Die had je niet verwacht.) (Onderhuids. Iets.)

In het station. De mensen zien er moe uit, denk je.

Die avond. Nog een lang gesprek. Het lukt je uit te leggen wat je wilde zeggen.

Een nacht in etappes.

Klaar voor de nieuwe dag.

Een mooi gesprek in de trein, over treinen.

De vrijdagtekst. De poetsmevrouw vertelt verhalen. Kijk, kleine koekjes.

(Beelden, en vormen. Warm. Alsof je iets begrijpt.)

Een heel mooi gesprek, het ontroert je. (Doe je wat je te doen hebt? Draag je je leeftijd zoals het zou moeten, in verzet?)

Het is warm buiten. De zomerspulletjes zijn al uit de kast gehaald. (Soms net iets te uitbundig. Je kijkt.)

Het gesprek met de mevrouw aan de kassa ontroert je.

Je ziet de deelnemers aan het kookprogramma op je scherm. Ineens zie je in hen hun kinderen. Hoe ze doen wat ze doen omdat ze ergens in dat weefsel zitten, met hun kinderen steeds bij hen. (Het is zo mooi, zo breed, zo ruim, zo zee. Het is zo daar, en jij bent hier, zult altijd hier zijn. Hoe veel het ook is, het zal altijd minder zijn, in dit hier. Het schuift met je op, in het ouder worden. Het is een warme ruimte die je omhult, maar ze is leeg, denk je. Even, voor nu. Straks trekt het zich gewoon terug.)

Je fluistert iets tegen de planten.

Het is bijna de verjaardag van Bob. Hij is zo oud als je grootvader was, toen.

Geen opmerkingen: