Beginnen met een vrije dag. Na de dag van de doden. Ze zijn nog ergens.
(Onderhuids rusteloos. Wat zal er deze week gebeuren? Zou het? Zou het echt?)
Een stille dag. Je leest verder in het boek. Het is goed.
(Het verdriet van de voorbije dagen trekt zich precies een beetje terug. Al aarzelt je huid nog.)
Een nieuwe dag. De vergadering.
De tafel die je gereserveerd hebt voor die avond. Je vraagt of het een half uurtje later kan. (Waarom was je daar zenuwachtig over?) Het is helemaal oké.
Verhalen, met de collega’s.
(Zou het? Zou het echt? Je zou het zo graag hebben.)
Die avond, je wacht al aan de tafel. Daar komen ze. Ze komt naast je zitten, de bijna jarige grote meid. Je geeft haar je cadeau. Een dik boek met foto’s. (Droom maar van de foto’s die jij nog zult maken.) Haar zus zit aan de andere kant. Je kijkt. (Ze zei het je zelf nog: je mag kijken naar hoe ze groot worden, je mag er zomaar bij zijn.) Je kijkt naar de tijd, denk je. (Misschien ben je een beetje deel van dezelfde tijd.) Je maakt een foto, met jullie twee.
(Een dag later hoor je dat je eigenlijk wel een ‘chille man’ bent.)
De volgende dag. Je ligt in het donker te wachten, zenuwachtig, tot de radio opspringt. En dan is het nog enkele minuten tot aan het nieuws. En… JA!!!! (Je bent zo ongelooflijk blij.)
In de trein. De treinmevrouw vraagt je of hij op zijn doos gehad heeft. Zij heeft nog geen nieuws gehoord blijkbaar. Amainognie, zeg je. Ze begint zo ongeveer te dansen. Je schrijft er daarna een kort stukje over. (Alsof je een klein cadeau wou geven aan de wereld daarbuiten, of zoiets.) Heel veel mensen zijn blij, zo blijkt uit de reacties. Wat een mooie dag. (Die vreselijke, zieke, weerzinwekkende man zal het ongetwijfeld op geen enkele manier onder ogen kunnen zien wat er gebeurd is, dat weet je al, en hij zal waarschijnlijk nog wreder worden, nog meer losgekoppeld van de echte wereld. Het zal wel, maar dit is nu toch maar gebeurd.)
De vergadering om de conferentie voor te bereiden. (Je kunt je niet helemaal goed concentreren, maar het geeft niet.)
(Zoals steeds verbaast en vermoeit het je, hoe snel sommige mensen grote en alles verklarende analyses kunnen schrijven, nog zo dicht op wat er net is gebeurd. Zwijg gewoon een dag, denk je, zwijg en kijk, kijk. Je leest de analyses, of toch enkele.)
O ja, je ging nog een opiniestuk schrijven. Tussen alle andere dingen begin je eraan. (In je hoofd stuiteren de dingen heen en weer. Je zou zoveel willen zeggen. Het is alsof je ook ziet hoe de woorden zich moeten neerleggen.)
De avondvergadering. Je hebt nog een cadeau bij voor een vriend. Je bent op tijd weer thuis.
Die nacht. Je lichaam is nog steeds een beetje aan het feesten, en terwijl is er die tekst die nog niet klaar is maar wel in je aan het werk is.
Een volgende dag. Nu kun je wel genieten van de analyses. (En je kijkt al uit naar de hypocrisie en de gevechten tussen alle hielenlikkers die nu zinkende schepen zullen proberen te verlaten.)
Dingen van het lijstje, de rest even parkeren in je hoofd.
Je krijgt een bericht, het ontroert je heel erg. (En een mooie vraag.)
En het zal lukken, dat cadeau voor een vriendin die jarig is.
Vergaderingen. Tussendoor verder schrijven aan je tekst. (De tekst begint zichzelf een beetje te vinden. Je merkt hoe je als het ware vier dingen tegelijk probeert te doen met die tekst. Alleen ben jij de enige die dat weet.)
Die avond werk je er verder aan, tot hij klaar is. (Hij zal wel weer te moeilijk, te dense, te intellectueel, te lang en nog zoveel meer zijn. Maar je bent blij dat de tekst er is. Wat je wilde is bijna gelukt, denk je.) Je lichaam ontspant zich.
Een verse dag. Je probeert zo snel mogelijk de vrijdagtekst klaar te hebben.
Je stuurt de tekst weg. (Wie weet.)
Een afspraak, in die andere stad. Een traag en mooi gesprek. Het zet je aan het denken. Iemand komt ineens naar je toe. Het duurt heel even, eer je haar herkent. Zo fijn om haar nog eens te zien.
Die avond. (Je zou iets willen voelen.)
Een volgende dag. De weekendboodschappen.
(En nu is het echt haar verjaardag, je stuurt een bericht.)
Je wilt nog even naar de plek gaan waar die mooie oude boom stond. Een stuk van de stam ligt er nog. Je raakt het even aan, en fluistert iets.
Je hebt nog een hoop werk te doen. Alles wat nog wat opgeschoven was. Je maakt een mooi lijstje, en begint alles rustig af te werken. (Even stel je je voor dat je in een heel groot oud huis zit, aan en groot bureau in de voorste kamer. Lekker warm. De radio. Misschien iemand die daar in de tussenkamer een boek zit te lezen. Of zoiets.)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten