11 augustus 2020

Een kabbelende stroom

Vroeg in de ochtend de trein nemen, alsof het gewoon is. (Nog iets vroeger al iets zeggen, dat is belangrijk. De woorden doen ertoe.)

Kranten, een tijdschrift en een vers boek. Bewegen in woorden.

(Tussendoor loopt het gesprek de hele tijd door, zoals het al weken doet. Het is zo vertrouwd geworden. Je vertrouwt het.)

(Toch nog maar even zeggen dat je later rustiger en beter zult antwoorden.)

De blauwe fietsen, je begint het stilaan te kunnen. (Er schijnen risico’s van handopeting te bestaan, zeggen mensen die het kunnen weten. Blauwefietservaringsdeskundigen.)

Je hebt afgesproken met een vriendin. Je bent zo blij dat je haar nog eens kunt zien.

Je rijdt over een fietspad dat de naam draagt van een man die je goed gekend hebt.

(Straks kun je de woorden rustiger lezen, denk je.)

Fietsen langs het water dat er op sommige plekken niet meer lijkt te zijn.

Een mooi plekje in het park. De kleuren van de bomen, de vijver, het is zo wonderlijk. Er is wijsheid in die bomen.

De verhalen. Regendruppels.

Kinderen lopen heen en weer. Het jongetje zwaait een beetje verlegen naar je. Je vraagt stilletjes aan hem of het leuk is. Hij zegt, nog stiller, dat het leuk is.

Het is goed hier te zijn, denk je. (Iets over dingen die blijven.)

(Je kijkt naar het gesprek. Het is meestal wel vrij rustig.)

Verder fietsen. De vijver ziet blauw van de algen.

Een ander bankje, naast de rivier. Er is nog een verhaal.

Het is eigenlijk best wel aangenaam. Een beetje koel, veel lucht in de lucht.

Aan het station gaat de blauwe fiets netjes in het rek. Je hand blijft ook heel. (Wat wel handig is.) (Wat dan weer een flauwe woordspeling is.)

Je schuift in het verse boek. (De letters zijn mooi, trouwens.)

Onderweg heel even een dipje. (Sommige zinnen drie keer opnieuw lezen.)

Bij het uitstappen valt de warmte ineens over je. (In die andere stad leek het minder warm.)

Je kijkt naar de mensen die voorbij lopen in de straat. Je ziet een trend (die zeker aanbevelenswaardig is).

De mevrouwen in de winkel hebben elk een eigen stijl in het wensen van een fijne dag. (Met andere ogen.)

De woorden rustig opnieuw lezen. (Een warme stroom.) Een trager antwoord. (De woorden mogen, denk je.)

Een kunstige dans. Ja, dat is het. (Warm.)

Een videogesprek. Je bent blij haar terug te zien. Het lijkt wel een beetje alsof ze echt aan het smelten is, daar aan de andere kant.

Wat roepen deze woorden bij je op? (Er komt iets van weven.)

(Het koken is een goed moment voor gesprekken.)

De boer (met een zeer licht Kempisch accent) in het journaal. De appels en de peren verbranden aan de bomen. (Dat had je in het weekend ook al gezien, herinner je je.)

Buiten begint het onweer zich klaar te maken.

Johnny Cash zingt Wayfaring Stranger.

De volgende ochtend mag je weer naar het ziekenhuis, dit keer voor de uitslagen. En daarna kun je hopelijk weer het leven vieren.

Het leven vieren is belangrijk.

(Iets met een glimlach.)

10 augustus 2020

Redhead by the Side of the Road

Een man die zijn leven heel netjes op orde heeft, denkt hij. Het is perfect voorspelbaar. Maar iets in de wereld daarbuiten ontsnapt hem. In het contact met andere mensen lijkt er altijd iets te zijn dat hij niet kan bereiken. Tot zijn leven op subtiele wijze aan het wankelen wordt gebracht en hij verandert. Daarover gaat het in Redhead by the Side of the Road (vertaald als: Een rooie aan de kant van de weg) van de Amerikaanse schrijfster Anne Tyler. Het is een heerlijk boek, waarin de kleine turbulenties van de menselijke interactie met veel tederheid in beeld worden gebracht. En hoewel er veel droefenis is, en onvermogen, voel je als lezer toch vooral veel warmte.

Micah Mortimer is een man van 43. Hij woont in de kelder van een appartementsgebouw waar hij ook deeltijds conciërge is. Hij heeft een strikt dagschema, met elke dag dezelfde ochtendrituelen. Hij onderhoudt zijn woonplek bijna obsessioneel, met vaste taken op vaste dagen. Alles is onder controle, en hij is best wel trots op hoe hij zijn huishouden organiseert. Hij heeft zijn eenmansbedrijfje in IT, wat betekent dat hij vooral onderweg is om bij oudere mensen een computer terug aan de praat te krijgen. Hij denkt dat hij alles wel een beetje op orde heeft. De rest van zijn leven zou in dezelfde routine kunnen doorlopen. Hij heeft een vriendin, Cass, een lerares. Erg passioneel is de relatie niet. Na enkele jaren heeft die zich een beetje gezet, als in een soort systeem. 

Micah vindt, of denkt, dat hij best wel gelukkig is. Hij heeft enkele amusante trekjes, zoals in zogenaamd vreemde talen spreken als hij aan het koken is. Tijdens het rijden heeft hij ook een innerlijke dialoog met de ‘verkeersgod’ die hem complimenteert omwille van zijn voorbeeldige rijstijl. Hij was de enige jongen in een gezin met verder alleen meisjes. Bij een – heerlijk beschreven – familiefeest blijkt dat zij een veel chaotischer leven leven. Ze zijn wel allemaal erg gehecht aan hun wat bizarre en schijnbaar eenzame broer.

Micah heeft vroeger nog andere relaties gehad, maar ze liepen telkens fout. Hij heeft de indruk dat er met elke nieuwe relatie een stukje van hemzelf verdwijnt. Hij denkt dat het misschien allemaal wat te ingewikkeld is. In het algemeen heeft hij het gevoel dat er in de omgang tussen mensen dingen zijn die hij niet kan vatten. Alsof hij bij wijze van spreken van een muziekstuk niet de hoge tonen en de bassen hoort. In zijn aanvoelen ligt het probleem telkens wel bij de ander.

Zijn netjes geordende leven wordt door elkaar geschud door twee gebeurtenissen. Zijn vriendin Cass laat weten dat zij misschien uit haar appartement gezet zal worden. Naar haar aanvoelen reageert hij daar nogal bot op, waarop zij de relatie verbreekt. Hij lijkt daar verbaasd akte van te nemen. En dan is er Brink, een jongen die ineens voor zijn deur staat en zegt dat hij zijn zoon is, uit een vroegere relatie die Micah met zijn moeder had. Die dingen verstoren de orde. Een beetje zoals wanneer je een steen in het water gooit en de rimpels op het oppervlak zich heel langzaam verspreiden.

Het duurt een tijdje, maar die dingen zorgen ervoor dat Micah zijn eigen leven gaat bevragen. Waarom willen vrouwen niet bij hem blijven? Deed hij iets fout? Hij geeft aan zichzelf toe dat zijn leven toch niet zo gelukkig is als hij denkt. De rimpels op het water doen hun werk en hij zet een stap weg van zijn eigen ordelijke leven. Een mooie stap.

Anne Tyler beschrijft dit alles in een wonderlijk mooi boek. Het verhaal van gewone mensen, in een onopvallend bestaan, krijgt een heel bijzondere toets. Eigenlijk is het verhaal van Micah er een van veel ingehouden weemoed. Maar de schrijfster benadert het erg liefdevol. Als je niet goed oplet, zou je mogelijk zelfs nauwelijks merken hoe ze dat doet. De stijl lijkt misschien een beetje laconiek of onopvallend. Maar als wel goed kijkt, zie je hoe ze op heel subtiele maar trefzekere wijze eindeloos veel kleine details beschrijft in hoe mensen praten, hoe ze bewegen. Je ziet hoe Micah op verschillende momenten net het verkeerde zegt en daarna een beetje hulpeloos naar de situatie kijkt. Zo lang je door zijn ogen kijkt, zie je een wereld die redelijk voorspelbaar maar ook een beetje grijzig is. Wanneer je naar hem kijkt, tijdens de (zoals steeds) erg drukke familiebijeenkomst zie je iets van zijn wereldvreemdheid maar voel je ook de warme gevoelens die zijn zussen voor hem hebben. Als hij dan later toch te horen krijgt wat er met hem zou schelen in de liefde, voel je iets op subtiele wijze wankelen.

In de kleine levens die ze als een tedere waarnemer laat zien, kun je de grote vragen zien, over de betekenis van liefde en over het goede doen. Die kleine levens komen in directe woorden heel dichtbij. Readhead by the Side of the Road is een heel warm boek, dat je met een brede glimlach achterlaat, een beetje teleurgesteld dat het al voorbij is.  

09 augustus 2020

Waar het zich traag neerlegt

De hand beweegt niet.

Er zijn geen zinnen.

Iets tintelt in je rug.

De adem wacht op het indalen.

Er was een dans, niet meer dan een lange beweging.

Er was het zitten op de mat.

De energie volgen.

Je zou aan de oever kunnen zitten.

De rivier weet alles, maar zegt niets.

Misschien trekt iets zich terug.

Je kijkt.

Je was er al.

Je zegt niets.

Het water maakte alles zacht.

Dat weet je nog.

Het huis wachtte geduldig.

Je rug legde zich neer.

Je rug beschermt je.

Je had geen zin om weer te vertrekken naar buiten.

Misschien is het niet aan je ogen te zien.

Je legt de dingen op hun plaats.

Zorgvuldig.

Misschien is er een plek waar je kunt blijven.

De varens weten het.

Er gebeurt iets met je huid.

Het uur van de dag.

Je wist het al, misschien.

Je kijkt.

De fragmenten waren aan het bewegen.

Nu is er deze stilte.

Aan de andere kant zal de wind er nog zijn.

Misschien wist je het al.

Iemand zegt je dat het geregend heeft.

Je had al de herinnering aan een plas gezien.

Er zijn weinig woorden aan deze kant.

Iets is zo groot, het is niet anders.

Er zijn geen zinnen, voor nu.

Je hoort woorden, uitgesproken in je hoofd.

Je kijkt.

Het is even genoeg, voor nu.

05 augustus 2020

Het wolkenpaviljoen

Misschien is liefde een huis. Misschien moet je door de liefde naar het huis kijken, niet omgekeerd. Misschien kan een huis traag groeien, kan een huis leren luisteren naar het licht, naar het ritme van de natuur. Misschien heb je stilte en aandacht nodig om te zien dat een Japanse tuin niet leeg of kaal is, maar meer een soort ingedikte betekenis die zich maar voorzichtig laat aanraken. Het wondermooie Het wolkenpaviljoen van de Nederlandse schrijfster Jannie Regnerus is misschien wel zo’n tuin.

Hoe het juist werkt, is niet zo duidelijk. Sommige boeken lees je, letterlijk dan, zachter. Je laat ze voorzichtig in je hand rusten. Je betast tussendoor het papier. Je draait de bladzijden voorzichtig om en soms probeer je met je vingertoppen de woorden te voelen. De zinnen die je leest, brengen je adem in een ander ritme. Het is alsof de zinnen en de beelden in die zinnen weinig geluid maken. Je hebt wel het gevoel van licht. In dit geval geen fel of hard licht, maar wel licht dat erg aanwezig is, dat je uitnodigt om te kijken.

Huizen spelen een grote rol in dit boek. Luut is een architect. Zijn huwelijk is voorbij. Kris, de moeder van zijn dochter Tessel, woont in een huis aan de andere kant. Luut voelt zich niet meer tevreden met de huizen die hij moet ontwerpen. Ze zijn als wegwerpproducten, bedoeld om er maar even te zijn. Ze krijgen niet meer de kans om zich te zetten of om verhalen te verzamelen. Ook in zijn eigen huis ziet hij zijn falen. Hij wilde het grote herenhuis, ook als een soort bewijs van zijn identiteit, tot een thuis maken voor zijn gezin. Het huis dreef hen uit elkaar. De dingen verbrokkelden voor zijn ogen.

Het boek bestaat uit korte hoofdstukjes. Het zijn in zekere zin omwegstukjes. Er is steeds een bepaald beeld of een gedachte als kern van een kleine bespiegeling. De zinnen zijn beeldend, poëtisch en heel helder. Het verhaal laat zich zien doorheen die korte stukjes.

Luut lijkt op zoek naar een nieuw of hernieuwd fundament om zijn huis terug te winnen. En daarbij gaat het de hele tijd over de liefde voor zijn dochter. Zij is altijd wel ergens aanwezig, dichtbij of in de verte. Hij wil een thuis kunnen zijn voor haar. De hernieuwde inspiratie die hij zoekt als architect is sterk verbonden met hoe hij als vader naar zijn dochter kijkt. Het is alsof hij wil dat zij ziet dat hij bezig is een huis – een thuis – te maken dat wel zal blijven.

Hij reist terug naar Japan, waar hij vroeger al geweest was, om zich te laten voeden. Hij gaat naar een eeuwenoude tempel, die elke twintig jaar helemaal wordt afgebroken en opnieuw wordt opgebouwd. Het hele proces is diep verankerd in rituelen en in een wijsheid die in alles het tegengestelde van vluchtigheid is. Tijdens die reis denkt hij na over zijn leven tot nu toe. Er lijken lijnen te zijn in het landschap, tussen dat van toen, waar zijn ouders nog altijd wonen, en dat van nu, waar hij woont. Die lijnen zijn als dijken, waar je overheen moet. Het kost hem een zekere moeite, maar het is alsof zijn dochter alle bewegingen mogelijk maakt. Zij maakt haar wereld, en hij kijkt naar haar om zo iets te zien van wat een huis is.

Het boek drijft op sterke beelden. Zo is er het beeld van een nest van ijzerdraad dat is gemaakt door duiven. Of het beeld van het meisje dat het licht van de maan probeert te vangen in een doos. Er zijn verwijzingen naar schilders die in hun werk het onzegbare probeerden te vatten of naar Japanse literatuur.

Met Het wolkenpaviljoen heeft Jannie Regnerus een prachtig boek geschreven. Het is van een intense ingehouden schoonheid. Het heeft iets van een tuin die erg ingetogen lijkt, zich niet zomaar laat kennen. Je moet een beetje dichterbij gaan en goed kijken. In die stilte kun je dan gecondenseerde zinnen vinden, die ook heel zinnelijk zijn. Het verhaal van een vader en zijn dochter, op zoek naar een huis, laat zich dragen door die zinnen. En je leest het zacht.

03 augustus 2020

De onzichtbaren

Een samengesteld en bewegend gezin woont op een klein afgelegen eiland. De kust van Noorwegen is te zien aan de andere kant van het water. Aan het vasteland lijkt de wereld enigszins in een andere tijd te bewegen. Het eiland is een klein universum op zich dat beweegt op verhalen die soms wel en vaak niet worden uitgesproken. Ze vertellen zichzelf dat ze in handen hebben wat er gebeurt op het eiland, maar het zijn soms vooral de natuurelementen die de loop van de dingen bepalen. In die kleine (en ook grote) wereld groeit een klein meisje op tot een koningin. De onzichtbaren van de Noorse schrijver Roy Jacobsen is een boek dat bijna onopvallend indrukwekkend is. Onder de heldere, soms laconieke, woorden bewegen de dromen, verlangens en het onvermogen van de personages. Je voelt de tijd in de verte schuren. Het eiland kijkt naar een wereld die verandert.

Het wordt in het boek niet met zoveel woorden gezegd, maar het verhaal speelt zich waarschijnlijk af in het begin van de 20ste eeuw. Barrøy is een klein eiland ergens voor de Noorse kust. Het eiland hoort toe aan een familie die er woont en er dingen kan verbouwen. Ze varen heen en weer naar de andere kant, wanneer dat nodig is, om dingen te kopen of te verkopen. Bij het begin van het verhaal is Ingrid nog een klein meisje. Ze woont met haar vader Hans en moeder Maria op het eiland. Martin, de vader van Hans, woont er eveneens. En ook Barbro, de zus van Hans, is een deel van de familie.

Gedurende een aantal maanden per jaar is Hans weg om mee te gaan vissen. Hij heeft dromen, wil zijn eiland groter maken. Hij wil een heuse kade en bouwt opslagplaatsen. Hij haalt bouwmateriaal en gereedschap, steeds net iets meer dan hij eigenlijk kan betalen. Hij kijkt naar de grote wereld aan de andere kant, maar wil toch ook vooral in zijn eigen universum zijn. Mensen die van het vasteland naar het eiland komen, verstoren de evenwichten. Als hij op zee is, verlangt hij naar het eiland. Als hij op het eiland is, kijkt hij naar de zee. Hij ploetert door het harde leven op het eiland, stoort zich aan het eigenzinnige paard dat wordt ingezet om de grond te bewerken, en mist het wanneer het er niet meer is. Er zijn verhalen van vroeger, er zijn zoveel dingen die niet uitgesproken worden, onder meer in de manier waarop hij zijn zus probeert te beschermen.

Maria komt van een ander eiland en heeft heimwee naar de verhalen van daar. Ze kijkt naar het andere eiland en spreekt haar dromen niet uit. Hans en Maria hebben een sterke band, maar er zijn ook gaten. Maria had graag meer kinderen gehad, maar daarover wordt niet gesproken. Ze wilde het eiland niet groter, maar kleiner.

Doorheen het boek zien we Ingrid opgroeien. Ze is een gelukkig kind. Ze heeft een nauwe band met haar vader en heeft ook een eigen plek tussen de vrouwen van de familie. Op subtiele wijze worden elementen in het verhaal gebracht die iets zeggen over een veranderende wereld. Zo was het oorspronkelijk zo dat de vrouwen (letterlijk) geen stoel kregen in huis, ze stonden recht. Dat verandert. Ingrid groeit op, gaat naar school op een ander eiland en leert te zwijgen over dingen die niet fijn zijn. Op een bepaald moment is ze groot genoeg om naar het vasteland te gaan, waar ze zal werken in het huis van een rijke familie. Daar gaat het op tragische wijze fout en Ingrid zal terugkeren naar het eiland. Tegen dan is de familiestructuur helemaal veranderd en heeft zij een nieuwe rol op te nemen. Ze wordt in zekere zin de eerste koningin van het eiland.

Het is heel mooi om te zien hoe in de loop van het verhaal de verhoudingen tussen de leden van de wijzigende familie veranderen. Rollen worden doorgegeven of komen naar je toe. Ingrid heeft niet gekozen voor de rol waarin ze uiteindelijk terechtkomt, maar ze neemt die op een natuurlijke wijze op. De verhalen en de kennis zijn van grootvader op vader doorgegeven, en telkens aangepast aan nieuwe dromen. De rollen van ouder en kind kunnen wisselen. Op organische wijze ontstaat een nieuw samengestelde familie.

De relatie tussen het eiland en het vasteland is complex. Ze zijn afhankelijk van het grote land aan de andere kant van het water, maar ze koesteren ook een onuitgesproken droom van een woeste vrijheid op hun eigen plek. Ze willen niet te veel aan de andere kant zijn, maar bouwen wel allerlei constructies om het gemakkelijker te maken voor de boten van het vasteland om aan te meren. De wereld van het vasteland staat ook voor godsdienst en meer ingewikkelde sociale verhoudingen en klassen. Je voelt tussen de regels hoe de grote wereld aan het veranderen is. Er is een oorlog. Het moderne leven komt dichterbij. Er zijn economische problemen.

Het leven op het eiland is hard en rauw, een permanente evenwichtsoefening met de seizoenen. Het is vaak vechten tegen de elementen en keer op keer opnieuw beginnen. Die woeste en overweldigende natuur is de hele tijd erg aanwezig. Het is ook de natuur die de dromen en verhalen draagt en er ook telkens de uitdager van is.

De manier waarop het boek wordt verteld, lijkt niet de aandacht op zichzelf te trekken. De stijl lijkt nogal ingehouden en nuchter, maar die schijnbare eenvoud is bedrieglijk. Er gebeurt erg veel net onder het oppervlak. Er huist iets van een eeuwenoude wijsheid over hoe je het leven overleeft en hoe je je plaats in de natuur kunt maken. Die krijg je als lezer bijna achteloos mee. De beschrijvingen van de natuurelementen kunnen dan weer ineens heel kleurrijk zijn. En de hele tijd voel je de onderhuidse kracht van verhalen en dromen die botsen en schuren. Zoveel emoties worden niet uitgesproken of dienen zich te schikken naar de natuurkrachten of maatschappelijke beperkingen.

De onzichtbaren is het eerste deel van een trilogie. Hopelijk worden de andere delen ook in het Nederlands vertaald. Met dit boek heeft Roy Jacobsen alleszins een heel bijzonder boek geschreven.

02 augustus 2020

Wat je ergens achterlaat

‘En hoe kijk je nu naar je dochter?’
‘Ze is geweldig natuurlijk, wat zou ik anders kunnen zeggen. Maar ik zie de dingen die ik niet goed gedaan heb. Als ik was geweest wie ik nu ben, zou ik het beter gedaan hebben.’
‘Denk je dat?’
‘Ja, ik denk het wel. Ik heb voor zoveel dingen zelf zoveel tijd nodig gehad om mezelf een beetje op orde te krijgen. Ik kan nu naar mezelf kijken, en rustig zien wat ik doe en hoe ik het doe. Het is niet meer zo dat de dingen die gebeurd zijn bepalen wat ik doe, of toch minder.’
‘Eigenlijk denk ik dat je dat heel goed gedaan hebt. Heb je het gevoel dat ze kwaad is op jou?’
‘Dat valt eigenlijk wel mee. Soms wou ik dat ze meer kwaad zou zijn geweest.’
‘Misschien ziet ze jou wel gewoon heel graag. Op haar manier natuurlijk. Maar als ik zie hoe zij naar je kijkt en hoe ze met je praat, dan zie ik alleen maar veel warmte. Ze weet wel denk ik wat je probeerde te doen.’
‘Denk je dat? Ik weet dat nooit.’
‘Als ik met haar praat, voel ik dat ze goed weet dat jij er was. Je was niet afwezig voor haar. Ze voelde zich gezien, en ze voelde zich beschermd.’
‘Het is een beetje moeilijk voor mij om daarover na te denken. Maar wat je zegt, ontroert me wel heel erg. Jij hebt dat trouwens ook heel goed gedaan met de kinderen, ik zie dat ook aan hen, aan hoe ze met je praten en rond je hangen. Ze zullen je nooit vergeten. Wat er ook gebeurt.’
‘Het is soms een beetje verwarrend voor mij, dat ik niet weet wie ik voor hen ben. In zekere zin weet ik het wel, maar ik begin dan weer te twijfelen.’
‘Zij weten het wel, dat zie ik goed. Ze zullen het misschien niet altijd laten merken. Dat is ook wel een beetje riskant misschien. Maar ik merk het aan hoe hun ogen veranderen als ze met jou praten.’
‘Misschien hebben we het dan allebei wel een beetje goed gedaan?’
‘Jij vooral natuurlijk.’
‘Er is iets heel mooi aan hoe jij staat, bij wijze van spreken. Als je jou kent, als je jou toelaat, dan is het alsof je daar staat, in de ruimte. Het heeft iets dat tegelijk heel rustig en heel sterk is. Zonder andere bedoelingen, zonder iets te willen hebben. Je kunt zelf wel heel onvoorwaardelijk zijn in hoe je daar staat.’
‘Dankjewel. Het betekent veel voor mij als jij dat zegt. Bij jou vind ik het mooi hoe je ruimte kunt maken. Als jij er bent, is het alsof je de ruimte breder maakt. Je laat de mensen bewegen, en daarna ga je ze verbinden met elkaar.’
‘Dat is zo mooi gezegd. Was het maar zo.’
‘Het is ook zo.’
‘Ik weet zo’n dingen niet van mezelf eigenlijk. Naar buiten toe en voor anderen kan ik denk ik wel zo zijn, maar in mij is het soms dan nog een grote warboel van dingen die me in allerlei richtingen trekken.’
‘Ik zie dat, heel goed, omdat ik je ondertussen zo goed ken. Of eigenlijk zag ik het altijd al, sinds ik je ken, hoe je beweegt. Maar anderen voelen op zo’n moment vooral dat je aanwezig bent, helemaal. Dat onthouden ze ook.’
‘Voor de kinderen hoop ik dat alleszins.’
‘Daar mag je zeker op vertrouwen. En ik denk dat ze, naarmate ze groter worden, ook steeds beter jou kunnen zien, achter de dingen. Beter denk ik dan anderen, die niet altijd willen zien wie er achter de buitenkant is. Misschien zien ze alleen maar dat je altijd lief bent, en tegemoetkomend. Dat maakt me soms verdrietig.’
‘Dat hoeft niet hoor.’
‘Dat maak ik zelf wel uit. Ik zie je graag, dus hoe zou dat me niet verdrietig kunnen maken. Ik ben heel trots op alles wat je doet en hoe je de dingen doet. Het is niet altijd gemakkelijk voor jou, en niet iedereen ziet dat, omdat jij er altijd zo volledig bent voor hen.’
‘Het is al goed, je maakt me nog verlegen. En kijk trouwens eens naar jezelf. Alsof jij zo anders bent misschien?’
‘Misschien moet ik je nu toch beginnen kietelen.’
‘Riskeer het niet, of anders.’
‘Of anders wat?’
‘Dat zul je nog wel merken.’
‘Oké, bring it on…’

01 augustus 2020

Manieren van kijken

Hoe zit dat nu echt met die lamp boven de spiegel in de badkamer?

Kijken naar rimpels en deuken, kijken naar een afwezig spiegelbeeld.

Weer op die plek gaan staan in het gangetje en kijken naar wat er gebeurde.

Er zijn nog niet veel mensen buiten in beweging.

Hoe de kranten in de brievenbus zitten.

Eerst dat verhaal over de liefde lezen, dat is het ritueel.

Kijken naar de woorden die je niet kunt verstaan, in de winkel.

Je denkt nog aan die serie die je de vorige dag zag en wat het met je deed.

Je kijkt uit naar de tekst die ze schreef.

Je stapelt de boodschappen op het aanrecht.

Iets over de maan.

De brief die je gaat schrijven wacht op je, daar.

Hier heb je eerst nog te kijken, naar wat die woorden met je doen.

Je zoekt op, je leest, je ziet je handen trillen.

Je ziet even een afstand.

Je vult de pen bij, met zwarte inkt.

De brief begint zich te schrijven.

Eigenlijk ben je bang.

Je ziet iets als een structuur in je warboel aan beelden en woorden in je hoofd.

Wat doen die paar woorden met je, wat betekenen ze voor jou?

Je merkt dat je op verschillende plekken kunt gaan staan om naar die woorden te kijken.

Niet naar het uur kijken, blijven schrijven, tot de brief vindt dat het genoeg is.

Genoeg voor nu.

De kranten, woorden in een ander ritme.

Je denkt aan het onderzoek dat binnen enkele dagen komt.

Plekken en landschappen.

De brief blijft nog hier, denk je, mag nog niet weg.

Sommige woorden worden pas echt als je ze hardop voorleest.

Het was inderdaad meer een binnengaan in dan een uitkomen bij, zeg je.

Even iets als een tussendoorslaapje.

Er zijn veel mensen bezig buiten, in allerlei verhuisbewegingen.

De gemberdrank.

Terwijl je zit te lezen dwaalt je hoofd soms weg.

Een droef moment neemt je over.

Bij het koken denk je al aan die enkele dagen wit brood die eraan komen.

Je probeert in je hoofd te oefenen wat je maandag zult zeggen in het gesprek.

Je kijkt naar je zinderende rug.

Je hebt geen zin in sommige beelden in het nieuws.

Zoeken in de cd-kast naar de muziek die bij dit moment zou kunnen passen.

Hoe gaat het met jou, hoe gaat het met jou, hoe gaat het met jou?

Iets aarzelt in je.

Misschien zitten de woorden in je rug.

Misschien moet je de volgende dag weer foto’s gaan maken.

Iets is moe.

Buiten wordt het stilaan frisser, voel je.

Je rug wacht nog.

Het binnengaan.

En de dag legt zich neer.