03 mei 2008

Moed


De hartverscheurende film over de laatste dagen van de Duitse Sophie Scholl en de documentaire die erbij hoorde, ze blijven in mijn hoofd rondwaren. Sophie Scholl was tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de Duitse verzetsgroep Die Weisse Rose. Dat was een groep van studenten die zes pamfletten maakten waarin ze opriepen tot verzet tegen de nazi’s. Samen met haar broer Hans werd ze opgepakt terwijl ze het zesde pamflet verspreidde. Na een showproces werd ze veroordeeld tot de dood. Onmiddellijk na de uitspraak, op 22 februari 1943 werd ze onthoofd.

In de film, die gebaseerd is op transcripties van de ondervragingen en het proces, zie je hoe Sophie met grote innerlijke kracht overeind blijft tijdens de ondervragingen en het hallucinante proces. Ademloos kijk je toe. Niet naar een gepolijste ‘heldin’ zoals we die kennen uit Amerikaanse films. Maar naar een fascinerende jonge vrouw, die bijna achteloos antwoordt op de vragen die haar gesteld worden. Door haar onbevangen antwoorden zet ze haar ondervragers zo goed als buitenspel, zeker in morele zin.

De scène waarin de brullende rechter Roland Freisler Sophie, haar broer Hans en hun vriend Christoph Probst uitscheldt en kleineert raakt je in het diepst van je wezen. De manier waarop Hans en Sophie zeggen waarom ze zich verzetten tegen Hitler, de impact daarvan op het publiek van opgetrommelde officieren die nauwelijks hun gêne kunnen verbergen, het is alsof je erbij bent, daar in die zaal. Die beelden zullen altijd bij me blijven.

Het lukt me nauwelijks om alleen nog maar te denken aan die beelden zonder hevige emoties. Er is een bijna misselijk makende verontwaardiging en afschuw voor de nazirechter, zijn woorden en alles waar hij voor staat. Hoe hij zijn zogenaamde ondervraging opbouwt, en welke argumenten hij gebruikt om zijn totaal verwerpelijke visie te stutten, het is vreselijk.

Misschien is het een kleine troost om zo’n intense afschuw te voelen. Misschien is het een teken dat een instinct te vertrouwen is. Misschien zou het willen zeggen dat bij een gelijkaardige situatie in het echt de afschuw even groot en even spontaan zou zijn.

Je kijkt, en je probeert te begrijpen wat er kan gebeuren om iemand tot zo’n monster-mens te maken. Het is een mens, geen monster, dat is het monsterlijke. Er is een ideologie die toestaat dat mensen tot deze krochten van zichzelf kunnen afdalen.

Ik kan niet kijken naar documentaires over neonazi’s. Het lukt me gewoon niet. De weerzin is zo groot dat ik met dingen naar het scherm zou beginnen smijten. Het lukt me al evenmin om te kijken naar een betoging van jonge cryptofascisten wanneer die achter de hoek van mijn straat passeert. Het is diezelfde golf van verontwaardiging en weerzin, die me misschien tot fysiek geweld zou aanzetten.

Misschien is er troost in de verontwaardiging. Misschien helpt het soms om een klein beetje te geloven dat het hart op de juiste plaats zit. Misschien.

Maar de moed, dat is wat anders. Je kijkt naar die jonge vrouw die met haar broer voor de rechter staat, of tegenover haar ondervrager zit. En je zou willen weten: wat zou ik doen? Zou je de moed hebben om in die omstandigheden een pamflet te maken? Zou je de moed hebben om na je arrestatie zo resoluut alle schuld op jezelf te nemen om je vrienden te sparen? Zou je de moed hebben om je verontwaardiging om te zetten in een waardige houding van verzet? Zou je de moed hebben om die anderen die zullen beslissen over jouw lot recht in de ogen te kijken en voelen hoe je innerlijke morele overtuiging sterker is dan die verwerpelijke mensen van wie je in je diepste wezen voelt hoe fout ze zijn? Zou je al die dingen doen?

Is er iets dat je zou kunnen doen om je voor te bereiden op zo’n ultiem moment? Kun je morele kracht leren en kun je zo sterker worden? Is er enige kans dat je daardoor meer vertrouwen kunt hebben dat je wanneer het er echt op aankomt meer kans hebt om overeind te blijven? Soms hoop ik dat het kan. Of misschien wil ik het soms geloven.

Misschien kun je alleen je hoofd buigen voor die kleine vrouw van 22 die ergens de moed vandaan haalde om te doen wat je moet doen. En verder hopen, elke dag een beetje hopen, tussen je tranen door, dat je zelf iets van die moed zult hebben, wanneer het moment daar is, wanneer je moet doen wat je moet doen.

01 mei 2008

Modigliani


‘Ik zat daar, en ineens was het er weer. Ik had het kunnen weten. Ik wist het eigenlijk ook wel. Het kwam terwijl ik zat te praten. Alsof die woorden me opspanden. Het duurde lang eer het weer weg was. En eigenlijk was het goed.’

…

‘Daar zat ik, de middelste stoel in de rij. Misschien ook wel de middelste rij. Met alle muziek is het zo, maar zeker ook met die cantates. Ze gaan weg terwijl je ze hoort. Eerst is je lichaam nog onrustig, hoort het nog bij de dag, bij het hollen. En dan begint die muziek. Eerst hoor je niets. En dan begint je lichaam te reageren. Je moet erop vertrouwen dat dat overgaat. En het gebeurt telkens weer. Alleen de muziek blijft over. Of ook niet. Ze verdwijnt. Je hoort ze, je ziet ze voor je, en je zou nog eens goed willen kijken, maar ze is al weer weg. Maar daar waar ik zat, kon ik alles goed zien. Zij stond recht tegenover waar ik zat, die mooie alt. En ik ben er zeker van dat ze recht in mijn ogen keek. Het kan niet anders dan dat ze me gezien heeft. Die violiste ook trouwens, maar dat is een ander verhaal. Ze zeggen wel eens dat je op zo’n podium helemaal niets ziet, door de lampen, maar dat geloven we even niet.’

…

‘Ik had nog net een van de laatste stoelen denk ik. Er was zoveel volk. Ze stonden rondom mij. Zien kon ik weinig of niets. Alleen de woorden kon ik horen. Na elk stukje ging er een golf van tranen door de ruimte. Je kon er zo mee in schuiven. En dat deed ik dan maar ook. Het is raar hoe verdriet zich mengt met verdriet in je hoofd. Je zit er voor het ene, maar het andere komt er ook bij, en je schaamt je er een beetje voor. Misschien geeft het wel niet. Je hoort de verhalen. Er is zoveel leven in het leven soms, je merkt het pas als het er niet meer is. De verhalen proberen het tegen te houden. Ze maken je klein. Je kunt alleen kijken naar die mensen die zo innig verbonden zijn met dat verdwijnende lichaam dat ze proberen te stutten met hun verhalen. Je ziet hoe ze hun eigen fragmenten bij elkaar proberen te houden. Wat weet je eigenlijk van elkaar? De dood geeft je geen tweede kans.’

…

‘Er waren weer veel dromen. Mijn vader was er ook weer bij. Ik zat met hem in de auto. Waar we naartoe gingen weet ik niet meer. En jij was er ook, in een andere droom. Er was een verkeersongeluk gebeurd. Pas na een tijdje begreep ik wat ik zag. Drie mensen waren er gekwetst, en jij was er een van.’

…

‘Ik zag haar, en wist dat ik haar kende. Uit een film. Over die schilder. De film kwam terug in mijn hoofd, maar niet de naam van de schilder. Het maakte me onrustig, want ik wilde de film helemaal kunnen volgen waar ik naar zat te kijken. Mijn lichaam was onrustig, want de schilder kwam niet terug. Dat was de tweede keer al diezelfde dag. De eerste keer was het de naam van een zangeres. En ook bij de schilder kon ik enkele van de letters van zijn naam zien. Ik zag de schilderijen. En ineens, op een onbewaakt moment was hij daar. Modigliani. Wat een onvoorstelbare opluchting. Even testen of ik de zangeres nog wist. Nina Simone, dat was ze.’

…

‘Daar zat ik. Waren de mensen maar allemaal netjes verdeeld over de ruimte. Met overal enkele meters tussen. Dan zou je rustiger kunnen wenen. Het was meer iets als geruisloos proberen te slikken en je lippen dichtknijpen. Waarom doe je dat eigenlijk niet? Wat maakt het uit?’

…

‘Ik hoorde haar verhaal en het raakte me. Het hoort bij wie we zijn, denk ik. Wie we zijn en geworden zijn, in dit deel van ons leven. Het zal alleen maar meer van dat zijn. Het is niet anders.’

27 april 2008

De geluiden

Ik las het ook in het interview met de man over het geheugen. Dat het eigenlijk raar is dat we niet meer geluidsopnames maken van de mensen die we kennen. En het is waar. Hij vertelde dat hij zo graag nog eens de stem van zijn vader zou willen horen.

Soms ben ik bang van het verdwijnen van mijn geluidengeheugen. Ik wil het me liever niet voorstellen. Tegelijk wil ik ook niet echt uittesten of alle geluiden er nog wel zijn.

Zou je alle stemmen nog herkennen? Kun je ze nog allemaal oproepen? Ik denk het niet, en het maakt me bang soms.

Na een tijdje verdwijnen je geliefden die er niet meer zijn in hun beeld. Hoe ze eruit zagen is er nog. Het is meestal ook snel weer op te wekken door een foto. En daarbij valt het dan al zo vaak op dat de foto ineens iets anders kan laten zien, en dus herinneren, dan wat er in je hoofd zat. Je vraagt je af of die blik er vroeger altijd ook was, en waarom je die toen niet zag. Maar ze zitten in het beeld. En het geluid lijkt toch sneller te verdwijnen.

Hoe graag zou ik sommige van die stemmen weer horen. De stem van mijn grootmoeder. Hoe ze klonk de laatste jaren van haar leven is er nog in mijn hoofd. Hoe ze de telefoon opnam en dan sprak. Met lange pauzes soms. Als ik verder terug ga, naar daarvoor, lijkt de stem minder duidelijk te worden.

En mijn grootvader. Zijn stem is verder weg. Soms lijkt het alsof ze er niet meer is. Veel zei hij nooit. Maar zoveel zwijgen kan hij toch niet gedaan hebben? Er zijn nog wel enkele uitdrukkingen van hem die blijven. Korte zinnetjes die hij altijd gebruikte. Het is raar, maar in mijn hoofd lijken ze te klinken in mijn stem. Vanaf die stem kan ik wel zijn stem reconstrueren. Zou dat altijd zo gaan?

Er is een andere grootmoeder van wie ik de stem nooit hoorde. Ik heb haar nooit gezien, want ze was er al niet meer toen ik kwam. Het zou mooi zijn die stem nog te kunnen horen.

Soms zijn er wel geluiden die bij een persoon horen. Zo zijn er de berichten voor duivenliefhebbers op de radio. Elke keer opnieuw is mijn grootvader daar even als ik ze hoor. Hij luisterde er altijd naar. En iedereen moest stil zijn dan. Die gaven beter weer, dat was zijn argument. Beter in de betekenis van gedetailleerder, denk ik. Telkens die lange lijst van namen, ergens in Frankrijk of België. Ik denk dat hij zich dan voorstelde hoe het weer daar was, om op basis daarvan te construeren hoe het weer hier was. Duiven had hij zelf niet, dat zou ook niets voor hem geweest zijn. Zijn iets meer flamboyante schoonbroer had ze wel.

Er zijn de geluiden van het werkhuis waar mijn grootvader altijd was. Het opstarten van de grote lintzaag. Of de omgekeerde bandschuurmachine met die stoffen zak die zich opblies zodra de machine begon te draaien. En de schaafmachine ook natuurlijk. Met op de achtergrond het geknetter van het kleine gammele houtstoofje in het midden van het werkhuis. De geuren zijn er ook nog in mijn hoofd. De houtkrullen uit de schaafmachine. Als er veel waren kon je er door lopen. Hoe hij daar stond aan zijn werktafel, het zit – om in het beeld te blijven – gebeiteld in mijn hoofd. Ook hoe hij rook, met die stofjas. Hoe zijn handen bewogen. Maar wat hij de hele tijd zei? Het is er niet meer.

Er zijn nog veel beelden van mijn grootmoeder waarop er veel gepraat wordt. Ik zie hoe ze daar aan de tafel zit. Met haar nichtje, die zo vaak kwam. Of met haar vriendin die af en toe van ver kwam, en weer met de bus vertrok. Als zij kwam, was het om een of andere reden niet zo leuk als anders. Maar in die beelden wordt er altijd tegen haar gepraat. Zelf lijkt ze weinig te zeggen, ze zit wel knikkend te luisteren en bevestigend te mompelen. Maar uit die beelden lijkt haar stem verdwenen.

En al die foto’s waar ik zelf op sta. Alle etappes van een jeugd even bevroren. Die stem is nog het moeilijkst voor te stellen. Ze is helemaal verdwenen, hoewel ze er eigenlijk nog het meest is. Geen enkele stem is dichterbij, en toch is die stem zo ver weg.

Misschien moet je het elke dag even oefenen. Alle mensen die je kent oproepen in je hoofd, en dan de stem erbij horen. Zodat het landschap blijft.

26 april 2008

Traag


Verlangen naar traagheid. Misschien te moe om het verlangen te voelen. Maar het is er.

Misschien zijn anderen er beter in, tussen veel mensen zijn. Alle gesprekjes. Iedereen zien. Iedereen even spreken. Alsof je om het te doen even een stapje opzij gaat staan. En je daar dan helemaal in laten gaan. Gewoon in het tempo duikelen, en er blijven. Verbaasd dat het je om een of andere reden lukt. Dat het aangenaam is. En toch soms hevig verlangen naar alleen zijn. Enkele uren op een trein met enkel een boek. Alleen dat zou al genoeg zijn. Hoe het je traag kan maken.

Wachten op het lichaam. Tot het zich helemaal neerlegt. En alleen nog als het water vloeit. Zachtjes als waar de golf dunner geworden is dan zichzelf en de aarde aarzelend streelt. Weken al wachtend. En telkens net niet, of helemaal niet.

Het licht is er al in de morgen, en het blijft lang in de avond. Alsof het wil zeggen: ik ben er al. Al volop bezig met licht te zijn. En terwijl kijken naar hoe ik daar nog lig. Een korte nacht. Met veel dromen. Tijdens het dromen niet beseffen dat het licht daar al is. En later beseffen dat het er de hele tijd al was. Zoals het je een veilig gevoel kan geven om alleen te zijn op deze plek terwijl je verder in het huis een ander bezig hoort. Een ander die rustig bezig is het leven overeind te houden. Terwijl jij hier even in de plooi ervan kunt wegkruipen. Zo is ook het licht bezig, ook als je het niet weet.

Ook als er geen wind is, kan het lichaam anders zijn op de fiets. Hoe het soms tussen jou en jezelf in kan staan. Hoe het je als bezwaard door meer dan zwaartekracht naar de aarde kan trekken. Terwijl je alleen maar vooruit zou willen. En hoe het een andere keer even afwezig kan zijn op dezelfde plek. Waardoor je zelfs geen omhulsel meer lijkt te hebben. Enkel beweging. Je kunt met allerlei zelven samenvallen, en toch ook weer niet. Het verlangen naar snelheid in de beweging kan zich verenigen met een verlangen naar traagheid in je lichaam. En af en toe is het er even.

De wens om volledig geraakt te worden. Je zet of legt je voor waar de film zal beginnen. Je wilt uitgekleed worden. Door het verhaal dat al van bij de eerste beweging alle pijn in je huid, alle gedachten die je hoofd wegzuigen zal wegnemen. Klaar om bezet te worden. Ingenomen tot in elke uithoek. Hoewel liefst ongemerkt. Zodat je niet de kans hebt bang te worden van de overgave. Gewichtloos zweven in het verhaal. Tot het verhaal zich weer uit je terugtrekt.

Je bent ooit daar geweest. Je was er met alles in je. Dat je ergens was wist je misschien al niet meer. Het leek een manier van zijn. Dat het een plek was met coördinaten, noorderbreedte en zuiderbreedte, was zichzelf vergeten. Je had ook ergens anders kunnen zijn, maar dat was niet te weten. Misschien wel omdat het gemakkelijker was. En nu ben je nog steeds daar. Of toch ook weer niet. Je kijkt naar wie er rondom jou beweegt. En soms herken je hen niet meer. En heel even dan word je je eigen vreemde. Tot je jezelf weer terug kunt praten. En beseft dat er geen terugkeer mogelijk is.

Een ruimte waar maar heel weinig woorden zijn. Heel zorgvuldig gekozen. Netjes uit de woordenkast gehaald en zorgzaam neergelegd. Zachtjes betast. En hier en daar nog een beetje verschoven. Tot ze goed lagen. Daar bewegen. Met verder alleen maar lichaam. Niets dat je weghaalt van daar.

22 april 2008

De borst

De huiddokter speurt rustig maar vakkundig mijn hele lichaam rond. Plekjes met een andere kleur worden nauwkeurig bekeken. Hoe veilig dit alles voelt. Ze zegt dat alles in orde is. En vraagt of ik volgend jaar weer kom. Ja, volgend jaar kom ik weer. Tussen nu en dan zou er iets kunnen veranderen. Maar al die jaren daarvoor was het niet zo. Misschien blijft het wel gewoon zo. In die paar momenten, terwijl ze kijkt, wordt gezien en gezegd dat het blijft. Het is goed, alles is in orde.

Nu voorlopig even geen onderzoeken meer. Nu even niets meer dat kapot gaat, of waarvan ik dat zou kunnen denken. Alles zou moeten blijven. En enkel maar het ritme van de seizoenen volgen. Meer niet. Maar als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat in de seizoenen enkel de verandering blijft.

Niet goed in dingen die stuk gaan. Waarom doe je niets aan die rugzak? Kijk hoe het daar stuk begint te gaan. Je moet dat snel laten repareren. Je hebt gelijk, hoor ik mezelf zeggen. Waarom zou ik het dan niet laten repareren? Erop voorbereid dat de man in de winkel zal zeggen: meneer, dat kunnen we niet meer repareren. Kunt u dit nog repareren? A ja, natuurlijk. Tegen woensdag? Oei, doe maar vrijdag. In orde, vrijdag dan.

Nog net op die ene trein. Er is erg veel plaats. Het is goed nu. Het voelt goed om veel leegte rondom te hebben. Iedereen neemt evenveel leegte in. Ik zou kunnen blijven zitten. Verdwijnen in het ritme van de trein. Maar het kan niet. Er moet gewerkt worden. Dan zie ik de vrouw, die rustig en soeverein, in haar leegte, haar kindje de borst geeft. Weinig dingen kunnen mooier zijn dan dit. Weinig kan mijn dag mooier maken dan dit. Bijna bedank ik de vrouw, maar ik laat het, en verdwijn zo geluidloos mogelijk uit de trein.

De telefoon gaat over. Waarom klinkt die stem zo ver? Heb ik op een verkeerde knop geduwd? Opnieuw en opnieuw controleren. Waarom klinkt die andere stem ook zo ver? Is er iets stuk gegaan toen de telefoon vanmorgen viel toen ik bij de dokter was? Het maakt me de rest van de dag onrustig. Er mag niets stuk zijn. Niet nu. Dit apparaat moet onaangetast zijn. Het moet bij me blijven.

Vanavond alleen zijn. Geen mensen zien. Ze mogen wel bij me zijn. Maar alleen omdat ik ze in mijn hoofd naar me toe haal. Alsof ze heel traag gaan. Elke beweging is te zien. Elk woord te verstaan. Het ritme is zo traag als mijn adem, misschien nog trager. Zodat er niets verloren kan gaan.

Voelen hoe zijn handen in de mijne zitten. Hij staat niet achter of boven me, maar naast me. Hoe dat allemaal moet? En dat ik het niet weet. Je kunt dat toch allemaal wel? Ja, dat zeg jij. Wie praat nu eigenlijk tegen wie?

Raar hoe elk jaar weer de eerste warme lentedagen mijn lichaam door elkaar lijken te woelen. Herkenbare en daardoor geruststellende verwarring.

Het is tijd voor nieuwe lakens straks. En geluiden van de nacht via het open raam. Het leven lijkt zo vanzelfsprekend dan, wanneer je even wakker wordt, en de bewegende verhalen hoort.

De beelden over de wijk die opnieuw werd opgebouwd. Zoveel jaar geleden was er een knal. En alle huizen waren weg. Nu is er nog een krater. En alles is opnieuw opgebouwd. Het ontroert me diep. De huizen zijn weer gebouwd. De littekens blijven, maar misschien geeft dat niet. De kinderen die omheen de krater spelen zijn van na de knal. Voor hen is het gewoon een gat in de grond. Het roept blijkbaar verhalen op, maar die zijn niet van hen. Het kan dus, huizen weer opbouwen. Ik ben teruggekomen, omdat mijn buurvrouw ook zou terugkomen. Het is wel goed meneer, maar in de oude wijk zaten de mensen op een stoel voor hun voordeur op straat. Dat doen ze nu niet meer. Er is iets dat gewoon doorgaat.

Een ander beeld beweegt al dagen in mijn hoofd. De oude zwarte potentaat spreekt voor het eerst weer in het openbaar. Zijn getrouwen zijn nog steeds druk bezig met een poging resultaten van een verkiezing in de gewenste richting te herinterpreteren. Hij staat voor de microfoon, met zijn rare kleine snorretje, en spreekt traag: “Nothing … will … ever … change.” Zo mag het niet zijn.

Laat toch maar gewoon de seizoenen blijven. En de dingen af en toe ook. Met mensen die bewegen.

20 april 2008

Where Will I Be



‘Hoor je die muziek?’
‘Ja, maar waar ken ik het van?’
‘Het werd eerst door een vrouw gezongen, en nu door een man. Ik vind ze allebei erg mooi.’
‘Het past wel bij jou. Ik zie het aan hoe je kijkt, als er muziek is.’
‘Het is raar, hoe alleen jij zoiets zou kunnen zeggen. En dat na al die tijd.’
‘Moeilijk is het niet. Ik heb het denk ik altijd wel gezien.’
‘Ik zal altijd blijven denken dat ik te weinig gezegd heb. Te weinig gedaan.’
‘Het is niet zo, en dat weet je. Alleen jij denkt er zo over.’
‘Ik weet dat jij er zo over denkt, en dat is heel bijzonder. Zelf kom ik er niet van af, van die gevoelens. Maar het geeft niet. Dat is gewoon mijn verhaal.’
‘Je hoeft je er alleszins niet door te laten raken. Het gaat goed met mij.’
‘Kijk, zie je dat hier? Zo ben je toch nog altijd bij me.’
‘Dat is lief.’
‘Ik wilde zo veel voor jou, wist je dat?’
‘Ja, ik wist het. Al zei je het niet altijd. Het is mooi dat je dat wilde. Maar de dingen zijn wat ze zijn, het is niet anders.’
‘Het is uiteindelijk zo’n raar primair gevoel, de drang om een ander te willen beschermen, om al het kwaad af te wenden, en alles wat ooit fout was weg te kunnen nemen. En telkens te voelen dat je faalt.’
‘Ik denk niet dat je gefaald hebt. Met dat woord kun je niets.’
‘Ik weet het, maar het lukt niet altijd om het anders te zien.’
‘Misschien moet je gewoon naar de zonsondergang kijken, zoals nu. Jezelf neerleggen. En straks kijken naar hoe de zon weer opkomt.’
‘Hoe kun je dat?’
‘Ik denk dat er een moment komt waarop je ophoudt met vechten. Toch met sommige gevechten. Om je beter te kunnen concentreren op andere.’
‘En heb je het gevoel dat het je gelukt is?’
‘Af en toe wel. Dan lijkt het even alsof niets me nog kan raken.’
‘Ik heb me vaak afgevraagd of ik het zou kunnen zoals jij.’
‘Zeker weten. Daar ben ik heel gerust in.’
‘Weet je nog hoe je het je vroeger voorstelde dat het zou zijn, ouder worden?’
‘Nee, ik weet ook niet of ik het me voorstelde.’
‘Ja hoor, ik weet het nog.’
‘En, was het een droom?’
‘Ja, en in die droom was het heel rustig.’
‘Misschien droomden we dat toen wel allebei. Maar jij bent niet helemaal rustig, en je zult dat ook nooit zijn, denk ik.’
‘Evenmin als jij.’
‘Gelukkig maar.’
‘Het is goed om hier nu te zijn. Het is een mooie avond, en het betekent veel voor mij.’
‘Ik ben blij dat je gekomen bent. Eigenlijk kom je wel altijd terug op een of andere manier.’
‘Dat is de bedoeling.’
‘Ik weet nog hoe we daar zaten. Jij met het kind in je armen. Hoe je aan me vroeg wat je moest doen.’
‘Ja, zo was het. Je vertrouwde het allemaal wel, en zo vertrouwde ik het ook.’
‘Je deed dat goed. Je hebt een buik waar kinderen rustig van worden, dat zag ik toen al. En je kijkt hen altijd recht in de ogen.’
‘Maar het leek altijd zo alsof jij het allemaal al wist, en alsof ik alles nog moest leren.’
‘Misschien moest je wel iets ontleren, om het te kunnen.’
‘Ja, dat is waar. En toch ging ik weg.’
‘Misschien was dat toen wel het enige wat je kon doen.’
‘Nog lang daarna wilde ik dat ik iets voor je kon doen. Maar misschien maakt dat nu niet meer uit.’
‘Nee, het maakt niet meer uit. Daar hebben we geen tijd meer voor.’
‘Is het dan genoeg om af en toe naar de zon te kijken, om te zien hoe ze ondergaat?’
‘Ja, dat is genoeg voor mij.’
‘Maar dan gaan we dat nog wel heel vaak doen natuurlijk.’
‘Natuurlijk.’

19 april 2008

Het regenwoud


Ik lees een interessant interview over het geheugen. Wat neem je mee uit je verleden naar je huidige leven, en hoe werkt dat? Enkele beelden uit het interview blijven al enkele dagen in mijn hoofd ronddolen.

Zoals het antwoord op de vraag hoe we ons het geheugen moeten voorstellen. De auteur (Douwe Draaisma) legt uit dat de metafoor van een harde schijf zowat de slechtste is die ooit gebruikt is om het geheugen weer te geven. Een harde schijf is als een kast waar je dingen netjes in kunt zetten. Ze blijven daar altijd staan, op dezelfde plaats, en ze zijn ook altijd opnieuw in exact dezelfde vorm uit die kast te halen.

Voor het geheugen is het anders. Het ondergaat de hele tijd vervormingen, vertekeningen en interpretaties. Op een bepaald moment in je leven zul je je heel andere dingen herinneren van je kindertijd dan op een ander moment. Nochtans is de werkelijkheid die herinnerd wordt natuurlijk niet veranderd. Soms herinner je je iets, en soms niet. En dan enkele mooie zinnen: “Onze herinneringen zijn herinneringen aan herinneringen. Probeer dát maar eens allemaal in die hardeschijfmetafoor te krijgen. Een dampend regenwoud is een veel correcter beeld. Zoals in een regenwoud voortdurend van alles groeit en vergaat, zo is ons brein ook in voortdurende verandering: er komen cellen en verbindingen bij, maar er sterven ook cellen af. Wat op een harde schijf staat verandert niet meer, laat staan dat de erosie van het vergeten er vat op heeft.”

Zo mooi en zo fascinerend. Het is eindeloos mooi te bedenken hoe herinneringen dus blijkbaar van de ene op de andere cel overgaan. Of dit allemaal klopt, weet ik niet, maar zo probeer ik het me voor te stellen. Ook in je hoofd verversen de cellen zich de hele tijd. Maar daarbij kunnen ze wel stukjes herinnering of kennis doorgeven aan een andere cel. En in dat hele proces blijft alles voortdurend in beweging.

En het regenwoud. Het is bijna poëzie. En zo het mooiste antwoord op die neiging om steeds weer over onszelf te denken in beelden van machines. Het bewegende organisme van een regenwoud waar eindeloos veel soorten met en op en in elkaar leven. In beweging steeds. Afhankelijk van elkaar. Zoveel eenheden, en toch ook één, hoewel dat één nooit af is, nooit stabiel.

Nog zo’n mooie zin: “Het geheugen heeft z’n eigen agenda. Het is niet bedoeld als foto- en videoarchief, zoals wij het vaak zien. Het is een evolutionair middel dat ons helpt te overleven.” Het gaat zijn eigen weg, het is niet te bevelen. Soms zou je het willen. De allermooiste momenten vastzetten in je hoofd. Op het moment denk je: dit mag niet verloren gaan. Soms lukt het, maar zo vaak lukt het niet. Soms merk je na een tijd dat wat zo stevig in je hoofd lijkt te zitten toch veranderd is, of dat een ander die bij hetzelfde moment aanwezig was een heel andere herinnering heeft.

En nog eentje: “Onze zintuigen hebben elk een eigen type geheugen.” Merkwaardig ook hoe ze met elkaar kunnen communiceren, die zintuigen. Zoals een geur die je je herinnert. Je weet dat de herinnering aan een geur er is, je kunt die herinnering als het ware zien zitten in je hoofd, maar pas wanneer je die mens ruikt die daarbij hoort, herinnert de geur zichzelf. Zoals een deur die geopend wordt. Soms ben je bang dat die deur ooit niet meer open zal gaan. Als de deur open gaat, is het alsof in je hoofd en heel je lichaam ineens een binnenweg genomen wordt.

Je kunt niet niet in je herinneringen leven. Elke dag opnieuw lijkt het alsof een selectie van je hele leven mee op stap is. Je kunt leren, door te mediteren of zo, om heel even alleen maar in het nu te zijn, herleid tot en verdwenen in adem. Heel even. En daarna ben je weer in een moment dat tegelijk ook alle momenten is die er al geweest zijn. Maar het is eigenlijk nooit van a naar b naar c naar d naar e, en zo verder, als stapjes op een rechte lijn.

Het regenwoud heeft geen stabiele identiteit, die eenduidig te omschrijven zou zijn. Stel dat je het regenwoud zou willen beschrijven. Dan zou je een soort routebeschrijving kunnen maken. We gaan nu hier naartoe, en dan daar. We zien nu dit, en dan dat. Je maakt een didactisch geheel, in een chronologische volgorde. Maar nooit zul je de gelijktijdigheid, de dynamische verbondenheid en de voortdurende verandering kunnen vatten. En zo zul je dus ook nooit echt kunnen zeggen wie je bent. Een troostende gedachte.