20 juni 2025

Het kantelt bijna


 

(Hoe de week overleven, je vraagt het je af. Er lijkt zoveel. Je zou elke dag moeten kunnen uitrekken of zo. Lege plekken toevoegen. Zo zal het niet zijn.)

(De hele tijd bewust van alle dingen die je zou moeten doen. Je probeert te denken in vakjes. Eerst dit, afwerken, en dan dat. En al die andere dingen even daar laten, niet hier. Zoiets.)

De week begint. Je bent nog een beetje vol van het bijzondere weekend. Die duizenden mensen.

(En je wilt ook alleen zijn. Met niets, alleen maar tijd. Niemand die iets vraagt.)

Onderweg naar de commissie. De trein heeft vertraging. Je kijkt naar het landschap. (Je bent landschap.)

Ergens op de elfde verdieping. De commissie. Je hebt de rapporten gelezen, de commissieverslagen. Je wilt vooral het gesprek laten bewegen, de vragen stellen die zich aandienen. (Het voelt soms een beetje onbeleefd, ze werken zo hard.) De gesprekken zijn een beetje als een rivier, en dat is wel goed.

(De middagpauze gebruiken om snel nog enkele dingen te doen.)

En verder in de rivier. Een andere, dezelfde.

Je hebt nog enkele uren voor de volgende vergadering, je blijft in dezelfde stad. (Normaal doe je dat niet. Je hebt met jezelf iets afgesproken, zo zal het zijn.) Even die boekhandel bezoeken. Een bank zoeken in het park. Krant lezen. Kijken naar de mama’s en papa’s die met hun kinderen bezig zijn in het speeltuintje. Even praten met de journalist die voorbij wandelt. Een plekje gaan zoeken waar je alleen kunt zitten, uiteindelijk op het perron, om gewoon wat te lezen.

De avondvergadering. (De stroopwafeltjes helpen, denk je.)

De trein draagt je.

Een andere dag. (Die twee afspraken zijn geschrapt, dat seminarie heb je afgezegd. Ruimte.)

(Eerst even je lijstje herschikken. Alle dingen erop zetten, zodat je ze kunt zien. Zodat je vakjes kunt maken.)

De dingen spreiden zich een beetje uit. (De rivier ademt.)

(Niet denken aan wat je zou kunnen verlangen.)

Een gesprekje. Je zag haar al zo lang niet meer. Je krijgt te horen wat er aan de hand was. Het maakt je verdrietig. (Je voelt je een beetje schuldig, omdat je er niet was voor haar, ook al wist je niet wat er gebeurd was.) Het ontroert je, hoe ze over hem praat, hij die er niet meer is.

Het boek ophalen, boodschappen doen.

De avondvergadering. Je probeert goed te luisteren. (Iets is altijd moeilijk in deze vergadering.) Je probeert met je woorden iets als een klein pad te openen. (Iets als een trage weg, misschien.)

Napraten voor de deur. Nee, je gaat niet meer om iets te gaan drinken. We komen elkaar overal tegen, zegt ze. Dat maakt me gelukkig, zeg je.

(Weer een diepe nacht.)

Een andere dag. Weer op weg voor een dag commissie. De trein heeft vertraging, je mist de aansluiting. Je arriveert een half uur te laat. Ze stellen zich voor. (Ze lijken een beetje zenuwachtig.) Je probeert met je woorden een lijn te trekken, een spoor misschien, waarrond je zou kunnen dansen. (Het woord dansen zouden ze misschien niet willen, denk je.)

Tussendoor de laatste dingen doen voor de vergadering de volgende dag.

Je wacht op de trein terug. Daar een beetje verder woont een vriendin. (Je moet haar nog altijd antwoorden, besef je. Je moet een plekje maken, om dan rustig een antwoord te laten komen, denk je.)

Je haalt de muziek op in de winkel. (Je wachtte al een tijdje op die ene plaat. Je kiest tegelijk het cadeau voor je vrienden.)

Je probeert wat werk in te halen. (Je denkt aan iemand. Aan dat plekje waar jullie naartoe zouden gaan, ooit, als deel van je jaar. Misschien moet je er morgen even langs lopen, dan is het alsof je dat plekje zomaar even aan jezelf zou kunnen toevoegen. Als een verhaal, een belofte.)

Een andere dag. Op weg naar de vergadering die je mag voorzitten. In je hoofd zet je alle dingen op een rijtje. (Iemand belde af, je probeert haar dingen in je hoofd voor te bereiden.)

Alles loopt netjes zoals je wou. (Het is boeiend, denk je. Je bent een beetje trots, eigenlijk.)

De trein. (Even tussen.)

Het doet goed, gewoon bij je collega’s kunnen zijn.

Op tijd terug. Je vertrekt naar het trefmoment, van die andere commissie waar je in zit. Je maakt een kleine omweg. Om die plek met het uitzicht te zien. Je maakt een foto. (Een belofte.)

Je kijkt naar de mensen, luistert naar de lezing, zoekt een plaatsje om wat te eten. Een mooi gesprek over mosterd. Je bent blij voor iemand. (Iets met opera.)

Je wandelt de berg naar beneden, je bent thuis. (Je hebt de week overleefd.)

Een andere dag. Je houdt van de ochtendkoelte.

Alleen op het werk. De ruimte is voor jou uitgespreid. Je kunt vrij bewegen. Alleen de poetsmevrouw zal even komen, zoals elke dag. (Ze houdt van haar ritme, denk je.)

(Kijk, die plek, zeg je.)

Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar, met voorzichtige bewegingen.

(Je bent weer zo dicht bij het kantelmoment gekomen, besef je, zoals elk jaar. Alsof je weer niet genoeg leegte hebt kunnen vinden om je er echt op voor te bereiden. Je laat het, het is. De volgende dag is er nog.)

Ze zijn nog klein, in het potje. Je geeft ze water. Je ziet de druppels. (Je zegt iets. Het is.)

08 juni 2025

Iets met vaders


Handen van vaders, handen van grootvaders.

Je herinnert je nog, net voor je grootvader zou sterven. Hoe hij zei dat zijn handen zo koud waren. Je herinnert je nog, hoe de handen van je vader langzaam stuk leken te gaan. Ze hadden allebei een leven met hun handen gewerkt.

Je probeert iets te begrijpen van je eigen handen.

Hoe zouden ze geweest zijn als vaderhanden?

Je zult het nooit weten.

Waar zouden ze zich thuis voelen?

Misschien heb je woordhanden. Dat zou kunnen.

Vader is een ingewikkeld woord. Vader is een groot woord. Voor jouw handen.

Waar zou het moeten wonen?

Misschien hoef je het niet te weten.

Misschien is vader een plek waar je naartoe kunt gaan.

Misschien kun je daar gewoon even gaan staan, wanneer niemand kijkt.

En misschien kun je zo leren om te blijven, in je handen.

En zo een plek maken die uit de wind is. En iemand zou die plek kunnen zien, en het je zeggen.

Er zijn mensen die het je mogen zeggen, dat ze het zien.

Zo rivier je verder.

Het woord is zo groot. Het is het woord dat anderen mogen hebben.

Maar ook in afwezigheid kun je zijn. De plek waar het woord niet hoeft te komen. En dat je dan gewoon mag kijken.

Misschien is vader een jas waarin je je kunt hullen. Om te blijven.

Als kind deed je dat graag, je hand steken in de warme jaszak van je grootvader. En zo samen op stap.

Stel je voor dat je een vader had gehad die je had uitgelegd wat het betekent om een vader te zijn. (Zelfs die zin is al ingewikkeld.)

Misschien is jouw jaszak ook wel warm, al een hele tijd. En is het genoeg dat te aanvaarden.

Je kijkt naar wat anderen zeggen, je kijkt naar de woorden.

Misschien zul je nooit weten hoe je in een woord kunt zijn, en is dat niet erg.

Er is je dochter die er niet is, die er is. Je vertelt over haar, en anderen kunnen haar zien. Misschien zien ze daarin meer van jou dan je zelf ooit zult kunnen zien. En dat is een geschenk.

Het geschenk kun je zien.

Je mag blijven zitten, wanneer ze dat zeggen, zeggen ze.

En er is iemand die zegt dat je haar familie bent. En jij zegt tegen haar dat je zult blijven, altijd.

Misschien hoef je de vraag niet te stellen om ze te horen. Misschien hoef je niet te antwoorden om het antwoord te zien.

Misschien mag verhalen vertellen ook.

Iemand zei je ooit dat je vertelt met je handen.

Het is.

07 juni 2025

Iets met mannen


En de week begint weer. (Begin is een gedachte, denk je.)

Je denkt nog aan dat bijzondere gesprek van de avond tevoren. In welk lichaam ben je terechtgekomen? Met welk lichaam beweeg je door het leven? En hoe kijk je naar de dingen?

(En die onrust weer, over hoe je een plek weer in orde zou moeten brengen, klaarmaken voor de tijd die komt. En hoe dat bij jou komt.)

Een bericht. Of je? Je haast je naar de trein. Te laat. (Niets meer.)

Op weg naar de avondvergadering, in de trein. Je maakt een lijstje met voorstellen. (Zoals elke keer, de angst om voorstellingloos aan te komen.)

De vergadering. Onverwacht buiten op een terras. Je kijkt rond. (Die jonge mensen ontroeren je.) Zij is er ook weer, het is al zo lang geleden dat je haar nog zag. Je bent zo blij. (Het is wederzijds.)

De nacht hapert.

Een andere dag. Je probeert zoveel mogelijk werk af te krijgen, nog voor het overleg. (Je bent ook een beetje moe.) Het overleg. (Je kijkt naar de puntjes die je in je hoofd had voorbereid.) De zon.

De knutselt de laatste stukjes van het jaarverslag in elkaar. (Het was een lange rit, denk je.)

Die avond. De mensen lopen heen en weer in de schouwburg. Je wilt gewoon een beetje kijken. Op het podium, naast alle andere mensen die daar ook staan. De dragqueen geeft zich helemaal. Het ontroert je. Hoe iedereen staat te kijken, hoe gewoon het lijkt. Die vloeiende plek.

Een andere dag. Je verlangt ernaar om alleen met woorden te zijn. Aanraakbaar.

O ja, je was het bijna vergeten, die workshop. (Met zo’n woord klinkt het wel heel echt.) De anderen zijn er al, op het scherm. Je doet je best om te volgen. (Ze doen erg hun best, met hun methodiekjes.) Je doet (nog steeds) je best om het geen tijdverspilling te vinden. (Niet alles lukt altijd.)

De avondvergadering. Een moeilijk gesprek. Je probeert rustig je punt te maken (voor de zoveelste keer). (Iets maakt je heel moe, denk je.) (Je zult het blijven herhalen, weet je.)

Een korte nacht.

De conferentie op het werk. Je loopt door de zaal met het fototoestel. Je zoekt naar lijnen. Je probeert dingen te zien die je nog niet zag. (Tussendoor, enkele mooie gesprekken. Mensen die je iets willen zeggen.)

Later die dag, je zit mee op het podium voor het gesprek. (Je mag de woorden aanraken, voorzichtig in een richting laten bewegen.) En het nagesprek, in de kleine zaal. Je kijkt naar de beweging van de woorden.

Tussendoor heb je het met de spreker over hoop en optimisme. (Jullie denken hetzelfde, ook over dat andere boek, merk je. Het maakt je blij.)

Heel even thuis, en weer weg.

Aan de andere kant van de wereld zijn twee (…) mannen bezig elkaar uit te schelden. Het is fascinerend, het is grappig, het is zielig, het is verbijsterend, het is doodvermoeiend. Het is blijkbaar ook iets van mannen. Een of andere (…) is zogenaamd verbaasd dat mensen dit niet oké vinden, dit is immers ‘directe fallocentrische communicatie’, en blijkbaar iets om na te streven. (Je hebt geen woorden om voor jezelf te beschrijven hoe walgelijk je dat trosje venten vindt.)

(Iets met verzet. Iets met handen.)

Je zit in het zaaltje te luisteren naar de boekvoorstelling. (Een hele tijd geleden zat jij daar op die sofa.) Je bent zo blij voor hem. Zijn tweede boek. Hoe hij vertelt, over jongens en mannen, vaders en zonen. Hoe hij zichzelf vond in vader zijn, hoe hij alles doet om een betere vader te zijn. (Zo kunnen mannen dus ook zijn.) Hij schrijft voor jou een boodschap in zijn boek.

Een mooi gesprek, terwijl je wacht, tussen de boeken.

Het concert is al bezig wanneer jullie aankomen. Je zou ook gewoon willen kijken. (Je bent niet zo into de publieksparticipatie die avond, denk je.) Je rug werkt niet echt mee, je buik ook niet. Het geeft niet.

De regen.

(Je verlangt naar iets met woorden, of niet. Troost mag ook.)

Een andere dag. Er is weer een conferentie, maar jij mag verdwijnen in de woorden van de vrijdagtekst. Geduldig knutselen.

Die avond, een lang gesprek met een vriendin.

(Er komt iets met vaders, denk je.)

De nacht is zacht, in etappes.