18 augustus 2025

Audition


Misschien speel je altijd een rol, ook al wil je dat niet of besef je dat niet. Misschien kun je een ander nooit kennen. Misschien is er geen ene plek waar je de tegenstrijdige versies van jezelf samen kunt brengen op een manier die rust en eenheid brengt. Misschien kun je vervreemding niet oplossen. Misschien hoef je niet alle vragen te beantwoorden. Die dingen blijven door je heen gaan na het lezen van Audition van de Amerikaanse Katie Kitamura. Het is een zeer goed geschreven ontregelend boek. Wie als lezer een min of meer eenduidig verhaal verwacht, in een vorm die kenbaarheid en afronding suggereert, zal misschien verward achterblijven. Als je je mee laat drijven met dit merkwaardig boek dat je de hele tijd een beetje lijkt te ontsnappen, kom je op onbekend of niet te kennen terrein. Het zet je aan het denken. Al zou je misschien ook graag wat meer gevoeld hebben.

In het eerste deel van het boek komt een vrouw, een actrice, in een restaurant. Ze heeft daar afgesproken met een jonge man. Hij zegt tegen haar dat hij ervan overtuigd is dat hij haar zoon is. Zij zegt dat dat niet kan, omdat ze geen kinderen heeft. Hij werkt zich naar binnen in het gezelschap waar zij op dat moment repeteert voor een stuk. Dat stuk bestaat uit twee grote delen, en zij moet een cruciale scène spelen die die twee delen met elkaar zal verbinden, maar ze kan in zichzelf niet vinden hoe ze dat zou moeten doen. Haar man, een schrijver, was het restaurant binnengekomen op het moment dat de twee daar zaten en had zich onmiddellijk omgedraaid en was weggelopen.

In het tweede deel blijkt dat ze de sleutel heeft gevonden om die ene scène te spelen. Het stuk is een immens succes en zij wordt geprezen voor haar acteerprestatie. Het leven samen met haar man is rustig en in balans. De jonge man, die nu ineens wel hun zoon blijkt te zijn, komt terug in hun leven en trekt in in hun appartement. Wat eerst een goed idee lijkt, als een soort helende ervaring, draait langzaam uit op een soort escalerende nachtmerrie. Wat min of meer zeker was, komt op de helling. Rollen veranderen. Iets wordt opgevoerd, voorgeschreven of als experiment. Tot ze terugkeren naar de veronderstelde realiteit.

Net als in het theaterstuk uit het eerste deel bestaat het boek zo uit twee helften met een breuk tussen de twee. Hoe zit dat juist? Je ziet immers dezelfde personages. Zijn het twee varianten of versies? Is het ene verhaal ‘echt’ en het andere een droom of fantasie? Hebben de personages in de tussentijd tussen de twee delen met elkaar iets afgesproken waardoor ze hun eigen theater worden, tot dat uit de hand loopt? Je weet het niet. En misschien hoef je het ook niet te weten. Misschien is dat het opzet van het boek.

Het hele boek wordt in de ik-vorm verteld. Andere personages krijgen een naam, de vrouw die vertelt heeft er geen. Het is alsof je de hele tijd kijkt naar haar denkproces, terwijl ze naar de dingen kijkt en die op een welbepaalde manier interpreteert. Alleen al daardoor zie je heel veel dingen niet of krijg je geen elementen die kunnen corrigeren wat je wel te zien krijgt. Het is een onbetrouwbare verteller. Je ziet hoe ze de gebeurtenissen probeert te lezen, maar daarbij schuiven de hele tijd allerlei oordelen tussen haar en de dingen. Veel heeft te maken met kijken en bekeken worden, en denken over hoe je bekeken wordt. Wanneer zij het restaurant binnenkomt neemt ze in een soort hypergevoelige stijl alles op, interpreteert wat de ober doet en analyseert het gedrag van de jonge man voor haar. Veel daarvan lijkt op een overinterpretatie, ingegeven door een interne reflectie over hoe ze bekeken wordt en hoe kleine handelingen van anderen als codes zijn die weer naar haar verwijzen. Je weet dus eigenlijk niet zo goed of het kluwen aan betekenissen waarin dingen gebeuren of gezegd worden, zoals haar man die weer weggaat of de jonge man die zegt dat hij haar zoon zou kunnen zijn, wel enigszins overeenkomen met wat er gebeurt op dat moment. Misschien is het onvermijdelijk dat je in zo’n dynamiek terechtkomt. Misschien zijn we gedoemd om elkaar niet te kunnen vatten.

Naarmate je dan verder leest, zie je hoe de meerduidigheid toeneemt. Mensen spelen rollen, misschien wel de hele tijd, onontkoombaar. Wie zijn die twee, een vrouw met een man die misschien haar zoon is, of een minnaar, of…? Wat is er werkelijk gebeurd voorafgaand aan deze ontmoeting? (Er zijn verwijzingen naar vroegere ontrouw van de vrouw, na een miskraam. Er is de stellige uitspraak van de vrouw dat er geen relatie kan komen.) Waar komt – ook al zijn ze dan geen moeder en zoon – de schijnbare gelijkenis tussen de twee vandaan? Waarom wil haar man haar ineens dringend spreken? Wie is die jonge man die blijkbaar zo soepel kan switchen in zijn eigen rol en zich kan binnenwerken in het theatergezelschap? Je weet het niet, en het is misschien niet te weten.

Met het tweede deel zie je nog meer hoe het boek reflecteert over rollen. De verteller is vrouw, partner, moeder, actrice. In elke rol moet je je op vreemd terrein in jezelf bewegen. De andere, die je dacht zo goed te kennen, of van wie je dacht dat de rol of relatie heel duidelijk omschreven was, kan ineens een vreemde lijken. In het ene deel zegt iemand jouw zoon te zijn, maar zeg je dat je geen zoon hebt, en ben je toch op een bepaalde manier aangetrokken door die persoon die ondertussen een plek inneemt in jou. In het andere deel noem je iemand je zoon, vertel je verhalen over vroeger, doe je wat je denkt te moeten doen, en lijkt het of je steeds minder weet over die persoon, die echt een vreemde lijkt te zijn. Je man en je zoon voeren iets op waarmee ze iets over jou willen duidelijk maken. Misschien ken je dus jezelf helemaal niet en is het verhaal dat je over jezelf vertelt aan jezelf evenzeer een fictie als de andere verhalen. Of misschien zijn het toch de anderen die ontsporen. De gespeelde werkelijkheid en de echte werkelijkheid raken elkaar aan, en dat gaat via een tussenruimte. Maar misschien is de belofte dat je weet hoe je moet zijn in die tussenruimte, waardoor je (weer) heel zou worden een illusie. Misschien doen we de hele tijd auditie.

Audition is een boek dat meer vragen oproept dan het beantwoordt. Daar moet je als lezer een stuk in meegaan. Je kunt alles op verschillende manieren interpreteren, en dat is waarschijnlijk de bedoeling. De kracht van het boek zit in de heel heldere taal die op een bepaalde manier kan verdichten of verdunnen, samen met wat er in het hoofd van de verteller gebeurt. Je blijft in dat hoofd en kijkt mee hoe zij de dingen leest of vertaalt. Wat je moet doen met die uitgesproken vorm van twee delen met een breuk ertussen is ook een open vraag. Er kunnen allerlei verklaringen zijn, telkens met een andere conclusie. Je blijft als lezer met een dubbel gevoel achter. Enerzijds is het een fascinerend boek. Naarmate je er meer over nadenkt en je al die dynamieken in de tekst ziet, houdt het je meer en meer bezig. Het boek is heel helder en heel ontregelend tegelijk. Anderzijds heeft het boek eerlijk gezegd ook iets dat een beetje koud is. Je zou soms meer willen voelen. Misschien ligt dat aan de personages waarmee je je toch niet zo gemakkelijk kunt verbinden. Misschien ligt het aan het vertelmechanisme (en is het de bedoeling dat je je vervreemd voelt). Misschien ligt het aan het opzet dat soms net iets te veel aanvoelt als een intellectuele oefening.

16 augustus 2025

Die week, toen en nu


De dag beweegt traag, zo lijkt het. De nacht was rusteloos.

(Nadien denk je, wat je zo onrustig maakt, wat het moet geraakt hebben, onder je huid. Het kind dat je wilt beschermen. Het kind dat je was.)

Je kijkt naar de plant op je tafel. Het is al dagen bezig, het trage sterven, zo lijkt het. Je hebt al alles geprobeerd, denk je. (Je zou al je liefde willen inzetten of zo, om dit falen, ook dit falen, te vermijden.)

(Je moet kijken, denk je. Hoe onder je huid, na de beving, de golven zich verplaatsen, door je heen moeten. Misschien is dat het.)

Hoe verdrietig je bent.

Ergens in de nacht denk je: dit is ook het moment van het jaar, dit is de week. (Nu zesentwintig jaar geleden.)

Een andere dag. Iets van de rusteloosheid heeft zich teruggetrokken. Het is goed. (Je zou dichter bij de rivier willen zijn, maar die wacht wel op jou.)

Je zegt iets aan de plant op je tafel.

(De brief zal komen, een van de dagen. Je zult weer moeten beslissen, of ze dat ding nog een jaar langer moeten bewaren voor jou, daar in die ijskast. Je hebt schrik van het antwoorden. Het zou gemakkelijker zijn om niet na te denken, gewoon snel betalen, zodat je niet meer kunt antwoorden op een vraag. Het maakt je een beetje rusteloos.)

Je leest het boek uit. Je blijft het aanraken, heel voorzichtig, nog even, het mag duren.

Je maakt je klaar voor je afspraak. Je kijkt er naar uit. (Misschien ben je een beetje bang van de warmte, misschien zal het gewoon meevallen, als je er niet aan denkt. Misschien is het wel goed dat jullie niet naar die andere stad zullen gaan.)

(Een stem die onder het wateroppervlak beweegt en tegen je spreekt. Iets is ingewikkeld aan dit weggaan, zoals al die keren, al die jaren. Je weet nooit vooraf hoe het zal lopen. Je hebt geen zin in die stem.)

Ze is er al. Een mooi gesprek, het ontroert je. Er waren nog veel dingen die je had willen vertellen, denk je. Maar het is goed. Het eten was lekker. (Wat zal er gebeuren? Zal het goed gaan?)

De film. Je zou alleen maar willen kijken, hier zijn, in dit nu, denk je. (Het gaat niet goed, denk je.)

(Je buik wil niet zomaar hier en nu zijn, dat is het verhaal. Een stem.)

Je loopt nog met haar mee naar het station, zoals je altijd doet. (…) Je zou in dit hier en nu willen zijn. (…) Het is niet.

(Iets met schaamte, kwaadheid, frustratie.) (…) (En de tijd die het zal duren, de hele nacht.) (Je mag niet hier en nu zijn, iets van jou zal altijd toen zijn.)

Aan de andere kant van de nacht. Je kijkt naar jezelf in de spiegel. Zo aan de huidbuitenkant ziet je buik er niet anders uit dan anders.

(Elke dag opnieuw beginnen, dat kun je ook.) (Wat gisteren was, was gisteren, nu is gewoon opnieuw nu. Je kunt blijven oefenen in mildheid.)

De ramen schoonmaken, zoals je je had voorgenomen. (Het zal weer niet perfect zijn, je zult weer een beetje falen, het is niet erg.)

Toch nog een boek bij halen.

(Onderhuids lijkt iets nog te haperen, ergens.)

Op weg naar de vergadering, in de andere stad. Een rustig gesprek in de trein. (Je luistert naar je stem, die zich rustig neerlegt in zichzelf.) Een goede vergadering. Terug in een heel warme trein. Kijken naar de mensen onderweg. (Blij dat je weer thuis bent.)

(Iets hapert nog steeds, die avond. Die boekbespreking moet nog even wachten.)

Een warme nacht.

De volgende ochtend. (Hoe zit het met het haperen? Zal het vandaag wel gewoon goed gaan?)

(Volg gewoon de rivier in je, denk je, het komt wel goed.)

Je haalt haar op aan de trein. Je bent blij haar te zien. (Dit is nu en hier, hier begint het, telkens weer.)

In het museum. Dit keer heb je meer tijd om alles traag te zien. De fascinerende vrouw, bij het begin van de tentoonstelling. Hoe ze daar staat, misschien is ze een mysterie, ook voor zichzelf. Een foto maken van de lijst met de tekening is niet zo eenvoudig, door de spiegeling. (Er is gelukkig ook een kaart met de vrouw in het rood en haar zwarte hoed.)

De dag beweegt rustig verder, je bent terug in je huid, denk je. (Je bent blij.)

Je kijkt naar de plant. (Er is een kans dat hij het zal halen, hoop je. Wachten in het hier en nu.)

(Toen. Toen hoorde je dat je ziek was. Pas later zou je echt beseffen hoe fout het had kunnen gaan. De dagen van dit moment, elk jaar, ze wachten op jouw ritueel, denk je. En dat is goed. Dat je mag eren dat je in dit leven mocht blijven.)

(Met afstand. Denk aan de buik als een handicap. Je bent niet je handicap.)

Een andere dag. Je bent ook blij met een hele dag helemaal alleen thuis. Je zult je stem niet horen.

Je werkt de bespreking van het boek af. Je beantwoordt de mails die nog wachtten. (Die nota mag nog even wachten.) Je gaat even liggen. Je begint in het nieuwe boek.

(De rivier is weer dichtbij.)

Die avond werk je de nota af. (Zo hoef je op je scherm niet te zien hoe de ene dictator de rode loper uitrolt voor de andere. Alleen al het idee maakt je misselijk.) Je krijgt een bericht van je zus, dat je snel moet kijken naar de streaming. Je ziet je nicht staan zingen en dansen, in het koor bij die band, op het grote festival. (Je bent zo blij en trots haar te zien.) Je stuurt haar een berichtje.

In je droom heb je een gesprek met Bob Dylan. Je zegt hem dat je zijn fototoestel nog terug moet geven. Hij zegt dat dat wel goed komt, want jullie zijn vrienden.

Een andere dag. Boodschappen doen. Straks je vrienden ontvangen.

(Je moet nadenken over wat je zult antwoorden op de brief, die ondertussen op je tafel ligt.)

(Zou het kunnen dat de plant er heel voorzichtig een beetje beter uit begint te zien?)

(Elke dag is er een hier en nu.)

15 augustus 2025

Familielexicon


Hoe beschrijf je de plek die een familie is? Hoe laat je de wereld daarbuiten al of niet binnenkomen? In het meer dan geweldige Familielexicon van de Italiaanse Natalia Ginzburg (heel erg goed vertaald door Jan van der Haar in de reeks privé-domein) wordt de oefening gedaan via de taal. Het verzamelen en herhalen van manieren van spreken, uitdrukkingen, woorden, omschrijvingen, grappen, beledigingen van een bruisende groep familieleden, dat is het organiserend mechanisme van dit boek dat beweegt tussen roman en autobiografische vertelling. Het is het verhaal van een familie, gezien en georganiseerd door de jongste telg ervan. Op de achtergrond zien we het opkomend fascisme in Italië en de gruwel van de oorlog. Maar het gezichtspunt blijft dat van de jongste dochter die naar haar familie kijkt en daarbij heel veel dingen niet zegt. Wie dit boek oppervlakkig leest, denkt misschien dat het vooral over jeugdherinneringen gaat in een flamboyante familie, met veel ingehouden humor beschreven. Als je beter kijkt, zie je hoe slim de vorm van dit boek is.

Natalia Ginzburg groeit op in een druk gezin, met een Joodse vader en een van oorsprong katholieke moeder. Vader werkt als wetenschapper en is heel aanwezig, met oordelen over alles en iedereen. Het hele gezin moet mee in zijn passies, zoals lange wandeltochten in de bergen. Zijn vrouw is van aard veel opgewekter. De twee lijken de hele tijd te bekvechten, maar kunnen duidelijk ook niet zonder elkaar. Het huis is een kruispunt van ontmoetingen en verhalen. Als lezer volg je wat er gebeurt in de microkosmos die de familie is in de periode voor, tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog. De familie woont, na enkele omzwervingen, in Turijn. De wereld daarbuiten verandert. Het Italiaanse fascisme komt op. Mussolini komt, gevolgd door de Duitse bezetting.

Het is fascinerend om de ontwikkelingen in de buitenwereld te zien vanuit de binnenwereld die deze familie is. Je ziet bekende historische figuren verschijnen en weer verdwijnen, bijna anoniem, terwijl je beseft dat ze moeten onderduiken. Bijna laconiek wordt in zeer korte vermeldingen beschreven wat er gebeurt in de buitenwereld. De familie is op een vanzelfsprekende manier antifascistisch. Dat krijg je niet te horen in grote beschouwingen of spannende verhalen. Je hoort uitspraken van vader of moeder, als bijna achteloze commentaren of een zoveelste tirade. Je ziet hoe de kinderen op een bijna ongemerkte manier in het verzet zijn gekomen, en zich dan moeten schikken naar de consequenties, zoals: leven buiten Italië. De vader verliest zijn werk in Turijn, moet ineens naar Luik, wat precies vooral een praktisch probleem is. Familieleden moeten in interne ballingschap.

De grote kracht van dit boek zit niet alleen in de fascinerende en beangstigende gebeurtenissen op zich of in de erg kleurrijke belevenissen van een groep luidruchtige familieleden, maar misschien wel vooral in de vorm ervan. De ik-verteller, die samenvalt met Natalia Ginzburg, vertelt het verhaal van haar familie, maar doet dat niet zomaar met de kennis en de woorden van de volwassen vrouw die terugblikt en ondertussen begrijpt, kan duiden, interpreteren en in- en uit kan zoomen. Ze vertelt wel nadien, maar doet dat schijnbaar met de blik van het kind dat op het moment naar de familierituelen kijkt, en misschien niet altijd kan vatten wat er werkelijk gebeurt (binnen en buiten) en niet weet of kan weten wat er wel en niet gezegd wordt tegen haar.

Ginzburg schrijft geweldig goed, met een heel directe en levendige stijl, zonder al te veel opsmuk. Je wordt er als lezer onmiddellijk in mee getrokken. Het verhaal wordt georganiseerd rond die eindeloze reeks van uitdrukkingen die de verschillende familieleden typeren. Ze zorgen voor ritme in de tekst en voegen ook erg veel liefdevolle humor toe. Het is ongelooflijk knap haar tekst opbouwt. Als lezer geef je je over aan de stroom van de tekst, voel je je gecharmeerd, maar besef je ook dat je jezelf eraan moet herinneren dat er in de buitenwereld die permanent de binnenwereld aanraakt vreselijke dingen gebeuren.

Bij het lezen begin je zo ook steeds beter te zien hoe de ik-verteller Natalia het verhaal organiseert. Dat wil niet zeggen dat ze dingen verzint die niet echt gebeurd zijn, zoals ze zelf zegt in de inleiding. De kleine Natalia was als nakomertje vaak een nauwelijks opgemerkt lid van die drukke familie. Ze lijkt zelf heel weinig te zeggen, wordt ook nauwelijks naar haar mening gevraagd. Ze observeert. Maar zij is het wel die het hele familielexicon bij elkaar puzzelt en daarmee ook organiseert hoe we als lezer de hele familie zien. Ze blijft bij de plek die de familie is, noteert wat er van buiten naar binnen komt. Daarbij valt het op hoe ze over haar eigen geschiedenis soms nauwelijks iets zegt. Dat merk je onder meer bij wat ze vertelt over haar eerste man Leone Ginzburg. Dat ze elkaar leren kennen, kinderen krijgen, dat ze omwille van zijn actieve antifascistisch verzet in interne ballingschap moet, het lijken allemaal dingen die een beetje op de achtergrond gebeuren. Het lijkt soms alsof je meer details krijgt over hoe Natalia’s moeder bezig is met haar kleinkinderen. Dat Leone, na de val van Mussolini teruggekeerd naar Rome daar uiteindelijk door de nazi’s werd doodgemarteld wordt heel erg kort vermeld. Als lezer krijg je te zien wat zij wil dat we zien.

Familielexicon is een heel bijzonder en schitterend boek. Op een onnavolgbare wijze laat Natalia Ginzburg zien hoe een familie een plek een kruispunt is van relaties en interacties tussen de binnen- en de buitenwereld. Die worden georganiseerd via taal. Een lexicon van die taalbewegingen zou een soort handleiding kunnen zijn om het familieverhaal te leren kennen en te decoderen. Het is een herinneringsboek dat – zo zegt de auteur het in de inleiding – moet gelezen worden als een roman. Het is de romancier die via taal organiseert wat we wel en niet te zien krijgen. Via dat verhaal krijg je als lezer tegelijk een unieke inkijk in een erg pijnlijke wrede periode uit de Italiaanse geschiedenis, waarbij de keuze voor de kant van het antifascistisch verzet een vanzelfsprekende positie lijkt. Het frisse en vaak geestige boek laat op een heel eigen manier zien dat je als familie voor die positie ook een zware prijs kunt betalen.