06 juni 2015

Doe maar klein

Tussendoor nog denken aan de muzikant, hoog op dat podium, met zijn cello. De muziek daalt langzaam neer in je lichaam. En neemt je over.

Verhalen, te vertellen.

Je aarzelt even. Even is het alsof.

Dat stukje dat je daarvoor had gemaakt, eerder die dag. Misschien valt het niet op, hoe moeilijk het was om dat te schrijven. Dat is goed.

Iets maakt je rusteloos. Een beetje. Mensen die vertrekken, je weet niet hoe dat moet.

En tegelijk is het alsof je het beter ziet, hoe het is.

Die ochtend zit je te wachten in de wachtkamer van de dokter. Het duurt lang bij de man die voor je is. Er is iets aan de hand. De dokter heeft net vernomen dat haar schoonvader is overleden, en vertrekt. Haar vervangster komt eraan, en roept je binnen. Het is alsof je je schaamt, omdat je er nog bent.

Iets beweegt onder je huid. Tussen het zoveelste en het zoveelste uur.

Na het debat probeer je iets te zeggen aan iemand. Je bent verlegen.

Misschien verlang je naar kleine bewegingen, denk je onderweg.

Later, in het donker, liggend, denk je: de nacht zou trager mogen gaan liggen, en me voorzichtiger meenemen.

Je moet de discussie modereren. In die grote statige zaal. Je ziet jezelf op de monitor. Die man ziet er oud en lelijk uit. Je schrikt een beetje. Je probeert nog meer op je stem te letten. De woorden en zinnen in het Engels zorgvuldig uitspreken. En zo dichtbij blijven.

Je wenst iemand een goede reis. Het is belangrijk dat dat gebeurt.

Iets blijft bewegen onder je huid.

Dromen.

Schroomvol vraag je aan je kinesiste of ze eens extra naar je nek kan kijken. Die zit vast aan een kant, zo blijkt. Ze maakt hem weer los. Losser. Je had het haar ook eerder al kunnen vragen, denk je.

Je zit in een vergadering met een collega die je al een tijd niet meer zag. Je zou nog wel even willen napraten, maar dat gaat niet. Je zag dat je haar verjaardag niet had in je agenda. Hoe doe je dat? Aan iemand, als was het achteloos, vragen: wanneer verjaar jij eigenlijk? Dat had je dus willen vragen. In een moment van grote dapperheid stuur je nadien toch nog een mail. Met die vraag.

Je schrijft een stukje. Je schrikt ervan hoe de woorden uit je hoofd lijken te stromen. In een ononderbroken geut. (Je was dan ook een beetje kwaad, die ochtend, blijkbaar.)

De ochtend van de warme dag. Op de markt is het nog stil. Iets hangt in de lucht, iedereen voelt het.

Je probeert iets uit te leggen aan een dierbare vriendin. Het lukt je niet echt. Ligt waarschijnlijk aan jezelf. Niet dat het zo belangrijk is, maar het laat iets van machteloosheid achter. Je denkt na.
Sommige woorden blijven door je hoofd gaan.

Even naar het park aan de overkant. Iets met jurkjes. Zelfs in de schaduw is het te drukkend voor jou.

Toch maar vroeger naar huis. De koele stenen vloer doet je goed.

Het onweer trekt voorbij. Je herinnert je weer hoe je met je grootvader aan het raam stond te kijken naar het onweer. Je hoofd onder het glasgordijn door. En het verschil tussen bliksem en weerlicht.

Na de vergadering weer thuis. Nog enkele flitsen in de verte.

Dromen.

De dag trager beginnen, had je je voorgenomen.

In de winkel niet goed durven vragen hoe dat nu eigenlijk zit met die maten. Er zullen wel mensen zijn die al die verschillende systemen netjes kunnen onthouden, en in alle gevallen weten wat hun maat is. Gelukkig zie je een jongen die je kent en die in de winkel werkt. Zo kun je toch, weer als was het achteloos, iets vragen over die maten. Hij geeft je meteen het juiste advies, zo blijkt.

Iets tussen traag verdriet en rusteloosheid.

Voorzichtig de plantjes verpotten.

Zoeken naar verhalen.

Kijken.

Verder lezen in je boek.

Iets beweegt onder je huid.

Geen opmerkingen: