16 november 2024

Afwezigheid


Je leest het boek over afwezigheid. (Hoewel die vertaling niet helemaal weergeeft hoe de woorden essence en absence werken.) En je ziet de dingen. Niet dat je alles kunt vatten, maar dat is het net, denk je. Dat dat niet hoeft.

Mooi hoe je intuïties hebt, hoe je lang over dingen kunt nadenken, nog voor je de woorden ervoor hebt. En hoe je dan veel later iets leest waardoor je beseft dat je toen, zo lang geleden, iets had gezien.

Je ziet nog hoe je bezig was, met die grote tekeningen, meer dan veertig jaar geleden. Hoe je nadacht over het verschil tussen zijn en worden. Hoe je uitkwam bij: worden = zijn.

Hoe je, door dat boek, nu nog beter begrijpt wat je toen dacht, of zag. Ook iets over een god. Een god die een zijn zou zijn dat boven het worden stond, en dat die gedachte niet in jou paste.

Het eindeloze worden, van het ene in het andere. In die eindeloze beweging is er een zijn. In die eindeloze verandering verdwijnt dat wat is niet. Al is wat is niet iets of iemand.

Hoe je al sinds toen intuïtief zocht naar metaforen die jou iets zeiden over wat je aanvoelde. Hoe je bij het water kwam, de rivier en de zee. De golf als het verlangen van de zee.

Dat je de grens niet kunt zien tussen de golf en de rest van de zee. En dat dat een bevrijdende gedachte is.

Dat je na je dood zult verdwijnen in je geliefden. Dat je terug uit elkaar zult vallen in die stukken waar al het andere ook van gemaakt is. En dat dat genoeg is.

Dat de leegte die je zoekt en voelt soms in zekere zin vol is. Niet het er niet zijn van iets of iemand.

Hoe je soms alleen water zou willen zijn.

Hoe je soms niets zou willen zijn, niet gevat in een woord (het ene of het andere). Zonder woorden die in je huid geschreven zijn.

Je dacht er nog aan. Je hoorde haar vorige week nog vertellen, hoe ze als schrijver gefascineerd is door het beeld van het vrouwelijk lichaam als een landschap.

Hoe je het haar zou willen vragen, hoe ze kijkt naar woorden die in een lichaam geschreven zijn.

Hoe je eindeloos nadacht over het beeld van het landschap, vroeger. Hoe het landschap zich alles zou herinneren. Elke voetstap.

Hoe je tegelijk wel kunt verlangen naar een plek. Hoe je dat al een heel leven doet.

Een plek is een ergens. Je hoeft niet te weten waar hier overgaat in daar. Kunnen zeggen dat je ergens bent, en dat je daar kunt blijven, het is genoeg.

Moet je ooit een thuis gehad hebben om water te kunnen zijn? Dat antwoord ken je niet.

Zoals het water zich een thuis zou kunnen herinneren, zo zou je lichaam dat ook kunnen. Misschien.

Je kijkt naar je ontheemding. Misschien is het geen volle leegte. Misschien is het een ander soort afwezigheid.

Je probeerde het nog uit te leggen aan een vriendin. Je loopt vast in de woorden. (En misschien in angst of schaamte.) Maar ook in afwezigheid kun je zijn.

Misschien moet je in het water zijn om het te vertellen.

Misschien kun je water zijn. Waar je dan zou zijn, die plek, die vloeibare plek, die kun je zien, ergens, in je huid. Misschien is dat genoeg.

En je dacht nog aan onderweg zijn, altijd onderweg.

Je had er iets van begrepen, tijdens het concert van Bob. In hoe hij zijn nummers liet bewegen. In wat hij deed met de piano.

Het had misschien iets met jazz te maken. Of met schilderkunst. Je zag het ineens voor je.

En toen kreeg je dat mooie boek van een dierbare vriendin. Met zoveel tekeningen en schilderijen van Bob. En je zag ze bewegen. Onderweg. Een zijn in worden, altijd weer.

Je wou even blijven. En je zag dat liedje.

Mooi, hoe ze zingen samen. Hoe ze een beweging volgen, als in een trage dans. En je vraagt je af wat dat leven in die dikke buik hoort. Het leven, in het water.

Je keek naar het doosje naast je. Met je pennen en potloden. Met je kleine boeddhabeeldje. Met de slijper en de gom. Een plek die altijd met je mee reist. Je kunt er zomaar naar kijken.

Geen opmerkingen: