11 november 2024

Luna


Ik zag haar voor het eerst tijdens een bijeenkomst. Ik stond wat te snuffelen aan de boekenstand, en zij stond naast me. Zoals je in de trein graag wilt weten welk boek die persoon tegenover je aan het lezen is, wil je soms ook weten welke boeken iemand kiest uit de stapels die op een tafel liggen. Ze nam er die boeken uit die ik ook net al had bekeken of waarvan ik wist dat ik ze nog even zou bekijken voor ik weg zou gaan. Hoe dat juist werkt, weet ik nog altijd niet na al die jaren. Soms weet je dat je gewoon even moet wachten, tot een boek door jou gevonden kan worden. Of dat met mensen ook zo is, weet ik niet.

Het is belangrijk boeken even aan te kunnen raken. Heel voorzichtig natuurlijk. Soms is het vooral een soort strelen. Zij deed dat precies ook, zo leek het toch. Ik deed moeite om onopvallend te kijken. Maar misschien mag dat wel, een beetje kijken.

Ik weet niet of ik van het dappere type ben, als het gaat over mensen aanspreken. Maar ik hoorde mezelf zeggen dat ik dat boek dat zij net vast had heel goed vond. Ze keek me aan en glimlachte. Ze bleef net iets langer dan kort naar me kijken, en knikte. Ik ging nog even verder met een interne dialoog over dat boek dat ik al twee keer opgepakt en weer teruggelegd had. Ik wist eigenlijk al dat ik het zou kopen, maar het was nodig dit ritueel tot het einde te doorlopen.

Zij had ondertussen haar stapeltje betaald en kwam naar me toe. Of ik zin had in een koffietje, daar een beetje verder. Ik rekende mijn stapeltje af, en we gingen aan een rustig tafeltje zitten.

Luna, zo heette ze. Dat had iets te maken met een liedje, had haar vader haar ooit gezegd. Ik vroeg haar of het fijn is om een liedje te zijn. Ondertussen wel, zei ze. Haar vader was er al een tijdje niet meer, en het was een mooi verhaal geworden.

‘We waren eigenlijk wel goed samen, alleen had ik dat vaak niet door. Hij zei soms dat hij niet wist hoe hij een vader moest zijn, dat hij dat nooit gezien had bij zijn vader. Maar hij deed het wel goed, vond ik. Er was iets in zijn ogen, in hoe hij naar me keek. Dat was iets rustigs. Hij was mijn veilige plek. Ik besefte het pas echt toen hij er al niet meer was.’

Ik vroeg haar of ze zelf ook kinderen had. Ze vertelde dat ze een dochter had.

‘Je weet niet altijd wat je moet wensen voor je kind. Zelf heb ik de neiging om alles zo intens te voelen. Soms is het vermoeiend, maar het is ook wie ik ben. Als water of zo. Maar ik zie dat mijn dochter dat ook wel wat heeft, en dat is ingewikkeld. Ik wil haar het mooie volle leven laten zien, en ik wil haar tegelijk beschermen. Ik denk dat ze mij opvoedt in dat soort dingen.’

Ik vertelde haar iets over de kinderen die ik niet heb.

‘Op een of andere manier had ik dat aan je gezien, denk ik. Er is iets in hoe je staat, en in je ogen. Ik zou het niet kunnen uitleggen. Het was alsof ik voelde dat mijn dochter goed met jou zou kunnen opschieten.’

Ik bedankte haar voor dat geschenk, en deed mijn best mijn verlegenheid wat te verbergen. Ik zag dat ze haar koekje nog altijd niet had opgegeten. Misschien dacht ze dat ik dat koekje zou willen, maar het was gewoon een veilige plek om naar te kijken.

‘Stel dat ik je zou vragen om een verhaal te vertellen, wat zou je dan doen?’

Daarmee had ze een van mijn lievelingsvragen aan mij voorgelegd. Soms zou ik dat gewoon zo willen vragen aan iemand. Vertel eens een verhaal. Maar ik verpak dat meestal in een omwegvraag. Je kunt vooraf niet weten welk specifiek element of zo maakt dat je iemand wilt leren kennen. Die vraag zou wel zoiets kunnen zijn, dacht ik. Of wist ik.

Ik vertelde haar over die keer toen ik de oorlogsgraven had bezocht in de Westhoek. Dat had veel indruk op me gemaakt. Ook omdat ik toen niet alleen was daar. Er was een vriendin bij me. Die dag beseften we dat we gewoon graag bij elkaar waren. Er was iets dat we niet konden of wilden uitspreken. Als we het zouden zeggen, zou het weer weg zijn. Het was stil, in de trein terug. Het was op een bepaalde manier ook heel goed, omdat we iets wisten. Dat wat we niet zouden zeggen, zou er op een bepaalde manier altijd zijn, omdat het er toen was, op dat moment. En misschien was dat wel genoeg.

‘Dat is een mooi verhaal. Het is bijzonder dat je dat wilde delen met mij. Het doet me denken aan iets dat ik zelf meemaakte. Maar dat is een verhaal voor een andere keer, als die er komt. Het is wel een mooie gedachte, dat je altijd een verhaal overhoudt voor een ander.’

Ergens in haar ogen had ik een verdriet gezien. Ik vroeg haar om nog iets te vertellen over haar dochter. Ze vertelde me hoe haar dochter sliep, en hoe ze soms een hele tijd naast haar bed kon zitten kijken naar die slapende dochter. Je kijkt dan naar je dochter, je ziet iets van jezelf en je ziet tegelijk iemand die alleen zichzelf is, steeds meer. En in zekere zin zie je ook verhalen. Je kunt vermoeden dat er in dat hoofd zoveel dromen bewegen. Je ziet het aan die kleine bewegingen boven de ogen. Er zijn verhalen daar, denk je.

Ik vond het jammer dat ze moest vertrekken. Ze moest nog iets ophalen voor haar dochter, en dat kon niet wachten. Ik vroeg haar wat we moesten doen met die verhalen die nog wachtten. Ze glimlachte en knikte. Toen ging ze naar buiten. Ik zag hoe ze haar fiets losmaakte en nog even naar me omkeek voor ze vertrok.

Misschien zijn boeken een veilige plek in de wereld.

Geen opmerkingen: