(Misschien is je lichaam de plek die de schokken van de tijd opvangt. Of misschien passeren de rimpels op het water door je heen. Of misschien kun je alleen met dat lichaam in de tijd staan. Misschien kun je niet anders dan ademen in de tijd. Misschien kan het water alleen door je heen. En kun je kijken.)
(Soms maakt het je moe, dat alles door je heen moet. Soms weet je dat het de beste weg is. Om te oefenen in rivier.)
Je denkt nog aan het gesprek van de zondag. Iets over wat je te doen hebt, over dingen afsluiten. Iets over elke keer opnieuw je eigen plaats bedenken. En elke keer je vorm veranderen.
Je staat je les te geven. Dit keer zitten ze in een cirkel om je heen. (De pretoogjes van die ene vrouw, terwijl ze antwoordt. Het komt helemaal goed met haar, denk je.)
Die avond. Je geeft jezelf een beetje uit handen, in die meditatie. (Er gebeurt iets, het is goed.) (Je weet niet altijd hoeveel lagen je ziet.)
Een andere dag. (De dag van, en tegelijk de dag voor. De volgende dag zul je pas weten hoe het geweest is.)
Op weg naar de conferentie. In de bus. Je houdt ervan, hoe de hele wereld in die bus aanwezig is. Hier wil je wel zijn, denk je, in de hele wereld.
Je zit in het panel, probeert zo goed mogelijk te antwoorden. (Misschien zit Julia in de zaal, denk je.) Na het gesprek komen enkele jongeren je bedanken voor wat je gezegd hebt. (Misschien had je dit te doen, denk je.)
In de trein lees je in het boek over het oosterse denken, over afwezigheid.
Die avond, de onrust zit al in je lijf. Je wilt er niet aan toegeven, probeert dichter bij de rivier te komen.
De heel erg mooie documentaire over de dochter en de vader, hoe ze over elkaar spreken, hoe ze elkaar graag zien. Hoe ze in afstand de mooiste dingen zeggen over elkaar, hoe ze een beetje onwennig zijn in nabijheid.
De volgende ochtend. Je bent wakker net voor je radio aan zal springen. Je wacht. Alsof je in die paar minuten nog in een wereld kunt zijn waar het goed is. Alsof je lichaam weet wat je zo meteen zult horen. De radio springt aan. Wat je vreesde, het is aan het gebeuren, hoor je.
(Je lichaam vangt schokken op. Het is daarin geoefend, denk je. Je weet dat het helemaal door je heen zal moeten, je kunt het niet wegduwen.)
Je vergeet je een linnen tasje in de trein. (Het gebeurt je nooit, dat je iets vergeet. Je lichaam is in de war.)
Je probeert te werken, het lukt maar met mate. (Diplomatische uitdrukking.)
Je wachtte op enkele woorden, ze komen in een bericht. (Misschien had je de plek gezien, waar die woorden zouden komen.)
(Je lichaam schreeuwt iets als: ‘Ik haat mannen!’)
(Misschien zou je het moeten proberen, ooit. Beschrijven wat er onder je huid gebeurt. Daar waar je stroomt met de vrouwen. Niet alleen de weerzin, niet alleen de walging. Ook alles wat zich herhaalt in je. Het gebruik, de toe-eigening, het misprijzen, het nemen. Misschien ben je in een ander lichaam, misschien is het het jouwe. Een keten. Iets in je had zo gehoopt dat het hier en nu zou stoppen. Maar het is alsof er een grijns is: zie je wel, we kunnen gewoon doorgaan, we nemen wat we willen. “Whether the women like it or not.”) Het lijkt alsof je iets kunt begrijpen van wat zo eindeloos veel vrouwen moeten voelen. Je leest enkele analyses van vrouwen die exact verwoorden wat jij voelde. (Op een of andere manier is het goed om dat verdriet te voelen. Iets met afwezigheid, iets met aanwezigheid.)
Je krijgt een bericht. Zullen we alleen maar drijven, meer niet. Geen woorden. Alleen waterhuid.
(Je wilt voor een keer niet naar het nieuws kijken. Je kunt het niet aan om hem te moeten zien, de oranje man. Niet dat je weg zult blijven, maar heel even niet, denk je. Even niets, om te kunnen blijven.)
De avondvergaderingen. Het helpt dat je je even op iets anders kunt concentreren.
Een andere dag. Je hebt een lijstje in je hoofd. De wereld draait door.
(De schokken bewegen verder door je lichaam. Je kijkt.)
Een grote meid is nu echt groot geworden. Je bent blij voor haar. Je bent trots op haar. (Ik ga nooit weg, zou je willen zeggen. Ik zal er altijd zijn voor je, op een of andere manier. Ergens op de achtergrond of zo. Iets met aanwezigheid, iets met afwezigheid.)
Je neemt een trein terug die er net iets langer over doet. Zo kun je langer lezen in het boek. Over afwezigheid.
Je zit op de eerste rij in de schouwburg. De dansers op het podium komen zo dicht bij je dat ze je zouden kunnen aanraken. Je zou je willen verliezen in wat je ziet. Het duurt even. Het geluid van de blues, je denkt aan Robert Johnson. Ze zingt zo mooi, over die gitaar heen. De bewegingen vinden elkaar steeds meer. Ze worden samen een golf, samen de storm. Ze dansen en staan dicht bij je, je ziet alles, je ziet de bewegingen in hun huid. (Je voelt de rivier.)
Een andere dag. Een dierbare vriendin is jarig. (Nu zijn jullie weer even oud, voor even toch.)
Je werkt je lijstje verder af. Ergens halverwege valt je horloge stil. (Ben je nu uit of in de tijd gevallen?)
Je mist net die ene trein. De volgende heeft gelukkig geen vertraging. Je fietst naar je vergadering. Onderweg stop je nog om een nieuwe batterij in je horloge te laten steken. (Je bent weer bij de tijd.)
De vergadering. Het doet je goed om bij die mensen te zijn, voel je. Tegelijk lijkt iets van het gesprek op je te wegen. (Enkel rivier zou ook mogen, denk je.)
Je fietst
naar huis. Het huis wacht op je. De planten zijn blij je te zien.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten