Iemand gaf je een stapel brieven. Nog niet zo mooi als de Letters of Note, of de mooie vertaling van het boek ervan in het Nederlands. Maar toch, brieven dus. Ze zouden van iedereen kunnen zijn. En dat op de rand, waar de seizoenen kantelen. En het voordeel van brieven is dat je nooit op de radio zult horen: vandaag werd de stad afgesloten, door een overvloed aan brieven. Of het nu koopzaterdag, koopzondag of koopmaandag is, die woorden laten niets aan de verbeelding over. Ze zijn enkel letterlijk te begrijpen. Stel dat we zouden denken aan een maak-me-gelukkig-zaterdag, of een streel-me-zachtjes-zondag, of een laat-me-je-iets-vertellen-maandag. Het zou iets anders zijn. Een stapel brieven dus. En het begin van brieven, lieve brieven. Brieven die beginnen met lieve. De rest laat zich vermoeden, of verlangen.
Lieve X. Ik spreek je maar aan als X, omdat ik je naam niet ken. En na rijp beraad vond ik dat dat geen hinderpaal mocht zijn voor wat ik wilde doen: jou een brief schrijven. Ik weet niet zo goed of ik grote of kleine woorden moet kiezen voor jou. Ik weet eigenlijk helemaal niets. Alleen dat ik je een brief wilde schrijven. Eerst was ik van plan je een klein papiertje te geven, met daarop: ik vind je mooi, mag ik je een koffie aanbieden, dan kan ik je stem horen, voor meer dan drie woorden. Maar dat vond ik wel wat te riskant. Stel dat je liever thee drinkt. Maar op zo’n klein papiertje kun je niet beginnen met koffie/thee/witte wijn/appelsap, dan is het effect helemaal weg, en ga je af als een toeter. Als ik je zie, in de winkel, doe ik mijn best om een vraag te bedenken waarop je met meer dan drie woorden zult antwoorden, maar dat is me tot nu toe niet gelukt. Ik zag wel dat je de vorige keer de hele tijd met je hand door je haren ging, terwijl je die drie woorden zei. En toen dacht ik: misschien is dat wel een goed teken? Maar ik weet het dus eigenlijk niet. Alleen dat ik een brief wilde schrijven. En dat van die koffie, of wat dan ook, dat blijft natuurlijk gelden. En wat ik verder nog wou zeggen, ….
Lieve (…). Als je deze brief al geopend hebt, zul je wel afhaken op dat eerste woord. Lieve. Maar misschien lees je wel verder, tot hier, en nog verder. Na al die jaren, zul je zeggen, laat hij nog eens iets van zich horen. Ik zou dat ook kunnen zeggen, dat jij al die jaren niets hebt laten horen. We zullen wel allebei gelijk hebben. Als we nog jaren wachten, is het zeker te laat, dacht ik een hele tijd geleden. Het kan morgen al te laat zijn, denk ik nu. En ik wou je toch iets zeggen, voor het morgen is, en misschien te laat, dus. Mijn leven zou anders geweest zijn zonder jou. Minder. Ik had je dat toen moeten zeggen, toen het nog ging, toen het nog zin had. En ook al verwerp je al deze woorden, dat geeft niet. Ze staan er nu. Misschien zul jij aan ons denken als aan iets dat jou is overkomen, iets dat ik jou heb aangedaan. En al wil je dat niet, ik zou hetzelfde kunnen zeggen over jou. Maar dat heeft geen zin, had nooit zin. We zijn elkaar overkomen, laten we het daarop houden. En ik ben blij voor het mooie leven dat je hebt en had, zonder mij. Ik wou alleen dat je weet dat jij mijn rivier een beetje hebt verlegd, en daar ben ik je dankbaar voor. Net als voor de schrammen in mijn huid, ze zijn nooit weggegaan. En waarom zeg ik dit nu allemaal? Het zit zo, gisteren hoorde ik dat…
Lieve (…). Het is tijd dat we terugkeren. Terugkeren naar elkaar. Het verdriet duwde ons uit elkaar. Nu denk ik: het kon niet anders gaan dan het gegaan is. Toen dacht ik niets. Er was te veel pijn. Bij jou was het niet anders. We waren bezig elkaar te verscheuren, als wilde honden of zo. En ik denk, of ik weet: het gemis zal waarschijnlijk nooit over gaan. Er zal daar, tussen ons, altijd een zwart gat zijn. Het zal nooit weggaan. Maar het is ons zwart gat. Het heeft nu te veel macht over ons. En ik denk dat het enige antwoord is dat we leven, naast dat gat, steeds meer leven. En misschien zal het dan ooit niet meer worden dan een wat gammele lade in de keukenkast, waarvan we weten dat je die er een beetje voorzichtig uit moet trekken. Hoe raar het ook klinkt of voelt, ik denk dat we alleen bij elkaar kunnen schuilen, op een of andere manier. Wat denk je? Ik wou je graag het volgende voorstellen…
Lieve (…). Ik moet het bekennen. Soms wacht ik nog op je. Ik weet niet waarom, maar het is zo. Ik weet zelfs niet of ik het zou willen veranderen. Maar als je nu naast me zou komen zitten, en me zou vragen of je in mijn armen mocht kruipen, dan zou ik waarschijnlijk ja zeggen. Wachten, dat is het. Wachten op iets dat niet komt, zo voelde het vaak. En ik was blij toen dat voorbij was. Maar nu wacht ik soms dus nog op jou. Ik denk dat het voor jou anders is. Jij zei altijd dat ik beter ben in missen. Misschien is dat wel zo. Maar ik denk dat jij beter bent in vergeten. Soms zit ik door het raam te kijken, naar de wei hier achter het huis. Daar, een beetje verder, begint het bos. Daar gingen we vaak wandelen. En soms denk ik dat we daar op ons best waren, in dat bos. In beweging, omringd door bomen. Daar was het alsof onze gesprekken niet haperden. Hier, in het huis, was het zo vaak alsof een van ons net te dicht bij de ander was, en de woorden vielen stil. Ik denk dat we het wel wilden, jij en ik, heel erg zelfs, maar het ging niet. En vanmorgen herinnerde ik me nog die ene nacht, toen je zei…
20 december 2014
19 december 2014
Tijd voor Victoria
Dat dacht ik vanmiddag: het is hoog tijd voor Victoria. Eerder heb ik hier al stukjes geschreven over mijn ontmoetingen met Victoria. De zwarte mevrouw aan het raam, met die rode lampjes, in dat straatje dicht bij mijn werk. Een hele tijd geleden moest ik door wegenwerken elke dag een straatje omlopen, haar straatje. Wagner en Houellebecq, daar hield ze van. (Ik iets minder, om het heel vriendelijk te zeggen.) Omlopen moet ik al lang niet meer, en nu zijn ze ook in haar straat nieuwe asfalt aan het leggen. Maar aangezien het mijn laatste werkdag was voor dit jaar, leek het me wel een goed idee om nog eens te gaan wuiven naar Victoria. Zou ze me nog kennen?
Op weg naar de trein liep ik dus weer een straatje om. En daar zat ze, in het raam. Ze zat dit keer niet te lezen in Het Vaginaboek van Goedele Liekens. Ze was bezig in Godin, held, van Gustaaf Peek. Ik ben dat zelf ook aan het lezen. Het is, laten we zeggen, een wat heftig boek, wat de interlichamelijke transacties betreft. Ineens zag ze me staan, en ze herkende me meteen. Ze leek erg blij me te zien. (Ik vind dat altijd een beetje verwarrend, als mensen blij zijn mij te zien. Ik kijk dan steeds even achter me, om zeker te zijn dat het niet over iemand anders gaat.)
Ze gebaarde dat ik binnen moest komen. Eigenlijk was ik daar nog nooit geweest. De vorige keren had ik haar gezien in de trein, de schouwburg of een café. Nu stond ik binnen in haar werkplaats. De plek maakte me een beetje droevig. Al maakte die poster met een foto uit een dansvoorstelling van Pina Bausch veel goed. Ze had een transparant niemendalletje aan. Daarop waren kleine kerstlichtjes bevestigd. Dat had ze zelf gemaakt, met LED-lampjes, en een batterijtje ergens op haar rug. Haar outfit maakte me wat verlegen. Ik wou niet wegkijken, uit beleefdheid of zo. Ik weet niet waarom, maar doorheen dat stofje leek het alsof haar mooie zwarte lichaam er vermoeid uit zag. Ik vroeg haar toch maar om nog iets extra’s aan te doen, liefst zonder lichtjes.
Ik vroeg haar daarna of ze een zware werkdag had gehad, zo net voor de kerstvakantie.
‘Het viel wel mee eigenlijk. Weet je, veel mannen zijn eigenlijk watjes. Ze willen vooral een beetje gekoesterd worden. Ze willen een beetje tegen mij aan kruipen, een beetje voelen en een beetje kijken. En gewoon wat praten. Ik heb de indruk dat ze allemaal erg opzien tegen dat kerstfeest dat eraan komt. Al dat gedoe. Ze vertellen dat, en dan willen ze een beetje getroost worden. Maar ze vragen wel nooit aan mij hoe het met mij gaat. Dat zal wel logisch zijn, maar toch.’
Ik zei haar dat ik me moeilijk kon voorstellen dat iemand niet met haar zou willen praten. Al zou ik wel een beetje geen zin hebben in een hele avond praten over Wagner. Maar er zijn nog eindeloos veel andere interessante onderwerpen, zoals bv. de diepere zin van de horror die kerstmarkt heet. Ik voegde er nog aan toe dat haar ogen nog steeds mooi en onpeilbaar waren. Dat waren ze ook, maar ik vond dat ze tegelijk een beetje droeviger geworden waren. Maar dat zei ik er niet bij.
‘Dankjewel, dat is fijn om te horen, iemand die eens iets over mijn ogen zegt. Vandaag had ik wel zin in een babbel eigenlijk. Ik ben al de hele dag een beetje rusteloos. Excusez le mot, maar wat voor kutbeslissing is dat nu eigenlijk over die verlenging van die fucking kerncentrales? Ik begon erover tegen een van mijn klanten vanmorgen. Maar hij keek me aan met zo’n blik van: ik ben wel naar hier gekomen om naar uw borsten te kijken, niet voor een gesprek over politiek. Ik heb hem dan maar met zijn kop hier in mijn boezem geduwd, wat tot allerlei gelukzalige geluidjes aanleiding gaf. Goed voor hem, maar ik zat nog wel met dat gedoe in mijn hoofd.’
Ik wou net ook beginnen ratelen over die ongelooflijk domme beslissing, maar ze onderbrak me al meteen.
‘Stel je voor dat ik een bedrijf zou hebben. Iets van lingerie of zo, al dan niet met lichtjes. En ik zou een nieuw voertuigenpark nodig hebben. En dat ik dan zou beslissen om een paar van die oude Amerikaanse auto’s uit Havana te kopen, met als argument: die rijden al zoveel jaar, ze kunnen zeker nog wel wat langer rijden. En ook nog: zo’n auto, dat is een technologie die we kennen. En dat alles in de plaats van zo’n hippe bakfiets met elektrische ondersteuning. Die partijen in de regering, die willen dus oldtimers uit Havana als energiebeleid.’
Daar kon ik niets aan toevoegen. We zaten allebei te glimlachen, een beetje opgelucht, zoals wanneer je een goede vriend na lange tijd ineens weer tegenkomt. Ze had me ondertussen een stukje chocolade aangeboden, Melissa, mmmmm.
Ik vertelde haar dat ik wou langskomen om haar een mooie kerst te wensen. Ik ben niet zo kerstwenserig, niet zo kersterig ook niet trouwens, maar om een of andere reden ging dat door mijn hoofd, dat ik zo graag wou dat Victoria een mooie kerst zou hebben. Die woorden ontroerden haar. Ze streelde even mijn wang, heel zachtjes.
Ze vertelde me nog dat haar liefde voor Houellebecq wel sterk bekoeld was. En qua muziek zat ze nu meer in een Haydnperiode.
Ik vroeg haar of ik haar niet van haar werk afhield. Ze zei me dat ze eigenlijk van plan was bijna te stoppen voor vandaag. Ik kwam als het ware als een geschenk uit de hemel. En dus liepen we even later samen naar het station. Ze had haar arm in de mijne gehaakt.
‘Doe jij dat ook zo graag? Ik wel. En ik kan het zo weinig. Mensen kijken je al vaak na, terwijl dat toch gewoon heel fijn en veilig is.’
Ik vroeg haar nog of ze met die nieuwe uurregeling van de NMBS al een zicht had op welke treinen de grootste kans gaven op vrije zitplaatsen. Ze had net als ik de indruk dat het belangrijkste gevolg van dat nieuwe schema was dat alle treinen korter geworden waren.
In de trein vertelde ze me nog even iets over haar angst om verliefd te worden. Niet zozeer op een van haar klanten, maar gewoon in de wereld daarbuiten. Ze had wel iets stoers, maar tegelijk was ze ook gevoelig, bang om nog eens gekwetst te worden. En ik wou haar nog vertellen over de dingen die in mezelf aan het veranderen zijn, nu ik bijna vijftig ben, maar we waren ineens al in Leuven. Ik moest eruit, zij moest nog een stuk verder.
Er was nog net tijd voor een warme knuffel. Ik wenste haar nog eens een mooie kerst toe, en stapte uit de trein. Ze zwaaide me van achter het raampje nog even na, en toen vertrok de trein. De duisternis in.
Op weg naar de trein liep ik dus weer een straatje om. En daar zat ze, in het raam. Ze zat dit keer niet te lezen in Het Vaginaboek van Goedele Liekens. Ze was bezig in Godin, held, van Gustaaf Peek. Ik ben dat zelf ook aan het lezen. Het is, laten we zeggen, een wat heftig boek, wat de interlichamelijke transacties betreft. Ineens zag ze me staan, en ze herkende me meteen. Ze leek erg blij me te zien. (Ik vind dat altijd een beetje verwarrend, als mensen blij zijn mij te zien. Ik kijk dan steeds even achter me, om zeker te zijn dat het niet over iemand anders gaat.)
Ze gebaarde dat ik binnen moest komen. Eigenlijk was ik daar nog nooit geweest. De vorige keren had ik haar gezien in de trein, de schouwburg of een café. Nu stond ik binnen in haar werkplaats. De plek maakte me een beetje droevig. Al maakte die poster met een foto uit een dansvoorstelling van Pina Bausch veel goed. Ze had een transparant niemendalletje aan. Daarop waren kleine kerstlichtjes bevestigd. Dat had ze zelf gemaakt, met LED-lampjes, en een batterijtje ergens op haar rug. Haar outfit maakte me wat verlegen. Ik wou niet wegkijken, uit beleefdheid of zo. Ik weet niet waarom, maar doorheen dat stofje leek het alsof haar mooie zwarte lichaam er vermoeid uit zag. Ik vroeg haar toch maar om nog iets extra’s aan te doen, liefst zonder lichtjes.
Ik vroeg haar daarna of ze een zware werkdag had gehad, zo net voor de kerstvakantie.
‘Het viel wel mee eigenlijk. Weet je, veel mannen zijn eigenlijk watjes. Ze willen vooral een beetje gekoesterd worden. Ze willen een beetje tegen mij aan kruipen, een beetje voelen en een beetje kijken. En gewoon wat praten. Ik heb de indruk dat ze allemaal erg opzien tegen dat kerstfeest dat eraan komt. Al dat gedoe. Ze vertellen dat, en dan willen ze een beetje getroost worden. Maar ze vragen wel nooit aan mij hoe het met mij gaat. Dat zal wel logisch zijn, maar toch.’
Ik zei haar dat ik me moeilijk kon voorstellen dat iemand niet met haar zou willen praten. Al zou ik wel een beetje geen zin hebben in een hele avond praten over Wagner. Maar er zijn nog eindeloos veel andere interessante onderwerpen, zoals bv. de diepere zin van de horror die kerstmarkt heet. Ik voegde er nog aan toe dat haar ogen nog steeds mooi en onpeilbaar waren. Dat waren ze ook, maar ik vond dat ze tegelijk een beetje droeviger geworden waren. Maar dat zei ik er niet bij.
‘Dankjewel, dat is fijn om te horen, iemand die eens iets over mijn ogen zegt. Vandaag had ik wel zin in een babbel eigenlijk. Ik ben al de hele dag een beetje rusteloos. Excusez le mot, maar wat voor kutbeslissing is dat nu eigenlijk over die verlenging van die fucking kerncentrales? Ik begon erover tegen een van mijn klanten vanmorgen. Maar hij keek me aan met zo’n blik van: ik ben wel naar hier gekomen om naar uw borsten te kijken, niet voor een gesprek over politiek. Ik heb hem dan maar met zijn kop hier in mijn boezem geduwd, wat tot allerlei gelukzalige geluidjes aanleiding gaf. Goed voor hem, maar ik zat nog wel met dat gedoe in mijn hoofd.’
Ik wou net ook beginnen ratelen over die ongelooflijk domme beslissing, maar ze onderbrak me al meteen.
‘Stel je voor dat ik een bedrijf zou hebben. Iets van lingerie of zo, al dan niet met lichtjes. En ik zou een nieuw voertuigenpark nodig hebben. En dat ik dan zou beslissen om een paar van die oude Amerikaanse auto’s uit Havana te kopen, met als argument: die rijden al zoveel jaar, ze kunnen zeker nog wel wat langer rijden. En ook nog: zo’n auto, dat is een technologie die we kennen. En dat alles in de plaats van zo’n hippe bakfiets met elektrische ondersteuning. Die partijen in de regering, die willen dus oldtimers uit Havana als energiebeleid.’
Daar kon ik niets aan toevoegen. We zaten allebei te glimlachen, een beetje opgelucht, zoals wanneer je een goede vriend na lange tijd ineens weer tegenkomt. Ze had me ondertussen een stukje chocolade aangeboden, Melissa, mmmmm.
Ik vertelde haar dat ik wou langskomen om haar een mooie kerst te wensen. Ik ben niet zo kerstwenserig, niet zo kersterig ook niet trouwens, maar om een of andere reden ging dat door mijn hoofd, dat ik zo graag wou dat Victoria een mooie kerst zou hebben. Die woorden ontroerden haar. Ze streelde even mijn wang, heel zachtjes.
Ze vertelde me nog dat haar liefde voor Houellebecq wel sterk bekoeld was. En qua muziek zat ze nu meer in een Haydnperiode.
Ik vroeg haar of ik haar niet van haar werk afhield. Ze zei me dat ze eigenlijk van plan was bijna te stoppen voor vandaag. Ik kwam als het ware als een geschenk uit de hemel. En dus liepen we even later samen naar het station. Ze had haar arm in de mijne gehaakt.
‘Doe jij dat ook zo graag? Ik wel. En ik kan het zo weinig. Mensen kijken je al vaak na, terwijl dat toch gewoon heel fijn en veilig is.’
Ik vroeg haar nog of ze met die nieuwe uurregeling van de NMBS al een zicht had op welke treinen de grootste kans gaven op vrije zitplaatsen. Ze had net als ik de indruk dat het belangrijkste gevolg van dat nieuwe schema was dat alle treinen korter geworden waren.
In de trein vertelde ze me nog even iets over haar angst om verliefd te worden. Niet zozeer op een van haar klanten, maar gewoon in de wereld daarbuiten. Ze had wel iets stoers, maar tegelijk was ze ook gevoelig, bang om nog eens gekwetst te worden. En ik wou haar nog vertellen over de dingen die in mezelf aan het veranderen zijn, nu ik bijna vijftig ben, maar we waren ineens al in Leuven. Ik moest eruit, zij moest nog een stuk verder.
Er was nog net tijd voor een warme knuffel. Ik wenste haar nog eens een mooie kerst toe, en stapte uit de trein. Ze zwaaide me van achter het raampje nog even na, en toen vertrok de trein. De duisternis in.
14 december 2014
Nog moeilijke vragen
Een gesprek met de vrienden. Moeilijke vragen komen ter sprake, zoals: kun je aan je vrienden alles vertellen? Voel je je bij die ander onvoorwaardelijk vrij om te zeggen wat je denkt? Hoe ga je om met de reserves die je kunt voelen tegenover een ander? Wat met de dingen waarover je je schaamt? Hoe doe je dat in de vriendschap? En hoe in de liefde? Bewegend op de lijn tussen de vriendschap en de liefde zou je kunnen zeggen: ja en neen.
Hoe spreek je jezelf toe in de spiegel? Op een zondagochtend? En op een maandagochtend? De lijnen lopen een beetje anders. En als je midden in de nacht even opstaat, kijk je nooit in de spiegel. Waarom niet? Alsof je die plek wilt vasthouden waar er geen tijd is, alleen het idee van een nacht die nog eindeloos zou kunnen duren. En je eigen beeld zou de echte wereld te dichtbij brengen?
Waarom kunnen de kleinste haperingen je soms het meest uit balans brengen? Zoals dat ene kleine sms-bericht dat op een of andere manier vast zat tussen twee dimensies van je gsm. Officieel aanwezig, maar nergens te vinden of te lezen. Je machteloos voelen tegenover een apparaat, en niet weten wat te doen. Na het zoeken van de handleiding de aan/uit-knop vinden, en na het opnieuw aanzetten vaststellen dat alle berichtjes niet meer door elkaar staan, en dat je dat ene kunt lezen. Daarna met een gerust hoofd kunnen gaan slapen. Grote rampen zul je ongetwijfeld wel overleven.
Soms niet weten of je in principe alles nog mag verlangen wat enigszins redelijk lijkt, of dat je preventief al dingen los zou moeten laten? Ja natuurlijk mag dat, is het gemakkelijke antwoord.
Hoe doe je dat, leren uit wat er gebeurd is? (Je bent al een heel leven aan het oefenen, overigens.) Proberen te begrijpen wat er gebeurde. Dingen zien die je tevoren niet zag. Je oprecht voornemen om het anders te doen. Proberen te oefenen in dat anders. Om het uiteindelijk een beetje anders te doen. En je afvragen of dat leren was.
Natuurlijk kwaad zijn op jezelf omdat je bepaalde dingen niet weet tijdens de quiz. Officieel met jezelf hebben afgesproken dat dat, vanzelfsprekend, niet erg is. Zelfs allerlei technische verklaringen hebben, zoals: het was een lange dag, ik ben al moe. En je uiteindelijk toch afvragen of het niet erg is dat je sommige dingen niet weet die je om een of andere reden had moeten weten.
Weet je ooit of je genoeg brieven hebt geschreven? Soms zie je ze voor je ogen liggen, terwijl je in een koude nacht weer naar huis fietst. In die brieven staan de dingen die je zou willen of moeten zeggen tegen die of die. Misschien is het voor de loop van de wereldgeschiedenis niet zo erg als die brieven nooit geschreven worden. Misschien is het erg voor wat had kunnen zijn. (In die brieven die je denkt heb je trouwens ook altijd een heel mooi handschrift.)
Wil je het eigenlijk weten of je een spoor zult nalaten na je dood? Officieel niet natuurlijk.
Als je al een boek zou kunnen schrijven, waarom zou je het dan zo moeilijk vinden om te schrijven over ‘slechte’ personages of karaktertrekken? Is dat meer dan een teken van je onvermijdelijke onvolwassenheid?
Is het erg dat het echt niet lukt om die namen van planten en dieren te onthouden? (Niet als er anderen zijn in je quizploeg die dat wel weten.)
Wordt het aantal moeilijke vragen verondersteld groter te worden met het ouder worden, of net niet? En hoe kun je dat weten?
Is het nodig je tekst zo lang te maken als je je had voorgenomen? Ook als je denkt dat je een beetje moe begint te worden, en toch eigenlijk ook wel graag in de zetel zou willen gaan liggen. Met een klein glaasje wijn. Of zoiets.
Hoe spreek je jezelf toe in de spiegel? Op een zondagochtend? En op een maandagochtend? De lijnen lopen een beetje anders. En als je midden in de nacht even opstaat, kijk je nooit in de spiegel. Waarom niet? Alsof je die plek wilt vasthouden waar er geen tijd is, alleen het idee van een nacht die nog eindeloos zou kunnen duren. En je eigen beeld zou de echte wereld te dichtbij brengen?
Waarom kunnen de kleinste haperingen je soms het meest uit balans brengen? Zoals dat ene kleine sms-bericht dat op een of andere manier vast zat tussen twee dimensies van je gsm. Officieel aanwezig, maar nergens te vinden of te lezen. Je machteloos voelen tegenover een apparaat, en niet weten wat te doen. Na het zoeken van de handleiding de aan/uit-knop vinden, en na het opnieuw aanzetten vaststellen dat alle berichtjes niet meer door elkaar staan, en dat je dat ene kunt lezen. Daarna met een gerust hoofd kunnen gaan slapen. Grote rampen zul je ongetwijfeld wel overleven.
Soms niet weten of je in principe alles nog mag verlangen wat enigszins redelijk lijkt, of dat je preventief al dingen los zou moeten laten? Ja natuurlijk mag dat, is het gemakkelijke antwoord.
Hoe doe je dat, leren uit wat er gebeurd is? (Je bent al een heel leven aan het oefenen, overigens.) Proberen te begrijpen wat er gebeurde. Dingen zien die je tevoren niet zag. Je oprecht voornemen om het anders te doen. Proberen te oefenen in dat anders. Om het uiteindelijk een beetje anders te doen. En je afvragen of dat leren was.
Natuurlijk kwaad zijn op jezelf omdat je bepaalde dingen niet weet tijdens de quiz. Officieel met jezelf hebben afgesproken dat dat, vanzelfsprekend, niet erg is. Zelfs allerlei technische verklaringen hebben, zoals: het was een lange dag, ik ben al moe. En je uiteindelijk toch afvragen of het niet erg is dat je sommige dingen niet weet die je om een of andere reden had moeten weten.
Weet je ooit of je genoeg brieven hebt geschreven? Soms zie je ze voor je ogen liggen, terwijl je in een koude nacht weer naar huis fietst. In die brieven staan de dingen die je zou willen of moeten zeggen tegen die of die. Misschien is het voor de loop van de wereldgeschiedenis niet zo erg als die brieven nooit geschreven worden. Misschien is het erg voor wat had kunnen zijn. (In die brieven die je denkt heb je trouwens ook altijd een heel mooi handschrift.)
Wil je het eigenlijk weten of je een spoor zult nalaten na je dood? Officieel niet natuurlijk.
Als je al een boek zou kunnen schrijven, waarom zou je het dan zo moeilijk vinden om te schrijven over ‘slechte’ personages of karaktertrekken? Is dat meer dan een teken van je onvermijdelijke onvolwassenheid?
Is het erg dat het echt niet lukt om die namen van planten en dieren te onthouden? (Niet als er anderen zijn in je quizploeg die dat wel weten.)
Wordt het aantal moeilijke vragen verondersteld groter te worden met het ouder worden, of net niet? En hoe kun je dat weten?
Is het nodig je tekst zo lang te maken als je je had voorgenomen? Ook als je denkt dat je een beetje moe begint te worden, en toch eigenlijk ook wel graag in de zetel zou willen gaan liggen. Met een klein glaasje wijn. Of zoiets.
12 december 2014
Paraplugeloof
Striemende wind en regen. Je hebt iets met paraplu’s. Of beter: je hebt iets niet met paraplu’s. (Zelf heb je er geen, en dat zal ook altijd zo blijven.) Zo vaak moet je opzij springen om te voorkomen dat je een paraplu van een ander in je ogen krijgt, een nadeel van lang zijn, ongetwijfeld. En het is toch ook wel een beetje asociaal, hoe mensen met van die megaparaplu’s in hun eentje een heel voetpad innemen. Dat soort dingen. Maar wat je wel ontroert, is het paraplugeloof. Mensen die met een naïef geloof in de gerichte selectiviteit van de natuurkrachten met hun paraplu door de storm wandelen. En telkens heel verbaasd zijn als die onmiddellijk binnenstebuiten plooit, of gewoon sowieso plooit, stukplooit. Sommigen zijn hardleers in het geloof. Op enkele tientallen meters proberen ze het verschillende keren opnieuw, telkens met hetzelfde resultaat. Het is wel aandoenlijk, eigenlijk.
Een bezoek in het ziekenhuis. Een nieuwe afdeling. Om weer buiten te kunnen, moet je een code indrukken. Even ben je bang dat men je wil houden daar. Welk stuk van je gammele lijf zou er dan moeten gerevalideerd worden?
Een heel erg mooi concert. Het maakt je een beetje verlegen, om allerlei redenen. Het schitterende gewaad van de oude man op het podium, een van de muzikanten, is niet helemaal praktisch. Hij staat daar heel erg sierlijk te dansen, terwijl de anderen nauwelijks bewegen. (Ze hebben misschien ook al eens gezien hoe Bob Dylan dat doet, die microscopische bewegingen…) Het gewaad is voor een statige houding, denk je, niet voor die wonderlijke handbewegingen die hij maakt. Maar het geeft niet. Dat de blues niets zou te maken hebben met deze muziek, het kan niet.
In de categorie een beetje heel erg onnozel. Het lijstje maken met de nieuwe treinuren. Stuk voor stuk vaststellen dat er niets is veranderd tegenover de oude regeling. Op het perron staan en het raar vinden dat men nog altijd omroept dat de treinuren gaan veranderen, want dat is toch al gebeurd, voorbije maandag. Aan anderen stellig beweren dat er niets verandert voor jouw lijn. En dan ineens vaststellen dat je je een week vergist hebt. In je hoofd zat: de treinuren veranderen op een stakingsmaandag. En zo maar, onbewust, niet het verschil gemaakt hebben in je hoofd tussen een provinciale en een nationale stakingsdag. Onaanvaardbaar, vanzelfsprekend… Een beetje te belachelijk en onbetekenend om uit te leggen, en toch schaam je je een beetje.
In de categorie bijzonder kleine ergernissen. Je doet altijd je best om netjes het stapeltje oud papier samen te binden. Je gaat het ook nooit de avond tevoren buiten zetten, maar altijd keurig vroeg in de ochtend. Het enige waar je altijd tegenop ziet, is als het waspoeder op is. Dat kleine kartonnen doosje is stevig, je kunt het niet zomaar in elkaar plooien. En als je dat toch doet, of als je het gewoon al voorzichtig boven op de stapel legt om daarna het touwtje er vakkundig omheen te spannen, komt er altijd nog een laatste zucht waspoeder uit gevallen. Iets als een boterham die altijd op de verkeerde kant valt.
En in de categorie heel erg onnozel, en de subcategorie gelukkig is dit niet op film vastgelegd. Je hebt een handige bergruimte net naast de keuken. Op het schap staat een bakje met de uien. Naast dat bakje staat steeds het gietertje voor de planten. (Sommige mensen zeggen dat je enigszins goed georganiseerd bent, dus alles staat op een vaste plaats.) Tijdens het koken wil je snel nog even een ui nemen. Enigszins te laat merken dat daarbij de tuit van de gieter in je mouw schuift. Terug op weg naar je pan ineens doorkrijgen dat er een gieter in je mouw hangt. Het water spat alle kanten uit. (Waarom zat er toch nog zoveel water in, denk je.) In die fractie van een seconde zie je het allemaal gebeuren, en je kunt niets doen. Je probeert de gieter te pakken, en daarbij loopt de straal water in je mouw helemaal door tot aan je oksel. Les één: zet de gieter (vanaf nu) altijd met de tuit naar de muurkant. Les twee: het is tijd dat het kerstvakantie is.
Een bezoek in het ziekenhuis. Een nieuwe afdeling. Om weer buiten te kunnen, moet je een code indrukken. Even ben je bang dat men je wil houden daar. Welk stuk van je gammele lijf zou er dan moeten gerevalideerd worden?
Een heel erg mooi concert. Het maakt je een beetje verlegen, om allerlei redenen. Het schitterende gewaad van de oude man op het podium, een van de muzikanten, is niet helemaal praktisch. Hij staat daar heel erg sierlijk te dansen, terwijl de anderen nauwelijks bewegen. (Ze hebben misschien ook al eens gezien hoe Bob Dylan dat doet, die microscopische bewegingen…) Het gewaad is voor een statige houding, denk je, niet voor die wonderlijke handbewegingen die hij maakt. Maar het geeft niet. Dat de blues niets zou te maken hebben met deze muziek, het kan niet.
In de categorie een beetje heel erg onnozel. Het lijstje maken met de nieuwe treinuren. Stuk voor stuk vaststellen dat er niets is veranderd tegenover de oude regeling. Op het perron staan en het raar vinden dat men nog altijd omroept dat de treinuren gaan veranderen, want dat is toch al gebeurd, voorbije maandag. Aan anderen stellig beweren dat er niets verandert voor jouw lijn. En dan ineens vaststellen dat je je een week vergist hebt. In je hoofd zat: de treinuren veranderen op een stakingsmaandag. En zo maar, onbewust, niet het verschil gemaakt hebben in je hoofd tussen een provinciale en een nationale stakingsdag. Onaanvaardbaar, vanzelfsprekend… Een beetje te belachelijk en onbetekenend om uit te leggen, en toch schaam je je een beetje.
In de categorie bijzonder kleine ergernissen. Je doet altijd je best om netjes het stapeltje oud papier samen te binden. Je gaat het ook nooit de avond tevoren buiten zetten, maar altijd keurig vroeg in de ochtend. Het enige waar je altijd tegenop ziet, is als het waspoeder op is. Dat kleine kartonnen doosje is stevig, je kunt het niet zomaar in elkaar plooien. En als je dat toch doet, of als je het gewoon al voorzichtig boven op de stapel legt om daarna het touwtje er vakkundig omheen te spannen, komt er altijd nog een laatste zucht waspoeder uit gevallen. Iets als een boterham die altijd op de verkeerde kant valt.
En in de categorie heel erg onnozel, en de subcategorie gelukkig is dit niet op film vastgelegd. Je hebt een handige bergruimte net naast de keuken. Op het schap staat een bakje met de uien. Naast dat bakje staat steeds het gietertje voor de planten. (Sommige mensen zeggen dat je enigszins goed georganiseerd bent, dus alles staat op een vaste plaats.) Tijdens het koken wil je snel nog even een ui nemen. Enigszins te laat merken dat daarbij de tuit van de gieter in je mouw schuift. Terug op weg naar je pan ineens doorkrijgen dat er een gieter in je mouw hangt. Het water spat alle kanten uit. (Waarom zat er toch nog zoveel water in, denk je.) In die fractie van een seconde zie je het allemaal gebeuren, en je kunt niets doen. Je probeert de gieter te pakken, en daarbij loopt de straal water in je mouw helemaal door tot aan je oksel. Les één: zet de gieter (vanaf nu) altijd met de tuit naar de muurkant. Les twee: het is tijd dat het kerstvakantie is.
07 december 2014
Zondagsfragmenten
Misschien is het wel altijd zo. Misschien voel je het gewoon meer op een lege zondag, wanneer de trage melancholie mee de ruimte draagt. Fragmenten. Je bent fragmenten. Brokken. Niet brokken van jezelf, maar je bent zelf brokken. Alleen in het verhaal dat je over jezelf vertelt, is het alsof je de contouren van een zelf zou kunnen onderscheiden.
Het ritme van de voorbije weken loopt gewoon door, ergens in je lichaam. Alsof je er gewoon naar kunt kijken, alsof het niet het jouwe is. Als naar een weg. Als je lang genoeg zou blijven staan, en gewoon kijken, zou de weg misschien terug naar je toe komen, en in je verdwijnen. Als.
Restanten van een te korte nacht. Als relicten onder je huid. Ergens in gekrast. Het moet slijten. Door rivierwater.
Tijd hebben om tijd te verliezen. Een beetje doelloos op zoek gaan. Dansfilmpjes kijken. Merken hoe de beelden allerlei plekken in jou raken die lagen te wachten. Een beetje in de war.
De grote maan, de heldere hemel, de koude vorige nacht. Ze schuiven nog af en toe even door je hoofd. (Je merkt het, hoe er heel veel heen en weer schuift in je hoofd. De lege zondag was een uitnodiging misschien.) Hoe het was om door het donker te fietsen. Soms nog altijd ineens even twijfelen of er wel een thuis is waar je naartoe gaat. In die flits denken dat de sleutel niet zal passen, dat iemand het je zal zeggen dat het alleen maar in je hoofd bestond, die plek. Pas goed en wel weer binnen, thuis, vaststellen dat de sleutel die je hebt toch blijkt te passen op het slot van de plek waarvan je dacht dat ze de jouwe was. Is.
Kijken naar een filmpje over een cantate. Later diezelfde cantate nog eens op CD beluisteren. Je trekt je terug in die grote stoel, in de hoek van de kamer. Lekker naast de verwarming. Je laat jezelf een beetje naar achter kantelen, trekt de voetensteun naar omhoog. (Even denk je dat je oud geworden bent, snel daarna denk je dat dat er niets mee te maken heeft.) Je sluit je ogen, en doet niets anders dan luisteren. Het is alsof iets je komt helen. Je schrikt.
De was ophangen. Sommige dingen gaan gewoon door.
Soms loop je even verloren in de kamer. Iets zegt je: je moet niet weg, je mag gewoon blijven, de hele dag.
Ze komen allemaal door je hoofd. Je ziet hen, allemaal, helemaal. Het is alsof ze iets zeggen. Het is alsof het gewoon is.
Je probeert niet te letten op de pijn. Dat is een goed idee.
Zomaar de tijd hebben om alle weekendkranten helemaal tot het einde te lezen. Tot ze op zijn. Het is alsof iemand je komt bezoeken, na een lange tijd.
(Even had je nog gehoopt dat alle fragmenten, netjes onder elkaar afgesproken, een voor een zouden komen, zo mogelijk zelfs met korte tussenpauzes. Zo is het niet.)
Je neerleggen. De goede houding zoeken. Iets aarzelt, alsof je bang bent voor de slaap.
Je schrikt van het geluid van een berichtje. Iets uit de wereld daarbuiten.
Tussendoor. Huiderigheid. In de war.
Terug het warme plekje in de hoek. Met het boek, dat dagenlang op je wachtte. Je moet weer even dichterbij komen. Het boek gaat voor je open. Allerlei beelden van de dag zoeken hun weg.
Kijken naar de regen buiten. Het is alsof iets in de plooi valt.
Nagaan of de aardappelen al gaar zijn. Bijna. Nog even heen en weer lopen. Beelden van een fietstocht in een land ver weg. Wat is het mooi daar. Ze zijn gaar. Nu nog even bakken in de pan. Je merkt niet eens dat het een zondagroutine is. De dingen van de avond, ze komen dichterbij. Ze stellen je gerust.
(De fragmenten hebben zich verzameld. Overzichtelijk.)
En nog even de planten water geven. Daarna alleen de woorden nog.
Het ritme van de voorbije weken loopt gewoon door, ergens in je lichaam. Alsof je er gewoon naar kunt kijken, alsof het niet het jouwe is. Als naar een weg. Als je lang genoeg zou blijven staan, en gewoon kijken, zou de weg misschien terug naar je toe komen, en in je verdwijnen. Als.
Restanten van een te korte nacht. Als relicten onder je huid. Ergens in gekrast. Het moet slijten. Door rivierwater.
Tijd hebben om tijd te verliezen. Een beetje doelloos op zoek gaan. Dansfilmpjes kijken. Merken hoe de beelden allerlei plekken in jou raken die lagen te wachten. Een beetje in de war.
De grote maan, de heldere hemel, de koude vorige nacht. Ze schuiven nog af en toe even door je hoofd. (Je merkt het, hoe er heel veel heen en weer schuift in je hoofd. De lege zondag was een uitnodiging misschien.) Hoe het was om door het donker te fietsen. Soms nog altijd ineens even twijfelen of er wel een thuis is waar je naartoe gaat. In die flits denken dat de sleutel niet zal passen, dat iemand het je zal zeggen dat het alleen maar in je hoofd bestond, die plek. Pas goed en wel weer binnen, thuis, vaststellen dat de sleutel die je hebt toch blijkt te passen op het slot van de plek waarvan je dacht dat ze de jouwe was. Is.
Kijken naar een filmpje over een cantate. Later diezelfde cantate nog eens op CD beluisteren. Je trekt je terug in die grote stoel, in de hoek van de kamer. Lekker naast de verwarming. Je laat jezelf een beetje naar achter kantelen, trekt de voetensteun naar omhoog. (Even denk je dat je oud geworden bent, snel daarna denk je dat dat er niets mee te maken heeft.) Je sluit je ogen, en doet niets anders dan luisteren. Het is alsof iets je komt helen. Je schrikt.
De was ophangen. Sommige dingen gaan gewoon door.
Soms loop je even verloren in de kamer. Iets zegt je: je moet niet weg, je mag gewoon blijven, de hele dag.
Ze komen allemaal door je hoofd. Je ziet hen, allemaal, helemaal. Het is alsof ze iets zeggen. Het is alsof het gewoon is.
Je probeert niet te letten op de pijn. Dat is een goed idee.
Zomaar de tijd hebben om alle weekendkranten helemaal tot het einde te lezen. Tot ze op zijn. Het is alsof iemand je komt bezoeken, na een lange tijd.
(Even had je nog gehoopt dat alle fragmenten, netjes onder elkaar afgesproken, een voor een zouden komen, zo mogelijk zelfs met korte tussenpauzes. Zo is het niet.)
Je neerleggen. De goede houding zoeken. Iets aarzelt, alsof je bang bent voor de slaap.
Je schrikt van het geluid van een berichtje. Iets uit de wereld daarbuiten.
Tussendoor. Huiderigheid. In de war.
Terug het warme plekje in de hoek. Met het boek, dat dagenlang op je wachtte. Je moet weer even dichterbij komen. Het boek gaat voor je open. Allerlei beelden van de dag zoeken hun weg.
Kijken naar de regen buiten. Het is alsof iets in de plooi valt.
Nagaan of de aardappelen al gaar zijn. Bijna. Nog even heen en weer lopen. Beelden van een fietstocht in een land ver weg. Wat is het mooi daar. Ze zijn gaar. Nu nog even bakken in de pan. Je merkt niet eens dat het een zondagroutine is. De dingen van de avond, ze komen dichterbij. Ze stellen je gerust.
(De fragmenten hebben zich verzameld. Overzichtelijk.)
En nog even de planten water geven. Daarna alleen de woorden nog.
06 december 2014
Mompelen
Het overkomt je soms. Een artikel in de krant zien en lichtjes beginnen zieden. Zodanig zelfs dat je het niet helemaal door kunt lezen. Dan maar eerst boodschappen gaan doen. Terwijl de hele tijd zinnen door je hoofd laten gaan, als antwoord. Hoe rusteloos het je maakt. Dan uiteindelijk, bij het middageten, nog maar eens een poging doen om het helemaal tot het einde te lezen. De enige manier om de lichtjes trillende handen onder controle te krijgen, is die reactie toch maar uitschrijven en opsturen naar de krant. Zo is ze een beetje uit je systeem en kun je dat lang verhoopte middagdutje gaan doen.
De mooie mevrouw in de winkel. Je bent een van de eerste klanten. De computer die de producten moet scannen doet het niet. De methode ‘gewoon even aan- en uitzetten’ doet het nog altijd goed, zo zal blijken. Dus enkele minuten staan wachten, aan beide kanten van de toog. Een beetje tot verlegenheid aanzettend, en een beetje ook wel fijn. Het apparaat doet het weer, je kunt betalen, en het is weer voorbij. Zelfs een beetje jammer.
Na het werk snel naar die ene plek fietsen, voor de uitreiking van de prijs. Een erg ontroerende film, over een jongen met één been in Baghdad die graag wil voetballen en zich Messi waant. Daarna een receptie. Je doet je best om te netwerken en zo. Daarna naar huis, met je hoofd bij een rustige avond. Meer dan halfweg ineens beseffen dat je fiets nog aan de zaal staat. Een beetje mompelend teruggaan. Zouden mensen het aan je zien? Zouden ze denken: wat een loser! Of het toch wel een beetje schattig vinden?
Nog even denken aan het mooie concert waar je met haar naartoe ging. En dat je toch even die rolstoel mocht duwen op de kasseien. Wel handig eigenlijk, iemand meenemen in een rolstoel. Je krijgt meteen een goede plek. Zij krijgt meteen een dekentje, jij niet. Je herinnert je veel, zoals hoe gemakkelijk het is en was om samen met haar onnozel te doen. En andere dingen, die je een beetje verlegen maken. Tijdens het concert denk je ineens: we zijn groot geworden.
Horen dat een groot klein meisje je toch wel een beetje raar vindt. En dat wel een fijne gedachte vinden.
Er zijn van die programma’s op de televisie waarin dochters vertellen hoe ze zich schamen om hun moeders, die iets te veel hun best doen om er sexy uit te zien, om het vriendelijk te zeggen. In de trein komt er ineens een mevrouw binnen die in dat programma had kunnen zitten. Ze lijkt een pak jaartjes ouder dan jij. Wat is dat een rare rode pluim die ze in haar geblondeerde haar heeft zitten. Is dat zwarte kleedje niet een beetje kort? Ze doet haar jas uit en gaat zitten. Ze heeft werkelijk gigantische borsten. Die worden gepresenteerd aan de wereld in een eveneens werkelijk gigantische decolleté. Iedereen doet zijn best om allerlei kanten uit te kijken. Zij kijkt de hele tijd rond met een blik van ‘heb je mij gezien?’ In het algemeen ben je wel voorstander van borsten, maar je bent toch blij dat je uit mag stappen, de koude avond in. Hopelijk duikt ze niet op in een van je nachtmerries.
Die nieuwe dekbedovertrek slaapt wel lekker. Even denk je nog: ik moet dat aan iemand melden. Waarom, dat weet je niet.
Na het werk naar huis hollen om te beginnen met het koken voor de vriendin die je hebt uitgenodigd. Als een gelukkig kind staan kijken naar hoe er mooie bruine korstjes komen op de kaassaus boven op je lasagne. Denken: hee, dit kan ik ook. Of zoiets. Andermaal vaststellen dat je er niet aan kunt wennen dat iemand een beetje te laat komt. Dan maar verder kijken naar hoe er meer van die korstjes komen, ook wel leuk eigenlijk.
’s Ochtends vroeg op de markt een vrij hevige discussie over de staking. Van ‘ik ga niet staken’ over ‘het is toch veel te ver gegaan allemaal’ tot ‘die gevangenen hebben veel te veel luxe’. Op dat uur van de dag ben je normaal alleen in staat tot een beetje beleefd mompelen, met voorzichtige kaakbewegingen. Je mond moet nu andere dingen doen, en zeggen dat je het helemaal niet eens bent met de twee mevrouwen. Al snel is er een consensus dat zowat alle gevangenen die geen moordenaars zijn wel televisie mogen hebben. Het is een begin…
Een verhaal lezen dat je erg verdrietig maakt. Je zou iets voor haar willen kunnen doen dat op een of andere manier voelt als nabijheid.
Tijdens de vergadering, ze is zelfs nog maar pas bezig, in een verre stad. Je buik maakt allerlei rommelende geluiden. Anderen stellen lachend vragen, of je honger hebt of zo? Je antwoordt ook lachend, dat het geen honger is, maar normaal en zo. Terwijl reken je in je hoofd uit hoeveel uur het nog duurt eer je veilig en wel thuis zult zijn. En weet je dat iets onherroepelijk zal zijn.
De mooie mevrouw in de winkel. Je bent een van de eerste klanten. De computer die de producten moet scannen doet het niet. De methode ‘gewoon even aan- en uitzetten’ doet het nog altijd goed, zo zal blijken. Dus enkele minuten staan wachten, aan beide kanten van de toog. Een beetje tot verlegenheid aanzettend, en een beetje ook wel fijn. Het apparaat doet het weer, je kunt betalen, en het is weer voorbij. Zelfs een beetje jammer.
Na het werk snel naar die ene plek fietsen, voor de uitreiking van de prijs. Een erg ontroerende film, over een jongen met één been in Baghdad die graag wil voetballen en zich Messi waant. Daarna een receptie. Je doet je best om te netwerken en zo. Daarna naar huis, met je hoofd bij een rustige avond. Meer dan halfweg ineens beseffen dat je fiets nog aan de zaal staat. Een beetje mompelend teruggaan. Zouden mensen het aan je zien? Zouden ze denken: wat een loser! Of het toch wel een beetje schattig vinden?
Nog even denken aan het mooie concert waar je met haar naartoe ging. En dat je toch even die rolstoel mocht duwen op de kasseien. Wel handig eigenlijk, iemand meenemen in een rolstoel. Je krijgt meteen een goede plek. Zij krijgt meteen een dekentje, jij niet. Je herinnert je veel, zoals hoe gemakkelijk het is en was om samen met haar onnozel te doen. En andere dingen, die je een beetje verlegen maken. Tijdens het concert denk je ineens: we zijn groot geworden.
Horen dat een groot klein meisje je toch wel een beetje raar vindt. En dat wel een fijne gedachte vinden.
Er zijn van die programma’s op de televisie waarin dochters vertellen hoe ze zich schamen om hun moeders, die iets te veel hun best doen om er sexy uit te zien, om het vriendelijk te zeggen. In de trein komt er ineens een mevrouw binnen die in dat programma had kunnen zitten. Ze lijkt een pak jaartjes ouder dan jij. Wat is dat een rare rode pluim die ze in haar geblondeerde haar heeft zitten. Is dat zwarte kleedje niet een beetje kort? Ze doet haar jas uit en gaat zitten. Ze heeft werkelijk gigantische borsten. Die worden gepresenteerd aan de wereld in een eveneens werkelijk gigantische decolleté. Iedereen doet zijn best om allerlei kanten uit te kijken. Zij kijkt de hele tijd rond met een blik van ‘heb je mij gezien?’ In het algemeen ben je wel voorstander van borsten, maar je bent toch blij dat je uit mag stappen, de koude avond in. Hopelijk duikt ze niet op in een van je nachtmerries.
Die nieuwe dekbedovertrek slaapt wel lekker. Even denk je nog: ik moet dat aan iemand melden. Waarom, dat weet je niet.
Na het werk naar huis hollen om te beginnen met het koken voor de vriendin die je hebt uitgenodigd. Als een gelukkig kind staan kijken naar hoe er mooie bruine korstjes komen op de kaassaus boven op je lasagne. Denken: hee, dit kan ik ook. Of zoiets. Andermaal vaststellen dat je er niet aan kunt wennen dat iemand een beetje te laat komt. Dan maar verder kijken naar hoe er meer van die korstjes komen, ook wel leuk eigenlijk.
’s Ochtends vroeg op de markt een vrij hevige discussie over de staking. Van ‘ik ga niet staken’ over ‘het is toch veel te ver gegaan allemaal’ tot ‘die gevangenen hebben veel te veel luxe’. Op dat uur van de dag ben je normaal alleen in staat tot een beetje beleefd mompelen, met voorzichtige kaakbewegingen. Je mond moet nu andere dingen doen, en zeggen dat je het helemaal niet eens bent met de twee mevrouwen. Al snel is er een consensus dat zowat alle gevangenen die geen moordenaars zijn wel televisie mogen hebben. Het is een begin…
Een verhaal lezen dat je erg verdrietig maakt. Je zou iets voor haar willen kunnen doen dat op een of andere manier voelt als nabijheid.
Tijdens de vergadering, ze is zelfs nog maar pas bezig, in een verre stad. Je buik maakt allerlei rommelende geluiden. Anderen stellen lachend vragen, of je honger hebt of zo? Je antwoordt ook lachend, dat het geen honger is, maar normaal en zo. Terwijl reken je in je hoofd uit hoeveel uur het nog duurt eer je veilig en wel thuis zult zijn. En weet je dat iets onherroepelijk zal zijn.
05 december 2014
Hoor wie klopt daar
Ik schrijf een beetje stilletjes, want terwijl ik dit zit te schrijven, zit, of beter ligt hij hiernaast in de kamer. Hij stond ineens voor mijn deur. Kloppen deed hij niet, wel gewoon aanbellen. Ik heb zo’n bel met een cameraatje, zodat je kunt zien wie er voor de deur staat. En daar stond hij, Sinterklaas, voor mijn deur. Of hij even binnen mocht komen, dat vroeg hij.
‘Het spijt me dat ik u stoor, Jan, maar ik weet dat u een goed mens bent. Toch meestal op vrijdagavond. Het zit zo, ik ben ontsnapt. Ontsnapt aan mezelf eigenlijk. En aan de pieten. Die pieten doen tegenwoordig trouwens hun best om zich regelmatig te wassen. Zo kun je zien dat ze onder het roet alle kleuren hebben: wit, bruin, zwart, geel. Heel divers, en dus heel gewoon eigenlijk. Maar daar gaat het nu niet over.’
Ik stond me af te vragen wat ik nu moest aanbieden aan de sint. Maar hij loste mijn probleem meteen zelf op.
‘Zou ik u mogen vragen om de gordijnen te sluiten. Niemand hoeft te weten dat ik hier ben. Ik had in het boek gelezen dat u niet erg onder de indruk bent van protocol en toestanden, dat heeft u geleerd van Julia waarschijnlijk. Ik heb Julia nog goed gekend trouwens, prachtige vrouw. Maar ook daar gaat het niet over nu. Wat ik eigenlijk graag zou willen, is gewoon even hier bij u in de zetel komen zitten, zo met mijn voeten daar op dat kussentje, en onder uw dekentje, waarover ik al veel gelezen heb in uw stukjes. En dan naar Thuis kijken. Daarna vertrek ik weer natuurlijk. Ik heb nog heel veel werk te doen, maar ik had zo’n zin om er even tussenuit te knijpen.’
Dat was vanzelfsprekend geen probleem. Ik vroeg me af of de sint de hele tijd dat grote ding op zijn hoofd laat staan, en of dat niet vervelend is soms. Hij had het al afgezet en legde het op het salontafeltje. Zijn staf had hij tegen de CD-kast gezet. Of hij niet iets wilde eten? Ik had nog een stuk veggie lasagne over van mijn etentje van gisterenavond. En in het kader van de strijd tegen de voedselverspilling is het toch goed om iedereen in te schakelen.
‘O ja, als dat zou kunnen. Weet u, als we zo op tocht zijn met het speelgoed, is het toch wel vaak fastfood. En als ik thuis ben, wil de kok mij altijd vlees doen eten, omdat hij denkt dat ik daardoor beter oud zal worden. Maar ik eet eigenlijk veel liever gewoon veggie. Veel lekkerder. En ook beter voor de ecologische voetafdruk.’
Hij vroeg of hij dat ook in de zetel mocht opeten, bij de televisie, net als ik. Daar had hij al altijd zo’n zin in gehad. En daar zat hij dan te eten. Ik had hem toch maar een keukenhanddoek gegeven, bij wijze van megaslabbetje, om zijn mooie pak te beschermen. Het was wel een geweldig zicht. Terwijl liep het journaal nog.
‘Nou, Fabiola, die heb ik ook goed gekend. Veel mee gelachen trouwens. Zij kwam me altijd grapjes in het oor fluisteren. Die kan ik vanzelfsprekend niet onthullen. Iets met het colloque singulier of zoiets, ik kan dat nooit onthouden.’
Ik had hem ook een klein glaasje wijn gegeven. Hij nipte er voorzichtig aan. Een dessertje wou hij niet. Iets met zijn lijn of zo. Ik zei hem nog dat je met zo’n kleed aan niet goed kunt zien of hij wat te dik was.
‘Vindt u dat trouwens ook niet raar, die uitdrukking die je soms hoort van vrouwen, zo van: mijne vent staat dik. Alsof het een soort waterstand is of zo.’
Ik zag aan hem dat hij zich klaar begon te maken voor Thuis. Hij installeerde zich helemaal, met het dekentje. Hij zag er volmaakt gelukkig uit.
Net ben ik toch maar even gaan kijken hiernaast. Ik had de indruk dat Thuis al voorbij was, en van hem hoorde ik niets meer. Bleek dat hij lag te slapen. Met een klein snurkje zelfs. Hij zag er gelukzalig uit.
Ik ga hem nog even laten liggen, maar daarna zal ik hem toch maar wakker maken. De pieten zullen zich misschien al veel zorgen maken ondertussen. De verleiding is groot om even in zijn boek te gaan kijken. En – ik weet niet of ik dat eigenlijk wel mag onthullen – het grote boek van Sinterklaas is tegenwoordig een tablet. Maar ik ga dat toch maar niet doen. Sommige geheimen moet je onaangetast laten. (Iets waar ik overigens goed in ben.)
Ik heb wel een beetje te doen met hem eigenlijk. Het is allemaal gemakkelijk gezegd, dat ‘we zullen allemaal langer moeten werken’, maar je zult toch maar de sint zijn. Ik zal hem een van mijn sjaals meegeven. Zo heeft hij altijd lekker warm, want tijdens de tocht van de sint over de daken is er ook altijd wel veel tocht. Flauwe woordspeling, ik weet het, maar het is ook al vrijdagavond, en ik ben stilaan toe aan kerstvakantie.
Terwijl ik dit zit te schrijven staat er een cd op van Leonard Cohen. Volgens mij hebben die elkaar ook nog goed gekend, al zou ik niet kunnen uitleggen waarom ik dat denk.
En dan zal ik hem nu maar wakker gaan maken.
‘Het spijt me dat ik u stoor, Jan, maar ik weet dat u een goed mens bent. Toch meestal op vrijdagavond. Het zit zo, ik ben ontsnapt. Ontsnapt aan mezelf eigenlijk. En aan de pieten. Die pieten doen tegenwoordig trouwens hun best om zich regelmatig te wassen. Zo kun je zien dat ze onder het roet alle kleuren hebben: wit, bruin, zwart, geel. Heel divers, en dus heel gewoon eigenlijk. Maar daar gaat het nu niet over.’
Ik stond me af te vragen wat ik nu moest aanbieden aan de sint. Maar hij loste mijn probleem meteen zelf op.
‘Zou ik u mogen vragen om de gordijnen te sluiten. Niemand hoeft te weten dat ik hier ben. Ik had in het boek gelezen dat u niet erg onder de indruk bent van protocol en toestanden, dat heeft u geleerd van Julia waarschijnlijk. Ik heb Julia nog goed gekend trouwens, prachtige vrouw. Maar ook daar gaat het niet over nu. Wat ik eigenlijk graag zou willen, is gewoon even hier bij u in de zetel komen zitten, zo met mijn voeten daar op dat kussentje, en onder uw dekentje, waarover ik al veel gelezen heb in uw stukjes. En dan naar Thuis kijken. Daarna vertrek ik weer natuurlijk. Ik heb nog heel veel werk te doen, maar ik had zo’n zin om er even tussenuit te knijpen.’
Dat was vanzelfsprekend geen probleem. Ik vroeg me af of de sint de hele tijd dat grote ding op zijn hoofd laat staan, en of dat niet vervelend is soms. Hij had het al afgezet en legde het op het salontafeltje. Zijn staf had hij tegen de CD-kast gezet. Of hij niet iets wilde eten? Ik had nog een stuk veggie lasagne over van mijn etentje van gisterenavond. En in het kader van de strijd tegen de voedselverspilling is het toch goed om iedereen in te schakelen.
‘O ja, als dat zou kunnen. Weet u, als we zo op tocht zijn met het speelgoed, is het toch wel vaak fastfood. En als ik thuis ben, wil de kok mij altijd vlees doen eten, omdat hij denkt dat ik daardoor beter oud zal worden. Maar ik eet eigenlijk veel liever gewoon veggie. Veel lekkerder. En ook beter voor de ecologische voetafdruk.’
Hij vroeg of hij dat ook in de zetel mocht opeten, bij de televisie, net als ik. Daar had hij al altijd zo’n zin in gehad. En daar zat hij dan te eten. Ik had hem toch maar een keukenhanddoek gegeven, bij wijze van megaslabbetje, om zijn mooie pak te beschermen. Het was wel een geweldig zicht. Terwijl liep het journaal nog.
‘Nou, Fabiola, die heb ik ook goed gekend. Veel mee gelachen trouwens. Zij kwam me altijd grapjes in het oor fluisteren. Die kan ik vanzelfsprekend niet onthullen. Iets met het colloque singulier of zoiets, ik kan dat nooit onthouden.’
Ik had hem ook een klein glaasje wijn gegeven. Hij nipte er voorzichtig aan. Een dessertje wou hij niet. Iets met zijn lijn of zo. Ik zei hem nog dat je met zo’n kleed aan niet goed kunt zien of hij wat te dik was.
‘Vindt u dat trouwens ook niet raar, die uitdrukking die je soms hoort van vrouwen, zo van: mijne vent staat dik. Alsof het een soort waterstand is of zo.’
Ik zag aan hem dat hij zich klaar begon te maken voor Thuis. Hij installeerde zich helemaal, met het dekentje. Hij zag er volmaakt gelukkig uit.
Net ben ik toch maar even gaan kijken hiernaast. Ik had de indruk dat Thuis al voorbij was, en van hem hoorde ik niets meer. Bleek dat hij lag te slapen. Met een klein snurkje zelfs. Hij zag er gelukzalig uit.
Ik ga hem nog even laten liggen, maar daarna zal ik hem toch maar wakker maken. De pieten zullen zich misschien al veel zorgen maken ondertussen. De verleiding is groot om even in zijn boek te gaan kijken. En – ik weet niet of ik dat eigenlijk wel mag onthullen – het grote boek van Sinterklaas is tegenwoordig een tablet. Maar ik ga dat toch maar niet doen. Sommige geheimen moet je onaangetast laten. (Iets waar ik overigens goed in ben.)
Ik heb wel een beetje te doen met hem eigenlijk. Het is allemaal gemakkelijk gezegd, dat ‘we zullen allemaal langer moeten werken’, maar je zult toch maar de sint zijn. Ik zal hem een van mijn sjaals meegeven. Zo heeft hij altijd lekker warm, want tijdens de tocht van de sint over de daken is er ook altijd wel veel tocht. Flauwe woordspeling, ik weet het, maar het is ook al vrijdagavond, en ik ben stilaan toe aan kerstvakantie.
Terwijl ik dit zit te schrijven staat er een cd op van Leonard Cohen. Volgens mij hebben die elkaar ook nog goed gekend, al zou ik niet kunnen uitleggen waarom ik dat denk.
En dan zal ik hem nu maar wakker gaan maken.
Abonneren op:
Posts (Atom)