‘En hoe kijk je nu naar je dochter?’
‘Ze is geweldig natuurlijk, wat zou ik anders kunnen zeggen. Maar ik zie de dingen die ik niet goed gedaan heb. Als ik was geweest wie ik nu ben, zou ik het beter gedaan hebben.’
‘Denk je dat?’
‘Ja, ik denk het wel. Ik heb voor zoveel dingen zelf zoveel tijd nodig gehad om mezelf een beetje op orde te krijgen. Ik kan nu naar mezelf kijken, en rustig zien wat ik doe en hoe ik het doe. Het is niet meer zo dat de dingen die gebeurd zijn bepalen wat ik doe, of toch minder.’
‘Eigenlijk denk ik dat je dat heel goed gedaan hebt. Heb je het gevoel dat ze kwaad is op jou?’
‘Dat valt eigenlijk wel mee. Soms wou ik dat ze meer kwaad zou zijn geweest.’
‘Misschien ziet ze jou wel gewoon heel graag. Op haar manier natuurlijk. Maar als ik zie hoe zij naar je kijkt en hoe ze met je praat, dan zie ik alleen maar veel warmte. Ze weet wel denk ik wat je probeerde te doen.’
‘Denk je dat? Ik weet dat nooit.’
‘Als ik met haar praat, voel ik dat ze goed weet dat jij er was. Je was niet afwezig voor haar. Ze voelde zich gezien, en ze voelde zich beschermd.’
‘Het is een beetje moeilijk voor mij om daarover na te denken. Maar wat je zegt, ontroert me wel heel erg. Jij hebt dat trouwens ook heel goed gedaan met de kinderen, ik zie dat ook aan hen, aan hoe ze met je praten en rond je hangen. Ze zullen je nooit vergeten. Wat er ook gebeurt.’
‘Het is soms een beetje verwarrend voor mij, dat ik niet weet wie ik voor hen ben. In zekere zin weet ik het wel, maar ik begin dan weer te twijfelen.’
‘Zij weten het wel, dat zie ik goed. Ze zullen het misschien niet altijd laten merken. Dat is ook wel een beetje riskant misschien. Maar ik merk het aan hoe hun ogen veranderen als ze met jou praten.’
‘Misschien hebben we het dan allebei wel een beetje goed gedaan?’
‘Jij vooral natuurlijk.’
‘Er is iets heel mooi aan hoe jij staat, bij wijze van spreken. Als je jou kent, als je jou toelaat, dan is het alsof je daar staat, in de ruimte. Het heeft iets dat tegelijk heel rustig en heel sterk is. Zonder andere bedoelingen, zonder iets te willen hebben. Je kunt zelf wel heel onvoorwaardelijk zijn in hoe je daar staat.’
‘Dankjewel. Het betekent veel voor mij als jij dat zegt. Bij jou vind ik het mooi hoe je ruimte kunt maken. Als jij er bent, is het alsof je de ruimte breder maakt. Je laat de mensen bewegen, en daarna ga je ze verbinden met elkaar.’
‘Dat is zo mooi gezegd. Was het maar zo.’
‘Het is ook zo.’
‘Ik weet zo’n dingen niet van mezelf eigenlijk. Naar buiten toe en voor anderen kan ik denk ik wel zo zijn, maar in mij is het soms dan nog een grote warboel van dingen die me in allerlei richtingen trekken.’
‘Ik zie dat, heel goed, omdat ik je ondertussen zo goed ken. Of eigenlijk zag ik het altijd al, sinds ik je ken, hoe je beweegt. Maar anderen voelen op zo’n moment vooral dat je aanwezig bent, helemaal. Dat onthouden ze ook.’
‘Voor de kinderen hoop ik dat alleszins.’
‘Daar mag je zeker op vertrouwen. En ik denk dat ze, naarmate ze groter worden, ook steeds beter jou kunnen zien, achter de dingen. Beter denk ik dan anderen, die niet altijd willen zien wie er achter de buitenkant is. Misschien zien ze alleen maar dat je altijd lief bent, en tegemoetkomend. Dat maakt me soms verdrietig.’
‘Dat hoeft niet hoor.’
‘Dat maak ik zelf wel uit. Ik zie je graag, dus hoe zou dat me niet verdrietig kunnen maken. Ik ben heel trots op alles wat je doet en hoe je de dingen doet. Het is niet altijd gemakkelijk voor jou, en niet iedereen ziet dat, omdat jij er altijd zo volledig bent voor hen.’
‘Het is al goed, je maakt me nog verlegen. En kijk trouwens eens naar jezelf. Alsof jij zo anders bent misschien?’
‘Misschien moet ik je nu toch beginnen kietelen.’
‘Riskeer het niet, of anders.’
‘Of anders wat?’
‘Dat zul je nog wel merken.’
‘Oké, bring it on…’
02 augustus 2020
01 augustus 2020
Manieren van kijken
Hoe zit dat nu echt met die lamp boven de spiegel in de badkamer?
Kijken naar rimpels en deuken, kijken naar een afwezig spiegelbeeld.
Weer op die plek gaan staan in het gangetje en kijken naar wat er gebeurde.
Er zijn nog niet veel mensen buiten in beweging.
Hoe de kranten in de brievenbus zitten.
Eerst dat verhaal over de liefde lezen, dat is het ritueel.
Kijken naar de woorden die je niet kunt verstaan, in de winkel.
Je denkt nog aan die serie die je de vorige dag zag en wat het met je deed.
Je kijkt uit naar de tekst die ze schreef.
Je stapelt de boodschappen op het aanrecht.
Iets over de maan.
De brief die je gaat schrijven wacht op je, daar.
Hier heb je eerst nog te kijken, naar wat die woorden met je doen.
Je zoekt op, je leest, je ziet je handen trillen.
Je ziet even een afstand.
Je vult de pen bij, met zwarte inkt.
De brief begint zich te schrijven.
Eigenlijk ben je bang.
Je ziet iets als een structuur in je warboel aan beelden en woorden in je hoofd.
Wat doen die paar woorden met je, wat betekenen ze voor jou?
Je merkt dat je op verschillende plekken kunt gaan staan om naar die woorden te kijken.
Niet naar het uur kijken, blijven schrijven, tot de brief vindt dat het genoeg is.
Genoeg voor nu.
De kranten, woorden in een ander ritme.
Je denkt aan het onderzoek dat binnen enkele dagen komt.
Plekken en landschappen.
De brief blijft nog hier, denk je, mag nog niet weg.
Sommige woorden worden pas echt als je ze hardop voorleest.
Het was inderdaad meer een binnengaan in dan een uitkomen bij, zeg je.
Even iets als een tussendoorslaapje.
Er zijn veel mensen bezig buiten, in allerlei verhuisbewegingen.
De gemberdrank.
Terwijl je zit te lezen dwaalt je hoofd soms weg.
Een droef moment neemt je over.
Bij het koken denk je al aan die enkele dagen wit brood die eraan komen.
Je probeert in je hoofd te oefenen wat je maandag zult zeggen in het gesprek.
Je kijkt naar je zinderende rug.
Je hebt geen zin in sommige beelden in het nieuws.
Zoeken in de cd-kast naar de muziek die bij dit moment zou kunnen passen.
Hoe gaat het met jou, hoe gaat het met jou, hoe gaat het met jou?
Iets aarzelt in je.
Misschien zitten de woorden in je rug.
Misschien moet je de volgende dag weer foto’s gaan maken.
Iets is moe.
Buiten wordt het stilaan frisser, voel je.
Je rug wacht nog.
Het binnengaan.
31 juli 2020
Waar de woorden beginnen
Het blijft wonderlijk, hoe de woorden bewegen. Je probeert iets te zien, te begrijpen of te veranderen. Plekken in je lichaam waar er geen zwaartekracht lijkt te zijn. Ze ontsnappen aan zichzelf. En je zou iets willen zeggen, net over die plek. Als je lang genoeg wacht, komt er, soms, een beeld. Of iets dat lijkt op een schaduw van een beeld. Daarna kun je proberen een woord daar naartoe te brengen. Waarna de plek zich lijkt te openen. Een beetje.
Soms zijn die plekken als een inscriptie, met woordloze woorden. Het is alsof zinnen van woorden die geen woorden zijn, die zich niet laten betasten, die hun eigen zwart gat zijn, zijn ingeschreven in die plek. Die woorden kunnen groot zijn en machtig. Ze kunnen heersen. Ze zijn autonoom, zo lijkt het wel. Ze kunnen doen rennen, ze kunnen doen bevriezen. Ze kunnen uitschakelen, ze kunnen splitsen.
Het is raar, hoe die woorden zich laten benaderen. Er is een pad gevormd. De voetstappen, telkens weer, hebben het gemaakt. Het pad lijkt het pad, het enige pad. Er zijn mensen die je bij de hand kunnen nemen. Ze gaan waar jij alleen struikgewas wist. Ze vragen je te voelen hoe de grond voelt daar. De restanten van blaadjes en takjes maken dat de bodem een beetje mee lijkt te veren. Zo lijkt de bodem zacht en ontvangend. En zo blijk je ineens op die plek te zijn, je had het pad niet nodig. Het is dan dat de woorden zich laten benaderen, dat ze bewegen. Stel je vast.
Er is die uitdrukking in het Engels die zo moeilijk naar het Nederlands te vertalen is. A leap of faith. Daar heeft het iets mee te maken, denk je. Soms ben je op verschillende plekken, hoewel je naast elkaar zit of ligt. Het lijkt alsof woorden dat gedaan hebben. Woorden hebben iemand naar een andere plek gebracht. Misschien lijkt het niveauverschil klein, maar het water stroomt niet meer heen en weer. Het water legt zich niet meer neer in een oppervlak dat stil is, als een geheim dat niet meer hoeft uitgesproken te worden. Er is iets verschoven, en soms lijkt het alsof woorden dat gedaan hebben. In dat ene moment van besef kun je iets van angst zien. Dingen die zich losgelaten hebben, een beetje. En wat je dan doet. Het is als een leap of faith. Dat je dan een beetje blind in de woorden springt. Je moet erop vertrouwen dat je kunt samenvallen met de woorden, als je maar traag genoeg kijkt naar je huid. En je blijft praten. Tot je ziet dat het de woorden zelf zijn die het doen. Ze blijven iets doen met het water. Tot je ineens merkt dat het weer heen en weer stroomt en dat de plekken weer ademen. Misschien kun je dat vertrouwen leren vertrouwen, alsof het zou kunnen blijven.
En er zijn de littekens. Niet zozeer als een klein reliëfverschil op je huid, maar als paden die diep zijn ingesleten. Als kloven in het landschap. Plekken die mooi leeg waren. Klaar om verkend te worden. Klaar om er in het gras te rollen, van een heuveltje. Klaar om een veilige plek van vertrek, uitzicht en aankomst te worden. Ze waren, voor de littekens er waren. Anderen hebben lijnen getrokken in dat landschap, vanuit hun verlangen naar wegen, of hun angst voor het duister. Als je kijkt naar die littekens, is het soms alsof kijken een vorm van aanraken is die tot wazigheid leidt. Ze weerstaan het kijken, ze zijn woordafstotend. Het is dan soms aan anderen om de woorden voorzichtig naar je toe te brengen. Die woorden zijn zacht met sluiers. Soms heb je de woorden van anderen nodig.
De plek waar je elkaar ontmoet. Als je alleen naar het vlak van de aanraking zou kijken, zou je misschien weinig zien. Misschien zie je de energie die beweegt. Misschien is dat het enige dat je zou moeten zien. Het kan zijn dat de woorden elkaar loslaten, op dat punt. Los als in: elkaar nog niet gevonden. Alsof de woorden verder van elkaar zijn dan de raakvlakken. De ene woorden zijn vrij en onthuld, de andere zijn nog ergens onderweg, stotterend. Die woorden daar, ze kunnen afstand maken, of ze kunnen een onvermoede ruimte uit de lucht sparen. Alsof je iets daar pas voor het eerst kunt zien, als een brug.
Er is iemand die je het water leert. Die zin schreef je eerder. Sommige zinnen begrijp je zelf niet, en nog minder weet je waar ze vandaan komen. Je weet alleen dat ze zo moeten zijn, zodra ze er zijn. Alsof ze iets vertalen uit iets in een andere taal, verspreid in onkenbaarheid. Sommige zinnen, zodra ze er zijn, maken je huid rustiger, veranderen je adem.
Soms krijg je woorden. Ze hebben zich vastgezogen in hevige kleuren. Of omgekeerd. Misschien kun je zo ook kijken naar de vlekken in je huid. Zoals de golf en de zee. Je leest de woorden, telkens opnieuw. Je moet over de woorden heen, om ze te kunnen openen. Misschien kun je zo leren zien dat er tussen uit handen en in handen geen grens is. Zoals je het water kunt leren.
De brief die op je wacht. Het papier dat daar naast je ligt, je hoeft je maar even om te draaien om het te zien. Het papier is geduldig. Misschien bevat het al de afdrukken, in inktafwezigheid, van de woorden die je er nog op moet schrijven. Ze heeft je tot een brief uitgenodigd. Ze heeft de woorden gezegd. Het is alsof die woorden al in het landschap liggen, terwijl je nog niet weet hoe je daar kunt bewegen.
28 juli 2020
Radetzkymars
Een tegelijk wervelend en melancholisch boek over een wereld die verdwijnt. Een wereld die dat zelf niet lijkt te willen merken. En dat belichaamd in de opeenvolgende generaties van een familie die – net als de tanende droom van die wereld van gisteren – lijkt uit te doven. Radetzkymars (1932) van Joseph Roth, in een schitterende nieuwe vertaling van Els Snick en met ook heel mooie tekeningen van Jan Vanriet, is dat boek. Het is zonder meer een geweldig boek. Het leert je iets over het Europa van voor de Eerste Wereldoorlog. Het laat iets zien over het onvermogen tussen vaders en zonen. Het zegt iets over verlangen. En hoewel het al oud is, voelt het nergens als verouderd aan. Roth schrijft verbluffend goed, en dankzij de glasheldere en beweeglijke vertaling kun je dat als lezer nog beter zien.
Het boek speelt zich grotendeels af tussen 1859 en 1916 en beschrijft verschillende generaties van de familie Trotta, en beschrijft vooral het leven van Carl Joseph Trotta. Het einde van die periode is ook de neergang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, die een soort amalgaam was van verschillende volkeren. In 1859 was er de Slag van Solferino. De grootvader van Carl Joseph redt tijdens die slag het leven van de Oostenrijkse keizer Franz Joseph, en wordt zo de ‘held van Solferino’. Zijn grootvader kwam uit een boerenfamilie, maar sinds die heldendaad krijgt de familie Trotta een adellijke titel. De grootvader heeft het moeilijk met de manier waarop wat hij deed tijdens die veldslag in de schoolboeken komt, en wil daarom dat zijn zoon Franz zeker niet voor een militaire carrière kiest. Die zoon wordt een hoge ambtenaar, als districtshoofd, zonder al te veel enthousiasme. Op zijn beurt doet hij er dan weer alles aan om zijn zoon wel in het leger te krijgen. Het gewicht van de roem van de ‘held van Solferino’ weegt zwaar op Franz en Carl Joseph. Franz laat zichzelf helemaal verdwijnen in de ambtelijke routine van zijn functie en klampt zich vast aan de illusie van de vaste en voorspelbare wereld van het keizerrijk en aan de trouw aan de keizer. Carl Joseph leeft in een soort willoosheid, heeft eigenlijk niet zoveel met de militaire of de ambtelijke wereld. Hij bulkt niet van ambitie of dadendrang, wil liever met vrouwen omgaan en drinken en gokken, en verlangt diep van binnen naar een burgerlijk bestaan.
Carl Joseph lijkt soms een onbeweeglijke en af en toe zelfs een beetje laffe toeschouwer van zijn eigen leven. Hij laat de dingen gebeuren. Na een heel tragische gebeurtenis, waar hij zelf ook een aandeel in heeft, laat hij zich (voor de eer van het regiment) overplaatsen naar een andere kazerne, aan de Russische grens. Daar lijkt hij nog meer de houvast te verliezen. Het hele militaire leven wordt met een subtiele ironie ontmaskerd als een zinloze dubbelwereld, waarin je alleen maar kunt vastlopen in cynisme. Maar bij Carl Joseph voel je ook een diepe innerlijke onzekerheid die hem verlamt. Hij is de kleinzoon van, maar hij lijkt zich de hele tijd ontheemd te voelen, in een soort innerlijke verdoving. De communicatie tussen hem en zijn vader Franz illustreert dat.
De ingewikkelde relatie tussen de mannen van de verschillende generaties is een van de mooiste elementen van het boek. Hoe ze met elkaar omgaan is schrijnend, tragisch en ook heel ontroerend. Er is zoveel onvermogen, zoveel onuitgesproken verdriet en liefde. Franz heeft voor zichzelf een heel veilige, geordende wereld van plicht en respect voor de gevestigde orde gemaakt. Je voelt hoe de wereld buiten dat blikveld in beweging is, maar hij kan dat alleen als een verstoring van zijn eigen orde ervaren. Er zit ook veel onderdrukt verdriet in dat leven waar de beeltenis van de ‘held van Solferino’ zwaar op weegt. Als zijn huisbediende sterft, is het alsof zijn eigen wereld wankelt. Ineens blijkt die vaste orde niet eeuwig te zijn, zelfs gewoon menselijk. Ineens beseft hij dat hij ook een vader is, en een vader moet zijn om iets te kunnen doen voor zijn zoon, die op de dool is. In de erg formele, bijna ambtelijke, brieven die vader en zoon naar elkaar schrijven, bleef zowat alles ongezegd. Carl Joseph heeft niet de kracht om zich los te bewegen uit zijn verlamming. Eigenlijk heeft hij zijn vader nodig, en tegelijk wil hij een leven dat beweegt in een heel andere wereld dan die van zijn vader en grootvader. Doorheen het hele verhaal zie je vaders en zonen die elkaar op tragische wijze ontlopen, door hun onvermogen.
Via andere, vaak heel kleurrijke, personages zie je dat de buitenwereld eigenlijk al in brand staat. De illusie van het grote keizerrijk dat zelfs een soort goddelijke opdracht had is in de feiten al door de werkelijkheid achterhaald. Het districtshoofd Franz klampt zich erg vast aan dat ideaalbeeld van de geordende wereld van gisteren. Maar aan de grenzen (letterlijk en figuurlijk) van het rijk is de onrust al volop aan de gang. De troonopvolger van de keizer wordt vermoord, wat de oorlog in gang zet. En ook de keizer zal sterven. In de manier waarop het hele boek verteld wordt, voel je als lezer een soort warme, melancholische verbondenheid met de wereld van dat keizerrijk. En tegelijk voel je onderhuids de hele tijd, vanaf de eerste bladzijde, dat die wereld in verval is. Je kunt als het ware binnen en buiten het boek kijken. Aan de oppervlakte zie je vooral het perspectief van binnenuit, wat het geheel ook een heel tragische dimensie geeft. De manier waarop het lot van de grote held uit de ene oorlog wordt verbonden met dat van zijn kleinzoon in een andere oorlog laat dat op wrange wijze zien.
26 juli 2020
Een kantelverdriet
Soms is het de dag, die gewoon komt en weer gaat. Het is niet anders, het is goed.
Soms kun je wakker worden in een verdriet. Het wordt jouw gast van de dag. En je bent gastvrij.
Misschien is het aangekondigd. Misschien is de weg vrij gemaakt. Door iets wat jij of iemand zei, dagen geleden. Door iets wat je schreef, de vorige dag.
Door een uitnodiging, om te blijven.
En je kunt er de zee in zien. De zee die je bent, de zee die je draagt.
Je denkt aan trage gesprekken. Je wilt dat ze nooit zullen stoppen. Bij gebrek aan betere woorden voor wat je voelt als je het water aanraakt.
Er is iemand die je het water leert.
Eerst ben je nog in het voorwoordelijke verdriet. Het zuigt aan je lichaam, laat een zwaarte vermoeden.
En je beweegt verder door de dag, zoals je dat geleerd hebt. Je doet de dingen die moeten gedaan worden, je probeert te werken.
Je hebt het al verteld. Je zegt dat je op de woorden wacht.
Ondertussen werk je, met andere woorden. Alsof je via de ene kamer gemakkelijker in de andere zou kunnen komen.
Je denkt aan een dans, je denkt aan een lied, je denkt aan plekken om te blijven, plekken waar je zomaar mocht blijven.
Je gast is geduldig en vriendelijk, misschien zelfs een beetje minzaam.
Je wacht, en je kijkt.
Het geheim dat je probeerde te vertellen. De planten kennen het al, ze kennen al je geheimen. Ze zijn er gewoon, ze blijven. Ze laten je niet alleen.
Iets had je begrepen in het wakker worden.
Misschien zullen de woorden komen als je een brief schrijft. Het is als een ritueel. Soms bewegen je handen pas zo of zo als je danst. Soms bewegen ze pas als je aanvaardt dat je een danser bent.
Soms kun je pas iets zien als je een hand voelt.
De beelden laten zich zien. Terwijl je eet, beginnen de woorden aan te schuiven.
De gast vindt het allemaal goed, verzet zich niet. Je kunt gewoon kijken.
Misschien was de ene brief als een schuilplaats voor de volgende. Het maakt nu niet meer uit.
Er is iemand die je het water leert. En wat je nog meer zou willen zeggen.
De woorden mogen naakt zijn, zeg je tegen jezelf, terwijl je van de ene naar de andere kamer gaat. Het is alsof je ziet hoe de zinnen zouden moeten draaien, in een ritme van een trage dans die door de ruimte beweegt. Misschien zijn die cirkels jouw manier van vooruit komen. Misschien zou je dat willen zeggen.
In dat ene moment kun je de dingen zien, probeer je.
Het verdriet is zo moe, zie je. In dat moment dat zou kunnen kantelen naar een plek waar de vlucht voorbij is. Daar waar de niet-pijn zou kunnen zijn.
Die beweging is zo klein. En dat wat je ziet is zo groot. Zo is het min of meer.
Je moet alleen de woorden ademen, meer niet.
(Misschien staat er helemaal niets nieuws, misschien was het allemaal al gezien, al in de eerste blik.)
(Ongetwijfeld. Het geeft niet. En dat het mag, dat is het.)
Je weet niet zeker of het woord in den beginne was. En je denkt nog minder dat het woord bij god was. Je ziet wel hoe het voor jou is. (Misschien was er eerst chaos, daarna het lichaam en daarna het woord, waarna het lichaam een heel klein beetje anders in zichzelf gaat liggen. En daarna begint het weer opnieuw, zoals golven op het strand.) Je vraagt geduld aan haar. Laat me even wachten op de woorden. Laat me de woorden ontvangen, laat me de woorden zeggen. Terwijl die hand blijft.
Misschien is dat ook een kantelpunt, waar je je geeft.
De gast heeft het allemaal gezien, en glimlacht. De gast blijft nog even.
Zoals de dag komt en gaat.
25 juli 2020
De das
Op weg voor een bezoekje.
(Zal het nu wel of niet gaan regenen, onderweg op de fiets?)
(Je had net daarvoor iemand nog iets gezegd wat je dringend nog te zeggen had, voor het geval er een meteoriet op je kop zou vallen. Je helm zou je moeten beschermen tegen dat ding, zodat je het nog eens kunt zeggen, op een onbewaakt moment.)
Het fietst lekker weg, denk je. Op die borden met cijfertjes komt telkens 24 of 25, en dat je dus niet te snel rijdt.
Die ene vreselijke steenweg die je altijd over moet.
Het duurt even vooraleer de deur zich opent, maar ze zijn thuis. De mama, het kleine grote meisje en het grote grote meisje. (Ze zijn zo groot geworden, denk je.)
Je bent zo blij dat je hen weer eens in het echt kunt zien. Je probeert het een beetje te verbergen. (Een beetje maar.)
(Het is redelijk hartverscheurend dat er niet mag geknuffeld worden…)
Er zijn tradities. Mattentaartjes. Net eentje te veel. Wat aanleiding kan geven tot een verdelingsdialoog.
Je wilt alle verhalen over de kampen horen. Je hoort alle verhalen. Sommige zijn een beetje raar. Iets over pompen, iets over vieze gerechten, iets over datingapps, iets over feestjes. De andere ontroeren je. Een filmpje met een dagverslag. Coole meiden met zonnebrillen. Ze chillen. Minstens.
(Dergelijke bezoekjes zijn altijd erg informatief, je leert allerlei nieuwe woorden bij.)
Het kleine grote meisje vertelt iets over een leidster en een leider. De leider was al heel wat ouder. Je vraagt of ouder ongeveer iets is als jouw leeftijd. Het meisje kijkt, denkt diep na, en zegt dan: toch al zeker 29. (Het is niet 100% duidelijk voor wie dat een compliment is.)
(Soms denk je tussendoor aan een gesprek dat ergens in je hoofd de hele tijd verder loopt. Dat is dan weer voor de avond.)
Je krijgt – ondersteund door didactisch materiaal – een toelichting over verschillende categorieën jongens.
Het grote grote meisje heeft haar totem gekregen. Chimpansee. Je vraagt aan het kleine grote meisje welke totem jij zou krijgen. Ze kijkt je aan en zegt dat je een das zou zijn.
Daar moet je eens over nadenken, zeg je.
(De verhalen zouden eindeloos mogen doorgaan, denk je.)
Er is ook nog een gesprek over huizen.
Voor je vertrekt laten de schapen zich nog zien.
Al na enkele honderden meters weet je het weer zeker: je hebt de wind helemaal tegen.
(De wind maakt een subtiel gierend geluid in de gaten in je helm.)
(Het aerodynamisch gunstige effect van je korte haar wordt door de helm mogelijk weer helemaal tenietgedaan.)
Op de bordjes komt het cijfer 18 of 19. Veel wind dus.
Onderweg zie je half onzichtbare beelden in je hoofd van tekeningen die iemand heeft gemaakt.
Er zijn enkele druppels, meer niet. (Het heeft wel geregend, zie je.)
Het gesprek in je hoofd beweegt verder. (Misschien is het wel weer tijd voor een brief.)
Je hebt honger wanneer je thuis aankomt. En heel veel dorst, dat ook.
Beelden en verhalen en gesprekken lopen verder.
(Je bent diep ontroerd.)
23 juli 2020
Een mooie dans
Er zijn zoveel beelden. Je ziet de dingen.
De trein trekt zich op gang.
(Je hoort de cello, terwijl je schrijft. Iets met de volle leegte.)
Je houdt van die trein. Het is een reis, denk je telkens. Je zou kunnen verdwijnen in het ritme van het landschap. Het landschap kijkt traag naar wie in de trein zit. Iets draagt je hier, het mag.
Het is mooi hoe de verhalen bewegen. Ze komen en gaan, als het getij. Ze zoeken zichzelf, ze zoeken elkaar. Ze raken elkaar aan, soms in lichte afstand, maar ze laten niet los. Het blijven in de woorden. Waarna ze zich weer neerleggen, telkens net een beetje anders.
Zo wil je graag ademen.
De stations onderweg zijn als magische plekken. Ze zijn ergens en nergens. Zoals dat ene moment van stilte en gewichtloosheid van de schommel in de lucht, net tussen klimmen en weer dalen. Je bent er tussen bewegingen.
(De cello. Buiten is er voorzichtige wind. Het is stil daar.)
Achterwaarts bewegen kan je beste weg zijn.
Je houdt ervan, hoe het gesprek verder gaat de hele tijd. Soms lijkt er iets te veranderen in het veld. Heel even zou je bang kunnen zijn. Dat kun je zien, die plek in het gesprek. Maar je blijft gewoon, en je zoekt de woorden, zoals je het alle vorige keren ook deed. Zoals je kijkt naar je adem.
Het huis.
Je bent blij daar te zijn.
Er is de hele tijd iemand naast je. Je verlaat jezelf niet.
De beelden die huizen in een lichaam. De littekens en de deuken. En het andere. Daar waar je heel bent. Daar waar je vrij bent. (Ze zal het je telkens opnieuw uitleggen.)
Iets neemt het over. Je kijkt ernaar, je schrikt een beetje. Iets over de leeuw en de vulkaan.
Iets draagt je hier, het mag.
Ze zegt een zin. En die ontroert je zo. (Je ziet de plek in het beeld, waar die zin gaat staan.)
(Je bent veel, soms. Het verwart je.)
Ze legt je de dingen uit, zoals alleen zij dat kan. (Een uur later zul je antwoorden. Je ziet de hand. De hand is het antwoord.)
Je vertelt de andere verhalen.
Het brede perron. De zwaartekracht verandert. Het dragen. En het wiegen.
Terwijl het landschap beweegt, verdwijn je in nabijheid.
Misschien ben je wel vrij.
Je bent weer in de stad.
De woorden lijken te kantelen, de woorden wachten, ze verbinden zich voorzichtig en geduldig, en leggen zich weer in hun adem.
Je probeert iets uit te leggen over het beeld dat je ziet. Met je handen op de tafel. Er is een daar, en er is een daar. En tussen die twee in, ben je te zien, heel, in alle stukken, zeg je. (Ze begrijpt al je beelden.)
Je houdt van de gesprekken, zeg je.
En iets over de flappen, en de dingen die je meeneemt. En heel erg lachen.
Iets laat zich leren, laat zich zien. Over de man.
Je ziet het allemaal.
Dit is mooi, zeg je.
De geluiden van de nacht.
Het terugkeren. En de beelden herschikken zich, het gaat door. (Terwijl het landschap kijkt naar wie er in de trein zit.) Wat blijft. En de danser.
Abonneren op:
Posts (Atom)
