23 augustus 2020

De vreemdelinge

Op hoeveel manieren kun je een vreemdeling zijn? Ergens thuis zijn, op een plek, in jezelf, het kan iets zijn dat je steeds ontsnapt. Iets dat had kunnen maken dat je je wel thuis zou voelen is er niet. Misschien kun je de taal veroveren om in te wonen? De vreemdelinge van de Italiaanse schrijfster Claudia Durastanti is een overrompelend boek dat heen en weer beweegt door een rusteloos leven. En dat in een taal die je soms een beetje naar adem doet happen.

De vreemdelinge is een boek dat een beetje beweegt tussen genres en zo zelf enigszins een soort vreemdeling is. Het is vooral een autobiografie van de schrijfster. Vaak lijkt het ook essayistisch en is het meer beschouwend dan vertellend. De structuur van het boek is opgehangen aan enkele grote thema’s. Binnen die structuur vertelt Durastanti over haar merkwaardige leven tot nu toe. In zekere zin maakt ze haar leven, door erover te schrijven. Ze schrijft zich een identiteit in een taalwaterval, maar rust brengt dat niet. Ze lijkt zich nergens thuis te kunnen voelen.

De familie van Durastanti heeft een geschiedenis van heen en weer migreren tussen Italië en de Verenigde Staten. Haar ouders zijn wereldvreemde kunstenaars die hun leven achterlaten en verhuizen naar New York. Daar groeit zij op. Haar ouders zijn allebei doof, maar weigeren gebarentaal te spreken. Haar moeder gebruikt bewust een haperende tussentaal. Na een aantal jaar keren ze terug en gaan ze in Zuid-Italië wonen. De ouders zijn gescheiden. Ze groeit op in een disfunctioneel arm gezin. Elk jaar is er een zomervakantie in New York. Haar tijd op school verloopt verstoord. Ze verslindt boeken en gaat studeren. Wanneer ze 27 is gaat ze in Londen wonen, maar ook daar voelt ze zich niet thuis. Ze is hoog opgeleid, werkt als redacteur en komt op allerlei plekken in de wereld.

Het boek lezen is jezelf mee laten stromen met een eindeloze reeks kleurrijke gebeurtenissen en beschouwingen. De schrijfster kijkt met een erudiete distantie naar zichzelf. Ze ontleedt haar ‘nergens zijn’ met een scherpe, vaak grappige en ontroerende, en soms vrij genadeloze blik. Het gezin waarin ze opgroeit, leeft in de marge. Haar ouders kunnen haar geen stabiele omgeving bieden. Ze moet het met haar broer zelf een beetje maken allemaal. Vaak tussen de regels door voel je de onveiligheid die dat veroorzaakte. Haar ouders zijn allebei psychisch gedeukt en hoe dat doorwerkt bij de schrijfster, lees je in de stukken in de tweede helft van het boek, onder meer wanneer het gaat over de liefde. De schrijfster herkent stukken van de borderline die haar moeder is in zichzelf.

Op allerlei manieren is Durastanti een vreemdelinge. In de VS, in Italië, in Londen, altijd is ze iemand die anders is, die er niet helemaal thuishoort. Ze beweegt als volwassene dan wel in de betere kringen, de culturele codes beheerst ze niet. De armoede uit haar jeugd blijft in haar systeem, onder meer in hoe ze eet, en anderen merken dat op. Het Engels en het Italiaans komen allebei in een verstoorde vorm tot haar. Ze leert de taal via via. Er komen dialecten tussen. En er is de complexe relatie van haar ouders met de taal. Werken metaforen of ironie anders wanneer je doof bent? Ze gaat er uitgebreid op in, vanuit de ervaring van botsende talen. Haar vader en moeder hebben ook allebei een rare omgang met het fenomeen fictie, lijken dat niet helemaal te vatten, of willen het niet vatten (om zo zelf in hun eigen wereld te kunnen leven). De schrijfster merkt nog altijd hoe haar woorden soms haperen.

Om zelf iemand te worden kiest de schrijfster heel uitdrukkelijk voor de taal. Alleen door afstand te nemen van iets van de wereld van haar ouders kan ze zichzelf tot iemand maken. Die taal is literair en intellectueel. Het is een taal die ook heel erg naar zichzelf kijkt, naar de betekenis van woorden en hoe die functioneren. Soms lijkt die taal groter dan het leven dat in de woorden beschreven wordt. Daarin voel je tegelijk iets dat overweldigend mooi en toch ook vervreemdend is. Ze kan zichzelf via de taal in elkaar kneden, er blijft steeds een onderhuidse diepe eenzaamheid. Ze blijft uiteindelijk in alle opzichten een vreemdelinge, die steeds een beetje tussen verschillende werelden valt en dat uiteindelijk niet kan bezweren. Ze moet weggaan van iets, om toch telkens terug bij een rusteloosheid uit te komen.

De vreemdelinge van Claudia Durastanti is een heel bijzonder boek. Nadat je het uit hebt, werkt het nog een hele tijd in je door. Je begint als in spiegels allerlei dimensies van het gevoel ‘vreemd’ te zijn te zien. Ze doet dat in een taal die je soms overrompelt en soms verbluft en ook heel vaak ontroert. Ze ontleedt haar eigen leven met een vlijmscherp mes, onder meer wanneer het over haar ouders gaat. Eens je in de stroom van het boek zit, wil je blijven lezen. Het boek slingert je soms een beetje heen en weer, maar laat je nooit los. Indrukwekkend.

21 augustus 2020

Reflecties

De ritmes van de dag.

Wakker worden uit een droom. Het was iets groots, dat weet je nog. Wat het was, verdampt uit je hoofd. Het was iets met een verandering, die je helemaal moest doorlopen. Dat lukte, meer is er niet in je hoofd.

Ergens midden in de nacht was je al wakker geworden. Je lichaam moest terug in de nacht schuiven. Er was nog een heel gesprek bezig. Woorden worden huidwoorden.

Je hoort de regen. Misschien ziet de lucht zich weerspiegeld in de plassen.

Stel dat je het water zou opvangen in je handen, dan zou je daar naar de lucht kunnen kijken.

Je gaat door de regen naar om de vuilniszak buiten te zetten. Alles is nog stil.

Iets over de liefde komt naar je toe. Je ziet iets, ineens helder.

De koele lucht beweegt door het huis. De wind raakt de dingen aan.

Een gesprek  gaat de hele tijd door.

Je ziet weer dat de ruiten vuil zijn. Alsof je alleen het stof ziet, en daardoor iets van jezelf niet.

(Het stond op je lijstje. Je zou een smoes kunnen verzinnen voor jezelf om het niet te doen.)

(Innerlijke dialoog. Iets met spiegels.)

Dingen die je zegt, woorden, als een ritme in de dag. Als dingen die blijven.

Eerst de boodschappen nog. Dat ene kopje dat sneuvelde opnieuw zoeken. Een extra snijplank, dat is guller.

(Of je wel genereus genoeg bent. Het is een vraag.)

(Je denkt aan trage bewegingen, traag kijken, hoe iets zich zal herkennen.)

Voor je zou kunnen aarzelen, zet je de emmer klaar. De ruiten wachten op jou.

Diverse draaiende bewegingen zijn nodig. Soepele polspirouettes (alleen in jouw ogen waarschijnlijk.) Lange armen.

Streepraadsels. 

Je faalt, zoals steeds.

(Je kijkt naar iets uit, denk je.)

Ze geeft je een goed advies, zoals steeds.

(Je stottert een beetje, misschien is dat niet zo erg.)

Je kijkt van binnen naar buiten. De zon staat erop. De kosmos probeert je iets te leren. (Niet alleen de kosmos.)

Even is er een wankel verdriet.

De poetsrug vraagt dat je even gaat liggen na het eten. Je luistert.

(Dingen die je zou willen zeggen.)

Je schrijft woorden. Ineens zie je hoe het glas veranderd is, nu zonder het stof. Niet alleen zie je glashelder hoe de ruiten van de overbuur helemaal niet schoon zijn. Het verandert iets in jezelf. Alsof je anders kunt stromen.

De vorige dag deed je het terras. Het hout ziet er anders uit nu, zachter.

Je gaat verder in je boek.

Even ga je naar binnen, voor de stroom. Alsof het een beetje gewoon wordt.

(Kijk maar, zeg je.)

Terug buiten zie je het ineens. Hoe anders het glas is. Je kunt tegelijk veel beter van buiten naar binnen kijken, naar de dingen die daar zijn, en ook beter de lucht zien.

Het is als een huidwoord.

(Je moet het haar vertellen, denk je.)

De wind.

Iets van je verhaal weerspiegelt zich in het boek.

Hoe ze schrijft over de taal, hoe het een antwoord is.

De planten zeggen je iets over je geheimen.

(Je ziet een rustige lijn. Die zal blijven, denk je.)

Je kijkt naar je handen.

(Je ziet handen.)

Je houdt nog een stuk van het boek over. Zoals je een dessert niet helemaal opeet.

Iets over de liefde. Dat staat er.

19 augustus 2020

Here We Are

De dingen kantelen in het leven, soms in heel kleine momenten. Misschien kom je net daardoor op een ander spoor. En even later ben je iemand anders geworden. En zo kantelt ook de tijd. Je weet niet altijd hoe kwetsbaar je bent. Je kunt de illusie overeind houden, maar onderhuids bewegen de dingen verder. Verlangen en verdriet, ze worden zichtbaar, daar waar het water het land raakt. Het is alsof de verhalen je aanraken, in Here We Are (vertaald als Hier zijn we), van de Britse auteur Graham Swift. Het is een heel erg mooi klein boek, dat tegelijk iets groots heeft.

Het centrale moment in het boek bevindt zich in 1959, aan het einde van de zomervakantie. Op de pier van Brighton in een theaterzaal wordt een revue opgevoerd, met allerlei acts. Het is bijna het einde van een tijdperk, want de televisie doet zijn intrede in de huiskamers. Jack is de ceremoniemeester die alles aan elkaar praat. Bij het begin van het boek staat hij in de coulissen, klaar om op te gaan. Een succesvolle act is die van Ronnie en Evie, artiestennaam Pablo en Eve. Ronnie is een goochelaar, een illusionist. Evie is zijn mooie assistente. Naarmate de weken vorderen, schuiven ze op in de volgorde en worden ze de hoofdact. Die zomer is een keerpunt. Er is iets gebeurd, zo wordt al snel aangekondigd.

Evie kijkt in 2009 terug op haar leven sinds dat moment. Ze is sinds kort de weduwe van Jack. Ze maakt zich klaar voor een lunch, op de eerste verjaardag van zijn dood. En ze denkt terug aan toen. Ronnie had haar via een sollicitatie tot zijn assistente gekozen. Ze waren erg goed op elkaar ingespeeld. Ze waren ook verloofd. Na zijn aankondiging ging Jack steeds vanuit de zaal kijken naar hen, of naar haar.

Het leven van Ronnie komt uitgebreid aan bod. Als kleine jongen moet hij bij het begin van de oorlog weg uit Londen. Zijn moeder blijft daar. Samen met heel veel andere kinderen wordt hij weggehaald om op het platteland, in zijn geval in Oxfordshire, bij een koppel te gaan wonen, ver weg van de bombardementen op de hoofdstad. Eric en Penny, de mensen bij wie hij intrekt, hebben zelf geen kinderen en geven hem een warme thuis. Ronnie wordt een andere jongen. Het is Eric die hem inwijdt in het goochelen. Ronnie raakt erg gehecht aan zijn pleegouders en wordt iemand, in de kunstjes die hij steeds beter beheerst. Als de oorlog voorbij is en hij zijn moeder terugziet, zijn ze als vreemden voor elkaar. Hij gaat naar het leger en leert daar Jack kennen. Die zegt hem dat hij op zoek moet gaan naar een assistente om zijn show aantrekkelijk te maken.

De kern van het verhaal is op zich niet zo spectaculair, het is de manier waarop de auteur het tot een boek heeft gemaakt die het zo sterk maakt. Met de jaren zijn de boeken van Swift steeds dunner geworden, zo lijkt het wel. Het verhaal is ingedikt tot zijn essentie. De hoofdstukken volgen organisch op elkaar, bewegen heen en weer tussen de personages en in de tijd. En dat werkt wonderlijk goed. Soms is er een verteller die met een afstand naar de dingen kijkt, soms zit je in het hoofd van een van de personages. Soms lijkt het of de dingen op een nuchtere manier beschreven worden, maar de heel nauwkeurig geformuleerde zinnen en de opbouw van de fragmenten zorgen ervoor dat het verhaal een ander, meer universeel, niveau krijgt en dat de tragiek zich laat voelen in kleine details. Je ziet hoe de personages op een bepaald moment iets net wel of net niet doen, waardoor de loop van de dingen dan een andere wending krijgt. In de gepolijste zinnen vind je woorden of beelden die zomaar aan je voorbij zouden gaan als je niet goed zou opletten en die dan later in het boek weer opduiken. Je moet traag en aandachtig lezen en het ademende ritme van het boek volgen.

De dingen gaan zoals ze gaan. Mensen doen wat op dat moment het beste lijkt of wat bewust of onbewust overeenkomt met wat ze eigenlijk willen. In tweede instantie blijkt er telkens een diepere laag te zijn, waar mensen onzeker zijn of angstig of verdrietig, of vervuld van spijt. Daar is er onvermogen of vervreemding. Zoveel dingen zijn nooit uitgesproken of opgehelderd. Mensen komen net te laat bij elkaar om die dingen te zeggen die ze nog wilden zeggen. Ze hopen stiekem dat een ander er nog is en meekijkt over de schouder. Ze kunnen ineens wankelen door iets kleins dat gebeurt.

Je weet als lezer niet juist hoe Swift het doet, maar er is een heel bijzondere kwaliteit in hoe hij schrijft. Het boek is licht en zwaar tegelijk, klein en groots. Er is een ritme in de zinnen en er zijn veel bijzondere woorden. Als je daar in kunt komen, is het alsof je raakt aan allerlei andere verhalen. Er is een kleur in het boek die tegelijk melancholisch en komisch is. Misschien spiegelt de magie van wat er op het podium gebeurt zich wel in de magie van wat woorden in een boek kunnen doen.

Here We Are is een boek om traag en met tedere ogen te lezen.

18 augustus 2020

Manmasker

Dat ding met dat virus stelt de maatschappelijke verhoudingen op scherp.

Met name de kwestie van de mannelijkheid.

Ik heb het hier even niet over de Amerikaanse president die met de dag zieliger en weerzinwekkender wordt. Als ik hem goed begrijp, is het dragen van een mondmasker een soort aantasting van de mannelijkheid. Echte mannen doen daar niet aan. Die verslinden het virus met hun eigen tanden, als was het een beer of zo. (En ze leggen ook vast dat elke kamer die ze betreden eerst door anderen, en dat zullen dan wel vrouwen zijn waarschijnlijk, moet worden gedesinfecteerd. Het helpt wel een beetje om stoer te doen, als anderen al het vuile werk voor je doen. Maar dat is ongetwijfeld een andere discussie.)

De kwestie van de mannelijkheid is in dit geval subtieler en betreft het uitzicht van het mondmasker.

Op zich vind ik de kwestie van de mannelijkheid al behoorlijk ingewikkeld. Er worden daarover belangwekkende innerlijke dialogen gevoerd en de conclusies daarvan worden – op geheel stotterende wijze – op het waarschijnlijk ongepaste moment meegedeeld aan mooie vrouwen. En lachen met dat gestotter is officieel toegestaan.

Maar dus het uitzicht van het mondmasker.

Ik vond al langer dat veel van die dingen er toch een beetje saai uitzien. Nogal monotoon, letterlijk dan. Er zijn er ook heel mooie te zien, onder meer gemaakt uit schitterende Afrikaanse stoffen. Ze brengen altijd een glimlach op mijn gelaat (weliswaar nauwelijks te zien, hoewel wel aan mijn pretoogjes en bijhorende –rimpels). Maar, als ik erover nadenk, de mooie zijn wel vooral bij vrouwen te zien, iets minder bij mannen.

Ik dus op zoek naar maskers die een beetje meer funky zouden zijn. Het is altijd goed wat reserve te hebben. (Voor de rest van de wereld zal het anders zijn, maar ik heb echt niet elke dag een hoop dingen te wassen op 60 graden…)

En ik zag ze hangen in de etalage van de nieuwe naaiwinkel in de winkelstraat. Die is pas verhuisd, en nu redelijk gigantisch. Ik stapte daar dus binnen. Dat is op zich al een belevenis als man. Zomaar binnentreden in het naaiwalhalla. De vrouwen die daar rondlopen (en het zijn alleen maar vrouwen) zijn – dat zie je aan hun ogen – deelachtig aan een hogere wijsheid. Ze hebben een soort niveau van verlichting en innerlijke vrede bereikt dat altijd buiten mijn bereik zal liggen. Er heerst een sfeer die subtiel beweegt tussen sereniteit en opwinding. Als man denk je dat je alleen maar domme vragen zult kunnen stellen. Maar eens je die drempel over bent en aanvaardt dat je een beetje gestoord bent, valt het wel mee in de naaiwinkel. Iedereen is erg vriendelijk en gemoedelijk, de bewegingen zijn zacht en sierlijk. De gesprekken zijn behoedzaam.

Ik vroeg dus aan de mevrouw of ik enkele mondmaskers kon krijgen. En zij vroeg: “Hoe staat het met uw mannelijkheid?” Dat is op zich een interessante vraag. Ik legde haar uit dat er daarover belangwekkende interne en externe dialogen plaatsvinden. De vraag had blijkbaar betrekking op de bloemenmotieven die te zien waren op sommige van de kleurrijke maskers. Ik vond het allemaal geweldig, en zei dat ik net op zoek was naar meer kleurrijke dingen dan die saaie eentonige maskers. Ze vertelde me dat veel mannen blijkbaar geen masker met bloemen erop willen. Ze vond dat ik goed bezig was. Ik wou nog zeggen dat ik het wel geweldig vond dat haar masker uit dezelfde stof was als haar mooie jurk, maar deed het uiteindelijk niet. Ze had die ongetwijfeld helemaal zelf gemaakt, en er zou mogelijk een technische discussie volgen over allerlei steken en patronen. Ze pakte de maskers mooi in, en ik was al proactief gelukkig, ook omdat ik enkele maskers aan iemand anders cadeau mocht doen.

Enkele weken later kwam ik weer voorbij dezelfde winkel. Er lagen nieuwe maskers in de etalage, dit keer met heel mooie Afrikaanse motieven. Ik opnieuw het walhalla binnen. Ik stapte dit keer met een iets grotere soepelheid, alsof ik er gewoon mocht zijn. (Ik herinner me nog hoe ik in mijn studententijd in een heel speciale wolwinkel wol ging halen voor mijn zus, die een trui voor mij aan het breien was. De lichtjes vernietigende blik van die vrouwen aan de winkeltoog... Dat trauma is nu na al die jaren dus eindelijk weggewerkt. Mijn lichaam is wat dat betreft geherprogrammeerd. En dat allemaal in die soepele tred, dus.) Ik zei aan de naaimevrouw, een andere dan de vorige keer, dat ik nog meer funky mondmaskers wilde. Ze liep meteen enthousiast mee naar de etalage. Ik vertelde haar dat haar collega meteen de existentiële vraag over mijn mannelijkheid had gesteld. Waarop ze me bevestigde dat het hier inderdaad een mijnenveld is voor de mannelijkheid. Sommige mannen – ik ging er niet op door over wie ze het had – durven het al wel aan om een enigszins wilde boxershort of pyjama aan te doen, maar een funky mondmasker, dat is een brug te ver. Ik zei dat dat dan toch wel jammer is voor die mannen, en voor de wereld. Waarop ze zei: “U bent een echte man.” Ik was even in de war, en zei dat ik de boodschap zou doorgeven aan de desbetreffende instanties.

En vandaag had ik een afspraak voor een lektest. Ik had al een van mijn meest kleurrijke hemden aan, met felle bloemenmotieven erop. En daarboven deed ik dan nog een van mijn nieuwe maskers, met heel mooie kleuren. De lektest houdt verband met mijn op maat gemaakte oordoppen (voor als ik naar een concert ga). Je moet die dingen elk jaar laten testen, en ik ben blijkbaar de enige die dat ook effectief elk jaar doet, krijg ik dan telkens te horen. De mevrouw van het hoorcentrum kwam me ophalen en nam met met de lift naar boven. Je moet dan de kleine filter uit je oordop pulken en dan gaat er een darmpje in. Men pompt dan waarschijnlijk lucht of zo in je oren en dan kun je op het apparaat zien of je een lek hebt. Het was telkens 100%, lekvrij dus, jippie. De hoormevrouw zei dat ik zo’n fleurig mondmasker op had en kreeg een twinkel in haar ogen. Ik legde haar de kwestie van de mannelijkheid uit en het debat in de naaiwinkel. Ze bevestigde het verhaal en voegde aan het lijstje boxershort, pyjama ook nog sokken toe. Maar dus geen masker. Ze zei: “In elk geval, u hebt mijn dag helemaal goed gemaakt.” Ik zei dat ik dan helemaal gelukkig was voor de rest van de dag en dat ik al uitkeek naar volgend jaar.

Het komt misschien toch ooit nog goed met mijn mannelijkheid. 

16 augustus 2020

Hamnet

Een wondermooi en hartverscheurend boek over een groot verlies en hoe mensen daarmee omgaan. Een boek dat een verhaal dat ongezien bleef naar voor haalt, en bijna letterlijk tastbaar maakt. Een boek in een wonderlijke, bijna bezwerende taal. De Iers-Britse schrijfster Maggie O’Farrell schreef met Hamnet een heel bijzonder boek dat diep onder je huid kruipt.

Je zou kunnen zeggen dat Hamnet gaat over de zoon van William Shakespeare, die stierf in 1596 toen hij elf was. Hamnet was de helft van een tweeling. Dat zou een te eenvoudige samenvatting zijn en het boek helemaal geen recht doen. De wereld kent Shakespeare, kent zijn officiële geschiedenis. We weten echter relatief weinig over zijn gezin en een van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit zijn leven – de dood van zijn zoon – lijkt geheel afwezig in het beeld dat we van hem hebben. Dat hij enkele jaren na de dood van Hamnet zijn beroemde toneelstuk Hamlet schreef, roept alleszins interessante vragen op. In die tijd was er als naam eigenlijk geen verschil tussen Hamnet en Hamlet. 

In het boek wordt William Shakespeare nergens bij naam genoemd. Als lezer kun je de lege plekken zelf wel invullen. Het verhaal wordt vooral gezien door de ogen van zijn vrouw Agnes. We kennen haar als Anne Hathaway, maar haar werkelijke naam was waarschijnlijk Agnes. Het verhaal speelt voornamelijk in Stratford-upon-Avon. Londen is een stad in de verte.

In het eerste deel van het boek zijn er twee lijnen die in afwisselende hoofdstukken naar elkaar toe bewegen. De ene lijn begint bij Hamnet, die in paniek door het huis loopt, op zoek naar hulp voor zijn tweelingzusje Judith. William en Agnes wonen met hun drie kinderen (naast Hamnet en Judith nog hun oudere zusje Susanna) in een aanbouw naast het huis van zijn vader, een producent van handschoenen. William is op dat moment in Londen, waar hij meestal werkt. De verteller kijkt van boven toe, komt soms tussen, en kondigt de tragedie aan. Allerlei motieven, zoals de verwijzing naar een geest, zouden mogelijk bruggetjes kunnen zijn naar de stukken van William (die op zich niet genoemd worden, behalve Hamlet dan). Je bent als lezer meteen midden in de concrete wereld van die mensen. Het is alsof je het huis voor je kunt zien, alsof je alles kunt ruiken, alsof je de geluiden hoort.

De andere lijn vertelt wat er aan dat moment voorafging. William komt uit een moeilijke gezinssituatie. Zijn vader probeert het hoofd boven water te houden, kreeg een zware knauw in zijn reputatie. William moet voor het gezin wat bijverdienen door Latijnse les te geven in een boerengezin. Daar leert hij Agnes kennen. Zij is enkele jaren ouder dan hij. In dat gezin is zij een stiefdochter. Agnes heeft via haar echte moeder een diepere kennis van de natuur, het bos en van geneeskrachtige kruiden. Het is alsof ze contact heeft met een andere, diepere werkelijkheid. Ze ziet dingen die anderen niet zien. Agnes wordt zwanger, ze gaan trouwen. Ze trekken in bij de vader van William en krijgen drie kinderen. Terwijl hij in Londen zijn stukken schrijft en opvoert met zijn gezelschap is zij een soort medicijnvrouw die mensen helpt met allerlei gezondheidsproblemen.

Het tweede deel gaat over wat er gebeurt na de dood van Hamnet en dat tot aan de opvoering van Hamlet. 

Hamnet is een heel lichamelijk boek. O’Farrell schrijft in een heel mooie, beweeglijke en zinnelijke taal. De manier waarop ze haar verteller gebruikt en in- en uitzoomt geeft er een extra laag aan. Zoals je in een theater soms het theater zelf ziet, en later zodanig in het verhaal zit dat je vergeet wat de conventies zijn. Als lezer kijk je vanuit verschillende personages, maar vooral vanuit Agnes, en dat maakt het boek zo sterk. Met haar beweeg je als lezer op de grens tussen de waarneembare werkelijkheid en die andere die zij lijkt aan te voelen en dat geeft een bepaald soort licht aan het verhaal. De ingrijpende gebeurtenissen in het verhaal ervaar je vanuit haar lichaam. De geboortes van de kinderen worden heel intens beschreven. En de lange en intense scène waarin ze zorgt voor het lichaam van haar dode zoon is verstillend mooi en werkelijk hartverscheurend. Ook heel erg aangrijpend is de diepe liefde tussen Hamnet en Judith. Het intense verdriet van de dood van de jongen werkt nog lang door, tussen Agnes en William, en tussen Agnes en haar dochters. 

Er zijn veel mooie spiegeleffecten in het boek. William is in de verte bezig aan zijn grote toneelstukken, waarin diepmenselijke emoties worden opgevoerd in kunstige woorden. Maar als lezer zit je hier, heel dichtbij, bijna tastbaar, in het leven van alledag van gewone mensen. De tragedie is intens. William lijkt bijna de afwezige, bewust ver weg van zijn gezin. Het laatste hoofdstuk verandert dat beeld, op een heel aangrijpende manier. Verschillende geesten waren rond en zeggen iets over hoe mensen op hun manier omgaan met verdriet en hoe ze uit liefde andermans plaats willen innemen.

Hamnet is een heel erg mooi diepmenselijk boek. Maggie O’Farrell schrijft virtuoos en lenig. In allerlei kleine details haalt ze een hele wereld aanraakbaar dichtbij. Ze doet dat op een heel zinnelijke manier. En ook al is haar verhaal grotendeels fictie, je bent als lezer blij en dankbaar dat je een hele wereld mocht zien die meestal uit beeld blijft wanneer men het heeft over de grote schrijver. Heel erg de moeite.

15 augustus 2020

Zou je

Gaan liggen in het gras.

Wachten op een hand.

Bewegen in lege plekken.

Je huid laten tintelen.

Een traag gesprek volgen.

Kijken naar de woorden, telkens weer.

Iets al altijd weten.

De zee aanraken, in een golf.

Iets laten voelen.

Dansen in de morgen.

Zitten in stilte.

Kijken naar een foto.

Brieven schrijven.

Denken aan de rivier.

Blijven in dit hier.

Het verdriet uitnodigen.

Wachten op de leegte.

Ontvangen.

Kijken naar de maan.

Luisteren naar een buik.

Armen zoeken.

Zinnen fluisteren.

Lachen in de nacht.

Iets met je stem doen.

Kijken naar je angst.

Vrij zijn in de stroom.

Blijven oefenen.

Je de geur herinneren.

Zijn.

Kijken naar het kind.

Trillen.

Iets achter je laten.

Midden in de nacht iets merken.

Zoveel dingen willen zeggen.

In iets gaan liggen.

Woorden zoeken voor verlangen.

Kijken naar lijnen.

Traag dromen.

Blijven dansen.

Alle tijd hebben.

Nadenken over kleuren.

Iets zien.

?
 

12 augustus 2020

Het leven vieren

Het ritueel van dit moment van het jaar. Je doet het elk jaar opnieuw, of het komt elk jaar uit zichzelf naar je toe. Misschien is er geen begin en geen einde in de stroom.

Half augustus. Toen. Toen was 11 augustus 1999. De zonsverduistering. Je was in de tuin van een dierbare vriendin. Het werd donker. Je begon te rillen. Wekenlang had je al heel lichte koorts. De dag nadien ging je toch maar naar de dokter. Enkele dagen later kreeg je te horen dat je kanker had. Toen.

Het is een verwarrend ritueel. Soms lijkt het allemaal ver weg. Soms is het alsof je het bent vergeten. Alsof het een soort hardnekkig terug opzoeken is van iets dat achter je zou kunnen liggen. Het zou raar kunnen lijken, dat je moet herdenken.

Soms is het er ineens helemaal weer, op een onbewaakt moment. Ineens voel je die herinnering die in je lichaam is opgeslagen. In een geur die je plots weer naar toen brengt. In een flitsmoment van angst, voor iets, je weet niet wat het is.

Maar het is goed dat het ritueel je terug brengt naar toen. Het brengt je terug naar iets van jezelf. Naar de familie waar je lid van wilde blijven. Naar alle anderen. Naar de kwetsbaarheid.

Het leven kan je zomaar ontglippen. Het kan je verlaten. En misschien heb je het wel niet gezegd, hoe graag je hen ziet allemaal.

Dit jaar is het een beetje anders dan alle vorige. Er zit een soort ritme in de maanden. April en mei zijn de maanden van de onderzoeken, van je darm en van je huid. Nadien begint de rest van het jaar. Dit jaar, door een of ander virus, is het onderzoek van je darm verschoven naar augustus. (Dat van je huid moet nog komen.) Alsof het nu midden in het ritueel valt.

En de dag na de dag van de zonsverduistering (zij het zoveel jaar later) ga je naar het ziekenhuis om de resultaten te horen van het onderzoek een week eerder.

Vorige week lag je op die tafel. De mevrouw die je ging onderzoeken was heel vriendelijk. Ze had heel open ogen en een mooie stem. Je vroeg, zoals steeds, of je een beetje wakker mocht blijven, zodat je alles mee kon volgen. Het mocht. En je zag het weer. Daar was het, dat ding. (Een van je neefjes vroeg het je ooit, toen hij nog klein was, hoe dat eruit zag, een kanker. Je zei dat het als een wrat op een stokje was. Dat volstond voor hem, en hij at zijn soep verder op.) Je vroeg aan de mevrouw om je te laten zien waar de plek van afwezigheid was. Je zag daarna hoe ze drie kleine bubbeltjes wegknipten uit je darm. Het zou allemaal wel oké zijn, zei ze. Dat had je toch onthouden, min of meer.

Het zou wel oké zijn. En toch is het verwarrend, zoals het elk jaar is, eens je daar zit te wachten. Terwijl je in de wachtgang zit, is het alsof er iets veranderd is aan je lichaam. Je voelt dat je inderdaad een heel stuk ouder bent dan de nog jonge man die je toen was. En tegelijk is er iets in je lichaam dat licht is. Het heeft iets met de liefde te maken, denk je, al begrijp je het niet helemaal.

Tot de deur open gaat, nadat je foto op het grote scherm is gefloept dat aangeeft naar welke box je moet gaan. Dat woord box is wel een beetje raar. Het zal wel door een of andere manager zijn uitgevonden. Een woord als verhaalruimte zou beter geweest zijn. Verhalen die je lichaam terug moeten aanraken of zo. De mevrouw vraagt hoe het met je gaat. Het gaat wel goed, zeg je. Ze is daar blij mee, zo lijkt het. Ze stelt vragen. Ze probeert de hyperintellectuele weegschaal voor doorgestudeerden aan de praat te krijgen. Je bloeddruk is goed, aan de lage kant. Je hartslag is bovennormaal, maar dat kan aan de warmte liggen. (Je denkt aan de oude Julia, die ook niet tegen de warmte kon.) De resultaten van het onderzoek op de drie weggenomen poliepen staan nog niet in haar computer (ze zweven nog ergens in het ziekenhuisuniversum). Ze gaat de resultaten bespreken, en komt dan terug. Een meneer komt mee binnen, hij legt je uit dat alles in orde was. De bubbeltjes waren goedaardig. Als men ze telkens blijft weghalen, kan er eigenlijk weinig of niets gebeuren. Er zit waarschijnlijk een genetische fout in je lichaam, maar men kan die niet lezen. (Ze hebben dat al drie keer geprobeerd.) Je zegt nog iets over de kinderen die je jammer genoeg niet hebt. Ze zeggen nog iets over de kinderen van je zus. (Misschien ben je een genetische fout. Iets wankelt al even.) Ze zijn heel vriendelijk, stellen je gerust.

Je moet nog even langs box C om je te informeren over de volgende afspraak, binnen twee jaar. Je vraagt aan de mevrouw of het voor haar een beetje comfortabel is om te werken. Ze lijkt blij met die vraag, en begint te vertellen over haar mondmasker, dat nu al helemaal aangedampt is, en het is nog niet eens 9 uur in de ochtend.

En dan. Dan komt het telkens. Zodra je dan in de gang bent, op weg naar de uitgang, krijg je wankelbenen. En tranen. Zo is het altijd. De verhalen zijn weer in je, je bent weer in het verhaal. Je denkt aan wat er in het verslag stond, enkele jaren geleden, dat men je zou blijven beschouwen als een hoogrisicopatiënt. Je lichaam is weer dat meer, met ergens op de bodem een monster, dat zomaar naar boven zou kunnen komen. Als je doet wat je moet doen, zal dat niet gebeuren, maar het zal nooit weggaan. Er zal altijd een monster zijn. Toen zal altijd in dit nu zijn. En toen was je zomaar, eigenlijk, een beetje dicht bij de dood. (Als dat dingetje dat je toen, zo lang geleden, ook op het scherm zag, er een beetje langer had gezeten, zou het heen zijn gegaan om zich te vermenigvuldigen, en zou jij er nu misschien niet meer zijn. Je ziet het weer.) Even ril je.

Maar er is die verwarrende lichtheid, in je stap. Het lijkt zo eenvoudig. Je leeft al zoveel jaar, sinds die zomer van 1999, gewoon verder. Alsof het zomaar mag. Je moet een onderzoek ondergaan. Je rijdt op een ochtend op je fiets naar het ziekenhuis. Je wacht even. Vriendelijke mensen zeggen je dat alle resultaten goed waren. Ze zeggen je dat je op die manier nog een heel leven verder kunt gaan. Iets is licht in dat alles, het lijkt zo eenvoudig, zo verraderlijk eenvoudig. Waarom is het voor jou zo eenvoudig? Terwijl je door de gangen loopt, lopen ze allemaal rond jou. Zij die het niet haalden. Ze zijn met zoveel, en je hebt hen allemaal gekend. Ze zijn zo hevig afwezig, terwijl ze bij jou zijn. Ze verwijten je niets, ze zijn blij voor jou, maar ze zijn zo afwezig. Je loopt de trap af. Daar is de grote hal. Je lieve dokter legde je daar uit dat ze je net daarvoor dus hadden verteld dat je kanker had. Thuis zou je iedereen die je kende bellen, om te zeggen dat je kanker had, totdat je je eigen woorden zou geloven. Je loopt die trap af, en er zijn tranen.

Dat je nog leeft, heb je aan anderen te danken. Zij hebben je toen door die maanden gehaald. Je bent het aan hen verplicht, op een of andere manier, om het kostbare leven in je handen te houden, om er zorgvuldig mee om te gaan. Je ziet hen voor je, terwijl je naar je fiets loopt. En het is ook alsof zij die het niet haalden naar je kijken. Leef ook een beetje voor ons, lijken ze soms te zeggen. Je bent verlegen, in de war, en blij, al weet je niet goed hoe dat moet.

Onderweg op de fiets denk je dat je het heel uitgebreid aan iemand zou willen uitleggen. Hoe kostbaar het is. Je bent verlegen. Je stuurt haar maar een paar woorden. Laten we het leven vieren.

Thuis ben je nog wankel en verdrietig. Laten we het leven vieren, zeg je. Je gaat de stad in. In de winkel zoek je een cadeau voor jezelf. Iets waardoor je later telkens weer terug kunt denken aan deze dag. Je bent heel stil, terwijl je door de winkel loopt. Breekbaar. Je vindt iets dat op je leek te wachten. Misschien is het verdriet in je ene hand, het leven in je andere hand.

Het is goed, zeggen ze, je moet het leven vieren. Doe het voor jezelf, het mag. Je mag gewoon blij zijn dat jij nog leeft. En zo doe je het dan ook een beetje voor ons. Het is goed. We weten dat je ons nooit zult vergeten.

Daarna wordt je lichaam rustig.

Het is goed dat het ritueel je verwart. Zo blijft het leven je zeggen dat het nooit vanzelfsprekend is.