13 september 2020

Het komt nog goed ooit

De frangipanetaart gaat nog even mee de week in.

Gewoon in de trein heen en weer, alsof het gewoon is. Op het perron naar de mensen kijken. Kleuren. Manieren van bewegen.

De zwaartekracht laat zich voelen, denk je.

(Je praat de hele tijd. Behoedzaam, dat wel, stel je vast. Het laat nog even op zich wachten.)

Je hoort je stem bij de videoconferentie.

Je legt de documenten voor de rest van de week netjes in hoopjes, met een kaftje eromheen. Het lijkt alsof je de dingen onder controle hebt.

De algemene vergadering. (Het lijkt alsof je bij de jongere helft van de vergadering bent.) Misschien ben je een klein beetje wiebelig, stel je vast.

Een mooie wandeling. Hoe de verhalen elkaar traag raken, hoe ze al zoveel jaar met elkaar meegaan, en bewegen. Je leert iets over jezelf.

Je praat verder. Misschien aarzelt je huid.

Belangwekkende beschouwingen over muggen.

Met lichte tegenzin knutsel je nog een tabel in elkaar.

De vergadering die je al zo lang had voorbereid. Je had alle puzzelstukjes netjes klaar gelegd. (Met een soort kaftje eromheen.) Alsof je controle hebt over de dingen, een beetje toch. Niet dus.

Iets over statig taalgebruik. En kijken naar bewegingen, op het scherm. (Misschien is jouw humor niet altijd zoomproof.)

Je vertrekt naar de andere stad, voor het debat. Ergens onderweg, een boodschap.

(Eigenlijk praat je de hele tijd door.)

Je zit op het podium, naast jou de gasten, op een rijtje. Hoe wonderlijk het is, in een echte zaal zijn, met echte mensen. Je zet je radiostem op, en denkt aan iets.

De weg terug, ergens onderweg, laat in de avond, op dezelfde plek, een boodschap. Als een ritueel van nabijheid.

De dag dient zich net iets te vol aan. Je ploegt je door de opdrachten heen. (Je lichaam reageert, is niet tevreden, blijkbaar.)

Je krijgt een bericht dat je heel diep ontroert. Het maakt je klein en dankbaar.

De speciale CD-box is gearriveerd, hoor je.

Een feedbackgesprek, zoals men dat zou kunnen noemen. Je probeert een beeld uit te leggen.

Grappige verwarring bij de apotheek. Blijven lachen, was de afspraak.

De volgende ochtend, na de boodschappen. Eerst alle dingen afwerken die nog moesten gebeuren. Pas dan is je hoofd vrij voor het stukje dat je nog moest schrijven. Iets over pijn, zo blijkt. Het beeld dat eerder in de week naar je toe kwam, schuift ook tussen de woorden. (Je aarzelt weer een beetje, zoals steeds.)

Het stukje kan nog dienen voor iets anders, denk je.

En ook nog iets met chocolade.

Het ritueel van het welkom.

Iets is al veranderd, stel je vast.

Je stottert je een beetje door de woorden heen.

Iets over statig taalgebruik. En de aanbidding van de tempel.

Het is goed, denk je.

Op het terras lees je je boek uit. Je doet er nog een dun boekje achteraan.

Je leert iets over de stroom.

Je houdt van de verhalen, denk je.

Je schrijft een bericht voor de familie van wie er iemand overleden is. Je kijkt naar herinneringen in je hoofd. Het eerste dat komt is als kind meerijden met de auto naar de grote stad om daar naar de film Bambi te gaan kijken.

En het komt ooit nog wel goed. Dus. (Sommige dingen laten zich eenvoudig samenvatten.)

09 september 2020

Kijken naar de wind


Daar buiten, aan de andere kant van het raam, zie je de wind.

Of eigenlijk zie je de boom, die de wind ontvangt.

Wat zouden de takken nu denken?

Misschien zijn ze een beetje moe van de dag. Of gewoon blij dat het stil begint te worden.

Kijk maar naar mij. Misschien denken ze dat. Kijk maar traag naar mij.

Ze praten met de varens, hier aan de binnenkant van het raam. Dat weet je. Je mag het eigenlijk niet verder vertellen. Het is iets tussen hen.

Vanavond houden de takken daarbuiten ook van de fado die je hier aan de binnenkant hoort. Dat weet je.

De wind houdt wel van een beetje weerstand. Zo kan de wind zichzelf voelen.

De wind lijkt misschien zo grenzeloos, zo vloeibaar. Maar het is niet zo, niet echt.

De wind houdt ook van de boom, en de takken. De armen van de boom.

Ik ben hier, zegt de boom, en ik blijf hier. Kom maar, wind.

Het lijkt misschien anders, maar als wind kun je dus ook verlangen naar een boom waar je een beetje tegenaan kunt waaien.

Je kijkt naar de wind, die het nu heel zachtjes aan doet.

Je mag ook heel zacht en traag zijn, zou je aan de wind willen zeggen.

Soms weet je niet goed of je het goede doet, zult doen, of je zult zijn wie je zou willen zijn. Misschien vindt de wind dat niet zo erg.

Soms zou je, om te beginnen, willen vragen of je ook een stille plek mag zijn, waar de wind zich mag neerleggen.

Je overlegt er even over met de varens. Ze glimlachen, en doen iets dat zou kunnen lijken op met hun ogen rollen.

De varens weten ook dat er mensen zijn met wie je praat, de hele dag door. Op afstand. Misschien horen ze het wel.

De wind glimlacht.

Soms is het zo, dat de pijn zindert in je rug, tot in je vingers. Ze komt en ze gaat.

Het is niet zo erg. De fado blijft gewoon.

Je kijkt naar je handen. Ze weten iets.

Misschien praten je handen soms met de varens, zonder dat je dat weet.

Je vraagt het even aan de wind. De wind kijkt je met iets veelzeggends aan.

Ook de wind weet veel.

Soms denk je ergens in het midden van de nacht aan de wind. En ook wel aan de nacht.

De nacht, de boom en de wind, ze waken over je. Misschien wel.

Je dacht nog iets, eerder in de dag, nog niet in de nacht. Over wie je zou willen kunnen beschermen.

Ook iets over de kinderen.

Misschien moet je stil beginnen. Niet wetend wie je bent. Misschien vraagt de wind, de boom, zich dat ook wel eens af.

De wind praat niet zo vaak over het verdriet. De wind lijkt zich misschien gemakkelijk bloot te geven, maar het is niet zo. Je moet wachten, en kijken.

De varens staan dan wel een kamer verder, maar ze kunnen ook in je dromen kijken.

Je zou iets willen zeggen, denk je. Aan de wind. Misschien weet de wind het al, dat wat jij nog niet weet.

En zo valt de avond. (Dat vallen heb je nooit erg goed begrepen.) De avond maakt zich klaar om de nacht te ontvangen.

Voor wie wil je er zijn, ook dat was een gedachte, in de dag.

De wind beweegt de takken. Of is het omgekeerd?

Dat je dat nooit echt zult weten, het troost.

06 september 2020

Je weet niet altijd


Je weet niet altijd wanneer de tranen komen. Soms komen ze onmiddellijk, in het moment, als een genade. Soms komen ze drie weken later. Ze wachten dan rustig hun moment af.

Je weet niet altijd hoe je moet kijken naar de zwaartekracht in je lichaam. Het gewicht van de tijd. Het onvermogen van je handen.

Je weet niet altijd of je de juiste woorden zult vinden. In het moment. Ze lijken zich soms net voorbij je huid te bevinden.

Je weet niet altijd of je echt hoort wat de ander probeert te zeggen, ook al is je hoofd helemaal open. 

Je weet niet altijd of je kunt kijken naar dat wat moe is.

Je weet niet altijd of je kunt zien dat je lichaam zich terugtrekt uit het moment.

Je weet niet altijd of je de moed hebt om te blijven, daar waar het kantelt.

Je weet niet altijd of het zal lukken om de zee aan te raken of te beseffen dat je de zee bent, net dan wanneer je het nodig hebt.

Je weet niet altijd of je kunt dansen, rustig leidend, jezelf of een ander. Het heeft iets met de rivier te maken.

Je weet niet altijd of je kunt zien dat je mooi bent, soms.

Je weet niet altijd of je kunt vallen, wanneer het moment daar is. En weer terugkomen.

Je weet niet altijd of je iemand zult herkennen, telkens weer.

Je weet niet altijd of je genoeg doet. Je weet dat je waarschijnlijk te vaak denkt dat je niet genoeg doet. Je weet niet altijd wat je weet.

Je weet niet altijd waarom het pijn doet.

Je weet niet altijd wat je nodig hebt.

Je weet niet altijd of er volgens het recept toch niet te veel suiker in de frangipanetaart zit.

Je weet niet altijd wat je met je handen moet doen.

Je weet niet altijd of je het goede doet.

Je weet niet altijd hoe dat zit met die afstand.

Je weet niet altijd hoe je moet oefenen.

Je weet niet altijd dat het ook geweldig meevalt.

Je weet niet altijd wat je mag vragen.

Je weet niet altijd hoe je sierlijk een pirouette moet uitvoeren. Wat overigens ook wel een troostende gedachte is.

Je weet niet altijd hoe lang de nacht nog zal duren.

Je weet niet altijd hoe dat zit met dat verlangen naar herinneringen.

Je weet niet altijd of je morgen nog zult leven en of je vandaag wel gezegd hebt wat vandaag moest gezegd worden, zodat het niet verloren gaat.

Je weet niet altijd of je jezelf toch niet te veel vragen stelt.

Je weet niet altijd wat zou kunnen helen en of je de woorden daarvoor wel kent.

Je weet niet altijd welke muziek je net op dat moment zou moeten kunnen horen om je weer thuis te brengen.

Je weet niet altijd welke appels je moet kiezen.

Je weet niet altijd waarom je weent. Misschien is het iets van drie weken geleden.

En zo adem je gewoon rustig verder.

05 september 2020

Aanraakpunten


Op afstand vergaderen, en ook nog eens op een andere locatie. Dubbelverdichtbij. 

Iemand vraagt of je nu je baard laat groeien. Je ziet hoe grijs hij is.

Iets in je is moe en dof. Vertraging, zo heb je het geleerd.

De dingen die je niet weet, of je weer bent waar je vertrok.

De woorden wachten. Ook dat hebben ze geleerd.

Iets van de nacht.

Dagen na elkaar in de trein zitten. Het ritme lijkt zelfs normaal. Het neemt je over.

Er lijkt ineens zoveel volk op het werk. Het lijkt zo gewoon.

Je lichaam doet pijn, overal.

Zoveel ogen in de metro.

Je staat vooraan in het lokaal, klaar om je module te geven. Je zult alles inzetten, tot iedereen kijkt en volgt. Je handen, je ogen, je stem. Het lukt.

Op weg naar huis nog even langs de boekhandel. Je kon niet kiezen, ze krijgen alle vijf een boek.

Een ritueel, zo lang de videovergadering nog niet begonnen is. Boeken voorstellen.

Dromen met grote gebaren in de nacht.

Je staat weer vooraan, een andere module. Er lijken zoveel mensen in het lokaal te zitten, zo dichtbij. Je ademt door.

Die middag de laatste. Iets neemt weer afscheid. Hoe zal de stroom zijn?

De woorden wachten nog. Het is niet zo erg.

Je knutselt de tabel in elkaar. Het is prutswerk, maar er gaat een soort rust van uit, eens ze klaar is.

Met een stapeltje boeken naar het postkantoor. Je mag kiezen tussen mooie postzegels.

De mevrouw in de winkel. Je vraagt je af wat haar droom is.

Er is een zwaarte. Iets in het huis is veranderd.

De woorden over rouw komen zomaar naar je toe, je moet alleen maar volgen.

Een mooi gesprek. Het beweegt aarzelend, vindt zichzelf. Het ontroert je.

Iets over de tranen.

’s Nachts zie je iets.

Je ziet jezelf op het grote scherm op je werk, met de nieuwe camera. Het licht is zo anders. Ook hier kun je in verbinding zijn.

Je knutselt de tekst in elkaar, weer zoals al die andere vrijdagen. De dagen ademen.

Je helpt de mevrouw met de kinderwagen de trap af in het station. Het jongetje in de kinderwagen kijkt de hele tijd guitig om zich heen.

Je kijkt naar de afstand, naar wat er was, hoe het huist.

De mevrouw in de video. Haar ogen, haar stem. Ze zegt iets over de kosmos. Als een zachte bries.

De dingen voor die taart, op het boodschappenlijstje.

Het is zo raar, dat je niet voor zoveel concerten telkens twee kaarten kunt bestellen. Het verwart je. Al loopt het wel lekker vlot dit jaar.

Je kunt eindelijk beginnen aan het uitwerken van de agenda van die vergadering. Alsof je eerst je hoofd leeg genoeg moet kunnen maken om naar alle puzzelstukken te kunnen kijken. Die drempel.

Iemand heeft lang geslapen, daar.

Dat ene ding moest je nog hebben voor de taart.

Een fijn gesprek met een vriendin. Haar woorden maken je rustig.

Het wordt koud daar op het terras.

En er zijn nog zoveel verhalen.

Wat een geruststelling, dat er altijd nog zoveel verhalen zijn.

Je ruimt alle boodschappen op het aanrecht op. De dingen zijn waar ze moeten zijn.

Iets met een dans. Ook.

03 september 2020

Grensherkenning


‘Waar denk je aan?’
‘Las je ook dat artikel over rouwen? Wat het met je lichaam doet.’
‘Moest je daar nu aan denken?’
‘Ja. Het is een traag proces, het ploegt zich door je lichaam. Af en toe loopt het vast in de modder.’
‘Ja, dat herken ik wel. Heel goed eigenlijk. En duwen en trekken helpen dan precies helemaal niet om dat ding in beweging te krijgen. Het zuigt zich dan nog meer vast.’
‘Bij mij komt het altijd in vertraging. Je hebt mensen die heel snel op iets reageren. Misschien is dat wel beter, denk ik soms. Bij mij komt het altijd in uitgesteld relais. En het moet ook de hele weg gaan, er zijn geen zijwegen of zo.’
‘Ben jij nooit bang dan? Ik heb soms wel schrik dat het zo groot zal zijn dat ik niet meer kan ademen of zo.’
‘Ik oefen mezelf in niet al te bang zijn. Zei hij, alsof hij alles onder controle heeft.’
‘Ik zei het je al eerder. Ik denk dat jij er beter in getraind bent of zo. In missen, of in verdriet.’
‘Denk je dat? Misschien heb je wel gelijk, al weet ik niet of ik het een fijne gedachte vind.’
‘Soms kijk ik naar jou, en zie ik het. Hoe het beweegt.’
‘Het is soms wel heftig om te merken hoe jong verdriet oud verdriet aanraakt, onderweg. Blijkt daar ineens in de onderwereld nog een dieper geploeter aan de gang te zijn. In diezelfde modder of zo.’
‘Ja, dat vind ik ook wel akelig soms.’
‘Je denkt soms dat je ver genoeg van de grens bent, of dat je er steeds verder van weg komt. Daardoor vergeet je wel eens, of wil je vergeten, dat ze er nog is. Soms is je huid die grens, merk je ineens dat er onder je huid iets rouwt of beweegt.’
‘Ernaar kijken vind ik niet altijd zo gemakkelijk. Officieel kan ik dat natuurlijk heel erg goed. Maar af en toe verstijf ik toch een beetje denk ik, uit angst voor een vloedgolf of zo.’
‘Misschien kun je dat met je huid zoals mensen soms doen met een treinspoor. Dat ze gaan luisteren of er een trein aankomt.’
‘Moet je dan ook je hoofd wegtrekken als je aan de huid van je arm of zo aan het luisteren bent?’
‘Dat denk ik wel. Minstens.’
‘En kun je die trein dan zo voorbij zien rijden?’
‘Officieel wel waarschijnlijk.’
‘Ik zie het helemaal voor me. We zullen nog wel een beetje moeten oefenen, denk ik.’
‘Wat op zich dan wel weer een goede samenvatting van het leven in het algemeen is. Nog een beetje oefenen.’
‘Kijken. Dat is al een groot deel van de oefening, lijkt me.’
‘En niet bang zijn van wat je zult zien.’
‘Of minstens dat proberen.’
‘Soms zou je dingen willen versnellen. Soms heb je niet meer zoveel geduld voor die zuigende modder. Maar die trekt zich daar niet zoveel van aan, volgt een eigen tempo.’
‘Het moddertempo.’
‘We zijn weer goed bezig hier lijkt me.’
‘Minstens. Het is overigens wel hoog tijd voor iets lekkers, vind je niet?’
‘En waaraan had u gedacht dan?’
‘Ik neem je even mee, ik moet je iets laten zien. Het ligt al klaar.’
‘Nu maak je me wel zenuwachtig.’
‘Dat is de bedoeling.’

29 augustus 2020

Huidgeluiden


Soms is er een geluid van elders, ooit. Het is als gecondenseerde tijd. Tijd is onderhevig aan de zwaartekracht.

Soms verandert je huid, samen met je stem. Iets tintelt in je nek. De geluiden veranderen.

Soms begin je te trillen. Iets herkent zich.

Midden in de nacht wakker worden. Helemaal opgespannen. Huidlawaai. Uitgesteld. Een huidfluittoon. Er is alleen wachten.

Ergens in de kamer. Het zindert. Trage bewegingen. Misschien als een golf die de zee zoekt. Het fluit. Tot het gaat liggen. Water dat zichzelf terugvindt.

Gloed. Terwijl je woorden schrijft of leest. Je zou kunnen zeggen waar het beweegt. Je kijkt. Je hoort iets.

De stroom. Alsof je een niemandsland over moet, om bij het water te komen. Zo lijkt het soms. Een tussengebied, met verwarde geluiden. Soms doet de gedachte je even wankelen, verleidt je tot terugtocht. Eens daar voorbij, aan de oever, verandert het geluid. Waarna je het water aan kunt raken.

Je beweegt door het huis, alsof je lichter bent. Er is minder geluid.

Naar de goden kijken. Horen hoe iets rustig wordt.

Je bent bezig. Van het ene naar het andere. Het vloeit. Je vergeet het geluid.

Je zit stil. Tussen niets en de woorden. Je kijkt. Je voelt hoe iets trekt, in de huid van je handen, je armen, hoe het zich verplaatst. Je hoort meer.

Je loopt door de stad. Er is veel lawaai. Je hoort je huid niet meer.

Je voelt iets dat er net daarvoor niet was. Het mag even blijven. Zodat je ook daar kunt zijn. Je zou het willen laten zien, misschien. Het geluid kun je je niet herinneren.

Dat daar hier wordt, dat probeerde je uit te leggen, denk je. Er zijn misschien nog veel geluiden. Als stemmen van verschillende kanten. Als ze verdwijnen, kun je het geluid zijn.

De pijn zindert door je lichaam. Pulserend, als met een eigen hartslag. Het is alsof de geluiden zich ontwarren, tot ze naast elkaar bewegen.

Je voelt afwezigheid. Je zou. Je zou willen. Misschien is het een andere huidzone.

Je voelt aanwezigheid. Herinnering is als die lange gang van toen. Daar galmt het even. Tot het gaat liggen. Je zou. Je zou willen. Het geluid is dichtbij.

Je zoekt een houding om te liggen. Alles is hoekig. Alert, terwijl het niet meer nodig is. Langzaam daal je in. Je stem zakt mee. Het fluiten neemt af.

Je zit te lezen. Je ademt in de woorden, in de zinnen. Af en toe wil je alleen maar de woorden op het papier betasten. Heel zacht. Dat geluid.

Misschien ken je het geluid van de overgave nog niet.

Soms zit je en raak je de zee aan, de zee die al in je is, de zee die je bent. Alles verandert. Iets verdwijnt van je schouders. Het daalt af, langs je nek, en verspreidt zich. Hoe water je bent. En wat je dan hoort.

Soms aarzel je bij de woorden. Zou je? Maar je had het beloofd, denk je. Misschien is het een drempel tussen buitenhuidwoorden en binnenhuidwoorden. Het geluid verandert mee. Na de woorden is het goed, ze mogen weg van jou, naar hun bestemming.

Elke plekje van je hoofd maakt bij nauwelijks waarneembaar aanraken een ander geluid.

Je kunt ook geluiden horen bij een ander. Kijken, meer is er niet nodig, om ze te kunnen horen.

En er is ook nog het geluid van de stilte. En hoe je dat kunt delen.

28 augustus 2020

Iets van de goden


Beelden bewegen door je heen. De dagen zijn ondertussen weer in een ander ritme.

Gesprekken die de hele tijd doorgaan. Soms is het als terugschakelen. Even een stap opzij. Kijken. Wachten. Opnieuw verwoorden. Waarna de dingen zich net een klein beetje anders neerleggen.

Terug aan het werk. En alle dingen die zomaar weer naar je toe komen. Je beweegt anders door het huis.

Iets dat nog op jouw woorden wacht.

De afspraak bij de huiddokter. Ze kijkt naar alle plekken en plekjes. Zag dat ding er vorig jaar ook zo uit? Je hebt geen idee eigenlijk, denkt van wel. (Je bent heel even bang dat je iets verkeerds zult zeggen.) Ze zegt dat je je huid goed hebt beschermd tegen de zon. Je huid is als het ware jonger dan jij bent. Dat zou kunnen.

En zo zijn alle onderzoeken weer voorbij. Er is weer een kans dat je nog even in het leven zult blijven. Je zegt het aan iemand die het moet horen, denk je.

Rimpels hebben een verhaal. Toch ook. Sommige fronsen ontroeren je.

Een beeld. Iets is door de goden aangeraakt. Je kijkt.

Ze zijn er al, zegt iemand, je bent er al.

De videovergaderingen gaan weer van start. Je oefent weer in netjes zitten, en iets doen met je rimpels.

Iets met een ode. De eerste ode stottert nog een beetje omheen het middelpunt van de wereld.

Je denkt aan de beelden van die serie die je eindelijk aan het bekijken bent. En ze is inderdaad geweldig. (Je moet het nog eens aan je zus vertellen, denk je.) (Je denkt aan iemand, terwijl je kijkt.)

Je spreekt af met een dierbare vriend. De afspraak over het nieuwe pak wordt min of meer bevestigd.

De trein. Mmm.

Je haalt je nieuwe laptop op. (De oude was echt wel aan een beetje ouderdomsrust toe.) De lichte opwinding. De lichte angst dat je weer zoveel dingen opnieuw moet installeren of uitzoeken. De nieuwe camera geeft een scherper beeld van je hoofd. (De rimpels…)

Een vergadering die wegvalt. Je kunt nog verder prutsen met het apparaat. Je houdt van het gevoel van de toetsen. Het doet iets met je vingers. Iets met tasten. En herinneren.

Je denkt aan de stroom.

Zou de verjaardagskaart op tijd zijn aangekomen in het andere land? 

Je hebt een afspraak. Je rijdt voor het eerst weer over de herstelde brug over het spoor. Een merkwaardig soort geluk. In het gesprek hoor je je stem. Je denkt aan iets.

Een avondvergadering in de tuin. Je bent onder de indruk van wat je hoort. Je probeert iets te vertellen over verhalen. Je fietst in de avond langs het water weer naar huis.

(Het is belangrijk telkens goedenacht te zeggen. Iets met de kosmos. En daarna zelf nog te buigen. Dankbaar voor weer een dag.)

Er komen grote verhalen in je dromen.

Een videogesprek dat je zoals steeds doet glimlachen. Haar hoofd lijkt zich letterlijk in de wolken te bevinden. (Al is het dan de blauwe cel en ligt het aan haar apparaat.) Wolken zijn wel mooi.

Je denkt iets over een geheim.

Voor het eerst sinds maanden ga je naar een concert, met een dierbare vriendin. Er was iets dat je haar al langer wilde vragen. Het is mooi, hoe de verhalen spiegelen. Wat het met je doet, na al die tijd, kunnen kijken en luisteren naar mensen die muziek maken. Op de binnenplaats halen de luisterende mensen regelmatig de paraplu boven. Je probeert de glazen wijn af te schermen. De regen loopt terwijl langs je nek binnen. De tweede pianist speelt als bisnummer een stuk dat zijn zoon heeft geschreven. Het is alsof je die jongen kunt zien, even. Het wordt koud, maar je bent gelukkig.

Een productieve dag. Het is wel een beetje een fijn gevoel, beslissingen te kunnen nemen over iets dat je zelf helemaal mee hebt voorbereid.

Je krijgt een mooie vraag. Ze ontroert je.

Je bereidt het boekenprogramma voor.

Iets met croissants. Het is belangwekkend. Je zoekt het op. (Het zal mogelijk een andere keer in het echt moeten. Het was al een keer bijna gelukt.)

Iets met de goden en iets met een pak. En mogelijk met een ode.

In het journaal zie je de duizenden mensen die daar staan waar zoveel jaar geleden die beroemde speech werd uitgesproken. Het ontroert je erg diep. Je handen trillen. Je denkt aan dat geweldige nummer, in de uitvoering van Mavis Staples, met die furieuze gitaar van Ry Cooder.

Je denkt aan verhalen. En aan die jonge huid. (Jongere, of jonger dan oud, dat is misschien beter.)

Een vraag. Over de troost van boeken. Ze komt nog terug.

De dingen leggen zich neer. Het mag.