De week begint met een vrije dag. (Je keek er zo naar uit, een lege dag, die alleen maar zichzelf hoeft te zijn.)
(Je denkt nog een beetje aan de verjaardag van Bob, de vorige dag. Liedjes gaan door je hoofd. Het is zo veel, denk je. Je kunt aan zoveel denken. Plekken.)(Misschien heeft verlangen iets met plekken te maken.)
Je blijft lezen in het boek, tot het uit is. (Het is zo goed, denk je.)
Je maakt nog een stukje over het boek. (Soms zou je je leven willen voelen zoals de woorden klinken in haar boeken.)
(Soms kijk je naar de afwezige plek in jezelf. Hoe je moet bewegen, hoe je iemand kunt zijn voor een ander, je zult het nooit weten. Je doet maar wat, telkens vanuit het niets. Misschien doet iedereen het wel zo.)
Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel is blij je te zien, zoals steeds.
(En treinverlangen.)
De vergadering. Je probeert te zien waar het gesprek naartoe gaat. Omtrekkende bewegingen.
(Het is al meer dan een week, denk je. Week.)
Die avond. Ze wacht al op je in het restaurant. Je bent blij haar weer eens te zien. Een mooi gesprek. Iets over hoe je in de tijd beweegt. (En je hoort jezelf zoeken. Iets over wie je mag zijn, al dan niet. En ze stelt je gerust, meer dan.) Een geschenk.
De volgende dag. De laatste keer bij die kinesiste. Iets eindigt, na zoveel jaar. Doen alsof alles nog een beetje is als al die keren daarvoor, en tegelijk ook niet. Een cadeautje heen, een cadeautje weer. Lichte onwennigheid. (Het ontroert je meer dan je had verwacht.)
De vergadering. (Kun je baardstoppels op het scherm beter zien dan in het echt?)
(Je kijkt al uit naar die avond. Niet nadenken over een plek, gewoon de stroom volgen. Je wilt er zijn voor hen.)
Op tijd de trein nemen, zodat je straks zeker op tijd op hen kunt wachten. In het station wordt omgeroepen dat er geen treinen naar Leuven zullen rijden door een ontruiming van het station. (O nee, net nu je op tijd wilde zijn voor jullie afspraak.) Je stapt terug uit, gaat even kijken of er bussen zijn. (De bus die vertrekt is propvol.) Je gaat maar terug naar kantoor, stuurt haar een berichtje dat je later zult zijn. (Net nu jullie samen gingen eten, net nu je wilde dat alles zo rustig mogelijk zou kunnen starten.)(Innerlijke dialoog: oefenen in weerbaarheid, het leven is onbestendig, natuurlijk kun je dat.) Er lijkt weinig te veranderen in de toestand. Het wordt dus de bus. Je stuurt haar een berichtje. De bus is gewoon vol, niet propvol. Je ziet een voormalige collega. Twee jonge vrouwen staan op en bieden hun plaats aan jullie aan. (Het verval is definitief ingezet, mensen denken dat je oud bent.)(Het is zo dubbel. Je zou zo graag daar zijn, bij hen, ze wachten nu al zo lang op jou. En tegelijk gaat er een soort rust uit van de hele wereld die in de bus zit en door elkaar wriemelt.)
Je loopt bijna om toch iets sneller daar te zijn. Ze zien je al komen. Binnen is er nog veel plaats. De dingen vallen als vanzelf op hun plek, zo voelt het. (Het is belangrijk wie je nu bent, denk je. Het is toch een beetje alsof zij hem aan je voorstelt.)(De dingen die je wou zeggen, en verder de rivier.) Je kijkt naar hen, hoe ze naar elkaar kijken, hoe ze bezorgd zijn voor elkaar. (Misschien kun je voor een ander een plek zijn.) Dit is zo mooi, denk je. Dat je gewoon hier mag zijn. Na dat ene grapje kijkt ze je boos aan. (Je moet nog oud worden dus.)
Je loopt nog even met haar mee, wacht tot ze aanbelt bij haar vriendin, en dan vertrek je. (Je ogen worden heel even een beetje troebel. Het is, denk je, misschien is dat genoeg.)
Die nacht. Zoveel beelden. (Je weet niet hoe je moet zijn wat je al zo lang bent, zou iemand je zeggen.)
Een nieuwe dag. Je hoort de verhalen van je collega’s. Ze zijn er weer allemaal. (Je kijkt.) Het is goed.
De vergadering. Het gesprek maakt je een beetje moe, merk je.
Je vertelt een verhaal. (Waar komt het vandaan? Waarom nu?)
Je afspraak. Het is al lang geleden dat je nog eens kon bijpraten. Je probeert alles te onthouden, kijkt naar lijnen.
Die avond. Je kneedt de tekst, geduldig, tot alles wat je hoorde een plek gevonden heeft. (Je moest wachten op die structuur.)
De volgende dag. Je begint al vroeg, probeert snel op te schieten.
Je wacht aan het onthaal. Ze zijn met zijn drieën, glimlachen elke keer wanneer ze je zien komen. Ze willen ineens alles van je weten. Maar je moet vertrekken.
De treinen zijn in de war. Eerder die ochtend koos iemand ervoor om niet meer in het leven te blijven. (Je probeert te denken aan de ultieme eenzaamheid die aan dat moment is voorafgegaan. Het is zo droef.) De trein die wel komt, zit overvol. (Er zijn veel schooluitstappen, denk je.) Je gaat maar terug naar huis, om daar verder te werken aan de vrijdagtekst. (Je wou bij je collega’s zijn, voelt je een klein beetje schuldig.)
In de vooravond. De opening van de tentoonstelling waar haar foto’s ook hangen. Je zoekt een plekje tussen al die ouders en leerkrachten. Je hoorde al haar verhaal over die pijnlijke val. Je kijkt naar al die mooie en ook kwetsbare en zoekende en vindende jongeren. Het ontroert je diep. Je vertelt aan de schepen en aan de leerkrachten hoe trots je bent op haar. Je vraagt haar vriendje om de foto te maken. (Je ziet iets op de foto. Je weet niet hoe je moet zijn. Maar misschien is het al lang beslist.)
Een mooi berichtje. (Week.)
Die nacht. (Innerlijke dialoog.)
En heel vroeg. Het onweer. Je luistert.
Na de boodschappenronde vertrek je. Zoals elk jaar. (Dit keer uitzonderlijk ’s middags.) Jullie fietsen naar de vrienden. Pizza’s. Verhalen. Haar dochter komt erbij zitten met haar vriend. Je probeert niet te hard te laten merken hoe blij je bent haar nog eens te zien. Je hoort haar vertellen. (Je bent zo trots op haar en op haar moeder.) Je herinnert je je de vraag die ze je ooit stelde toen ze nog zo klein was.
Op tijd thuis om nog even naar de opendeurdag te gaan. Je loopt door gangen en zalen. Tekeningen, foto’s, grafiek, keramiek, beelden, en schilderijen. Je zoekt tot je de hare vindt, stuurt haar een berichtje. Die hele plek ontroert je.
Verlangen is een moeilijk woord, denk je.
(Tijdens het koken denk je na over afwezige plekken. Het is zo veel, denk je. Misschien mag het, misschien kun je het.)
Je gaat naar de kast en zoekt bij Bob. Dat ene trage nummer. Hoe hij een wereld oproept, hoe de muziek zacht sleept, telkens net niet stilvalt. De eenzaamheid in zijn stem. Je ziet de mannen waar hij over zingt. Je ziet iets over de liefde.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten