Wie mij een beetje kent, weet het: alles voor de wetenschap. Experimenten schrikken mij niet af, als het doel de bevordering van het kennen van het al is. Vorige week diende zich een belangwekkend experiment aan, en wel in de vorm van een nieuwe haargel. Gezien de relatief grote afwezigheid van haar op mijn ook al relatief groot hoofd, is het concept haargel normaal niet zo aan mij besteed. En ik vermoed niet dat haargel bedoeld is om een reeds blinkende kale oppervlakte nog meer te doen blinken. Boenwas is daar veel meer geschikt voor. Maar het gaat hier echter over bijzondere haargel. Met feromonen namelijk. En met de naam Date-magneet. Het gaat hier over substanties die tot aantrekking leiden van speciën van het andere geslacht. “Mannen in het hele land, vrouwen heb je voortaan in de hand.” Het is niet zonder risico blijkbaar: “Attention, extreme attraction.”
Hoewel ik me bij de uitdrukking ‘voortaan in de hand’ niet echt iets kon voorstellen, besloot ik uiteindelijk toch tot het experiment over te gaan. Het knippen van mijn haar – op dat stuk van mijn hoofd waar zich dat nog bevindt – werd een week uitgesteld, om toch maar een beetje plek te hebben alwaar de haargel kon gedistribueerd worden.
Op maandag werd een kleine hoeveelheid gel aangebracht. Ik had het al gelezen, en het klopte ook: het spul ruikt naar appeltjes. Voorzichtig bewoog ik mij in het maatschappelijke gebeuren. Zonder snel waarneembaar resultaat. Even dacht ik dat de mevrouw op het postkantoor mij licht schaapachtig begon aan te kijken. Tot ik merkte dat Helmut Lotti achter mij stond te blinken. Later bleek er wel een effect te zijn. Hondjes. Van die kleine miniatuurtoestanden. Ze wilden ineens allemaal in mijn buurt zijn, kwijlend en keffend. Aan die hondjes bleken steeds madammen vast te hangen die zich reeds in een aanzienlijk verlepte toestand bevonden. Bontjas aan. Rimpels die zelfs na de vijfde facelift niet meer weg te werken waren. Ogen en een huidskleur die wezen op de nodige sherrykuren. Een vernietigende blik die leek te zeggen dat iedereen die nog wel redelijk geconserveerd is, een soort belediging is voor hun troosteloze bestaan. Die vrouwen wilde ik helemaal niet in de hand hebben, voortaan.
Op dinsdag diende dus de dosis te worden aangepast. Ik ging tandpastagewijs tewerk. Onderaan de tube duwen. Er kwam een serieus kwakje uit. Een appelgeur alsof ik zo uit Katarakt kwam stappen. Die dag moest ik langs de horlogewinkel om een nieuw batterijtje in mijn horloge te laten steken. Even dacht ik dat de man in de winkel wel erg vriendelijk was toen hij me zeven keer opnieuw uitlegde hoe belangrijk het is dat het juiste batterijtje klemvast in het horloge wordt ingebracht. Maar ik zag al hoe een mevrouw naar binnen stond te kijken. Had ik haar daarnet ook al niet gezien? Toen ik buitenkwam, begon ze meteen achter mij aan te lopen. Steeds dichter. Ik ben qua mode zeer ruimdenkend, maar een stretch broek met tijgerprint, ik weet het toch niet. Een derrière die qua zwaartekracht onvoldoende onderbouwd werd door de punthakken, met wiebelend gevolg. Dat te korte topje in heftig roze dat niet in staat was de michelinrolletjes te verdoezelen. Dat hevig geblondeerd haar en die al even hevige lipstick. Terwijl ik in een andere etalage stond te kijken naar het nieuwste gamma pannen van Le Creuset hoorde ik ineens achter mij: “Awel sjoeke…?” Toen ik me omdraaide, herhaalde ze nog drie keer het sjoeke, en wenkte telkens zogenaamd veelbetekenend met haar hoofd. Ik meldde dat ik dringend naar de BTW-administratie moest, en zeeg weg.
De woensdagdosis werd aangeduwd vanuit het midden van de tube, iets minder dus. Op het perron viel me al iets op. Normaal neem ik altijd de kant van de trein waar er het minste volk staat, zodat ik genoeg plaats heb om te zitten. Er bleken nu ineens drie vrouwen rondom mij te draaien, die alle drie mee instapten in het zelfde wagondeel en tegenover en naast mij kwamen zitten. Een mens probeert rustig zijn kranten te lezen. Maar dat was moeilijk. Ze bleken me alle drie aan te staren, net terwijl ik een boeiend artikel over biobrandstoffen las. Mooie vrouwen, dat wel. Ook modieus en zo. Intelligente uitstraling. Maar waarom ze knipoogden bij het uitstappen?
Donderdag zelfde dosis. Op dezelfde plek op het perron nog meer vrouwen. Ze wurmden zich na mij op de trein, duwden andere mensen weg, om toch maar in mijn buurt te zitten. Ik vroeg nog of er een misverstand was, maar dat werd weggelachen. In het algemeen is een decolleté wel een goede uitvinding, maar te veel, dat overstijgt de beperkte mannelijke vermogens tot multitasken. Ik dacht dat het lezen van de beursberichten een afkoelend effect zou hebben, maar nee hoor. Ik wou nog vragen of ze niet de hele tijd in mijn oor wilden hijgen, maar dat leek een beetje onbeleefd.
Vrijdag, laatste dag van het experiment. Nog voor we goed en wel het station uit waren, waren die vrouwen al aan het vechten op de trein. Gewapend met naaldhakken en handtassen. Ik kroop tussen hun benen naar een andere wagon, en kon ongemerkt uitstappen. Maar toen ik ’s avonds weer aankwam in Leuven, werd ik, nauwelijks op het perron, weggetrokken. Het was een van die vrouwen die al drie dagen tegenover me zat. Esther. Ze had altijd bescheiden toegekeken. Maar nu was er niet meer te onderhandelen. Ze sleurde me mee naar haar appartement. Ik stelde nog voor om wat te scrabbelen, maar dat pakte niet. Er werd overgegaan tot diverse langdurige atletische activiteiten. Tegen zondagmiddag keerde de rust weer. Ik vroeg haar of we alsnog wat zouden scrabbelen, en dat hebben we gedaan. Het woord date-magneet lukte echter niet. Maar yperiet wel. We hebben nog een glaasje vinho verde gedronken, en toen vertrok ik. Die gel heb ik weggegooid. Als we elkaar nu zien op de trein, glimlachen we allebei even. Meer moet dat niet zijn.
16 april 2008
13 april 2008
Trouw
Hoe je over kanker moet blijven praten, ik zou het willen weten. Misschien mag je het gewoon weg laten gaan. Van je weg drijven. Tot het weer naar je toe komt. En in de tussentijd gewoon doen alsof het leven is zoals het ook daarvoor trouwens nooit was.
Tot het ineens lijkt of je dan ontrouw bent.
In een schok komen ze bij me terug. Soms eens om de zoveel dagen. Soms eens om de zoveel uur. Soms gaan ze niet weg. Zij die er niet meer zijn, zijn er. In al hun afwezigheid. Je hoopt dat er iemand zal zeggen: het was maar om te lachen. Maar niemand zegt dat.
Het klinkt raar, maar soms zou ik willen dat ze op een of andere manier gewoon dood zijn. Of nog beter natuurlijk: gewoon levend. Als ze naast me zitten, zit die ziekte echter toe te kijken. Meneer kanker heeft zichzelf ook uitgenodigd. Hij zit in de zetel achteraan de kamer, onder de leeslamp. En bekijkt alles van op een afstand. Laat ze gewoon bij me zijn, zonder dat jij er bent, zou ik willen zeggen. Hij kijkt me onbeweeglijk aan. En zegt: je kunt nooit meer doen alsof ik er niet ben.
Soms lijkt het heel even zo. Ik was het even vergeten. Je mag het niet vergeten, zeg ik tegen mezelf. Of is het iemand anders die het zegt?
Maar de tekenen blijven wel. ’s Nachts word ik wakker. Het lichaam beweegt zoals het sindsdien beweegt. Het laat me soms in de steek, zoals het me soms in de steek laat, sindsdien. Dit is het na. En het is goed zo. In de spiegel zoek ik de littekens op mijn buik, en raak hen zachtjes aan. Doe niet alsof je nog het lichaam van voor toen hebt, is wat ik hoor. En dan komt alles goed.
Soms zou ik willen dat alles wat ik meemaakte toen zoveel minder erg was dan wat de anderen meemaakten. Het was bijna onbetekenend. Het was gewoon. Het gebeurde gewoon. Het was eigenlijk niets. Je mag zo niet denken, zegt zij en zegt zij. Ze hebben gelijk. Je had het leven kunnen verliezen, dat is wat ze zeggen. Ze hebben gelijk. Vergeet dat nooit, zeggen ze.
Ze zitten er nog steeds, naast me in de kamer. Hoe verschillend alles ook was, met alle gradaties van erg, er is iets dat ons verbindt. Meneer kanker heeft op ons allen een streepje gezet. Met onuitwisbare inkt. Dat was hetzelfde, en dat zal nooit meer anders zijn. Maar het leven heeft hen losgelaten, en mij nog niet. Aan iets van wat er in die kamer hangt, zou ik trouw moeten blijven. Zo klinkt het toch.
Het is familie. Familie is handig. Je moet er in zekere zin eigenlijk geen moeite voor doen. De band is er, en kan niet ongedaan gemaakt worden. Je kunt elkaar lang niet zien, en toch zal dat nooit veranderen. En tegelijk is niets vanzelfsprekend. Naarmate de tijd verloopt, wil je meer weten over die band waar je in geworpen bent. De afstand maakt het gemakkelijker om weer dichterbij te komen. Je zou ervoor willen kunnen zorgen dat de ander kan schuilen als het begint te waaien.
En alle mensen die nog familie zullen worden. Je weet dat ze er zijn. Soms kijk je lang, en dan weer ontwijkend, naar al wie je lief is. Je zou willen dat je zou kunnen bidden. Je zou willen dat er toch een god bestaat, die ook nog eens zou willen luisteren. Alsjeblieft: zij niet. Nooit, als het even kan. Je zou bijna zeggen: neem mij nog maar eens een keer. Maar je weet dat het niet mag, dat ook dat ontrouw is.
Als ik diezelfde nacht weer naar bed ga, luister ik naar het leven. Dit is het. Alles wat ik zou kunnen bedenken bij de levens van alle anderen, alles wat zij ooit zouden kunnen denken over hoe ik in hun leven ben, dat alles is niet meer dan deze buik die op en neer gaat met de adem. Het is een kostbaar geschenk. Het rust in mijn handen. Zullen ze wel altijd de goede dingen doen? En zal ik dat ooit weten?
Het leven is lijden. Of beter: lijden is een deel van het leven. De dood kan alleen bestaan als het leven er is. Proberen te voelen hoe het lijden in het leven vloeit, zoals op een kleurenpalet de ene kleur in de andere overvloeit. Dat maakt het gemakkelijker. Denk ik toch. Het lijden is niet alleen maar daar, aan de andere kant van de lijn, er is geen lijn. Kanker is niet aan de andere kant van de lijn, is niet te verbannen. Of dat het gemakkelijker maakt om te praten? Ik weet het niet. Maar misschien is het gemakkelijker om trouw te blijven.
Tot het ineens lijkt of je dan ontrouw bent.
In een schok komen ze bij me terug. Soms eens om de zoveel dagen. Soms eens om de zoveel uur. Soms gaan ze niet weg. Zij die er niet meer zijn, zijn er. In al hun afwezigheid. Je hoopt dat er iemand zal zeggen: het was maar om te lachen. Maar niemand zegt dat.
Het klinkt raar, maar soms zou ik willen dat ze op een of andere manier gewoon dood zijn. Of nog beter natuurlijk: gewoon levend. Als ze naast me zitten, zit die ziekte echter toe te kijken. Meneer kanker heeft zichzelf ook uitgenodigd. Hij zit in de zetel achteraan de kamer, onder de leeslamp. En bekijkt alles van op een afstand. Laat ze gewoon bij me zijn, zonder dat jij er bent, zou ik willen zeggen. Hij kijkt me onbeweeglijk aan. En zegt: je kunt nooit meer doen alsof ik er niet ben.
Soms lijkt het heel even zo. Ik was het even vergeten. Je mag het niet vergeten, zeg ik tegen mezelf. Of is het iemand anders die het zegt?
Maar de tekenen blijven wel. ’s Nachts word ik wakker. Het lichaam beweegt zoals het sindsdien beweegt. Het laat me soms in de steek, zoals het me soms in de steek laat, sindsdien. Dit is het na. En het is goed zo. In de spiegel zoek ik de littekens op mijn buik, en raak hen zachtjes aan. Doe niet alsof je nog het lichaam van voor toen hebt, is wat ik hoor. En dan komt alles goed.
Soms zou ik willen dat alles wat ik meemaakte toen zoveel minder erg was dan wat de anderen meemaakten. Het was bijna onbetekenend. Het was gewoon. Het gebeurde gewoon. Het was eigenlijk niets. Je mag zo niet denken, zegt zij en zegt zij. Ze hebben gelijk. Je had het leven kunnen verliezen, dat is wat ze zeggen. Ze hebben gelijk. Vergeet dat nooit, zeggen ze.
Ze zitten er nog steeds, naast me in de kamer. Hoe verschillend alles ook was, met alle gradaties van erg, er is iets dat ons verbindt. Meneer kanker heeft op ons allen een streepje gezet. Met onuitwisbare inkt. Dat was hetzelfde, en dat zal nooit meer anders zijn. Maar het leven heeft hen losgelaten, en mij nog niet. Aan iets van wat er in die kamer hangt, zou ik trouw moeten blijven. Zo klinkt het toch.
Het is familie. Familie is handig. Je moet er in zekere zin eigenlijk geen moeite voor doen. De band is er, en kan niet ongedaan gemaakt worden. Je kunt elkaar lang niet zien, en toch zal dat nooit veranderen. En tegelijk is niets vanzelfsprekend. Naarmate de tijd verloopt, wil je meer weten over die band waar je in geworpen bent. De afstand maakt het gemakkelijker om weer dichterbij te komen. Je zou ervoor willen kunnen zorgen dat de ander kan schuilen als het begint te waaien.
En alle mensen die nog familie zullen worden. Je weet dat ze er zijn. Soms kijk je lang, en dan weer ontwijkend, naar al wie je lief is. Je zou willen dat je zou kunnen bidden. Je zou willen dat er toch een god bestaat, die ook nog eens zou willen luisteren. Alsjeblieft: zij niet. Nooit, als het even kan. Je zou bijna zeggen: neem mij nog maar eens een keer. Maar je weet dat het niet mag, dat ook dat ontrouw is.
Als ik diezelfde nacht weer naar bed ga, luister ik naar het leven. Dit is het. Alles wat ik zou kunnen bedenken bij de levens van alle anderen, alles wat zij ooit zouden kunnen denken over hoe ik in hun leven ben, dat alles is niet meer dan deze buik die op en neer gaat met de adem. Het is een kostbaar geschenk. Het rust in mijn handen. Zullen ze wel altijd de goede dingen doen? En zal ik dat ooit weten?
Het leven is lijden. Of beter: lijden is een deel van het leven. De dood kan alleen bestaan als het leven er is. Proberen te voelen hoe het lijden in het leven vloeit, zoals op een kleurenpalet de ene kleur in de andere overvloeit. Dat maakt het gemakkelijker. Denk ik toch. Het lijden is niet alleen maar daar, aan de andere kant van de lijn, er is geen lijn. Kanker is niet aan de andere kant van de lijn, is niet te verbannen. Of dat het gemakkelijker maakt om te praten? Ik weet het niet. Maar misschien is het gemakkelijker om trouw te blijven.
12 april 2008
Schrijven
Waarom je schrijft. Die vraag werd enkele keren gesteld. Alsof je zou kunnen antwoorden op zo’n manier dat het aan te raken is.
Uit verlangen naar de woorden. Het kan je overvallen wanneer je het niet ziet aankomen. Het kan uren of dagen net onder je huid bewegen. Het verlangen. Je kunt dromen van woorden. Als mensen zonder gelaat. Die vragen om aangeraakt te worden. Als je hen zou bereiken, zouden de woorden stoppen. Ze zouden zich even in zichzelf terugtrekken. Het zou even genoeg zijn. Maar in die droom lukt dat nooit. Verweesd is de enige manier van zijn. Zo zal het altijd blijven. Dichter dan schrijven kun je er niet bij komen. Heel even, en heel af en toe krijgt het verlangen een antwoord. Het daalt in je af. Langs je rug en tot aan je dijen. Tot het weer ontsnapt. En je achterblijft met woorden als zerken. Je kunt je vingers diep snijden aan het graniet. In dit tekort rust er weinig troost.
Om te zoeken naar de woorden. Ze bewegen in je lichaam. Ze zijn er steeds. Maar je weet het niet. Ze wachten misschien wel. Of hebben zich geoefend in ontsnappen. Je zou er tegenaan willen liggen. Met je neus het terrein verkennen. Je zou willen vragen of ze nog even tijd hebben. Of ze even willen wachten. Tot je er genoeg hebt. Tot je de tafelschikking helemaal hebt bedacht. Maar dat doen ze nooit. Zelfs niet op een zomeravond als de zon het eeuwige keren ondergaat. Je hebt je te schikken. Het is niet anders. Schrijven is wachten. De woorden zoeken de woorden. Zoals de spiegel het lichaam. Je zou kunnen zeggen dat zoeken minder erg is dan vinden. Dat die onrust meer verlichting in zich heeft dan de bestemming. Je zou het willen kunnen geloven.
Om te verdwijnen in de woorden. De verhalen waren er altijd al. Nog voor ze ooit ontsluierd waren. Als je geduld hebt, laten ze zich door jou bij de hand nemen. Je kunt hen neerleggen op het witte laken. Waar nog net daarvoor niets was, enkel verwachting, zijn nu de lijnen. Alsof het alleen zo had kunnen zijn. Je kijkt. En kijkt. Je beseft niet eens dat je al even niet meer op de loop bent. Dat even alles is gaan liggen. Dat je zo lang het duurt alleen maar daar kunt zijn. Alleen maar daar moet zijn. Ontvreemd en bevrijd van zwaartekracht. En hoe het bekeken worden zou mogen. Je zou de woorden kunnen aanraken. Alsof ze nooit geschreven waren.
Om terug te keren na de woorden. Er is altijd een na de woorden. Zo lijkt het toch. Ook al is het niet meer dan even je ogen sluiten. Raak me niet aan. Nu even niet. Of de implosie zou niet te vermijden zijn. Het na de woorden laat zich wensen. Nog voor het schrijven begint. De woorden zijn onvermijdelijk. Soms zou je willen dat je geen woorden nodig hebt om tot de woorden te komen. Je kunt pas alleen zijn na die eenzaamheid. Je kunt het niet ontweten. Schrijven laat zich niet vergeten.
En om te zeggen dat je het niet weet. Kan het schrijven bestaan zonder gelezen te worden? Kun je zijn zonder gezien te worden? Het schrijven roept niet om gelezen te worden. Enkel de tekst laat zich lezen. En dan nog.
Uit verlangen naar de woorden. Het kan je overvallen wanneer je het niet ziet aankomen. Het kan uren of dagen net onder je huid bewegen. Het verlangen. Je kunt dromen van woorden. Als mensen zonder gelaat. Die vragen om aangeraakt te worden. Als je hen zou bereiken, zouden de woorden stoppen. Ze zouden zich even in zichzelf terugtrekken. Het zou even genoeg zijn. Maar in die droom lukt dat nooit. Verweesd is de enige manier van zijn. Zo zal het altijd blijven. Dichter dan schrijven kun je er niet bij komen. Heel even, en heel af en toe krijgt het verlangen een antwoord. Het daalt in je af. Langs je rug en tot aan je dijen. Tot het weer ontsnapt. En je achterblijft met woorden als zerken. Je kunt je vingers diep snijden aan het graniet. In dit tekort rust er weinig troost.
Om te zoeken naar de woorden. Ze bewegen in je lichaam. Ze zijn er steeds. Maar je weet het niet. Ze wachten misschien wel. Of hebben zich geoefend in ontsnappen. Je zou er tegenaan willen liggen. Met je neus het terrein verkennen. Je zou willen vragen of ze nog even tijd hebben. Of ze even willen wachten. Tot je er genoeg hebt. Tot je de tafelschikking helemaal hebt bedacht. Maar dat doen ze nooit. Zelfs niet op een zomeravond als de zon het eeuwige keren ondergaat. Je hebt je te schikken. Het is niet anders. Schrijven is wachten. De woorden zoeken de woorden. Zoals de spiegel het lichaam. Je zou kunnen zeggen dat zoeken minder erg is dan vinden. Dat die onrust meer verlichting in zich heeft dan de bestemming. Je zou het willen kunnen geloven.
Om te verdwijnen in de woorden. De verhalen waren er altijd al. Nog voor ze ooit ontsluierd waren. Als je geduld hebt, laten ze zich door jou bij de hand nemen. Je kunt hen neerleggen op het witte laken. Waar nog net daarvoor niets was, enkel verwachting, zijn nu de lijnen. Alsof het alleen zo had kunnen zijn. Je kijkt. En kijkt. Je beseft niet eens dat je al even niet meer op de loop bent. Dat even alles is gaan liggen. Dat je zo lang het duurt alleen maar daar kunt zijn. Alleen maar daar moet zijn. Ontvreemd en bevrijd van zwaartekracht. En hoe het bekeken worden zou mogen. Je zou de woorden kunnen aanraken. Alsof ze nooit geschreven waren.
Om terug te keren na de woorden. Er is altijd een na de woorden. Zo lijkt het toch. Ook al is het niet meer dan even je ogen sluiten. Raak me niet aan. Nu even niet. Of de implosie zou niet te vermijden zijn. Het na de woorden laat zich wensen. Nog voor het schrijven begint. De woorden zijn onvermijdelijk. Soms zou je willen dat je geen woorden nodig hebt om tot de woorden te komen. Je kunt pas alleen zijn na die eenzaamheid. Je kunt het niet ontweten. Schrijven laat zich niet vergeten.
En om te zeggen dat je het niet weet. Kan het schrijven bestaan zonder gelezen te worden? Kun je zijn zonder gezien te worden? Het schrijven roept niet om gelezen te worden. Enkel de tekst laat zich lezen. En dan nog.
08 april 2008
The Sorrows of an American

Het nieuwe boek van Siri Hustvedt, The Sorrows of an American, kleeft aan je terwijl je leest, en ook nog daarna. Er is iets met het ritme van de woorden van deze auteur, die eerder al het verpletterend mooie What I Loved (in het Nederlands vertaald als Wat me lief was) schreef. Het is een soort bijna klassieke kwaliteit. Die vind je ook terug in de rustige opbouw van het boek. Gefragmenteerde levens en identiteiten in een onopvallend strakke compositie. En zo weerspiegelt de roman iets van het leven zelf waarschijnlijk.
De verteller in het boek is Erik Davidsen, een psychiater in New York. Bij het begin van het boek is zijn vader Lars net gestorven. Wanneer hij samen met zijn zus Inga door de papieren van zijn vader gaat, vindt hij naast een dagboek ook een brief, die verwijst naar een episode uit het leven van Lars voor hij getrouwd was. Doorheen het boek zal hij samen met zijn zus op zoek gaan naar het verhaal van die brief, naar het geheim dat erin verborgen is. Terwijl ze dat doen ontrafel je met hen de dromen en geesten die hun levens bevolken. De dingen die niet gezegd zijn zijn wat je leven bepaalt, dat vind je al op de eerste bladzijde. “I think we all have ghosts inside us, and it’s better when they speak than when they don’t.”
De grootouders van Erik waren Noorse immigranten. Ze hadden een moeilijk leven in het landelijke Minnesota, in de tijd van de Depressie. Zijn vader, getekend door zijn jeugd en door zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, werd professor geschiedenis. Erik is gescheiden, voelt zich eenzaam, en houdt zich met grote toewijding bezig met de verhalen van zijn patiënten, allen gekwetst door het leven. Inga heeft enkele jaren geleden haar man Max verloren, een gerenommeerde schrijver. Ze heeft een dochter Sonia, die ook haar trauma met zich meedraagt: ze was getuige van het instorten van de Twin Towers op 9/11. Inga wordt geplaagd door een journaliste die een aantal onderdelen van het leven van Max wil reconstrueren. Er blijken levens te zijn die niet gekend zijn, die anders zijn dan ze leken. Ondertussen voelt Erik zich aangetrokken tot zijn huurster Miranda, een Jamaicaanse vrouw, die op de benedenverdieping woont met haar dochter Eggy. Miranda wordt gestalkt door haar ex, die obsessioneel foto’s maakt, en zo van de werkelijkheid een kunstwerk maakt, en daardoor van dat kunstwerk een werkelijkheid.
Alle levens, alle verhalen lopen in elkaar over. Langzaam worden telkens nieuwe lagen blootgelegd. De geesten nemen hun plaats in naarmate de familieverhalen worden verteld. De fragmenten van die verhalen worden door het vertellen, door ze naar het licht te halen, tot een eenheid gebracht. En toch ook helemaal niet. Het boek komt niet tot een alles oplossende of geruststellende climax. Het is niet omdat het hele verhaal wordt verteld dat de mensen van dat verhaal geheeld worden. Ze zijn allemaal gedeukt, gekwetst en gefragmenteerd. Er is in die zin geen absolute lijn tussen de patiënten van Erik en de andere personages. Ze proberen allemaal de fragmenten samen te houden tot een persoon die overeind kan blijven. Soms lukt dat, soms niet.
Dromen spelen een grote rol in het verhaal. In zijn dromen staat Erik tegenover zijn vader, of kijkt hij naar Miranda. Maar ook de andere personen leven in die ene en tegelijk ook in die andere, parallelle wereld zoals Miranda hem noemt. Ze zijn op zoek naar liefde, raken elkaar aan, maar kunnen niet aan zichzelf ontsnappen. En zo bewegen ze verder.
Er zijn brieven die verwijzen naar geheimen. Het geheim van Lars en Lisa, of de geheime inhoud van de brieven van Max. Wanneer die geheimen onthuld worden, leidt dat niet tot groot vuurwerk, veeleer integendeel. Ze zijn bijna een soort anticlimax. Je betrapt jezelf als lezer erop dat je bijna iets groots was gaan verwachten, een ‘groot’ geheim, met een grote ontknoping. Een soort catharsis misschien. Maar het leven is kleiner dan dat, en het gaat door, met onvolmaakte mensen. En zo wordt het boek nooit een klassieke roman, die je met een glimlach kunt dichtklappen, omdat het verhaal afgelopen is. Je kent de verhalen, je kent de fragmenten, en daarmee ga je verder. Een beetje zoals mensen halverwege hun leven ook beginnen in te zien. Echt helen zit er niet meer in, en zat er waarschijnlijk sowieso nooit in, maar de fragmenten leren kennen en samen houden kan wel. Je kunt de verhalen van de familie reconstrueren, en zo begrijpen hoe je in dat landschap staat, hoe je daar gekomen bent. Je kunt proberen, onder meer via het maken van kunst, om via een gecreëerde werkelijkheid de dingen met elkaar te verbinden. En zo lang het duurt, is het ook zo. Een beetje zoals de kleine Eggy die met haar touw alle mensen en dingen in de kamer met elkaar verbindt. Zodat het even zo is.
Er zijn mensen die vallen, uit het leven, en in het leven. Ze ontglippen ons. We verliezen ze, en soms ook net niet. Ook dat is een van de vele motieven in het boek. Soms ontglippen we ook onszelf. Er is een vader die soms ineens verdwijnt. Er is een zus die af en toe ‘weg’ is. Er zijn duizelingen. Er zijn psychoses. Het weggaan is een onderdeel van het blijven, alleen soms niet.
The Sorrows of an American is een mooi en aangrijpend boek. Over leven, liefde, dood, familie, geschiedenis, identiteit, pijn, kunst en filosofie, tekortschieten en mededogen, en nog veel meer. Het is geschreven in een wonderlijk mooie taal. De woorden klinken zacht en weven zich in een ritme dat bezwerend is. Het maakt je rustig, maar zorgt er tegelijk voor dat je het boek niet weg wilt leggen.
Aan het einde van het boek kun je lezen dat de dagboekfragmenten die in de roman gebruikt zijn authentiek zijn, en afkomstig van de vader van schrijfster Siri Hustvedt. Het maakt het boek nog ontroerender. Zoals de geesten door het leven lopen, lopen werkelijkheid en verbeelding door elkaar. Er is troost in dat besef.
De verteller in het boek is Erik Davidsen, een psychiater in New York. Bij het begin van het boek is zijn vader Lars net gestorven. Wanneer hij samen met zijn zus Inga door de papieren van zijn vader gaat, vindt hij naast een dagboek ook een brief, die verwijst naar een episode uit het leven van Lars voor hij getrouwd was. Doorheen het boek zal hij samen met zijn zus op zoek gaan naar het verhaal van die brief, naar het geheim dat erin verborgen is. Terwijl ze dat doen ontrafel je met hen de dromen en geesten die hun levens bevolken. De dingen die niet gezegd zijn zijn wat je leven bepaalt, dat vind je al op de eerste bladzijde. “I think we all have ghosts inside us, and it’s better when they speak than when they don’t.”
De grootouders van Erik waren Noorse immigranten. Ze hadden een moeilijk leven in het landelijke Minnesota, in de tijd van de Depressie. Zijn vader, getekend door zijn jeugd en door zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, werd professor geschiedenis. Erik is gescheiden, voelt zich eenzaam, en houdt zich met grote toewijding bezig met de verhalen van zijn patiënten, allen gekwetst door het leven. Inga heeft enkele jaren geleden haar man Max verloren, een gerenommeerde schrijver. Ze heeft een dochter Sonia, die ook haar trauma met zich meedraagt: ze was getuige van het instorten van de Twin Towers op 9/11. Inga wordt geplaagd door een journaliste die een aantal onderdelen van het leven van Max wil reconstrueren. Er blijken levens te zijn die niet gekend zijn, die anders zijn dan ze leken. Ondertussen voelt Erik zich aangetrokken tot zijn huurster Miranda, een Jamaicaanse vrouw, die op de benedenverdieping woont met haar dochter Eggy. Miranda wordt gestalkt door haar ex, die obsessioneel foto’s maakt, en zo van de werkelijkheid een kunstwerk maakt, en daardoor van dat kunstwerk een werkelijkheid.
Alle levens, alle verhalen lopen in elkaar over. Langzaam worden telkens nieuwe lagen blootgelegd. De geesten nemen hun plaats in naarmate de familieverhalen worden verteld. De fragmenten van die verhalen worden door het vertellen, door ze naar het licht te halen, tot een eenheid gebracht. En toch ook helemaal niet. Het boek komt niet tot een alles oplossende of geruststellende climax. Het is niet omdat het hele verhaal wordt verteld dat de mensen van dat verhaal geheeld worden. Ze zijn allemaal gedeukt, gekwetst en gefragmenteerd. Er is in die zin geen absolute lijn tussen de patiënten van Erik en de andere personages. Ze proberen allemaal de fragmenten samen te houden tot een persoon die overeind kan blijven. Soms lukt dat, soms niet.
Dromen spelen een grote rol in het verhaal. In zijn dromen staat Erik tegenover zijn vader, of kijkt hij naar Miranda. Maar ook de andere personen leven in die ene en tegelijk ook in die andere, parallelle wereld zoals Miranda hem noemt. Ze zijn op zoek naar liefde, raken elkaar aan, maar kunnen niet aan zichzelf ontsnappen. En zo bewegen ze verder.
Er zijn brieven die verwijzen naar geheimen. Het geheim van Lars en Lisa, of de geheime inhoud van de brieven van Max. Wanneer die geheimen onthuld worden, leidt dat niet tot groot vuurwerk, veeleer integendeel. Ze zijn bijna een soort anticlimax. Je betrapt jezelf als lezer erop dat je bijna iets groots was gaan verwachten, een ‘groot’ geheim, met een grote ontknoping. Een soort catharsis misschien. Maar het leven is kleiner dan dat, en het gaat door, met onvolmaakte mensen. En zo wordt het boek nooit een klassieke roman, die je met een glimlach kunt dichtklappen, omdat het verhaal afgelopen is. Je kent de verhalen, je kent de fragmenten, en daarmee ga je verder. Een beetje zoals mensen halverwege hun leven ook beginnen in te zien. Echt helen zit er niet meer in, en zat er waarschijnlijk sowieso nooit in, maar de fragmenten leren kennen en samen houden kan wel. Je kunt de verhalen van de familie reconstrueren, en zo begrijpen hoe je in dat landschap staat, hoe je daar gekomen bent. Je kunt proberen, onder meer via het maken van kunst, om via een gecreëerde werkelijkheid de dingen met elkaar te verbinden. En zo lang het duurt, is het ook zo. Een beetje zoals de kleine Eggy die met haar touw alle mensen en dingen in de kamer met elkaar verbindt. Zodat het even zo is.
Er zijn mensen die vallen, uit het leven, en in het leven. Ze ontglippen ons. We verliezen ze, en soms ook net niet. Ook dat is een van de vele motieven in het boek. Soms ontglippen we ook onszelf. Er is een vader die soms ineens verdwijnt. Er is een zus die af en toe ‘weg’ is. Er zijn duizelingen. Er zijn psychoses. Het weggaan is een onderdeel van het blijven, alleen soms niet.
The Sorrows of an American is een mooi en aangrijpend boek. Over leven, liefde, dood, familie, geschiedenis, identiteit, pijn, kunst en filosofie, tekortschieten en mededogen, en nog veel meer. Het is geschreven in een wonderlijk mooie taal. De woorden klinken zacht en weven zich in een ritme dat bezwerend is. Het maakt je rustig, maar zorgt er tegelijk voor dat je het boek niet weg wilt leggen.
Aan het einde van het boek kun je lezen dat de dagboekfragmenten die in de roman gebruikt zijn authentiek zijn, en afkomstig van de vader van schrijfster Siri Hustvedt. Het maakt het boek nog ontroerender. Zoals de geesten door het leven lopen, lopen werkelijkheid en verbeelding door elkaar. Er is troost in dat besef.
06 april 2008
Een verre reis
Het is een verre reis. Zou je kunnen zeggen. Net de grens over verdwijn je in het ritme van het landschap. Hoe vlak het daar is. Je dacht dat het vlak was waar je vandaan kwam. Maar daar is het nog anders. En het water. Er is alleen het landschap daarbuiten. En het boek hierbinnen. De woorden die zich laten lezen. En je adem die ze met elkaar verbindt.
De terugreis is altijd anders. Dit keer met de rug naar het land van bestemming. Om beter terug te kijken naar het land dat verlaten wordt.
Het boek is bijna uit, bij de laatste overstap. Er zijn nog de laatste woorden. En de weemoed die daarbij hoort.
Geesten die je komen bezoeken. Ze zijn er in het boek. Het laatste stuk van de reis roerloos zitten. Met het boek onder de handen. Het is nog warm.
De geesten zijn er. Ze zijn er altijd. In het landschap van je hoofd. Waar je jezelf hebt samengeraapt uit de fragmenten van een leven. Ze bewegen er vrij. Ze hebben alle tijd. Ze houden van verhalen. Het vertellen, steeds weer, steeds anders, is wat de fragmenten met elkaar verbindt. Zoals het kleine meisje in het boek, dat met een bolletje touw iedereen en alles met elkaar verbindt in de kamer. Zodat iedereen verbonden is.
Ze zijn er. Soms kun je ze opzoeken. Je kunt ze tegen je aan trekken. Blijf bij me, nu even, voor zo lang het duurt.
En alles wat je niet over hen weet. Misschien drijven we langs elkaar. Zien enkel de stukjes die boven het oppervlak uitsteken. Je zou hun verhalen willen kennen.
Het houdt nooit op. Het verhaal stopt nooit. Je moet telkens opnieuw vertellen. Telkens opnieuw de stukken aan elkaar rijgen. En steeds meer zie je hoe de verhalen van de anderen het garen zijn dat je daarvoor nodig hebt.
Soms zou je willen roepen. Waarom ben je weg? Waarom ben zo snel en langs de achterdeur vertrokken?
En je eigen geesten zijn daar ook. Halve of hele levens doe je erover. Om met hen te vechten en weer vrede te sluiten. Maar ze blijven altijd bij je. En ergens onderweg, ongemerkt, zijn ze veranderd. Ze lopen gewoon naast je. En het is goed zo.
Er zijn verhalen die wachten om ontsluierd te worden. Van hen die er altijd al wel waren. Ergens in het landschap. Maar van wie je het verhaal niet kende. Het leek niet belangrijk. Maar de tijd gaat verder. Er is minder over. De verhalen ontbreken.
Misschien is het tijd om iedereen te vragen: vertel alles wat er te vertellen valt. Spreid de woorden zachtjes en met tedere vingers uit. Er is plaats genoeg.
Misschien is het tijd om je plek in te nemen in het landschap. Of gewoon te zien dat je daar altijd al was.
Welk verhaal zouden anderen over jou vertellen, als de tijd daar is? Welk landschap zouden zij zien? Hoe zouden de verhalen aan elkaar grenzen en in elkaar overlopen?
De reis is weer voorbij. Je komt thuis. Ergens in het landschap van de bestemming is een kruisje gezet. Hier is thuis. Van hier kun je vertrekken en weer aankomen. Van hier kun je zwerven.
Het wordt langzaam donker. Je kunt de reis even neerleggen. Voor vandaag is het goed geweest. Nu is het tijd om stil te staan. Wachten tot alleen nog de adem overblijft. Tijd voor een kleine buiging.
De terugreis is altijd anders. Dit keer met de rug naar het land van bestemming. Om beter terug te kijken naar het land dat verlaten wordt.
Het boek is bijna uit, bij de laatste overstap. Er zijn nog de laatste woorden. En de weemoed die daarbij hoort.
Geesten die je komen bezoeken. Ze zijn er in het boek. Het laatste stuk van de reis roerloos zitten. Met het boek onder de handen. Het is nog warm.
De geesten zijn er. Ze zijn er altijd. In het landschap van je hoofd. Waar je jezelf hebt samengeraapt uit de fragmenten van een leven. Ze bewegen er vrij. Ze hebben alle tijd. Ze houden van verhalen. Het vertellen, steeds weer, steeds anders, is wat de fragmenten met elkaar verbindt. Zoals het kleine meisje in het boek, dat met een bolletje touw iedereen en alles met elkaar verbindt in de kamer. Zodat iedereen verbonden is.
Ze zijn er. Soms kun je ze opzoeken. Je kunt ze tegen je aan trekken. Blijf bij me, nu even, voor zo lang het duurt.
En alles wat je niet over hen weet. Misschien drijven we langs elkaar. Zien enkel de stukjes die boven het oppervlak uitsteken. Je zou hun verhalen willen kennen.
Het houdt nooit op. Het verhaal stopt nooit. Je moet telkens opnieuw vertellen. Telkens opnieuw de stukken aan elkaar rijgen. En steeds meer zie je hoe de verhalen van de anderen het garen zijn dat je daarvoor nodig hebt.
Soms zou je willen roepen. Waarom ben je weg? Waarom ben zo snel en langs de achterdeur vertrokken?
En je eigen geesten zijn daar ook. Halve of hele levens doe je erover. Om met hen te vechten en weer vrede te sluiten. Maar ze blijven altijd bij je. En ergens onderweg, ongemerkt, zijn ze veranderd. Ze lopen gewoon naast je. En het is goed zo.
Er zijn verhalen die wachten om ontsluierd te worden. Van hen die er altijd al wel waren. Ergens in het landschap. Maar van wie je het verhaal niet kende. Het leek niet belangrijk. Maar de tijd gaat verder. Er is minder over. De verhalen ontbreken.
Misschien is het tijd om iedereen te vragen: vertel alles wat er te vertellen valt. Spreid de woorden zachtjes en met tedere vingers uit. Er is plaats genoeg.
Misschien is het tijd om je plek in te nemen in het landschap. Of gewoon te zien dat je daar altijd al was.
Welk verhaal zouden anderen over jou vertellen, als de tijd daar is? Welk landschap zouden zij zien? Hoe zouden de verhalen aan elkaar grenzen en in elkaar overlopen?
De reis is weer voorbij. Je komt thuis. Ergens in het landschap van de bestemming is een kruisje gezet. Hier is thuis. Van hier kun je vertrekken en weer aankomen. Van hier kun je zwerven.
Het wordt langzaam donker. Je kunt de reis even neerleggen. Voor vandaag is het goed geweest. Nu is het tijd om stil te staan. Wachten tot alleen nog de adem overblijft. Tijd voor een kleine buiging.
05 april 2008
Dwars
De verschillende technieken voor het weer droog krijgen van een broek na het fietsen in een stevige regenbui. Er is de uitdoentechniek en de aanhoudentechniek. Als het nog niet heel warm is, kies ik meestal voor de aanhoudentechniek. Is ook erg duurzaam qua energie-efficiëntie. Geheel met eigen lichaamswarmte en zonder te bruuskeren. Nadeel is dat bij een wat zwaardere jeans met het drogen ook de warmte uit de benen vertrekt. In het kader van de koppigheid kan gedurende het proces de ene techniek niet door de andere vervangen worden. Wat ook bevorderlijk is voor het voeren van hevige debatten met mezelf.
Voor het opstappen in de trein jezelf zien in het raam. En schrikken dat het spiegelbeeld zo grijs geworden is. Veel grijzer dan vanmorgen in de spiegel thuis. Hoewel. Is er wel goed gekeken in die spiegel? Zou het treinglas meer gelijk hebben? Als je lief bent voor je spiegel, is die ook lief voor jou. De spiegel thuis krijgt elke dag de laatste geheimpjes. De ontboezemingen. De twijfels en verlangens. En ook de momenten van in de plooi vallen. (Zou je gemakkelijker in de plooi vallen als er meer plooien zijn? In dat geval kan het met het ouder worden alleen maar beter gaan. Maar dat is een andere discussie.) Die spiegel is deel van het complot, of beter: het geheime genootschap. En daar krijg je ook iets voor terug. Of was dat toch een vergissing?
Tijdens het concert overkomt het me weer. Een déjà vu. De trompettist komt het podium terug op. Begint een zin. En vanaf het eerste woord weet ik welke twee zinnen er zullen volgen. Gedroomd ooit. Of gedroomd dat het gedroomd is. Maar waarom steeds tijdens concerten?
Over opruimen. En waarom het soms zo moeilijk is. Zeker kleren. Zelfs eenzame sokken die hun tweelingsok verloren aan een zwart gat in de kosmos. Hoe dat kan, zal altijd en eeuwig een mysterie blijven. En zo hoort het ook. Zelfs die sokken. En dan nog alle andere stukken kleding. Hevige discussies. Waar je jezelf therapeutisch doch vastberaden toespreekt. En zo klaar maakt voor het opruimmoment dat zal komen. Dan of dan. En hoe genadeloos het dan zal zijn.
Op de radio een uitgebreide toelichting bij het amoureuze gedrag van de octopus. Heftig. Wat een opluchting dat ik toch maar geen octopus ben. Loopt uit in een gesprek over alle soorten dieren, in het diepste van de diepste zeeën, die we niet kennen. Hoe geruststellend het is dat we die niet kennen. Er is bijna iets van troost in het besef van het niet kennen. Moge al die dieren nooit ‘ontdekt’ worden. Maar alleen maar zijn. Zonder ooit gecatalogeerd te zijn. Zonder ooit een naam gekregen te hebben. Laat dat mysterie vooral blijven. Hoe eindeloos interessant het ook zou zijn. Buiten het domein van het weten blijven. En zo buiten de erfzonde.
Waarom sommige woorden niet de jouwe kunnen zijn. En waar ze dan wel zijn. Je kunt eraan denken. Je kunt ze zien in je hoofd. Je kunt ze horen uit de mond van een ander. Of lezen in de tekst van een ander. Ze zijn niet ongekend. Maar ze kunnen niet in jouw zin staan. Hoe je ook probeert. Je kunt jezelf opleggen een woord te gebruiken. In een gedicht. Maar het zal niet lukken. Het laat zich als een groot blok graniet niet verplaatsen. En als je toch, met gesloten ogen, je hand de opdracht geeft de letters van dat woord na elkaar op te schrijven, kan het alleen maar geschrapt worden. Zou er een keuringscommissie in je hoofd zitten? Die hoopjes maakt. Kies daar maar eentje uit. Nee, die niet, daar moet je afblijven.
Hoe het nu met je gaat? Of het al een beetje gaat? De vraag komt naar je toe. En terwijl je iets probeert te zeggen bedenk je dat je misschien beter een antwoord had voorbereid. Voor als die vraag weer komt. Bestand tegen verschillende gradaties van dichtbijheid. Misschien met enkele varianten. Omdat je eigenlijk wel zou willen antwoorden met de fragmenten zoals die in je hoofd rondzwerven. Maar toch maar niet. Niet dat het antwoord dan uiteindelijk ontwijkt. Het is alleen meer verwoord dan het is. Het is ook sneller voorbij.
Voor het opstappen in de trein jezelf zien in het raam. En schrikken dat het spiegelbeeld zo grijs geworden is. Veel grijzer dan vanmorgen in de spiegel thuis. Hoewel. Is er wel goed gekeken in die spiegel? Zou het treinglas meer gelijk hebben? Als je lief bent voor je spiegel, is die ook lief voor jou. De spiegel thuis krijgt elke dag de laatste geheimpjes. De ontboezemingen. De twijfels en verlangens. En ook de momenten van in de plooi vallen. (Zou je gemakkelijker in de plooi vallen als er meer plooien zijn? In dat geval kan het met het ouder worden alleen maar beter gaan. Maar dat is een andere discussie.) Die spiegel is deel van het complot, of beter: het geheime genootschap. En daar krijg je ook iets voor terug. Of was dat toch een vergissing?
Tijdens het concert overkomt het me weer. Een déjà vu. De trompettist komt het podium terug op. Begint een zin. En vanaf het eerste woord weet ik welke twee zinnen er zullen volgen. Gedroomd ooit. Of gedroomd dat het gedroomd is. Maar waarom steeds tijdens concerten?
Over opruimen. En waarom het soms zo moeilijk is. Zeker kleren. Zelfs eenzame sokken die hun tweelingsok verloren aan een zwart gat in de kosmos. Hoe dat kan, zal altijd en eeuwig een mysterie blijven. En zo hoort het ook. Zelfs die sokken. En dan nog alle andere stukken kleding. Hevige discussies. Waar je jezelf therapeutisch doch vastberaden toespreekt. En zo klaar maakt voor het opruimmoment dat zal komen. Dan of dan. En hoe genadeloos het dan zal zijn.
Op de radio een uitgebreide toelichting bij het amoureuze gedrag van de octopus. Heftig. Wat een opluchting dat ik toch maar geen octopus ben. Loopt uit in een gesprek over alle soorten dieren, in het diepste van de diepste zeeën, die we niet kennen. Hoe geruststellend het is dat we die niet kennen. Er is bijna iets van troost in het besef van het niet kennen. Moge al die dieren nooit ‘ontdekt’ worden. Maar alleen maar zijn. Zonder ooit gecatalogeerd te zijn. Zonder ooit een naam gekregen te hebben. Laat dat mysterie vooral blijven. Hoe eindeloos interessant het ook zou zijn. Buiten het domein van het weten blijven. En zo buiten de erfzonde.
Waarom sommige woorden niet de jouwe kunnen zijn. En waar ze dan wel zijn. Je kunt eraan denken. Je kunt ze zien in je hoofd. Je kunt ze horen uit de mond van een ander. Of lezen in de tekst van een ander. Ze zijn niet ongekend. Maar ze kunnen niet in jouw zin staan. Hoe je ook probeert. Je kunt jezelf opleggen een woord te gebruiken. In een gedicht. Maar het zal niet lukken. Het laat zich als een groot blok graniet niet verplaatsen. En als je toch, met gesloten ogen, je hand de opdracht geeft de letters van dat woord na elkaar op te schrijven, kan het alleen maar geschrapt worden. Zou er een keuringscommissie in je hoofd zitten? Die hoopjes maakt. Kies daar maar eentje uit. Nee, die niet, daar moet je afblijven.
Hoe het nu met je gaat? Of het al een beetje gaat? De vraag komt naar je toe. En terwijl je iets probeert te zeggen bedenk je dat je misschien beter een antwoord had voorbereid. Voor als die vraag weer komt. Bestand tegen verschillende gradaties van dichtbijheid. Misschien met enkele varianten. Omdat je eigenlijk wel zou willen antwoorden met de fragmenten zoals die in je hoofd rondzwerven. Maar toch maar niet. Niet dat het antwoord dan uiteindelijk ontwijkt. Het is alleen meer verwoord dan het is. Het is ook sneller voorbij.
02 april 2008
Het strand
‘Kijk maar, daar. Daar zijn ze bezig. Die put moet denk ik tot aan de andere kant van de wereld.’
‘Of minstens bijna. Je zou nog een klein stukje over moeten houden, en dan ineens je hoofd erdoor steken.’
‘Ik vroeg me altijd af vroeger waar dat water vandaan kwam, dat in je put kwam, als je maar diep genoeg had gegraven. Ik dacht dat het strand gewoon een laagje zand was dat op het water lag. En misschien, als mijn put te breed zou zijn, zou al het water naar boven spuiten, en zou het land verdwijnen.’
‘En wat denken zij? Heb je het al gevraagd?’
‘Nee, dat doe ik niet. Misschien denken ze wel hetzelfde. En ik wil niet dat ze denken dat hun verhaal al ergens anders geweest is.’
‘Dat is mooi. Weet je nog hoe je moeder naar jou keek, als jij in die put stond?’
‘Ja, dat weet ik nog. Ik deed altijd alsof ik niet keek. Alsof ik niet wilde dat zij wist dat ik eigenlijk wel wilde dat ze me zag. Soms bleef ze maar kijken. Eindeloos. Ik vroeg me af wat ze zag. Nu weet ik het.’
‘Ben je soms bang, als je zo kijkt?’
‘Ja. Ik dacht dat het over zou gaan, maar het is niet zo.’
‘Ik denk dat het bij mij erger zou worden bij het ouder worden.’
‘Het wordt anders, maar niet minder, denk ik.’
‘Kijk, zie hoe ze lachen.’
‘Ja. Soms heb ik zin om zelf mee in die put te kruipen. In de hoop dat er iemand is die naar me kijkt.’
‘Dat wil ik wel voor je doen hoor.’
‘Het is goed zo. Misschien wou ik gewoon dat ze er nog was. Dat ze nu naast me kwam zitten, en dat ik haar kon vertellen: kijk daar, daar zijn ze, daar in die put. Zie je hoe ze ook een beetje op jou lijken?’
‘Dat heb ik ook soms. Al weet ik niet waar ik dan naar moet kijken. Gewoon mezelf lijkt zo weinig. Het is wel iets natuurlijk, zeggen dat je zelf lijkt op. Maar dat wist hij al natuurlijk.’
‘Het is veel, denk ik. Misschien was hij wel gewoon gerust, toen hij vertrok, dat jij er was. Als ik je zo zie zitten, dan zie ik hem ook. Misschien wist hij dat ook wel.’
‘Zou het zo geweest zijn? Ik heb het me wel eens afgevraagd.’
‘Misschien komen we zo’n dingen nooit te weten. Nu ze nog jong zijn, denk ik vaak dat het voor hen geen genot moet zijn om op mij te lijken. En straks komt de tijd dat ze me dat ook nog gaan zeggen in mijn gezicht.’
‘Ja, je zult er niet aan ontsnappen waarschijnlijk.’
‘Je moet erop vertrouwen dat het over gaat. Dat denk ik wel eens. Bij mij is het ook zo gegaan. Maar het was nog te vroeg. Nu zou ik nog andere dingen gezegd hebben.’
‘Het is altijd te vroeg, ook al denk je dat je voorbereid bent. Soms verlamt het me zo, dat gevoel dat alles zo snel gaat, dat je er nooit op kunt vertrouwen dat je genoeg tijd zult hebben.’
‘Soms is het alsof ze me zeggen: jaja mama, we weten het wel, het is in orde, je moet niet zoveel moeite doen. Alsof ze me een klein beetje terechtwijzen. En ze hebben gelijk.’
‘Hoe zou het bij mij geweest zijn? Soms is het niet meer erg om het niet te weten. Soms wel.’
‘Je zou het goed gedaan hebben, dat weet ik wel zeker.’
‘Ik weet dat jij dat denkt, en dat is goed.’
‘Af en toe sta ik ’s nachts op, en dan ga ik naast hun bed op de grond zitten. Alleen maar om naar hun adem te luisteren. Pas na een hele tijd word ik weer rustig, en dan kan ik weer gaan slapen.’
‘Het lijkt soms zo’n wonder, dat ze zich zo aan de slaap kunnen toevertrouwen. In mijn hoofd heb ik zelf nooit zo’n overgave gehad.’
‘Misschien weet je dat gewoon niet meer. Je denkt dat je je zoveel herinnert. En dan blijkt ineens dat een ander, die al die tijd naast je leefde een heel andere herinnering heeft. Alsof er hele levens verloren kunnen gaan.’
‘Ik zou ze soms allemaal willen terughalen. Om ze netjes naast elkaar te leggen, en in elkaar te schuiven, tot er iets blijft wat misschien een klein beetje vollediger is.’
‘Heb jij ook nooit het gevoel dat je graag met je volwassen ogen van nu zou willen kijken naar het kind dat je toen was?’
‘Ja, heel vaak. En ik zou zijn stem willen horen.’
‘En ook kijken hoe hij in het zand speelt?’
‘Ja, dat ook. Dat zeker ook.’
‘Of minstens bijna. Je zou nog een klein stukje over moeten houden, en dan ineens je hoofd erdoor steken.’
‘Ik vroeg me altijd af vroeger waar dat water vandaan kwam, dat in je put kwam, als je maar diep genoeg had gegraven. Ik dacht dat het strand gewoon een laagje zand was dat op het water lag. En misschien, als mijn put te breed zou zijn, zou al het water naar boven spuiten, en zou het land verdwijnen.’
‘En wat denken zij? Heb je het al gevraagd?’
‘Nee, dat doe ik niet. Misschien denken ze wel hetzelfde. En ik wil niet dat ze denken dat hun verhaal al ergens anders geweest is.’
‘Dat is mooi. Weet je nog hoe je moeder naar jou keek, als jij in die put stond?’
‘Ja, dat weet ik nog. Ik deed altijd alsof ik niet keek. Alsof ik niet wilde dat zij wist dat ik eigenlijk wel wilde dat ze me zag. Soms bleef ze maar kijken. Eindeloos. Ik vroeg me af wat ze zag. Nu weet ik het.’
‘Ben je soms bang, als je zo kijkt?’
‘Ja. Ik dacht dat het over zou gaan, maar het is niet zo.’
‘Ik denk dat het bij mij erger zou worden bij het ouder worden.’
‘Het wordt anders, maar niet minder, denk ik.’
‘Kijk, zie hoe ze lachen.’
‘Ja. Soms heb ik zin om zelf mee in die put te kruipen. In de hoop dat er iemand is die naar me kijkt.’
‘Dat wil ik wel voor je doen hoor.’
‘Het is goed zo. Misschien wou ik gewoon dat ze er nog was. Dat ze nu naast me kwam zitten, en dat ik haar kon vertellen: kijk daar, daar zijn ze, daar in die put. Zie je hoe ze ook een beetje op jou lijken?’
‘Dat heb ik ook soms. Al weet ik niet waar ik dan naar moet kijken. Gewoon mezelf lijkt zo weinig. Het is wel iets natuurlijk, zeggen dat je zelf lijkt op. Maar dat wist hij al natuurlijk.’
‘Het is veel, denk ik. Misschien was hij wel gewoon gerust, toen hij vertrok, dat jij er was. Als ik je zo zie zitten, dan zie ik hem ook. Misschien wist hij dat ook wel.’
‘Zou het zo geweest zijn? Ik heb het me wel eens afgevraagd.’
‘Misschien komen we zo’n dingen nooit te weten. Nu ze nog jong zijn, denk ik vaak dat het voor hen geen genot moet zijn om op mij te lijken. En straks komt de tijd dat ze me dat ook nog gaan zeggen in mijn gezicht.’
‘Ja, je zult er niet aan ontsnappen waarschijnlijk.’
‘Je moet erop vertrouwen dat het over gaat. Dat denk ik wel eens. Bij mij is het ook zo gegaan. Maar het was nog te vroeg. Nu zou ik nog andere dingen gezegd hebben.’
‘Het is altijd te vroeg, ook al denk je dat je voorbereid bent. Soms verlamt het me zo, dat gevoel dat alles zo snel gaat, dat je er nooit op kunt vertrouwen dat je genoeg tijd zult hebben.’
‘Soms is het alsof ze me zeggen: jaja mama, we weten het wel, het is in orde, je moet niet zoveel moeite doen. Alsof ze me een klein beetje terechtwijzen. En ze hebben gelijk.’
‘Hoe zou het bij mij geweest zijn? Soms is het niet meer erg om het niet te weten. Soms wel.’
‘Je zou het goed gedaan hebben, dat weet ik wel zeker.’
‘Ik weet dat jij dat denkt, en dat is goed.’
‘Af en toe sta ik ’s nachts op, en dan ga ik naast hun bed op de grond zitten. Alleen maar om naar hun adem te luisteren. Pas na een hele tijd word ik weer rustig, en dan kan ik weer gaan slapen.’
‘Het lijkt soms zo’n wonder, dat ze zich zo aan de slaap kunnen toevertrouwen. In mijn hoofd heb ik zelf nooit zo’n overgave gehad.’
‘Misschien weet je dat gewoon niet meer. Je denkt dat je je zoveel herinnert. En dan blijkt ineens dat een ander, die al die tijd naast je leefde een heel andere herinnering heeft. Alsof er hele levens verloren kunnen gaan.’
‘Ik zou ze soms allemaal willen terughalen. Om ze netjes naast elkaar te leggen, en in elkaar te schuiven, tot er iets blijft wat misschien een klein beetje vollediger is.’
‘Heb jij ook nooit het gevoel dat je graag met je volwassen ogen van nu zou willen kijken naar het kind dat je toen was?’
‘Ja, heel vaak. En ik zou zijn stem willen horen.’
‘En ook kijken hoe hij in het zand speelt?’
‘Ja, dat ook. Dat zeker ook.’
Abonneren op:
Posts (Atom)