19 februari 2022

Knalontwijking


De week binnenkomen. (Misschien wou je dat het weekend net iets leger was geweest. Misschien voel je het beter.)

De dag schuift voorbij. Je hapert nog een klein beetje.

Een mooie avond. De boer vertelt. (Iets maakt je heel rustig. Het is goed thuis te zijn, denk je.)

Je krijgt een bericht dat je verdrietig maakt. (Misschien moet je een beetje rouwen?)

Een andere dag. De mevrouw aan het onthaal lijkt helemaal opgewekt. (Je probeert je voor te stellen welk mooi bericht ze net daarvoor gekregen heeft.)

Je maakt foto’s in de vergadering. Je probeert zo geruisloos mogelijk te bewegen door de ruimte, zoals je vroeger geleerd hebt. (Zou het kunnen dat je trager kijkt door een telelens?)

De volgende ochtend. Je luistert naar de verhalen van de vrouwen die in dat bedrijf werken. Ze restaureren kunstvoorwerpen. (Je hebt minstens 38 vragen die je zou willen stellen. Over hoe ze dat doen, hoe ze het materiaal aanvoelen, hoe ze met de tijd omgaan, hoe ze zorgen.) Het is mooi, dat wat je voelt tussen hun woorden. Hoe ze bewegen in het gesprek.

Je zit in de schouwburg te wachten tot de voorstelling begint. (Iets in je verlangt dat iedereen stiller zou spreken, zachter zou zijn.) De schrijvers komen op het podium, lezen telkens een stuk voor. (Je begrijpt het niet, waarom mensen in elke lege plek tussen twee schrijvers, terwijl de muzikant speelt, telkens naar hun telefoon willen kijken.) De man en de vrouw en de vrouw die in het Frans lezen. Hoe mooi ze hun woorden laten ademen. De gedichten bij het einde.

(Op weg naar huis, iets maakt je onrustig. Het zal de volgende dag bevestigd worden. Je bent teleurgesteld.)

In de vergadering de volgende ochtend. De vrouw die de vergadering voorzit, heeft duidelijk koorts, zo zie je op het scherm. Ze doet haar best om overeind te zitten. Je hoopt voor haar dat het snel beter zal gaan.

(Je leert iets over telkens weer daar gaan staan, waar je zou willen staan. Een plek voorbij je teleurstelling. Je hebt het al die vorige keren ook gedaan, het zal nu ook wel lukken. Er ligt nog zoveel tijd voor je.)

Je fietst naar je afspraak, door de velden, langs de rivier. Het is de dag voor de dag van de storm. Je probeert je voor te stellen wat het landschap zal voelen, de volgende dag.

(Hoe je telkens beweegt, en hoe dat misschien wel genoeg is.)

In de volgende vergadering. Je kijkt naar de gezichten op het scherm. (Even lijkt het of je alleen maar mannen ziet die ouder aan het worden zijn, die samen al zoveel weg hebben afgelegd.)

(Je hebt voor een keer geen zin in het journaal, je wilt het niet zien, voor een keer. Je hebt alleen maar behoefte aan verhalen.)

In je droom. Je bent met iemand op weg. Een pad nabij de rand van de kliffen. Daar beneden is de zee. Je vraagt je af waarom zij die tas met kleren heeft laten liggen. Later ben je bezig aan een afwas die heel lang duurt. Je moet heel lang schrobben met dat sponsje, wachten, tot ineens de blauwe kleur begint op te lossen. Je kijkt naar haar, alsof je haar voor het eerst van dichtbij ziet.

(Ergens in de nacht wakker worden. Vaststellen dat je je helemaal veilig voelt in het huis, de wind van straks zal je daar niet kunnen raken.)

In de ochtend, terwijl je naar het journaal luistert, andermaal tot het besef komen dat je volstrekt geen knaldrang hebt. (Dat je eigenlijk stiekem graag zou hebben dat dat woord knallen zomaar ineens chirurgisch zou verwijderd worden uit de taal. Dat er ongetwijfeld iets mis is met jou, en dat je dat niet zo heel erg vindt. Dat sommige woorden, wanneer ze niet zomaar ongedaan gemaakt kunnen worden, je zo droef kunnen maken.)

Je blijft toch maar thuis. (Je was van plan de trein te nemen, om ginder de planten water te gaan geven. Na overleg is de aanname dat de planten het weekend wel door zullen komen.)

Je brengt het kaartje naar het postkantoor. Je voelt hoe de stilte voor de storm langzaam verdwijnt.

(Iets met de storm en de stroom.)

Onderweg naar het etentje die avond met een vriendin waai je bijna weg. In het café is er veel lawaai. De jonge mensen zijn uitgelaten. Het is mooi, hoe ze bewegen. (Laat niemand van hen het woord knallen gebruiken, hoop je.)

De volgende ochtend op weg naar de lezing die je gaat geven. Je bent veel te vroeg daar, je wacht aan de deur. Een vrouw spreekt je aan. Ze zou zo graag al naar binnen willen. Even later komt ze terug naar jou, om te vragen of je (…) bent. Want je lijkt er zo op, zegt ze. Haar ogen glinsteren.

Je spreekt jezelf op gang. (De vorige dag heb je nog lang zitten prutsen aan je presentatie. Iets met het ritme, iets met de lijn.) Je verhalen nemen je mee, dat was de afspraak met jezelf.

Je raakt dat ene punt voorzichtig aan in je verhaal. (Iets over verdriet.) Je ziet hoe ze intenser kijken, een beetje naar voor schuiven op hun stoel. (Het mag, denk je, vandaag mag het, denk je, vandaag is dit verhaal wat je te doen hebt.)

Met die ene zin heb je vandaag mijn leven gered, zegt een van hen nadien. (Je bent verlegen.)

(Julia kijkt mee.)

In de trein terug vindt die ene vrouw dat ze blijkbaar recht heeft op vier zitplaatsen voor zichzelf.

Nog snel alle boodschappen doen. De dingen mogen zich neerleggen. Het is stil in je huis dat op je wachtte.

(Een heel mooi berichtje dat je erg ontroert. Misschien was het wel goed, wat je deed.)

13 februari 2022

Grensaanraking


‘Zullen we zo gaan zitten?’
‘Ja, dat is goed.’
‘Het was goed om gisteren daar te zijn. Ik had een beetje schrik. Ik weet nooit vooraf wat die plek met me zal doen. Soms raak ik er mijn adem een beetje kwijt.’
‘Ben je dan bang?’
‘Nee, eigenlijk niet. Ik probeer gewoon als van op een afstand af en toe naar mezelf te kijken. Als ik gewoon een beetje meedrijf met hoe de dingen gaan, kom ik wel op een goede plek terecht, denk ik. En dat was gisteren ook zo.’
‘Ik herinner me nog wel van vroeger dat ik je daar soms verloor. Net op het moment dat ik wou voelen dat je er was, schoof je van me weg. Misschien ook wel van jezelf.’
‘Ja, dat denk ik wel.’
‘Je bent veranderd. Je bent meer en meer in het nu, en alleen maar hier. Ik dool nog een beetje. Ook door wat er gebeurd is, denk ik. Vandaag was het voor het eerst sinds weken dat ik me niet verdrietig voelde. Dat gewicht leek even weg. Het voelde goed om alleen te zijn, ik miste hem niet meer.’
‘Ik zie het aan je. Je ogen zijn anders.’
‘Ja? Dat zou mooi zijn. Misschien ben ik soms bang van dit alleen zijn. Op zich kan ik het wel goed, maar soms is er dat verlangen dat iemand me ziet.’
‘Zou je er anders niet zijn?’
‘Dat is gewoon die kleine angst, vermoed ik. Al heb ik ondertussen geleerd dat het meer pijn doet als er wel iemand is, maar als die je niet ziet.’
‘Ik zie je toch?’
‘Ja, jij wel, altijd.’
‘Dat is toch al iets.’
‘Ja, dat is waar. Maar het was dus een goede dag. Ik had zin om het huis op te ruimen en om het zo weer een beetje het mijne te maken.’
‘Dan kunnen de dingen jou ook beter zien, dan worden ze zachter.’
‘Dat is wel een mooie gedachte. En jij? Wie ziet jou?’
‘Dat is een moeilijke vraag. Er zijn zoveel mensen die me zien. Het is soms een beetje overweldigend. En toch kan het me soms verwarren. Ik weet het, in mijn hoofd, ik laat het tot me doordringen, en altijd is het alsof iets daarvan me nooit zal bereiken. Ik probeer daar niet te veel over te piekeren of zo, probeer gewoon te kijken, en dankbaar te zijn.’
‘Soms, heel soms, denk ik dat ik daar nooit overheen ben geraakt bij jou, die drempel. Het is alsof ik die zou kunnen aanraken, alsof ik weet waar die in jouw lichaam is. Je was daar altijd zacht in, maar ik zag het aan je.’
‘Het spijt me, als het zo was.’
‘Dat hoef je niet te zeggen. Ik zie nu ook het mooie ervan, van het zoeken en het proberen. Misschien zou ik het nu anders doen.’
‘We zouden allebei anders zijn. Het is goed misschien om het gewoon al gezegd te hebben.’
‘Ja.’
‘Ik bedacht net dat ik graag naar je kijk, terwijl je ouder wordt. Je valt steeds meer samen met je bewegingen.’
‘Gisteren zag ik iemand die ik al heel lang niet meer gezien had. Ik zei haar dat ze zo op haar moeder begint te lijken. En zij zei dat ik er zoveel beter uitzie nu dan jaren geleden.’
‘Ik denk dat ze gelijk heeft.’
‘Jij bent nog altijd een heel stuk jonger.’
‘Jij zegt dat steeds, maar zo voelt het wel niet.’
‘Je hebt nog zoveel open ruimte voor je.’
‘Hier vandaag is voorlopig al meer dan genoeg.’
‘Wat zullen we nog doen? Wat zou je willen?’
‘Ik heb een plan.’
‘Laat maar komen, ik zeg op alles ja. Denk ik toch.’

12 februari 2022

Omhuld


Bij het begin heb je het vermoeden dat het een bijzondere week zal worden. Alsof je vermoedt dat je hart op veel plekken zal komen.

Je krijgt eindelijk bericht dat je laatste spreker is bevestigd. (Diepe zucht. De dingen passen weer netjes in elkaar.)

Je had er die nacht over liggen piekeren. Alsof de plaat op dat ene punt bleef steken in je, telkens weer. Iets over rouwen. Hoe rusteloos het je maakt, dat het daar nog is. (Je observeert jezelf. Hoe je het steeds doet, op zo’n moment. Hoe je dan ineens iets begint te maken. Het lijkt een beetje buiten je wil om te gaan.) Je maakt een tekstje. Misschien lukt het wel om het in de krant te krijgen. (Waarom zou de krant dat doen? Het zal wel niet sexy genoeg zijn. Waarom zou de krant dat niet doen? Stel je voor.)

Een mooi gesprek. Over het tekstje, en al het andere. Het ontroert je, trekt je heen en weer in je hoofd. Je prutst er nog een beetje aan, en de tekst is weg. (Pas daarna wordt er iets een beetje rustig, ook al is de kans groot dat er niets van komt.)

Een andere dag. Je loopt door de stad. De vergadering van later die dag maakt je rusteloos. (Weer.) Ineens begint het te stromen in je hoofd, de dingen vallen bijna over elkaar heen. Terwijl loop je rustig verder. (En die fles melk moet ook nog gehaald worden.) Eerst de dringende dingen afwerken, en dan begin je een tekst te schrijven. (De tekst schrijft zichzelf.) (Je observeert jezelf, terwijl je schrijft. Daar gaat hij weer, denk je. Je glimlacht, door je eigen voorspelbaarheid. Iets maken, om samen vooruit te komen, of zoiets.)

Een mooi gesprek. Ze zegt je iets dat je heel erg ontroert, zoals alleen zij dat kan. (Soms zien anderen iets dat je zelf niet ziet.)

De vergadering. (Was het wel een goed idee, om weer eens…) Op een of andere manier zorgt de tekst voor een plek. (Misschien is het zo dat teksten soms iets van rust kunnen brengen.)

Een andere dag. (Piepjes…) Je bent er nooit goed op voorbereid, denk je, verjaren. Het is een gewone werkdag, met ministers die toelichtingen komen geven. En het is iets heel anders. (Je voelt je gezegend en klein en verward en dankbaar, door zoveel mooie mensen die zomaar in je leven zijn.) Het omhult je, het wikkelt je in, in warmte. (Beetje week. Je probeert het een klein beetje toe te laten. Je weet niet goed hoe dat moet.)

Je krijgt bericht dat iemand er niet meer is. De grote broer van je vader is niet meer. (Op een of andere manier dacht je dat hij er altijd zou zijn. Het is alsof een laatste iets wegvalt, al weet je niet wat dat wil zeggen.)

Het wordt niets met dat stuk in de krant. Je krijgt een vriendelijk antwoord. (Dan maar een andere plek zoeken. De tekst zal wel ergens een weg vinden. En misschien is er wel iemand die vindt dat het goed is dat de tekst er is.) De tekst beweegt, het is goed.

Een mooi terrasgesprekje. Je bent blij dat ze in je leven is. (En nog iets. Het doet je denken.)

Iets met chocolade.

Een andere dag. De poetsmevrouw loopt weer zingend door de gang. Ze komt binnen in je bureau en vraagt of ze wat aan de planten mag frutselen, om de dode bladeren weg te doen. Je zegt dat dat ook een mooi liedje is. Les feuilles mortes. Jullie luisteren samen. Ze zegt iets over de zanger die als oude man nog een kind kreeg. Er komt een heel verhaal over oude mannen, die telkens opnieuw een jonge vrouw zoeken. Veel kinderen, en telkens opnieuw onderweg naar weer een nieuwe vrouw. Ze zegt dat ze thuis nog eens naar het liedje gaat luisteren.

Die avond. Je geeft een toelichting in een commissie. (Je hebt je mooie jasje aan, het zal je omhullen. Je denkt aan iemand, hoe die over je schouder meekijkt.)

Vroeg in de ochtend. Het is stil in de trein.

Het webinar begint. (Het blijft een beetje wonderlijk, hoe dat gaat. Hoe je al die mensen eerder hebt gezocht en gevonden, hoe je het verloop voorbereidde, en hoe het dan ineens ook in het echt gebeurt. Dat in het echt blijft altijd een beetje een mysterie. Alsof er iets is van dat echt dat je nooit helemaal kunt aanraken.)

Die avond zit je in de zaal. Het theaterstuk beweegt voor je ogen. Woorden schuiven heen en weer. De muziek walst soms over je heen. Er is een lichtheid, en tegelijk zoveel niet ingevuld verlangen.

Een hartje.

Je bent al vroeg onderweg. Terug naar daar.

De trein rijdt in de tunnel. Ergens daar liet enkele dagen eerder een kleine jongen die van treinen hield het leven. (Het is alsof de tunnel een beetje zijn adem inhoudt.)

In de kerk luister je naar de verhalen over de oudste zoon van Fons en Julia.

Later aan de tafel kijk je rond, luister je. Je was er niet op voorbereid dat het je zo zou ontroeren. Al weet je niet juist wat het is. (Je bent blij dat je daar bent, zij zijn blij dat jij er bent.)

In de trein terug. Een vermoeidheid schuift over je heen. (Stiekem zou je willen dat je even, voor deze rit, helemaal alleen zou kunnen zijn, of dat iedereen om je heen zou zwijgen, niet de hele tijd heen en weer zou lopen, niet zo hard zou praten.)

Het huis heeft rustig op je gewacht. (Je valt weer in de plooi.)

Je kijkt nog eens naar het filmpje waarin je op de televisie vertelt over Julia. (Je ziet iets.)

05 februari 2022

Zacht


Een mooi gesprek met een vriend, en hoe het de rest van de dag nog blijft bewegen.

(Op een of andere manier weet je dat het niet zal klinken, de woorden en zinnen die door je hoofd snellen. Alsof ze altijd te hard en te groot zullen lijken, terwijl ze klein en zacht zouden moeten zijn.)

Wat je doet om zacht te blijven, soms is het niet zo eenvoudig.

Soms lijkt er zoveel lawaai. Soms doet het pijn, veel pijn. Hoe de wereld verder schuift, hoe het voelt alsof je daar niet naartoe wilt gaan, alsof je dan te veel zou verliezen.

En hoe je tegelijk gewoon probeert te kijken. De plaatsen, de rollen verschuiven, tussen de generaties. En hoe je dat kunt zien, en je laten verwonderen. En hoe het tegelijk ook pijn kan doen.

Die dingen, die zo diep in je huid zitten. Die dromen, die zo groot zijn dat ze pijn doen. Dat verlangen, dat zo intens is.

En hoe je het telkens opnieuw weer oefent, en leert, om jezelf een nieuwe plek te geven. Hoe je telkens een beetje moet weggaan om te kunnen blijven. En hoe je soms denkt dat je soepelheid om dat te kunnen beperkt is. En hoe je tegelijk erop vertrouwt dat je het wel elke keer opnieuw zult kunnen. Elke dag opnieuw geboren worden, om te doen wat er die dag te doen is.

Soms ben je net een beetje te moe. Soms lijkt het zo verleidelijk. Zeggen dat je je terug zult trekken, weg van al het gedoe dat je zo kan raken. En dan weet je al snel dat dat niet het goede idee is. En dat het ondanks alles toch beter is om telkens opnieuw een plekje te zoeken, ook in de wind, in zachtheid. Al weet je niet vooraf dat het zal lukken.

(Het is mooi, hoe al die dingen niet uitgesproken zijn tussen jullie. Hoe je alleen maar naar elkaar moet kijken, om het te weten.)

En het is ook goed, een hoop van het lawaai aan je voorbij laten gaan. Waar je niets aan kunt veranderen, het mag ook een beetje voorbij schuiven. Je kunt een andere plek zoeken, waar wel iets kunt doen, waar je zacht kunt blijven. In de tijd die je nog hebt, met de energie die je nog gegeven is.

Een stukje ervan is niet groter dan het is. Het is gewoon ouder worden. Het zijn gewoon de seizoenen. En een stukje zal nooit veranderen. Ooit heb je ervoor gekozen je te laten raken. Of het koos dat, voor jou. Het was misschien geen keuze. Wel of niet blijven, dat is een keuze.

En het is goed, de momenten te kiezen waar de dingen je kunnen helen. Waar de muziek, de woorden, een ander je huid weer zacht kunnen maken, telkens weer.

(Het is mooi, dat ondeelbare gesprek.)

Soms lukt het niet, zelfs maar te kijken naar mensen die zo cynisch of giftig zijn. Soms vraagt het zoveel energie om mild te blijven. Soms weet je niet hoe je zachtheid in de wereld kunt brengen. En soms gaat ook dat weer elke keer voorbij, en ga je gewoon verder, en begin je opnieuw.

En iets ervan is ook rouwen, en dat toestaan. Het duurde even eer je dat begreep. Het woord hielp je. Alsof dat grote woord ervoor zorgde dat het kleiner werd, meer vloeibaar. Al weet je niet wat dat wil zeggen.

Soms zie je de zachtheid die net buiten handbereik ligt. Je huid doet pijn. En misschien heb je geleerd om te wachten, of heb je dat te leren. En soms ben je alleen maar daar, waar je wilde zijn, voel je hoe je adem het overneemt.

Soms probeer je je voor te bereiden, op het verlies dat nog zal komen. Vooraf oefenen om dan te kunnen blijven. Wat ook een eenvoudige formulering van het begrip leven zou kunnen zijn.

En misschien ben je er ook helemaal niet zo goed in. En is dat ook helemaal niet erg. Je rommelt maar wat aan. In stijl, als dat zou kunnen.

(Het is een mooi gesprek. Het gaat nog een eeuwigheid verder. Dat is al zo veel.)

04 februari 2022

Een laddertje


Je weet niet altijd wat je moet doen om het goede te doen. Het is nochtans wel belangrijk, in het kader van de kosmische evenwichten, je karma, de aflaten, en de algemene wereldvrede. De zelfopvoeding is een belangrijke kwestie, die in jouw geval evenwel nogal lang duurt.

Het is waarschijnlijk belangrijk om geheel zen en onthecht te zijn. Ongetwijfeld. Toch valt niet te ontkennen dat het leven soms gewoon een klein beetje aangenamer zou zijn als iedereen gewoon een beetje efficiënt en goed georganiseerd zou zijn. Wat zich zou kunnen uiten in iets als gewoon onmiddellijk op een mail antwoorden. Als je maar iets meer dan twee weken tijd krijgt om een webinar te organiseren en mogelijke sprekers doen er dagen over om je een antwoordje te sturen, dan is dat een klein beetje suboptimaal qua interne wereldvrede. Als je dan na drie herinneringsmails en enkele omwegtelefoons uiteindelijk een antwoord krijgt dat met veel poeha zegt dat zij je niet kan helpen, maar dat ze wel kan helpen bij de contactgegevens van de sprekers die jij wilt. (Het is trouwens niet omdat jij een ambtenaar bent en zij waarschijnlijk ook dat je zo’n ambtelijk antwoord moet krijgen, huh…) Je legt uit dat de gegevenheid dat je nog geen naam van een spreker hebt net de diepere essentie is van je odyssee die ondertussen al meer dan een week duurt. (Soms denken mensen misschien dat als ze niet antwoorden op een mail het probleem gewoon vanzelf zal evaporeren of zo, grrr.) (Interne dialoog over welke versie van jezelf in deze gegevenheid de meest optimale is in het licht van altijd het goede doen.) (Vaststellen dat je eigenlijk graag alles netjes en op tijd georganiseerd hebt, omdat dat beleefd en correct is tegenover alle sprekers en het publiek. En dus al dagenlang een volledige briefing klaar hebben waar alleen nog één naam in moet geplakt worden. En dat dan al die andere mensen gaan denken dat jij niet goed georganiseerd bent. Pingpong in je hoofd.) Uiteindelijk zal alles goed komen. En het leven is onbestendig, en dat soort dingen. Een stem zegt iets over wat er gebeurt als je zand te hard probeert vast te houden in je hand. (Een andere stem zegt dat dat ongetwijfeld waar is, maar dat het leven toch iets aangenamer zou zijn als iedereen gewoon onmiddellijk antwoordt op een mail met een duidelijke vraag. Nog een andere stem zegt dat je redelijk hilarisch bent, en ook enigszins voorspelbaar. Wat dan weer een existentiële troost is.)

Hoe moet je het goede doen in het handelen? Het is gemakkelijk gewoon binnen te blijven, afstand te houden van iedereen, ook als je ziet dat je iemand zou kunnen helpen. Maar misschien wil die persoon niet geholpen worden? (In het kader van de zelfopvoeding heb je echter met jezelf afgesproken dat je niet afzijdig zult blijven, niet zult doen of je niet ziet wat er te doen is. Nadenken over het goede doen is soms vermoeiend.) Je staat af te wassen. Op het plein zie je een buurvrouw op een wel heel klein trapladdertje met een lange stok met spons aan haar hoge ramen bezig. (Misschien is dat net het concept van haar speciale fitnessprogramma? Misschien is dat een soort spel met haar kinderen? Misschien heeft ze wel een grotere ladder, maar gewoon geen zin die uit het hok te halen? Maar het is toch wel een beetje gevaarlijk, sowieso, en ze is net bevallen. Moet je niet gaan vragen of ze jouw ladder zou willen gebruiken? Is dat niet een beetje onnozel?) (Je zou kunnen wachten tot ze bijna klaar is, en dan vaststellen dat het te laat is om het nog te gaan vragen. Het probleem zou geëvaporeerd zijn.) (Dat was wel niet de afspraak in het kader van de zelfopvoeding!) Je loopt naar buiten, ze is nog steeds bezig. Je vraagt haar voorzichtig of ze misschien jouw ladder zou willen gebruiken. Het hoeft al niet meer, maar ze is blij met het aanbod en vraagt waar je woont. (Waarom dacht een stem in jou dat ze kwaad zou worden?) Je loopt terug. (Een stem in jou zegt dat je toch weer iets nuttigs hebt geleerd dat nog van pas kan komen voor als Den Duits nog eens binnenvalt.) (Het was toch beter dat je het wel gedaan hebt dan dat je het niet gedaan had, denk je.) Elke dag valt er wel iets te oefenen.

Hoe moet je het goede doen in een droom? (Welke hogere instantie bedenkt trouwens die ingewikkelde verhaallijnen in je dromen?) Je bent op weg door een of ander stadslandschap dat je niet herkent om ergens te gaan eten. Iemand heeft je gevraagd om mee te gaan. Je weet niet helemaal zeker waarom je met haar meeloopt, je hebt geen idee wie ze is. Samen met nog twee andere mensen komen jullie aan in een huis waar jullie gaan eten. Het is een merkwaardig soort loft, met allerlei niveaus. Aan de ene kant staat er ook een enorm scherm, waarop allerlei dingen aan het flikkeren zijn. (Een soort NASA control centre of zo.) Je loopt een beetje verloren rond, probeert op allerlei plekjes sociaal wenselijk gedrag te vertonen in varianten van small talk. (De mensen die daar wonen zijn wel een beetje raar. De mensen met wie je gekomen bent ook, eigenlijk.) De vrouw des huizes (denk je toch) gaat ineens traag en zelfbewust voor je staan, kijkt je aan en vraagt dan (al is het meer zeggen dan vragen): “Mag ik u kussen?” Je mompelt iets, en ze gaat er voluit voor. (Je vraagt je af of je in die context het goede hebt gedaan, of je soepel genoeg – alsof je wist hoe dat moet – contact had gelegd met iedereen, of je geïnteresseerd genoeg was in alle verhalen – ook al had je geen idee wat er op dat grote scherm allemaal gebeurde – en dat soort dingen. En wat nu eigenlijk de meest aangewezen, vanuit het perspectief van het goede, vanzelfsprekend, reactie was geweest op de vrouw des huizes. Normaal deins je onmiddellijk terug wanneer iemand zoiets doet, in dit geval stond je daar heel rustig. Die kwesties gaan door je hoofd, in die ene seconde, in je droom.) Daarna gebeuren er nog allerlei andere dingen, die je je niet meer zo goed herinnert. In elk geval, verderop in je droom ben je weer buiten, loop je terug naar huis, en blijkt – weer maar eens! – dat je je schoenen kwijt bent. (Zou het niet een beetje onnozel zijn om terug te gaan en te vragen of je schoenen daar nog staan? En zou die vrouw dan niet kwaad worden?) Je stapt toch maar gewoon door. (Een soort metastem zegt: Jean, je weet toch al dat dat altijd gebeurt in je dromen, dat je je schoenen verliest, en je weet toch al dat straks waarschijnlijk de droom weer voorbij zal zijn en dat je je dus, rationeel gezien, niet te veel zorgen moet maken over een soort structureel en systemisch verdwijnen van je schoenen. De metastem wijst je nog op allerlei andere dingen die meer met die vrouw te maken hebben.) Je wordt wakker en je vraagt je af of je het goede gedaan hebt.

Het voordeel van al die onthechting is dat je elke dag weer opnieuw kunt beginnen met oefenen.

29 januari 2022

Oefenen in zintuigen


Bijna iets horen terwijl je met je pen een kaartje schrijft. De inkt ruiken.

Het schaaltje (gemaakt door een vriendin) op de tafel, met clementines. Hun geur hangt over de tafel.

Wakker worden en met je hand naast je in het bed een herinnering voelen.

Het warme water over je rug in de douche, stiekem willen blijven staan.

De kranten voorzichtig uit de brievenbus halen. (Je kleine oplossing om te voorkomen dat ze zouden scheuren heeft gewerkt. Even extra voelen aan de kranten.)

Het pakje koffie open knippen, even alleen maar ruiken.

Het gewicht van de melkfles, en hoe die voelt in je handen. Iets brengt je terug naar toen.

De fietser horen naderen, achter de hoek, op de kasseien.

Kijken hoe de vrouw door de winkel beweegt.

Traag over de kasseien gaan, voelen hoe ze je zachtjes uitdagen.

De stem van de vrouw op de radio, en hoe die beweegt in je huis.

Je de geur van iemand herinneren.

Denken aan hoe je het straks warm zult hebben.

Ineens in je lichaam het huis voelen, daar in de verte, waar je niet meer naartoe kunt (als je dat al zou willen).

De huid van de courgette. Ze biedt een beetje weerstand tegen tasten.

Even de handen van je vader en daarna je grootvader in de jouwe zien, en dan voelen aan de bureautafel die jullie samen maakten.

Het geluid van de wasmachine, ergens op de achtergrond.

De gemberthee, net voor je proeft.

Tintels, achter in je nek. Ineens.

Je voet die onder het dekentje wacht met opwarmen.

Spaanse wijn.

De slablaadjes losmaken.

Niet helemaal weten waar je het uitstellen zou voelen. Of misschien wel.

Denken dat je eigenlijk alleen maar zwarte peper wilt gebruiken, geen witte. (Het heeft iets met herinneringen te maken, denk je. Of met die pepermolen.)

Wat je zou vragen, en hoe het zou voelen.

Het warme afwaswater.

Chocolade. Een klein stukje, zoals elke dag. (En elke dag lijkt de smaak net iets anders, denk je.)

De letters van de ondertitels op het scherm lijken ineens zo scherp.

Iets zindert in je voeten. (Vorige week was het je been, al was dat meer een soort pulseren. Welk woord zou je ervoor moeten gebruiken? Ooit was het ook je bekken. Niet weten wat iets zegt.)

Famous Blue Raincoat, alsof je het voor het eerst hoort.

Een muntje, en herinneringen die zich openen.

Het geluid van een berichtje van een vriendin. De ruimte rondom je verandert een heel klein beetje.

Je hand wil je schouder voelen, de huid. (Iemand merkte op dat je dat deed.)

Weer weten hoe je je voelde tijdens dat concert van Joe Henry.

De stilte zien in het licht buiten.

28 januari 2022

In zinnen


De nacht leek zo diep. Je komt van ver, in de nieuwe week. (Misschien is het een beetje als uit een zwembad omhoog klimmen over de rand. Een beetje.)

Het ritme zoeken. Varianten van zithouding. (Soms lijk je zo groot en hoekig.)

Een mooi gesprek. (Het gesprek van het huiswerk.) Het blijft nog door je hoofd gaan nadien. (Het is goed dat het tijd vraagt om zich neer te leggen. Er is nog zoveel te begrijpen.)

Soms schuift de dag niet om je heen, soms hapert de tijd, ergens in de namiddag. Tot het weer voorbij gaat.

Een gesprek op afstand. Iemand vindt het lastig. (Wat jou dan weer een beetje rusteloos maakt.) Soms voel je je jong.

In de ochtend door de stad lopen. De meneer in de krantenwinkel lijkt blij je te zien. Lekker stappen, laagjes warmte opstapelen in je huid.

Je maakt alles klaar, voor het seminarie dat je gaat organiseren. Als hoopjes, netjes naast elkaar, op de tafel. Je wacht op het teken. En alles vertrekt. Nu maar wachten.

Je belt nog even, luistert naar stemmen. (Er is altijd die ene seconde, net voor de herkenning.)

Je denkt iets over eenzaamheid.

Vroeg in de dag, op weg naar het station. Alleen de meneer die de straat schoonmaakt is al in de weer. Goedemorgen. (Soms voel je dat je steeds meer zin krijgt om goeiedag te zeggen tegen allerlei mensen die je tegenkomt. Misschien ben je toch ouder aan het worden. Of is het gewoon dat goede voornemen?)

De mensen zitten breed in de trein. (Jij wilt liever smal zijn, klein, en warm.)

Werkgesprekken, het lijkt zo’n eeuwigheid geleden. De poetsmevrouw maakt kennis met je collega. De planten zijn nu helemaal in goede handen.

(Je zoekt iets op over je pensioen. Misschien is dat zorgwekkend, waarschijnlijk niet.)

De mevrouw in de winkel glimlacht wanneer ze je ziet binnenkomen. (Ze doet dat misschien bij iedereen, maar dat hoef je niet te weten.)

Je schuift in de avond. Je lichaam laat iets los. Misschien kun je al beginnen aan dat tekstje voor de volgende dag. Je wacht op de woorden. Die eerste zin staat er meteen. Daarna moet je volgen. (Het gedicht wil je iets zeggen over de liefde, denk je.) En dan stopt het, dat laatste stuk is voor de volgende dag, de dag waarop.

Het overleg in de ochtend. (Je ruikt de gember door het scherm. Dat is wel een fijne gedachte.) Het maakt je gelukkig. Je zou niet helemaal kunnen uitleggen waarom.

De nog ontbrekende woorden komen. Toen je de uil zag, vielen de stukken ergens in elkaar, hoewel je de woorden, de zinnen nog niet zag. Wel de lege plek waar ze zouden komen, en hoe ze zouden voelen.

(Het voornemen om zachtheid in de wereld te brengen af en toe, wanneer je handen het toelaten.)

De vergadering wringt tegen, in jou. Of misschien ben jij het. (Nadien probeer je te ontrafelen wat het is.)

(Iets over warm water. Mmm.)

In het webinar zie je de president. Je hoorde zijn stem nog niet zo vaak. Je had die lager verwacht, denk je.

Het gesprek in de avond raakt je. Hier zijn we, denk je. (Het is alsof je iets ziet van de tijd die komt.)

(Je hebt het gedicht zomaar losgelaten, besef je in de nacht. Tegen dat je groot bent, zal het misschien wel lukken.)

Je begint vroeg. (Buiten komt het licht elke dag een beetje dichter, het mag.)

De kaartjes schrijven en wegbrengen naar het postkantoor. (Soms is de wereld ingewikkeld. Het verjaardagsbeleid gaat rustig verder.)

Een fijne middagafspraak. Je bent blij hem te zien.

De nota die je nog te maken had. (Je wilt hem liever uit je systeem hebben, denk je.)

De dagen zijn voorbij gegaan. (Je weet nog altijd niet hoe oud je bent en of je al iets meer hebt begrepen over de liefde. Dat is niet erg.)