15 december 2023

Een aftelhoofd


(Iets blijft nog hangen van de zondag. Iets dat je verdrietig maakt, en een beetje alleen. Het is.)

In je hoofd zal het net lukken, in een aanvaardbare staat van nog levend zijn de kerstvakantie halen, denk je. Alle dingen zie je op een rijtje. Je zou telkens een streepje kunnen zetten, telkens aftellen. (Als het zo zou blijven, zal het net lukken. Gewoon telkens ding per ding in volle aandacht, niet aan de andere dingen denken, zeg je tegen jezelf.)

Een koffieafspraak. Je keek er al lang naar uit om haar nog eens even gewoon te spreken, ook al is het maar voor even. (Misschien heeft zij nu ook wel een aftelhoofd?) De verhalen over de kinderen, die wil je graag horen. (Misschien kun je zo praten dat deze plek gewoon heel rustig wordt.)

De student interviewt je. (In dat zelfde hoofd moet je ook antwoorden zoeken, die liefst ook een beetje intelligent klinken.) Hij vindt het interessant. (Zijn definitie van een ‘kort’ interview is wel niet helemaal de jouwe, maar hopelijk was het nuttig voor hem.)

Of het nog zou lukken om voor de kerstvakantie nog een samenkomst te doen. (Minuscule kortsluiting in het aftelhoofd.) Ja, natuurlijk.

Ze is wat te laat. Ze wou jou absoluut interviewen, dat had ze uitgelegd. In academische vragen wil ze allerlei dingen weten over wat jij als een andere, iets meer banale werkelijkheid hebt ervaren. (Die spanning is altijd interessant.) Ze vertelt waar ze vandaan komt. Ineens lijkt het gesprek zo futiel, het verwart je een beetje. (Misschien kan het haar helpen om zich zo even op andere dingen te kunnen concentreren.) Na haar vragen heb jij nog enkele vragen voor haar. Het wordt een heel erg mooi, heel erg breekbaar gesprek. (Er is geen goed Nederlands woord voor ‘humbling’.) Iets over fluïde identiteiten, en nergens meer thuis kunnen zijn. Iets over verdriet en kwaadheid. Iets over kinderen. Je vertelt over je boek (een beetje verlegen), haar ogen veranderen. Het gesprek is een geschenk, je bedankt haar.

(Nog net op tijd thuis om heel snel iets te koken net voor de vergaderingen beginnen op het scherm.)

Een andere dag. Een mooi gesprek. Iets over een plan met je boek. Wat ze vertelt ontroert je. (Je vroeg haar wat ze van Julia vond.)

Of het zou lukken voor jou om nog later van de week een extra overlegje te hebben. (Minuscule flits van hoofdpijn.) Ja, natuurlijk.

Het is een beetje hollen, maar je wilt nog even over huis voor je weer moet vertrekken. Daar iets eten, even daar zijn, en dan ben je weer weg.

Je bent goed op tijd. Je kunt nog even spreken met enkele mensen die je dierbaar zijn, en dan begint het. Je mag heel even naar voor komen, je wilt alleen maar zeggen dat je trots bent op hen. Ze stellen het boek voor dat ze samen schreven. Je bent zo blij voor hen. Het is een mooie avond. (Je zou zo graag wat langer gebleven zijn, je had zo graag nog langer gepraat met de mensen, je had zo graag zo veel.) Je vertrekt iets te vroeg, om die ene trein nog te halen, zodat je bij de overstap nog altijd twee opties hebt. Je bent op tijd, haalt de trein die die andere route neemt. Die duurt iets langer, maar op een of andere manier voel je je steeds een beetje meer geborgen in die trein. Je kunt eindelijk weer wat verder lezen in die roman. (Net voor middernacht ben je weer thuis.)

Een andere dag. De kinesiste kneedt je weer in een plooi. Je hebt nog even tijd voor je volgende afspraak.

Je zit in de wachtzaal van het station. Er staan enkele merkwaardige kerstconstructies, met flikkerende lichtjes. (Iemand heeft die dingen bedacht, en gemaakt, denk je.) Je loopt door naar je afspraak. Een boeiend gesprek.

Of je ook nog kunt kijken naar die tekening die van je is gemaakt. (Oei, zie ik er zo uit?)

Je krijgt een belangwekkend bericht, iets over Downton Abbey, en dat het mag. Je glimlacht.

Je bent net op tijd weer thuis, denk je, om nog rustig te koken en af te wassen voor je naar het concert gaat.

Of het goed is dat we dat ding zo en zo organiseren volgend jaar, en hoe jij dat ziet. (Die afwas is dan maar voor straks.)

Je staat aan te schuiven voor het concert. Zij komt er iets later ook bij staan. Jullie zagen hem al vaak. Je zit perfect. (Wat zij van die tekening vindt. O nee, zegt ze. Je zult het zo doorgeven, zeg je.) Een wonderlijk mooi concert. Hij heeft geen schrik om zijn muziek traag te laten ademen, denk je. (Je huid is in voor melancholie.) En nog een mooi gesprek, bij het einde van het concert.

(Toch nog even die afwas afwerken, belangrijk voor het ochtendgevoel.)

Een andere dag. Eerst even naar de tandarts voor de halfjaarlijkse controle. De dingen gaan goed. Ze zegt iets over je wijsheidstanden. (Ze lijken geen existentieel probleem te hebben, doen rustig verder.)

Het lijstje voor deze dag. (Verder aftellen. En je zou haar ook graag nog eens rustig schrijven, het zal nog even moeten wachten.)

Je wilt eerst nog even naar huis, voor je weer moet vertrekken. De trein zorgt ervoor dat het nipt is, maar het lukt nog net. Onderweg voor de lezing die je gaat geven. (Vertraging, hopelijk niet te lang.) Je bent nog op tijd daar. (Je had de route door de stad al een beetje geoefend in je hoofd.) Je vraagt of ze het niet te erg vinden dat je straks iets vroeger vertrekt dan voorzien, zodat je toch nog die ene trein kunt nemen. Ze vinden het goed. Je doet je verhaal, kunt nog enkele dingen antwoorden op vragen. Je belooft dat je een andere keer nog eens terug zult komen, en holt dan naar de trein. Je zit nog even op het perron te wachten. (Dit is haar station denk je, hier haalt ze je steeds op als je haar bezoekt.) In de trein. Je bent blij dat wat vroeger thuis zult zijn, niet weer net voor middernacht. Het is weer diezelfde trein. Geborgen. Verder lezen in het boek.

Veel dromen die nacht.

Een andere dag. Nog twee afspraken voor je weer in de trein zult zitten. Je zit naast haar in wat blijkbaar de rode cel is. (Het gaat over dingen die je moet maken aan de andere kant van de jaarwissel, het moet dus niet echt nog bij de andere dingen in je hoofd.)

Op het werk. Je probeert alle vrijdagdingen zo goed mogelijk te doen. Bijna alles lukt. Je staat klaar om naar huis te vertrekken, een vermoeidheid overvalt je. Je haalt nog net een trein eerder dan je hoopte. In de winkelstraat praat je nog even met enkele wijze mannen. (Je wilt vooral naar huis, voel je.)

Eerst even niets, met een dekentje. Je schuift ongemerkt terug in het avondritme dat je de voorbije dagen telkens weer ontsnapte. Je glimlacht.

Geen opmerkingen: