30 september 2006

Last

Het moet erg zijn in ons land... Ik zag het net nog op een affiche van een ijverige lokale liberale kandidaat: bovenaan een foto van de man in kwestie en onderaan de woorden "lage belastingen en veiligheid". Toen ik de affiche zag, bevond ik mij op de fiets in Herent. Ik keek onmiddellijk alle kanten uit, om te zien of er allerlei struikrovers of ander geteisem op de loer lagen om mij aan te vallen. Dat bleek nog mee te vallen. Het grote aantal schreeuwerige verkiezingsborden met vooral grote koppen leek mij op die plaats zowat het grootste veiligheidsprobleem te zijn. Het is echt schrikken, zeker van sommige van die koppen. En dan was ik in de straat nog niet ter hoogte van de nieuwe woonst van de heer Hendrik/Henrik/Henri/Rik/Rikke (of whatever) Daems gekomen.

Maar misschien stoort het gezwam over die belastingen me nog meer. De voorbije dagen kregen we al een opbod in gekakel tussen de kopstukken van CD&V en VLD. Het ging blijkbaar over wie nu eigenlijk het alleenrecht zou mogen hebben om luidop te toeteren dat de belastingen in de gemeenten nooit ofte nimmer nog zullen verhoogd worden. Waarschijnlijk ben ik gewoon niet slim genoeg om de finesse van dat debat te begrijpen. Nog minder begrijp ik dat dat een media-event van de eerste orde is. Daarover worden mensen dan geïnterviewd op televisie en kunnen de commentatoren van de kranten zich nog eens lekker laten gaan.

Als de dingen zouden herleid worden tot hun ware proporties, met name een intentie of belofte van een politieke partij in de verkiezingsstrijd, dan zou het allemaal nog niet zo erg zijn. Maar het gaat hier om iets anders. Het is hier blijkbaar een cultuur geworden om belastingen als een soort 'veiligheidsprobleem' te beschouwen. Iedereen zou hier voortdurend worden bedreigd door boze geesten die de al armlastige burgers nog verder zouden willen uitpersen, en dat enkel om 'de' staat te voeden.

Ik vraag me af hoeveel mensen spontaan zouden kunnen zeggen hoeveel belastingen ze betalen in hun gemeente. En vooral of ze weten wat daar allemaal mee gebeurt. Het zal wel normaal zijn dat de meeste mensen liever zoveel mogelijk geld zelf willen houden, maar wat je ervoor terug krijgt aan publieke diensten, is toch wel indrukwekkend.

Er zijn in ons land nog altijd veel te veel arme mensen. Dat is een onrecht en zou niet mogen. Punt. Maar daarnaast mag toch ook wel eens gezegd worden dat we nog steeds in een van de rijkste landen van de wereld leven. Als je ziek wordt, kun je meestal zeer snel in medische voorzieningen van zeer hoge kwaliteit verzorgd worden. Er zijn enorme mogelijkheden om onderwijs of opleidingen te genieten. Er is een meestal behoorlijk hoge kwaliteit van openbaar vervoer. Er zijn geen noemenswaardige problemen met toevoer van elektriciteit of water. Je kunt overal goed voedsel vinden.

Maar vooral, als ik door het landschap fiets of trein, dan zie ik overal behoorlijk immense huizen oprijzen. Ik zie mensen met dure en grote auto's. Het is normaal dat mensen ettelijke keren per jaar met vakantie gaan. Als je een beetje verder kijkt dan dit eigen land, dan zie je onmiddellijk dat die levensstandaard helemaal niet normaal is. Slechts een kleine minderheid van de mensen op deze planeet leeft in zo'n luxe. En toch moet er hier nog altijd eindeloos gezeurd worden over die belastingen.

Als ik sommige mensen hoor, dan zouden ze alleen gelukkig zijn als ze geen belastingen aan de staat moeten betalen, als ze op geen enkele manier zouden moeten betalen voor dingen als huisvuilverwerking, als de toch zo vermaledijde overheid ervoor zorgt dat ze overal zonder probleem gratis kunnen parkeren, als er nooit ergens een file staat, als iedereen overal zonder probleem een losstaande woning kan bouwen, en als 'men' er ook nog eens voor zorgt dat alle mensen die 'anders' zijn gewoon uit het gezichtsveld verdwijnen. Het is zo vermoeiend...

Ik heb geen probleem met een serieus debat over het te voeren fiscaal beleid. En ik pleit ook niet noodzakelijk voor hogere belastingen. Het valt me alleen steeds zwaarder dat het discours over de veronderstelde nood aan veel lagere belastingen steeds minder wordt tegengesproken. De fictieve illusie van de universele verlaging van de belastingen is niet in het algemeen belang.

En nog een stap verder. Ik zou nog veel liever een ernstig en verantwoordelijk debat hebben over de lasten die we doorschuiven naar het milieu, naar het Zuiden en naar de komende generaties. Wie alleen kortzichtig naar het hier en nu kijkt, en op geen enkele manier zijn of haar rijke levensstijl in vraag wil stellen en geen vorm van verantwoordelijkheid voor het geheel aanvaardt, die zorgt voor een immense lastenverhoging. Zij het dan wel voor anderen... En dat is pas echt een veiligheidsprobleem.

27 september 2006

Fons

Tijd voor de herfst.

"Hoe zie jij dan het leven na de dood?" Dat vroeg iemand me ooit. "Zo gewoon weg, dat is toch niet genoeg? Heb je daar dan vrede mee?" Op zo'n momenten heb ik wel enkele woorden klaar, maar toch. Het is altijd even achterom kijken. Om te zien of ik zelf wel geloof wat ik zeg.

Verdwijnen in wie mij lief is. Dat is zowat mijn antwoord. Wat er van mijn lichaam overblijft, dat mag naar de zee. Daar hoort het thuis. Terug verenigd met de grote zee. Veilig terug naar de eeuwige beweging, waar worden en zijn niet gescheiden zijn.

Maar verder wil ik zachtjes verdwijnen in mijn geliefden. Als ze af en toe aan me denken, is het goed. Als ze soms heel even als was het door mijn ogen naar de dingen kijken, en even glimlachen, dan is het goed. Misschien maken ze soms wel een andere beweging of zeggen ze soms een zin die ze niet zouden gezegd hebben zonder mij. Zo worden mijn vluchtige sporen omarmd door een ander ik. En die geeft de eigen sporen weer door aan een ander. En zo blijf ik voor altijd, terwijl ik eeuwig verdwijn.

Ik besefte het pas door Fons. Fons was mijn grootvader. Toen hij jaren geleden stierf, heeft hij zich teruggetrokken in mij. Hij leeft daar trouwens samen met vele anderen, het is een drukke bedoening soms.

De keukenkast, en de tafel waar ik aan eet, hij maakte ze. Met zijn handen. Je ziet dat hij zijn tijd nam. Tot het goed was. Hij maakte dingen voor de eeuwigheid. Zo hoorde dat ook toen. Dingen waren bedoeld om er te zijn, niet om er zo snel mogelijk niet meer te zijn.

Ik doe het nog bijna elke dag. Even tegen het aanrecht staan leunen, en mijn hoofd laten rusten op mijn hand. Het voelt het beste aan als ik op iemand wacht. Zo stond hij daar altijd. Ik weet niet waaraan hij dacht. Hij wachtte op iets. Als ik daar zo sta, dan komt hij even naast me staan. In dezelfde houding. En dan zwijgen we samen. Het is het mooiste zwijgen dat je je kunt indenken.

Hij nam me mee op zijn vele fietstochten. De wondere wereld van een paar kilometer rondom zijn huis. Er was eindeloos veel te zien. Samen met hem ging ik kijken naar de vooruitgang. De snelweg die gebouwd was dicht bij het dorp. En vooral de bruggen dan. Ik reed altijd sneller de brug op. Hij kwam rustig naar boven, en bleef lang staan kijken. Hij had de snoepjes, meestal borstbollen, zonder verpakking in zijn jaszak zitten. Maar dat was niet erg. En thuisgekomen, dronken we babycham. Ik werd er altijd een beetje licht in het hoofd van.

Toen ik zestien was, was ik kwaad op de wereld, kwaad op wie ouder was. Wat moest ik met al die stomme raketten en kerncentrales. Ik had er nooit voor gekozen om in die wereld geboren te worden. En ik keek naar Fons. Hoe hij vol verwondering naar de dingen bleef kijken. Hij vroeg mij om hem uit te leggen wat een videorecorder was, en hij begreep het. "Wat ze tegenwoordig allemaal al niet kunnen..." Dat zei hij altijd. En ik verlangde zo naar die 65 jaar die hij ouder was dan ik. Ik wou die jaren aan mijn hoofd kunnen toevoegen. Zo zou ik de wereld gezien hebben zoals hij daarvoor was, en dan zou ik minder kwaad en bang zijn.

En nu zit hij in mij. Als ik naar mezelf kijk, zie ik hem bewegen in mij. Soms is er alleen nog de beweging. De anderen weten niet dat ze hem zien. Ze denken dat ik het ben. En dat is ook zo. Ik begin meer op hem te gelijken, naarmate hij meer verdwijnt.

Hoe mooi moet het zijn, zo te kunnen verdwijnen. Meer genoeg dan dat hoeft echt niet.

25 september 2006

Identiteit


De voorbije weken maakte ik verschillende discussies mee waarin het woord ‘identiteit’ aan bod kwam. Dergelijke discussies worden al vaak heel erg hevig, zeker in een publiek van progressieve mensen. Bestaat er iets als een culturele identiteit, en zo ja hoe ga je daar dan mee om? Progressieven zijn terecht wantrouwig tegen een begrip dat al zo vaak is gebruikt om het streven naar gelijkheid in te perken op basis van een veronderstelde ‘identiteit’, die boven de universele mensen- of burgerrechten zouden staan.

Het is goed om erg voorzichtig te zijn met dit debat, maar het is niet goed deze discussie enkel over te laten aan conservatieven of nationalisten. Het begrip ‘identiteit’ volledig negeren, of het enkel door een cultuurrelativistische bril bekijken, is geen goed idee.

Identiteit is het verhaal dat je over jezelf vertelt. Het is dus een verhaal. Het is geen genetisch kenmerk. Het is geen onveranderlijke gegevenheid. Het is zelfs geen nauwkeurig af te bakenen eenheid. Maar het is ook niet niets. Het is vluchtig, het is ‘ontsnappend’, het is steeds een beetje elders, je kunt per definitie nooit zeggen waar het begint en waar het eindigt.

Een verhaal geeft de illusie van een zekere eenheid. Mensen kunnen niet leven zonder verhalen. Het verhaal bestaat in de woorden, is dus een constructie. Wanneer identiteit mensen verbindt, dan is het een imaginaire gemeenschap.

De problemen ontstaan enkel als mensen het begrip identiteit als iets gesloten of enkelvoudig beschouwen of het gebruiken als een midden om mensen in- en uit te sluiten. Dat is wat nationalisten doen. Dus om een voorbeeld te noemen: ja, ik ben een Vlaming, maar ik ben tegelijk ook Leuvenaar, Belg, Europeaan en wereldburger. Maar tegelijk ben ik ook een deel van de gemeenschap van Nederlandstaligen over de hele wereld, deel van de groep van vegetariërs, deel van de groep van fans van Bob Dylan en Bach, deel van de groep van ex-kankerpatiënten, deel van de groep van kaalhoofdigen, en ga zo maar door. Al die dingen vormen een deel van mijn identiteit.

In politieke termen ben ik een groot voorstander van Europese burgerrechten. Mijn droom zou zijn dat we een werkelijke federale Europese structuur zouden krijgen, met een ware bovennationale politieke structuur. Een sterke Europese Unie, als een unieke post-nationale constructie, is het beste antwoord op het nationalisme dat ons in de vorige eeuwen alleen maar oorlogen en ellende heeft opgeleverd. Binnen die EU zouden er dan allemaal federale staten zijn. Al die staten en deelgebieden zijn ondertussen allemaal multicultureel. Het zijn dus allemaal mensen met een meervoudige identiteit. Het vastleggen van b.v. het stemrecht op EU-niveau zou de beste politieke uitdrukking zijn van die meervoudigheid. Dat is veel logischer dan mensen te verplichten om één nationaliteit aan te nemen. De meervoudigheid koesteren en daarmee aan het werk gaan, zonder pleinvrees, is veel beter dan gruwelijke ideeën als het oprichten van commissies die de veronderstelde ‘nationale identiteit’ moeten omschrijven en vastleggen.

Ik wil alleen maar Vlaming zijn als niemand mij zegt dat dat mijn enige of alleszins belangrijkste identiteit is. Ik wil alleen maar Vlaming zijn als dat niets te maken heeft met een ‘natie’. Ik wil alleen maar Vlaming zijn als ik tegelijk ook Belg en Europeaan kan zijn. En het Vlaming-zijn mag niet beperkt worden tot een klein clubje. Mensen die hier komen wonen, en zich inzetten voor de gemeenschap, hebben evenveel recht om mee te bepalen wat die identiteit is en moet zijn. Het is dus steeds open.

En ja, er bestaat iets als een ‘Europese identiteit’. Maar wat die is, dat kun je per definitie niet vastleggen. Europa gaf aan de wereld ideeën als de universele mensenrechten. Er bestaat iets als Europese literatuur. Maar tegelijk is het niet begrensd. Je kunt beslissen waar de EU eindigt, maar niet waar Europa eindigt. Voldoende trots zijn op de mooie dingen die in Europa tot stand kwamen, is niet fout. Maar het is even belangrijk de twijfel en de kritiek te koesteren, want ook dat zijn Europese waarden van de moderniteit. Identiteit is zo bekeken een permanent proces, van zoeken en nooit vinden, en zo hoort het ook.

23 september 2006

De boom

Het kleine meisje loopt naast me. In een immense woordenvloed vertelt ze alle belangrijke dingen. We zijn samen op weg om twee grote groene ballen te gaan halen voor een actie op het plein.

Ik vraag haar of zij veel speelplekken heeft. En ze vertelt over de tuin bij hun huis. Er zijn blijkbaar in de boom twee speciale plekken. Een daarvan is er maar pas bijgekomen blijkbaar. Ik vraag haar of er dan een boomhut is of zo in die boom.

Nee, natuurlijk niet, zegt ze. Want dat mag toch niet. Je mag toch geen dingen maken in de boom. Want die boom, ook daarboven, dat is natuur. En dat is dus eigenlijk hetzelfde als bij de mens. Want die leven allebei.

Ik vraag haar of ze denkt dat het pijn doet aan de boom als je er een nagel in zou slaan. Ze moet even nadenken, alsof ze het probeert te voelen ergens. Ik heb de indruk dat ze niet meteen een plekje in haar lijf kan bedenken waar die nagel niet al te veel pijn zou doen om op een rustige manier in haar hoofd de vergelijking met de boom te kunnen denken. Ja, zegt ze dan, ik denk het wel.

We zijn dus onderweg om twee grote ballen te halen. Hoewel ze niet allebei even groot zijn. Ik vraag haar welke bal ze het liefst zou willen meerollen, de grote of de heel grote. Toch maar de grote, zegt ze. Ik zeg: je bedoelt dus de minst grote van de twee. Ja, zegt ze. Als ze de twee ballen ziet, neemt ze toch maar de meest grote van de twee.

Op weg naar het plein nemen we een binnenweg. Waarom gaan we langs hier, vraagt ze. Ik zeg dat ik het zo mooi vind langs dat weggetje, omdat er zoveel mooie groene planten zijn. Het lijkt wel alsof je door een groene gang gaat. Dan vraagt ze of ik weet wat haar lievelingskleur is. Groen, zegt ze. Met nog een belangrijke correctie erachteraan: maar niet omdat dat van de partij is, maar gewoon omdat ik dat de mooiste kleur vind. Ik hou wel van mensen die nauwkeurig kunnen formuleren.

The History of Love

The History of Love (De geschiedenis van de liefde) van de Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss is een boek dat je op zowat elke bladzijde even laat glimlachen. Omdat het in alle betekenissen van het woord zo’n mooi boek is. Mooie mensen, mooie taal, mooie verhalen.

In het boek lopen verschillende verhalen door elkaar. Of beter, ze zijn met elkaar verbonden. Er is het verhaal van Charlotte Singer, die het boek De geschiedenis van de liefde ooit kreeg van haar ondertussen overleden man. Ze krijgt van een opdrachtgever de opdracht dat boek te vertalen. Haar dochter Alma, genoemd naar een persoon in het boek, hoopt dat haar moeder en de man die haar vraagt het boek te vertalen iets met elkaar zullen krijgen. Daar wil ze graag een handje bij helpen. Terwijl ze het boek leest, komt ze ook in de ban van haar naamgenote Alma.

Daarnaast zijn er Leopold Gursky en Zvi Litvinoff. Ze zijn allebei uit Polen weggevlucht bij het begin van de oorlog. Gursky trok naar Amerika, Litvinoff naar Chili. Litvinoff is een bekend schrijver. Gursky is een slotenmaker. Hij leeft in zijn flat in (letterlijk en figuurlijk) een wereld vol verhalen.

Veel meer over het verhaal vertellen zou het leesplezier waarschijnlijk bederven. Op een wonderlijke en vooral ontroerende manier komen de levens en verhalen van deze mensen samen. De kleine Alma is de figuur die alle puzzelstukken uiteindelijk in elkaar past.

Op allerlei manieren is de liefde de drijvende kracht van alle verhalen in dit boek. Liefde tussen mannen en vrouwen, tussen moeders en vaders en hun kinderen. Hoewel de levens van de personages vaak pijnlijk tragisch zijn, voelen hun verhalen toch op een bepaalde manier als een troost.

De kleine Alma en haar broer die in hun fantasiewereld leven, verschillen in dat aspect eigenlijk niet zoveel van de volwassenen. Mensen kunnen niet zonder verhalen. Om naar te verlangen, om over zichzelf te vertellen of om een zin te zien in de anders misschien zinloze opeenvolging van gebeurtenissen die hun leven is.

Nicole Krauss vertelt dit verhaal in een prachtige taal en een ingenieuze structuur. Het is een poëtische taal die daardoor een warme, soms melancholische soms grappige gloed krijgt. Het is een teder boek dat je niet loslaat zodra je erin begint. En als je er nadien aan terugdenkt, komt er spontaan weer die glimlach. Een boek dat dat kan, verdient het om vele lezers te krijgen.

Man man man...

Een van de dingen die me wel eens zwaar valt in een groot deel van het politieke bedrijf, is de overheersend 'mannelijke' cultuur. Soms vraag ik me af hoe het ook zou kunnen zijn als andere waarden en omgangsvormen centraal zouden staan. Politici en politieke waarnemers kijken zo vaak door dezelfde bril naar wat er in de politiek gebeurt. En dat perspectief is vaak zo vermoeiend.

In een democratie gaat politiek over het georganiseerd meningsverschil. Verschillende partijen hebben telkens een verschillende visie op wat de 'betere' maatschappij zou kunnen zijn. In tegenstelling tot wat sommigen denken, is een maatschappij vormgeven geen louter 'technische' kwestie die je aan zogenaamde deskundigen zou kunnen overlaten. Het is al evenmin een vorm van 'management'. De ultieme waarheid over hoe de maatschappij eruit zou moeten zien, bestaat niet, en kan nooit bestaan. Of je meer of minder rechtvaardigheid en gelijkheid tussen mensen nastreeft, is een keuze. Of je meer of minder rekening houdt met de natuurlijke grenzen van de planeet, en zo meer of minder levenskansen geeft aan wie nog moet geboren worden, is een keuze. Die keuzes kun je wel of niet maken. In de confrontatie van de ideeën komen we als collectief hopelijk telkens een stapje dichter bij de waarheid, ook al weten we dat we haar nooit echt zullen kennen, gelukkig maar.

Er is dus geen probleem met het idee van een conflict in een democratie. Conflicten tussen verschillende visies zijn goed, vruchtbaar en dus na te streven. Mensen die in alles consensus nastreven en ook politiek zo willen vormgeven, vergissen zich. Mensen die denken dat politiek erop neerkomt dat diegene die op dat moment de grootste macht heeft ook het meest gelijk heeft, en dus het recht zou hebben anderen te vernederen, vergissen zich evenzeer.

Ik droom nog altijd van een politiek systeem en vooral een politieke cultuur waarin de vreedzame confrontatie van ideeën wordt gekoesterd en gestimuleerd. Waarin politici van verschillende partijen naar elkaar luisteren, en inhoudelijke discussies met elkaar voeren. Waarin partijen terug 'partijdig' zijn.

Nu verloopt het vaak anders, en wel op een verkeerd soort 'mannelijke' manier. De enige focus is vaak het zuivere machtsdenken. Of een partij een belangrijk verhaal brengt, is niet zo belangrijk. Het enige wat telt, is wie de grootste wordt. Discussies worden herleid tot conflicten tussen personen. Als er geen strategieën achter zitten, is het niet interessant. Tijdens verkiezingen worden partijen door de waarnemers beoordeeld op de mate waarin er 'sterke' figuren in zitten.

In debatten is het vaak niet zo belangrijk wat iemand zegt, maar wel of iemand van de ander kan 'winnen'. De waarnemers zijn vaker onder de indruk van de tactische spelletjes en de manier waarop de ene de andere kan vloeren dan van de inhoudelijke argumentatie.

Een politicus die op cynische wijze iedereen afblaft of kleineert en alles 'geregeld' kan krijgen, krijgt meer respect en aandacht dan iemand die met respect voor een ander en trouw aan zichzelf inhoudelijke voorstellen wil uitwerken. Wie ervoor kiest om niet mee te doen aan het macho hanengevecht wordt al snel als 'zwak' bestempeld.

Wie volgens de geldende normen 'politiek' wil denken, moet politiek blijkbaar als een soort boksmatch beschouwen. Wie het anders doet, is al snel te 'emotioneel' of naïef of een soort kabouter. De geharde machtspoliticus kraakt de ander af omdat die niet in staat is hem (meestal hem ja) in gevaar te brengen. En in gevaar brengen heeft dan met het spel te maken.

Op een correcte, luisterende, respectvolle en open manier ideeën zo nodig keihard laten botsen, dat zou toch ook moeten kunnen. Laat er in de politiek ook liefst veel passie zijn. Laten we vooral de dromen koesteren, en het cynisme afzweren. Met een open geest luisteren naar en discussiëren met iemand die een ander ideologisch kader heeft, getuigt van veel meer grootsheid dan die ander preventief willen uitschakelen in een debat door een tactisch of retorisch hoogstandje.

Agressief machogedrag is vaak niet meer dan een vlucht vooruit om de eigen kwetsbaarheid en onzekerheid niet te laten zien. Ook daarom is het vaak zo vermoeiend. Misschien denken sommige macho's echt dat anderen onder de indruk zijn van hun persoon omdat ze niet altijd zin hebben om weer in dat gevecht mee te stappen. Misschien denken ze echt dat ze controle hebben over de werkelijkheid. Ik geloof er alleszins niets van.

20 september 2006