23 oktober 2021

Kieren


Gaten vullen, terwijl je soms liever gewoon een lege plek zou laten, om ernaar te kijken. Soms is het alsof je elk moment moet gebruiken. (Dat stapeltje boeken moet gelezen zijn voor het einde van de week, om dat gesprek te kunnen begeleiden.) Het is boeiend, en tegelijk maakt het je lichaam een beetje harder dan je zou willen.

Je leest de boeken, en het is alsof je een beetje thuiskomt, alsof je iets breder kunt ademen. (Ook al hapert je rug.)

(Het vulpengevoel, dat zou er kunnen zijn in die lege plekken, die je bekijkt in hun afwezigheid. Traag de zinnen schrijven, en kijken naar de inkt die droogt.)

Je werkt aan de presentatie. Je vindt een site met mooie foto’s. Je zou eindeloos kunnen blijven zoeken, ze toevoegen aan je pagina’s. Ze zijn veel, in een moment.

Je leest een verhaal dat je blij maakt.

Je wacht op hoe de trillingen van de trein je huid overnemen. Het gebeurt net niet.

Een droom. Iets van een hele tijd geleden komt terug. Je wordt wakker (in de droom), omdat twee kleine meisjes op het bed komen springen en je benen ombouwen tot een soort glijbaan. 

Je zit in een vergadering die maar niet afloopt. Bij je thuis wacht iemand op je. (Ze vindt het overigens helemaal niet erg om te wachten, zegt ze.) Je fietst door de stad. (Hoe durven die wielrenners zo snel fietsen in de regen?) Je bent dus te laat, maar ze vindt het niet erg.

Raar toch, die opgefokte autobestuurders die je keer op keer op dat ene zebrapad net niet omverrijden, en dan hun hand opsteken bij het voorbij zoeven. (Wat zou dat gebaar eigenlijk willen zeggen?)

(Je leest iets dat je eigenlijk heel opstandig maakt. Misschien ben je er overgevoelig voor, maar het lijkt je belangrijk om vergelijkingen nauwkeurig te kiezen. Hoe sommige mensen net iets te gemakkelijk historische vergelijkingen maken, grote mensen uit de geschiedenis als beeld gebruiken, hun leed vergelijken met dat van anderen die wel gruwelijke dingen meemaken, en dat voor hun eigen oogkleppengelijk. Het is een beetje onkies, en het geeft je koude rillingen.)

Om een of andere reden krijg je allerlei vriendschapsverzoeken van mevrouwen met rare namen en indrukwekkende decolletés en berichtverzoeken van mevrouwen die diverse ontuchtige en waarschijnlijk acrobatische dingen met jou willen doen. Maar je houdt ook dit keer stand. (Wat nu ook weer niet extreem moeilijk is.)

Je hoort een verhaal over een jeugd in dat stuk van de grote stad. Je kunt het zien vanuit het raam van je bureau. Het ontroert je diep. Vertel verder, zou je willen zeggen. Maar er is geen tijd.

Het is de dag van die ziekte. Ze zijn bij je. (Je hoort een nieuw verhaal, van iemand die je kent. Je wacht op nieuws, over een dierbare.) Overleven is soms verwarrend.

Soms ben je ineens een beetje moe. In dat ene moment, net voor je je aan de nacht geeft. Alle lichten zijn uit. Het is stil in het huis. Iemand zou je heel even mogen aaien. Waarna je buigt voor de dag.

Je hebt net dat gaatje tijd om dat woordje te schrijven dat je die avond gaat brengen. Je schrijft net iets te snel. Nadien in de trein op weg naar huis denk je aan zinnen die je anders had willen kunnen schrijven. Soms is het goed dat zinnen een beetje kunnen wachten. Tot ze bij zinnen zijn.

Een feestje dat die naam niet mag hebben. Het ontroert je heel erg om daar te zijn, te kijken naar die vriend waar het om draait. Je ziet mensen met wie je al zo lang onderweg bent. Iets wat jullie samen dragen. (Misschien ben je toch een beetje ouder aan het worden.)

Je kijkt, zou liever niets willen zeggen. Alleen maar kijken.

De nacht hapert een beetje.

Je vertrekt naar het station. Goed idee was dat, die handschoenen.

Je vertelt je verhaal, bij de mensen die je dierbaar zijn. Iemand zegt je dat ze het altijd warm krijgt van wat je vertelt. Een geschenk.

Terug in de stad. De boodschappen. Je verontschuldigt je bij de mevrouw in de winkel dat je dit keer niet op het vaste ochtenduur in de winkel was. (Ze maakte zich al zorgen, vanzelfsprekend.) 

Weer thuis. Het ritme ademt weer.

Je legt het stapeltje boeken voor je op de tafel. Het zwarte schriftje ligt voor je. Je maakt de voorbereiding voor het gesprek dat je zult leiden. Je schrijft traag, met je vulpen, in zwarte inkt. Iets legt zich neer.

Geen opmerkingen: