07 januari 2022

Dingen die blijven


De nieuwe week. De vakantie had net iets langer mogen duren, denk je. Maar het is goed, het is.

(Het voelt een beetje als alle groenten klaarleggen voor het koken. De week proberen te zien in je hoofd. Een lijstje maken.)

Op een of andere manier voelt het alsof je aan de andere kant van een lijn bent.

(Je weet niet of de goede voornemens al helemaal geïntegreerd zijn. Je oefent in je hoofd.)

Die klus die je elk jaar bij het begin van het jaar moet doen. Het ene na het andere ding wegklikken, als in een eindeloze herhaling. Je denkt dat je in een goed ritme zit. Tot je ineens het verkeerde ding wegklikt. SHIT! (Snelle interne dialoog. Hoe kun je zo dom zijn? Misschien mag enige mildheid, het is de eerste werkdag, het is op je scherm maar twee centimeter verschil, het zou ook een ander kunnen overkomen. Rustig blijven, niet in te veel zelfverwijt komen, gewoon handelen, proberen op te lossen, en dan gewoon snel doorgeven aan de support, dat is hun werk. Goed gehandeld, goede reactie, niet weggelopen, maar opgelost. Ja, dat is waar, goed zo. Maar toch, hoe kun je zo dom zijn?)

Je brengt de pakjes naar het postkantoor. (Dat moet wel goed gaan, zoals voorzien. Verjaardagscadeautjes zouden liefst op tijd moeten aankomen.) De meneer aan het loket is heel goed gezind, zoals meestal. 

Daarna gewoon verder werken, net echt. (Hopen dat de regen snel uit je broek zal wegdampen.)

(Iets blijft rusteloos, ergens in je achterhoofd. Een soort achtergrondruis.)

In je droom vraagt iemand of je in het zwembad wilt komen. De droom is in zwart-wit. Je wilt iets van het moment vasthouden.

De trein lijkt zo ontvankelijk, die ochtend.

De poetsmevrouw komt je uitgebreid gelukkig nieuwjaar wensen.

Er zitten zoveel mensen klaar voor de opleiding die je moet geven, aan de andere kant van het scherm. Het is troostend, dat je nooit zeker weet of je de naam juist zult uitspreken, dat je bijna nooit zeker kunt inschatten wie welke taal zal spreken. (Hoe elk uur van de dag een verrassing kan zijn. Het zou een voornemen kunnen zijn, denk je.)

Het ritueel van het wegbrengen van de nieuwjaarskaarten. (Dit keer moet je gewoon de straat oversteken.)

Je begint toch maar te kijken naar die reeks die al zo lang op je wacht.

(Ruis in de nacht. Hoe zou het zijn met? Je zou toch stilaan een onderwerp moeten hebben voor dat stukje dat je bijna moet schrijven.)

Een bericht in de ochtend. (En iets met een sjaaltje. En iets met de zee.)

De kaartjes komen binnen. (Een stapeltje, met een elastiekje eromheen. Luxe.) 

Je kijkt naar de stroom.

Je knutselt verder aan die grote tabel en die tekst. (Je had geen zin, maar je weet dat je blij zult zijn als het weer achter de rug is.)

(Iets met mee drijven.)

(Rusteloos draai je heen en weer in bed. Je zou het onderwerp moeten hebben, voor het stukje dat je tijdens de dag die komt zou moeten schrijven. Dingen die stukgaan, die zin komt naar je toe. Dat zal het dus worden. Je lichaam wordt warm.)

In je droom is er een gesprek. (De droom is in kleur dit keer.) Er gaat nog een heel verhaal aan vooraf, met iets op grote hoogte. En zij zegt iets. Ze zegt dat ze je iets zou willen zeggen. En jij zegt iets over hoe ze iets zou kunnen zeggen. En het is alsof het gesprek jullie ontglipt, alsof het moment verloren is gegaan, en niet meer terug kan komen. (Uren later, midden in de dag, denk je er nog aan.)

(Of je nog steeds goed bezig bent met die voornemens, vraag je je af tijdens het ontbijt. Ook of de kwark nog wel goed is.)

Je huppelt door de vergadering, alles loopt lekker.

De nog witte leegte, waar het stukje zal komen. Eens de titel er staat, kun je alleen maar volgen wat er zal komen. (Het lijkt misschien een braaf stukje, maar eigenlijk wil je iets ernstigs zeggen, denk je.) Het gaat over dingen die stukgaan, maar het gaat eigenlijk ook over dingen die blijven. (Misschien vertel je elke keer hetzelfde verhaal, maar telkens een klein beetje anders.)

Je krijgt een lang bericht, het ontroert je heel erg.

(Er is geen hersteldroom.)

De ochtend is fris. (Alles is al goed gekomen tot nu toe, denk je.)

De mevrouw in de winkel is heel goed gezind.

(Er zijn dingen die nog opwindender zijn dan het invullen van het formulier met de zelfevaluatie van een jaar.)

De middag is frisjes.

Schilderijen in het museum die uitleggen hoe de hemel eruit ziet. (Beetje merkwaardig hoe dat zit met wel of geen kleren aan. Het is wel druk in de hemel precies.)

(De zee wou je nog iets zeggen.)

02 januari 2022

En wat komt


De nieuwe agenda is helemaal ingevuld.

Nieuwe lijstjes laten nog een dag op zich wachten.

De goede voornemens zijn ingedikt ondertussen tot bijnawoorden.

Wat je leerde in het kijken.

Je bent nu hier, aan deze kant.

Waar je huid zacht kan worden.

Die vrouw zei er iets over, in dat gesprek.

Het was te zien, het trok.

En je ademde verder.

De lijnen.

En dat kleine sneetje in  je duim.

Als een herinnering.

En wat je dacht.

Dat er ook een overgave aan het niet weten is.

Terwijl je de vloer aan het doen was.

En de blues die de kamer vulde.

Waarom schrijf je eigenlijk?

Die vraag kreeg je.

Iets met plekken, zou je zeggen.

Die ene plant krijgt een bloem.

Je fluistert iets.

Je legt je rug neer.

En ook dit jaar zie je haar weer zingen.

Dat mooie bericht dat je zomaar kreeg, de vorige dag.

De stilte omarmt je, draagt je.

Wat zou je verlangen?

Het was ook een vraag.

Je leest verder in het boek.

Soms kantel je als in een droomlaag, als in een ondergrondse rivier.

De beelden zijn daar, ergens.

Iets is niet meer bij je, en het is goed.

Je hoort de kinderen, ze lopen heen en weer.

Welk verhaal zou je nu willen horen?

Zorgvuldig geef je water aan de planten.

Er is dat trage verdriet, ook.

Het schuift in de kieren van de dag.

En na de afwas, en na de regen, en na de bliksem.

Kan iets zich uit handen geven.

Het is goed zo.

01 januari 2022

Wens 2022


Wat zou het landschap weten
Over waar je breekt, en
Waar je geheeld wordt
En het tasten in sporen

Er is geen geheim in
Elke dag weer geboren worden
Naast het kind gaan zitten
En kijken, en blijven

Meer is niet nodig, zei de zee
Je bent niet van jezelf alleen
De adem die je kreeg, draagt jou
Terwijl jij in de wind staat

En in die luwte, zit het kind
Rustig te tekenen
Er is nog zoveel later
In dit hier


jan

30 december 2021

Werelden uit elkaar


Opgroeien in de breuklijnen van de geschiedenis. Volwassen worden in een soort niemandsland zonder rust of geborgenheid, met te veel in de tijd gestolde tragiek. Hoe doe je dat? Hoeveel tijd heb je nodig eer de herinneringen zich neerleggen in woorden? Je kunt proberen te schrijven over de chaotische wereld om je heen, over te veel verlies. Maar ook dan kan het nog te veel zijn. Woorden en de woorden die niet geschreven zijn, ze halen herinneringen terug. Zo kan een leven geschreven worden, in telkens nieuwe pogingen en verschuivende vormen. De Duitse auteur Julia Franck doet het in haar nieuwe boek Werelden uit elkaar (vertaald door Els Snick). Franck is vooral bekend door haar roman De middagvrouw, die gebaseerd was op het leven van haar vader. In dit nieuwe boek krijgen we een inzicht in de jonge jaren van Julia Franck zelf. Het is geen roman in de klassieke zin van het woord, en het is ook geen autobiografie. Het is wel een literaire weergave van een erg bewogen leven. En tegelijk is het een verhaal over het naoorlogse Duitsland.

Julia wordt geboren aan de oostkant van de Muur, in Berlijn. Haar grootmoeder Inge is beeldhouwster, actief als communiste in Oost-Duitsland. Inge blijkt ook te hebben meegewerkt met de Stasi. Haar voorgeschiedenis is al vol van de trauma’s van de oorlog en vooral dan de vervolging van de Joden. Inge is een eigenzinnige, sterke vrouw, maar geen warme moeder. Anna, de dochter van Inge, groeit in die moeilijke omstandigheden op. De dood van haar broer is haar ultieme trauma. Anna is actrice en leidt een ingewikkeld leven. Ze zal uiteindelijk vier dochters krijgen, van drie mannen. Julia en haar tweelingzus zitten in het midden van de vier. De vaders zijn grotendeels afwezig, worden op afstand gehouden door Anna. Na een aantal aanvragen kan Anna met haar kinderen vluchten naar West-Duitsland. Na een verblijf in een vluchtelingenkamp komen ze terecht in het noorden van Duitsland. Ze leven in bittere armoede. Anna kan niet voor een stabiele gezinssituatie zorgen. Het huis is steeds een puinhoop. Ze slaapt vaak liever bij de dieren in de stal. De kinderen zijn regelmatig alleen thuis. Het gezin wordt in het dorp gezien als marginaal. Julia probeert te overleven in de rusteloze chaos die het gezin is. De druk op haar wordt te groot, en ze wil weg. Jong nog zal ze in haar eentje wegtrekken, terug naar Berlijn, aan de westkant dit keer. Ze trekt in bij vrienden van haar moeder, komt later in een woongroep terecht en leert haar grote liefde Stephan kennen. In Berlijn gaat ze terug naar school en doet ze allerlei baantjes. Ze leert haar vader kennen, maar verliest hem al snel. Ook Stephan verdwijnt uit haar leven. Als jonge vrouw is ze al in de rouw en moet ze een manier vinden om met die hele rugzak een mentale plek te vinden om met haar leven verder te kunnen gaan.

Het levensverhaal van Julia is heftig en zeer aangrijpend. Als lezer maak je van dichtbij kennis met de soms harde werkelijkheid van hoe het is om op te groeien in een disfunctioneel gezin. De verwarring en onveiligheid zijn heel tastbaar aanwezig. Tegelijk krijg je ook het ruimere verhaal. De familielijn langs moederskant, zo bezwaard door de oorlog, weegt doorheen de tijd. Het zijn de breuklijnen van de Duitse geschiedenis, die ook letterlijk de breuklijnen in Berlijn zijn. Je krijgt als lezer verder een inkijk in het culturele leven in Oost-Duitsland en in West-Berlijn, met ook alle minder fraaie kantjes. Bekende figuren als Wolf Biermann, Nina Hagen of Heiner Müller komen voorbij in het verhaal. Het zijn telkens vrouwengezinnen, met vaders of mannen ergens op de achtergrond.

Je voelt als lezer dat dit boek pas nu door Julia Franck kon geschreven worden. In haar vorige boeken had ze al verteld over haar grootmoeder, haar moeder en haar vader. Maar haar eigen verhaal, dat was duidelijk een andere opgave. Als je als kind en jonge vrouw zoveel meemaakt als zij, dan is dat een overrompelende hoeveelheid indrukken en ervaringen en niet uitgesproken of uit te spreken dingen. Dit boek gaat ook over hoe je met dat alles omgaat en wat schrijven in zo’n proces kan doen. Je ziet hoe de kleine Julia al als kind begon te schrijven in haar dagboeken. Het was de enige plek waar ze haar eigen wereld kon maken, waar ze een beetje greep kon krijgen. De wereld waarin Anna leefde was in zekere zin soms meer een fictieve wereld dan wat er in de dagboeken van Julia kwam. 

Soms schrijf je net wel of net niet op wat er werkelijk gebeurde. Maar het staat er dan wel allemaal. Dat immense kluwen dat je leven is in zo’n omstandigheden tot een tekst maken is niet eenvoudig. Franck vertelt de verhalen in een aantal omtrekkende bewegingen, vanuit verschillende vertrekpunten, niet altijd chronologisch. Sommige stukken worden verteld in de ik-vorm, in andere stukken gaat het over “het meisje”. Je kunt als het ware op verschillende plekken in de kamer gaan staan om te kijken. Soms is die wissel nodig om de dingen verwoord te krijgen. Het is een oefening in herinneringen opzoeken en ook daar weer met afstand naar kijken. Franck heeft daarbij een toon die tegelijk beschrijvend is, zonder franjes, en ook met mededogen. Het beeld dat zo ontstaat van Anna en Inge is vaak hard en pijnlijk, en tegelijk voel je hoe Julia Franck met de leeftijd die ze nu heeft (en ondertussen zelf volwassen kinderen) ook met afstand en meer begrip kan kijken naar die levens. Er is geen grote verzoening, maar je voelt ook geen bitterheid. Die vorm en die toon zeggen zo iets over wat schrijven kan en over hoe noodzakelijk schrijven kan zijn om een leven te overleven. Als lezer voel je hoe dit boek werkt, op een manier die toch heel anders is dan wanneer het meer uitdrukkelijk een autobiografie zou zijn geweest. De vorm laat je het verhaal op een andere manier beleven, net omdat je dat zoeken en telkens herformuleren van al die herinneringen voelt. Je kunt vermoeden dat er een enorme worsteling aan voorafgegaan moet zijn om tot dit boek te komen.

Werelden uit elkaar is een heel bijzonder boek over verscheurde levens in een verscheurd land. Het is aangrijpend om te lezen hoe een vrouw in die erg moeilijke omstandigheden haar weg zoekt. Het is een leven dat verbonden is met allerlei opmerkelijke figuren en momenten van de Duitse geschiedenis, waardoor het eveneens een heel interessant boek is dat je een hernieuwd inzicht geeft in hoe de dingen gegaan zijn. En het is ook een boek over de kracht van wat woorden kunnen doen.

26 december 2021

Welke vader zou je zijn


Een lange rit met de trein brengt je naar hen. Het ritme van het landschap. Verdwijnen in je boek. Geen achtergrondlawaai in je hoofd. Een zachte overgave aan die beweging. En alleen daar wil je zijn.

Zomaar enkele uren met hen samen kunnen zijn, het is al een geschenk, dat er gewoon mag zijn.

(Het is alsof je even je plek in de tijd moet zoeken, of die gewoon toelaten. Dat je er zomaar mag zijn, in dit nu, en dat dit nu het resultaat is van alle tijd die eraan voorafging. Ze herkennen je.)

Het ontroert je zo om hen te zien, hoe ze aan de tafel zitten, met elkaar bewegen. Ze zijn zo mooi zo groot geworden. (Je ziet ze nog door het huis lopen, in die andere tijd. Je voelt nog hoe ze op je buik lagen te slapen. En je ziet ook hoe ze in het nu zijn, niet meer toen. Net zoals jij in dit nu bent. Misschien zul je het nooit helemaal weten, hoe het moet. Maar ze nemen je gewoon bij de hand.)

Ze vragen je te vertellen, hoe het is zonder kinderen. En het wordt zo’n mooi gesprek. Een geschenk.
En je probeert iets te zeggen. Hoe je denkt dat het is. Hoe ze, een beetje letterlijk, een zin geven aan je leven (of je dat nu altijd leuk vindt of niet). Je kunt je eigen leven denken in een lijn. Dat was toen nog voor dit, of na dat. Dat wil niet zeggen dat het altijd genoeg is of dat je je niet verloren kunt voelen, verdwaald in een afwezigheid. En toch, je kinderen zijn die lijn, die je in zekere zin alleen maar kunt volgen. Je kijkt naar het leven van een ander, en zo voel je hoe je zelf beweegt in de tijd. En je schuift mogelijk een beetje mee, met de kinderen van je kinderen. Het is een zin die voor je bepaald wordt. (En als een kind uit het leven verdwijnt, is die lijn, of een schaduw ervan, er misschien ook wel.) Je weet het niet, je zult het nooit weten, waarschijnlijk. En hoe je de hele tijd die zin zelf moet bepalen, zonder kinderen. En dat je niet weet hoe het zal zijn, wanneer je echt oud bent, om helemaal alleen in de wind te staan. (Ook al is alles altijd een beetje anders, in alle richtingen, en zo.)

En hoe je pas veel later begreep wat je al heel jong in jezelf wist. Dat eerst dat alles weg moest zijn, uit je lichaam, voor je misschien klaar zou zijn. (En je weet dat niemand natuurlijk ooit klaar is en dat iedereen met zoveel liefde kan falen, en weer beginnen.) En dat het bijna een heel leven vroeg om die vrede te bereiken die je ergens voor je zag, waarvan je tot dan alleen de afwezigheid kende. (Een falende vrede, waarschijnlijk.) En dat er misschien – op goede dagen denk je dat – ook liefde zit in dat besef. En wat anderen over je zeiden, over de vader die je zou zijn geweest. (Je weet het niet, je zult het nooit weten.)

En hoe moeilijk het is, om gewoon te praten over verdriet. Als iets dat er gewoon is, soms, en soms ook niet. En dat dat niet moet gefikst worden. Dat het gewoon een van jouw seizoenen die dag is.
Je bent zo ontroerd. Het is alsof je ergens bent aangekomen. (Je beseft niet altijd dat er een bestemming is, en je beseft pas soms nadien dat je die bereikt hebt.)

Later neemt de trein je terug mee naar huis, over de grens. De vragen gaan met je mee, hebben nog dagen.

(Soms vraag je je af hoe het zou zijn. Hoe je het beeld zou kunnen zien, die tafel, met ook jouw kinderen. Hoe je dan jouw plaats aan de tafel zou voelen.)

(Hoe dankbaar je bent, dat je bij zoveel kinderen gewoon mocht kijken, hoe ze opgroeiden. Dat je daar mocht zijn. Misschien zijn het ook wel lijntjes.)

(Dat je nooit weet wie je bent in het leven van een ander. Misschien was je een plek, heel even, in het leven van een kind. Misschien zei je iets, deed je iets, dat een minuscuul verschil maakte. Zoals je zelf zo’n beelden hebt van toen, die, dat. Beelden die blijven.)

(Dat je niet weet welke vader je zou zijn geworden. En dat dat misschien ook niet zo erg is. Misschien is het als een soort omgekeerde schaduw, die met je meeloopt de hele tijd. Niet echt aan te raken of te zien, maar aanwezig-afwezig.)

(Hoe je hoopt dat je huid zacht zal blijven. Hoe je hoopt dat je zult blijven kijken, met die verwondering die je kreeg van je grootvader, waarvan je hoopte dat die altijd dicht bij je zou blijven.)

Treinen zijn een goede uitvinding.

24 december 2021

De lege tafel


De laatste dagen, voor het even zal stoppen allemaal, hoop je. Een lijstje in je hoofd, met aan het einde een lege tafel, alles klaar. (Lege tafel klinkt iets beter dan clean desk, denk je.)

(Je bent ook gewoon een beetje moe, denk je, zoals iedereen moe lijkt. Dag na dag laten schuiven.)

Enkele gesprekken die al je energie en aandacht vragen. Nuances naast elkaar leggen, heel zorgvuldig.

(Onderhuids is er iets van een traag verdriet. Alsof je je voorbereidt op dingen die door je heen zullen sijpelen.)

Een mooi gesprekje met de man die vijfendertig jaar op de intensive care werkte. Je bedankt hem.

In een vloeiende beweging door de stad fietsen en boodschappen, kerstcadeaus en postzegels halen (en ook nog de krantenwinkel). (Vooraf in je hoofd de volgorde van die plekken afgesproken met jezelf, en de dingen die je nodig had herhaald. Dat alleen al lijkt een overwinning op de wat blubberige rusteloosheid in de winkelstraten.) Enkele grapjes in de boekhandel en een beetje dollen met de meneer in het postkantoor.

(Even een beetje bijgloeien onder een dekentje.) (Soms verlang je naar je huid die warm is.)

Tegen de krant roepen, met afstand. (Allerlei strategische varianten van het overleven van die laatste dagen voor de vakantie.)

(Kijken hoe dingen op je inwerken. Wachten. Tot er lijnen in je hoofd komen, en daarna in de rest van je lichaam.)

De laatste avondvergadering van het jaar. (Die laag van het jaar mag zich neerleggen.)

(Lichte rusteloosheid in je dromen, sijpelen in uitvoering.)

Die ochtend in de trein. De mevrouw naast je draagt een zwarte leren broek. Af en toe kijkt ze je aan, en leest dan weer verder in haar boek. (Zou dat eigenlijk lekker aanvoelen, zo’n leren broek? Existentiële vragen.)

Je bent helemaal alleen op het werk. Een hele thermos sterke koffie, gewoon voor jezelf. (Al die pakjes koffie die over datum zijn krijgen toch nog een goede bestemming.)

(Tussendoor denk je terug aan twee jaar eerder, toen je die laatste dagen zat te wachten op dat pakje met die laptop voor je moeder. Het kwam maar niet. Alle mensen in het gebouw, aan het onthaal en aan de loskade en bij de veiligheid waren gealarmeerd dat het pakje zou komen. Hoe iedereen toen opgelucht was.)

Het jaarlijkse ritueel van het maken van de nieuwjaarskaart. Je weet nooit vooraf welke woorden naar je toe zullen komen. Ze leren je iets.

(Verdrieten en vermoeidheden raken elkaar. Ze vinden hun plek wel.)

Telefoneren met je zus. De laatste dingen afspreken.

De nacht hapert een beetje.

Een knorrige man in de trein ’s ochtends. Hij is een beetje te lateraal of zo, denk je.

(Nog snel koffie maken, voor de vergadering begint. Dat ene kopje, dat moet het zijn, dat moet dicht bij je blijven.)

Je hoort de verhalen. (Sommige dingen een beetje op afstand houden denk je, de rest van de dag, het kan er niet meer bij. Je lichaam is niet meer in staat om nog meer toxische en narcistische mannelijkheid te moeten verdragen, of zoiets. Het vermengt zich met de naschokken van andere mensen die maar blijven roepen de hele tijd, zo lijkt het.)

Je kunt altijd andere plekken maken in de dag, dat helpt. Heel rustig en zorgvuldig de planten op het werk water geven. Hopen dat ze zich niet te eenzaam zullen voelen die ene week. (Ze hebben geen woorden nodig, begrijpen je.) Een lang en hartverwarmend gesprek met de poetsmevrouw. Ze vertelt zo trots over haar drie kinderen die ze alleen heeft opgevoed. Hoe ze goed zijn terechtgekomen, en hoe groot ze zijn. Hoe ze zelf zonder moeder opgroeide. Ze vraagt of ze ook nog wat met de planten mag bezig zijn, gewoon wat dorre blaadjes weghalen en zo. Ze legt uit dat zij ook altijd tegen de planten praat. Ze zou ook iets met bonsai willen doen. Je vertelt dat je jammer genoeg zelf geen kinderen hebt, maar dat er wel enkele kinderen een bijzondere plaats in je leven hebben. Ze heeft mooie woorden voor je.

(Ja, je gaat wel naar het avondjournaal kijken, hoe moe je ook bent. Ze doet het goed, denk je. Je stuurt haar nog een berichtje die avond. Je bent trots.) (Zou het nu even stoppen? Het mag.)

(Iets beweegt door je lichaam, moet een plaats vinden. Een hortende nacht, met ook verrassende verhalen.)

Die ochtend vroeg beginnen, om de laatste dingen van het lijstje af te werken. De lege tafel komt dichterbij.

In de wachtkamer. De vrouw met haar kindje. (Sommige kinderwagens lijken wel een soort SUV, denk je.) Ze zet het kind voorzichtig in de kinderwagen. Een laagje erover, nog een laagje. (Zo koud was het nu ook toch niet, denk je.) Het kind kijkt je de hele tijd aan. Je doet iets met je wenkbrauwen. Het leidt tot een bijnaglimlach. 

De laatste boodschappen. Met ook een selectie van kaasjes, het jaarlijkse ritueel. (De volgende dag zullen ze mee over de grens gaan.) Het ritueel maakt je blij en ook een beetje verdrietig. Je geeft je nieuwjaarskaart ook aan de mevrouw aan de kassa.

Thuis alle boodschappen op het aanrecht. De laatste dingen doen, de laatste mails. Die tafel is leeg.

(Iets valt een beetje over je heen, een wat opgespaarde zwaarte. Het is tijd om een beetje te gloeien onder het dekentje. Daar, in de stad zal het waarschijnlijk heel erg druk en rusteloos zijn. Hier is het stil. De lichtjes in je houten kerstboompje gaan weer aan. Je pakt de cadeautjes in, met het donkergroene inpakpapier waarmee je nog 57 jaar zoet zult zijn. Je leest een stukje verder in je boek.)

Het is heel stil buiten, en dat is goed.

19 december 2021

Kantelpunt


‘Ik ben zo blij dat je er bent. Het is zo lang geleden dat we elkaar nog eens konden zien.’
‘Ja, dat is zo. Het voelt wel altijd alsof we dicht bij elkaar zijn, maar dit is toch nog beter.’
‘Heb je het warm genoeg? Anders haal ik nog een extra sjaal of zo.’
‘Het is helemaal goed zo, maak je maar geen zorgen.’
‘Het is zo mooi buiten nu, een beetje mysterieus eigenlijk. Het is alsof je voelt dat er iets gaat kantelen. Ik heb dat altijd zo’n bijzondere gedachte gevonden. Op het moment dat de winter begint, worden de dagen ook weer langer. En bij het begin van de zomer is het net omgekeerd. Voor winter is er een soort moed nodig, denk ik altijd. Je moet iets loslaten, uit handen geven. Het wordt heel koud, en de natuur lijkt een beetje naakt. En tegelijk is onder de grond het nieuwe leven zich aan het klaarmaken.’
‘We laten de dingen soms zomaar voorbij gaan. Terwijl het net goed is, denk ik, om net wel even stil te staan, en dat omslagpunt te voelen. Het is een beetje zoals wanneer je op een schommel zit. Je gaat heel hoog, en dan is er zo’n klein moment van gewichtloosheid, net voor je weer naar beneden gaat. In dat moment kun je denk ik iets voelen dat heel bijzonder is.’
‘De voorbije dagen was het alsof ik diep vanbinnen aan het verlangen was naar dat punt van gewichtloosheid. Ik kan het niet goed in woorden formuleren. Iets als: zwijg nu even allemaal, wees zacht voor elkaar, zacht voor mij ook, vraag me niets, kom gewoon een beetje naast of tegen me aan zitten. Met alle dingen die nu rondom mij gebeuren, de pijn en het verdriet die ik bij anderen zie, voel ik me soms zo machteloos.’
‘Zouden we niet allemaal een beetje dat gevoel hebben nu?’
‘Misschien wel. Het is soms moeilijk om de dingen uit elkaar te halen. Soms zou ik het willen kunnen, de mensen die me dierbaar zijn beter kunnen beschermen tegen het lijden, of zoiets. En ook al doe ik wat ik kan, dat kan ik niet, alleen maar een beetje. En ik weet dat wel, en ik probeer rustig te blijven staan of zo, het gaat niet om mij of mijn angst. Maar toch, het raakt je altijd, ergens diep vanbinnen. Meer dan ik kan of wil zeggen. En je faalt, in de ene of de andere richting.’
‘Ik denk dat je dat wel goed doet altijd. Ik heb je altijd zo gekend. En je hoeft het ook niet allemaal te kunnen. Je blijft, altijd, en dat lijkt me wel het belangrijkste. Ik zie het ook aan jouw dochter. Ze heeft het niet altijd gemakkelijk. Ze zoekt haar weg in het leven. Soms is er veel chaos in haar hoofd, denk ik. Maar ik zie hoe ze naar haar papa kijkt. Ze weet dat je er bent. Ze zal nog veel slalommen en af en toe uit de bocht gaan, maar ik denk dat ze altijd zal weten waar jij bent.’
‘Zou dat zo zijn denk je? Het houdt me wakker soms ’s nachts. Hoe weet ik of ik het goede doe voor haar?’
‘Dat weet je nooit, nooit helemaal. Wel een beetje waarschijnlijk. Je weet denk ik wel dat je het anders doet dan hoe het was toen je zelf nog een kind was.’
‘Ja, dat denk ik wel. Maar is het genoeg? Is het wel anders genoeg?’
‘Vraag het haar eens, binnen zoveel jaar, wanneer ze zelf kinderen heeft.’
‘Misschien moet jij dat maar doen, van jou zal ze zo’n vraag wel aanvaarden.’
‘Herinner me er nog maar eens aan tegen dan. Ik vind vaak dat het woord loslaten te gemakkelijk gebruikt wordt. Het is bijna zo’n gemakkelijke slogan geworden. En dan is het te stomp of zo. Dan wordt alles loslaten bijna iets als: je in wezen niets aantrekken van een ander, je niet laten raken. En in dat geval laat je ook jezelf los, denk ik dan.’
‘Je verwoordt wat ik zelf al een tijdje aan het zoeken was voor mezelf. Het zijn zo precies laagjes, zoals in bladerdeeg of zo. Als je te weinig loslaat, is het een beetje alsof je de ander grijpt of neemt, voor jezelf. Als je te veel loslaat, ben je niemand meer. En die ander kun je ook zelf zijn.’
‘Bij jou zie ik wel altijd hoe je dat doet. Je weet ook wat je niet aankunt, en zoekt dan iets dat wel gaat. Het klinkt allemaal zo abstract, maar je begrijpt wel wat ik bedoel, denk ik.’
‘Ja, het is mooi hoe je de dingen ziet altijd. Gaat het trouwens wel echt goed met jou? Je zag er een beetje verdrietig uit toen je uit de trein stapte.’
‘Ik ben wel verdrietig ja, maar daar vertel ik straks wel iets over. Ik wil nu even alleen die geuren, dit licht. En gewoon verder stappen zo.’
‘Zoals in die serie, die jij ook aan het volgen bent. Dat die man aan haar vraagt of hij gewoon met haar mee mag lopen, zonder iets te zeggen. Het was heel intiem. En op zich ook wel mooi als gedachte. Mag ik gewoon een beetje naast je lopen?’
‘Ja, dat is waar. Zullen we dat even doen? Er is nog meer dan genoeg dag over voor mijn verhalen.’
‘Ja.’