27 juni 2026

Een brief voor Julia


Lieve Julia

Al de hele dag denk ik: ik wil bij jou zijn, ik wil je zien. Ik kan niet goed uitleggen waarom, en dat is ook niet zo erg, denk ik. Ik weet ook niet welke woorden ik moet gebruiken. De woorden in mijn hoofd klinken te groot, te roeperig. Ze schrijven zoals ze in me bewegen zou niet werken in een brief, denk ik. Ik zal proberen om ze zacht te laten zijn, waarbij je wel zult weten dat er aan de achterkant van de woorden veel lawaai is. Of iets in die aard.

Misschien begrijp je helemaal niet wat ik je wil zeggen. En ook dat is niet erg. Even dacht ik dat je wilde vragen me te vergeven, maar dat is een woord dat niet zou helpen. Vergeet het maar dus.

De voorbije dagen, het warme weer. De klimaatontwrichting in actie. Dat wat we al zo lang wisten, dat wat we zagen aankomen, maar dat wat net te veel mensen blijkbaar niet belangrijk genoeg vonden. Zoveel lijden hier en daar, nu en straks, dat had kunnen voorkomen worden. (Ik wil niet veel meer woorden hierover zeggen, het zou de brief doen stuiteren of zo, ik kan het niet uitleggen. Ik wil andere woorden, maar die worden de hele tijd weggeblazen in mijn hoofd, in heel mijn lichaam.)

De voorbije dagen, ik was bijna de hele tijd zo kwaad. Ik deed zoveel mogelijk dingen, om er niet te veel aan te moeten denken, om niet te zien hoe mijn handen begonnen te trillen. En vandaag, nu het ritme van de week wat veranderd is, was ik zo verdrietig. Het overviel me zo ineens.

En ik weet dat je me niet meer zo vaak hoort. De voorbije maanden had ik het gevoel: het is wel goed met Julia, ze heeft me niet meer nodig, ze is daar ergens onderweg in de wereld. Ik zal wel langzaam verdwijnen uit haar. Niet dat jij verdwijnt uit mij, natuurlijk, maar ik ben niet zo belangrijk.

Maar voel je wel dat ik er voor je ben? Ook al heb je me niet meer nodig?

Op een bepaalde manier ben ik blij dat ik zo kwaad was (en ben). Het heeft denk ik iets met liefde te maken, als ik dat woord mag gebruiken. Met iets dat niet overgaat, dat me wil doen vechten. Er zit een leeuw in me, denk ik. Er zit een vulkaan in me, zoals een geliefde me ooit zei. En ik hoop dat je dat weet. Je mag er ook mee lachen, je mag het lichtjes belachelijk vinden, die oude man. Maar het gaat ook over jou.

Dat jij er niet bent, nooit gekomen bent, nooit zult zijn, en toch ook de hele tijd heel erg wel bent, in afwezigheid, dat maakt het heel erg ingewikkeld. Soms ben je, in die afwezigheid, in die plek waar ik je niet kan aanraken, tegelijk zo aanwezig.

En soms, als de kwaadheid even gaat liggen, zodat ik gewoon naar mijn naakte zelf kan kijken, roept het ineens in heel mijn lichaam: ik kan haar niet beschermen, niet genoeg. Ik zou iets in elkaar willen rammen. Ik zou iets willen roepen, tegen zoveel mensen. Ik zou zo graag een keer niet beleefd willen zijn, niet constructief, niet onderbouwd, niet oplossingsgericht, niet verbindend. En ook daar kijk ik dan naar, tot het weer gaat liggen, en ik tegen mezelf zeg dat ik gewoon verder moet doen, zoals altijd. En soms is er dan een stem in me die zegt: je hebt niet genoeg gedaan, je was niet moedig genoeg. (Een tweede stem wijst me dan op alle dingen die ik daarover al eerder geschreven en gezegd heb. De eerste stem zegt dan weer: ja ja, ik weet het wel, laat me maar gewoon even, ik kom wel terug, en dat gebeurt dan ook.)

Maar dat zijn te veel woorden.

En ineens, toen ik vanavond de afwas stond te doen, zag ik het zo scherp voor me. Hoe ik eigenlijk alleen maar, heel even, tussen de twee Julia’s wilde kunnen zitten. En toen kwamen de tranen, en ik was er dankbaar voor. (Iets met de rivier.) De oude Julia kon, net als ik eigenlijk, helemaal niet goed tegen de warmte. Haar man Fons legde in de zomer een tapijt op de lichtkoepel boven de kamer, zodat het daar koel bleef. Ik wilde even niet moeten beslissen waar ik haar zou zien, gewoon ergens, in een rustige, ontvangende ruimte. Ik denk dat de oude Julia aan mijn rechterkant zou zitten. En ik zou gewoon naar haar kijken, en dan haar hand nemen, om te voelen of die niet koud was. Jij hebt altijd warme handen, zou ze me dan zeggen. Ik zou dicht bij haar zitten, en ze zou het niet erg vinden. En het zou, daar, misschien de enige plek in de wereld zijn waar ik me veilig voelde. En ze zou daar gewoon zitten, soeverein als ze was. En ik voelde hoe ze naar me keek, en alles zag, zoals altijd, maar niets zei.

En links van me zat jij, ook dichtbij. Ik zou je verlegen aankijken, niet goed wetend wat te zeggen. Kijk, ik heb speciaal voor jou mijn fleurigste hemd aangetrokken, zou ik zeggen. Ik zit naast je, ik zal altijd naast je zitten, zou ik zeggen, vergeet dat nooit. Weet je dat? Dat zou ik voorzichtig vragen. Ben je kwaad op me? Dat mag, natuurlijk. Ik kan tussen jou en de dingen gaan staan, met dit grote lijf, met de vulkaan in mijn ogen. Ik weet niet of ik de dingen kan tegenhouden, maar hopelijk kun je ergens de vulkaan zien. En dan kom ik weer naast je zitten. Ik zou even je handen nemen. En ik zou even naar de andere kant kijken, naar de oude Julia, en zien hoe zij alles gezien had, en me zacht aankeek en nauwelijks zichtbaar knikte. En zo zaten we daar. En het was goed.

Sorry voor dit beeld, misschien vind je het maar niets. En misschien begrijp je een heel klein beetje wat ik je nu zou willen kunnen geven.

Als je hier was, zou ik je vertellen over het heel erg mooie concert dat ik zag eerder van de week, in de abdijkerk. Hoe die muziek me zo intens raakte. Soms opzwepend, soms melancholisch. En hoe mooi ik het vond om te zien hoe ze naar elkaar keken tijdens het spelen. Vooral zij, in het midden, hoe ze soms keek naar haar man naast haar. Dat, zou ik je proberen uit te leggen, dat is het.

Ik weet dus eigenlijk niet zo goed wat ik je wilde zeggen. Ik wilde je iets vragen, denk ik. Maar laat dat maar in de lucht hangen.

Ik ben er, altijd.

liefs

20 juni 2026

Kanteltijd


(En misschien is het wel weer eens tijd voor de Goldbergvariaties.)

De week van het kantelen, besef je ineens.

Je bent nog een beetje stram van het weekend, merk je. Je bent nog een beetje te vroeg bij de dokter, voor de jaarlijkse controle. (Je kijkt naar je adem.)

Ze controleert je bloeddruk, je hartslag. (Alles is heel goed.) Ze neemt bloed. Je ziet hoe de buisjes zich vullen. (Nog enkele dagen wachten.) De kans is groot dat alle onderzoeken zullen bewijzen dat je nog in leven bent. (Waarom ben je diep vanbinnen een heel klein beetje zenuwachtig?)

De trein. (Je kijkt naar je handen. Als om je weg terug te vinden, heel even.)

Verhalen van de collega’s.

Het lijstje wordt stilaan korter, denk je.

Thuis, en snel weer vertrekken voor de vergadering aan de andere kant van de stad. (Zou het nu wel of niet regenen? Een beetje.) Je bent natuurlijk weer de eerste. De zaal is in de serre van de plukboerderij, een heuvel met uitzicht op de stad. (Je bent een beetje moe.) Je kijkt naar de vergadering. (Iets neemt je mee, iets duwt je weg, denk je. Iets is nodig, iets klopt niet.) Een fijne kennismaking. Later dan gehoopt fiets je over de donkere weg weer naar beneden. Je probeert aan de hand van de gezichten van de mensen die je onderweg ziet uit te maken hoeveel de score van de voetbalmatch was.

(Een wat rusteloze nacht, iets blijft heen en weer gaan.)

Een andere dag. Nog even thuis werken, zoveel mogelijk doen.

De vergadering. Je bent niet de enige die zich had gestoord aan iets, merk je.

Op weg naar de conferentie. De middagpauze is nog bezig als je aankomt. Je loopt rond, praat met enkele mensen. Het namiddaggedeelte begint. (Wat een mooie zaal. Er zijn verhalen, denk je.) Een sessie met academici. De vrouw die een week eerder zo vreselijk werd aangevallen door die nitwit. (Je roept het even, wat je van hem denkt. Niemand spreekt je tegen.) Het slotdeel. (Ze zijn wel een beetje braaf precies, denk je.) Een mooi gesprek. Je haast je naar de trein.

Die avond. Lijstje met in te halen punten. Twee verslagen. (En je had ook nog willen bellen naar je zus.)

Een nieuwe dag. (Het zal warm worden, dus.)

Het overleg. Je krijgt een fijne vraag voor een panelgesprek.

Die middag. Je gaat even langs het kantoor aan de overkant, zoals je had beloofd. Hij is niet alleen. (De sfeer is een beetje raar. Het is niet aan jou, denk je, om dit weg te nemen. Ze zegt iets, het maakt je verdrietig.)

Het ritme. Gewoon dingen afwerken. Meer moet het niet zijn. Je maakt je presentatie voor de volgende dag. (Zou het lukken om hen te doen lachen?)

Naar de trein. (Misschien is het omdat het zo warm is. Misschien is het vuile lucht. Benauwd wacht je op de trein. Er is iets, denk je.)

(Iets blijft rusteloos, tot de volgende dag, zul je merken.)

Een hoopje mails antwoorden. (Eindelijk bijgewerkt.) (En je had ook nog willen bellen met je zus.)

Een andere dag. De algemene vergadering. Je maakt de foto’s. (Je begrijpt iets van de onrust in je lichaam, je kijkt ernaar, en voelt hoe de dingen zich langzaam terugtrekken.)

Je presentatie. Je radiostem in de microfoon en de voorzichtige ironie en de foto’s van lachende mensen. (Ja, ze lachen.)

Een vroegere trein, om niet in de spits in de warmte te zitten. Thuis verder werken. (De trein lijkt anders te ademen dan die van de vorige dag.)

Je werkt je presentatie voor die avond af. (Zou het goed inhaken op wat er in de vorige avonden van de reeks gebeurde?)

Een bijzondere plek. Je verhaal vertelt zichzelf. Je luistert naar verhalen. (Je bent moe.) Buiten is er regen, zie je. Naar het einde van de avond is het alsof je hoofd blokkeert. (Het is goed geweest.) Het gaat nog verder, tot het gedaan is. Je ruimt nog mee op, doet de afwas en vertrekt.

(Een rusteloze nacht. Ergens halverwege schrik je wakker. Een akelig verhaal probeert je telkens weer naar zich toe te trekken, je probeert je eruit te ademen.)

De volgende dag. (Het wordt de warmste dag van de week.) Je werkt thuis.

Je knutselt de vrijdagtekst in elkaar. (Het duurt iets langer dan je had gehoopt.)

(Iets is zo verdrietig, merk je. Misschien ben je alleen moe.)

Het is koel in huis, buiten is het heel warm.

Je krijgt een bericht van je dokter, de uitslag van de bloedtest. Alles is goed, behalve dat ene dingetje, een tekortje. Je bedankt haar, en loopt meteen naar de apotheker. (Het temperatuurverschil beneemt je even de adem.) Weer thuis. (Hoe komt het dat het goede nieuws je zo emotioneel maakt? Misschien gaat het nog altijd over toen. En dat je aan de anderen had beloofd dat je zorgvuldig met dat leven zou omgaan, dat je dankzij hen had kunnen houden. Misschien ben je gewoon moe. Misschien voel je dat het seizoen bijna kantelt.)

(Een diepe nacht, die voorzichtig over je waakt.)

Een nieuwe dag. Je laat de frisse lucht door het huis bewegen.

De boodschappen, mooie gesprekken met de twee vrouwen van de winkel.

Koffie drinken met je maatje. Je bent zo blij dat je hem ziet. Hij ziet er goed uit.

In de boekhandel, allerlei bekende gezichten.

(Het kantelen is voor jou iets anders dan de drukte in de stad.)

Je wilt traag bewegen door de rest van de dag, van het weekend. (Je verlangt zo naar traag.)

(Je voelt het kantelen. In je hoofd zie je hoe je het deelt met iemand. Je had iets gelezen die ochtend, over veiligheid, je ziet ineens iets. Je kijkt naar je handen, je ziet hoe oud ze zijn, en hoe jong, je leest. Er is dankbaarheid in het kantelen, er is verdriet in het kantelen. Je kijkt.)   

13 juni 2026

Tot aan de vader


(Soms zou je stukken tijd, of misschien beter niet-tijd, tussen de tijd willen kunnen schuiven. Ergens in een plooi de tijd open schuiven, en daar dan gaan zitten. En alleen maar kijken. En wachten, op niets.)

De week begint. (Nog een week waar je je hoofd bij moet houden, van het ene naar het andere.) (Het junigevoel.)

Op tijd terug vertrekken voor je namiddagvergadering. Je wacht nog even voor het gebouw, je bent te vroeg. Je kijkt gewoon. Een vriendin ziet je, neemt je mee naar binnen.

Je mag de vergadering voorzitten. (Ik ben zo gelukkig, denk je, met deze plek, deze mensen.) Misschien is jouw taak wel: verhaal zijn.

Zoals alle vorige keren probeer je vroeg klaar te zijn, zodat ze allemaal nog tijd hebben om met elkaar te spreken. Het is alsof ze rond de tafels hollen, om elkaar nog dingen te vragen of te zeggen. (Het is zo mooi, denk je.)

Een etentje. Iemand vroeg je om zijn manuscript te lezen. Hij wou nog wat doorpraten over je reactie. Een mooi gesprek, denk je. (Je leert iets over een eenzaamheid.)

Een andere dag. De halfjaarlijkse controle bij de tandarts. Je doet het goed, voor je leeftijd. Het klinkt een beetje als: we doen het goed. (Ze gaat al zo lang met je mee.) Er is ergens een klein stukje afgebroken. Ze vijlt het scherpe kantje ervan af. (Iets als oud worden.)

Alle klussen die je nog te doen hebt. (Dat jaarverslag lijkt een beetje op een grote olifant.) Je probeert zo snel mogelijk alles af te werken.

Je afspraak. Je stuurt haar een bericht dat je trein vertraging heeft en dat je mogelijk enkele minuten te laat zult zijn. (Je had het in je hoofd vooraf anders uitgerekend.) Je fietst snel door de stad, gaat nog een brood halen, om dan uiteindelijk nog een volle minuut voor het afgesproken uur aan te komen, nog voor zij er is. (Misschien wou de kosmos je iets zeggen.) Een bijzonder gesprek. Je moet goed nadenken, maar de dingen vallen wel in elkaar.

Die avond, nog wat doorwerken aan het jaarverslag.

Een volgende dag. Het lijstje. (En de dingen die je voorlopig nog even moet laten wachten.)

Je moet even langs de bank, om je identiteitskaart te laten inlezen. De mevrouw die ook zit te wachten vertelt de hele tijd. Dat er geen mensen meer zijn in een bankkantoor. Dat de mensen niet meer nadenken. En dan die Rus die ontsnapt is uit het ziekenhuis. En dan die rellen in Belfast. En dan haar moeder. En dat je het allemaal niet weet. Hoe het zal gaan met het leven. (Wat je ook beaamt.)

Verder knutselen aan het jaarverslag.

De avondvergadering. (Je bent een beetje moe.)

Ingewikkelde dromen.

De volgende dag. (Eigenlijk zou je liefst gewoon rustig willen doorwerken, alleen maar dat. Maar je schuift van de ene in de andere vergadering.)

De voormiddagvergadering. (Je had eigenlijk geen zin om daar te zijn, maar maakt er maar het beste van.) Het is wel fijn die ene collega nog eens terug te zien. Dat vindt zij ook blijkbaar. Je duwt jezelf door je vermoeidheid heen. Het wordt nog een boeiende discussie.

De namiddag. Je zit in de jury. (Alles gebeurt op het scherm.) Je bent onder de indruk van hun verhaal.

En de avondvergadering. Je luistert goed naar de presentatie, laat de vragen in je hoofd heen en weer gaan. (Je weet nooit zeker of je jezelf wel echt ziet zoals je bent.) Je luistert naar verhalen. Verhalen? Iemand vraagt het zich af. Er zijn geen grenzen aan je verbeelding, er zijn wel grenzen aan de planeet. Zeg je. Daar moet je iets mee doen, zegt ze. (Je denkt na.)

(De nacht is weer net te kort.)

Een nieuwe dag.

(Je denkt al na over woorden die je straks zult schrijven. Andere woorden wil je, dat zul je zeggen, denk je. Verlangen naar een gedicht. Het is zo groot. En de plek van die woorden, daar wil je zijn.)

Je ploegt je door het werk aan de vrijdagtekst. Je moet straks op tijd vertrekken voor dat bezoek. Het zal nipt zijn.

De trein die je wilde halen lukt net niet, het is de volgende. Eigenlijk een vertraging dus. Je stuurt een berichtje dat je waarschijnlijk enkele minuten te laat zult zijn. Je fietst van het station zo snel mogelijk naar de abdij, voor het bezoek. (Je komt daar ongeveer een minuut te laat aan, de meeste anderen zijn er nog niet. De kosmos.)

Het bezoek ontroert je. De vrouwen die met een kleine scalpel en eindeloos veel geduld muurschilderingen bevrijden uit de lagen van de tijd. Het is of ze zich aarzelend laten zien, de beelden, de verhalen die ze vertellen. Er is die ene muur, waarop de stenen geschilderd zijn. Balanceren op de rand van het blijven en het verdwijnen. En zwijgen. (Het is alsof die ene muur tegen jou spreekt: je mag het zien, kijk maar.)

Terug thuis werk je door tot een stuk in de avond. Eerst nog even dat ene tekstje. (Je doet het toch maar, zoals het in je hoofd zat. Het verlangen naar een gedicht.) En dan snel verder. Het jaarverslag is klaar. Je doet ook die andere dringende dingen nog. (Je kijkt een beetje scheel.) En dan nog het lijstje maken voor de tickets.

Een akelig wezen, dat jou wil opschrokken, in je droom.

Vroeg weer op stap, in de volgende dag. In de trein, naar de vergadering. (Je zult weer te vroeg daar zijn, het is niet anders.)

Je installeert je achteraan. Terwijl je alles hoort, zit je klaar om je tickets te bestellen. (Ja! Het kan. Nee! Het lukt niet. Iets loopt al meteen vast. Rustig blijven Jean. Nog eens. Ja! Er zijn nog 1.001 wachtenden voor u. Gewoon rustig wachten Jean, het komt goed. Ja, je kunt! Het systeem lijkt nog even te zuchten af en toe, loopt weer even vast. Rustig blijven Jean. Ja! Het is gelukt, ze zijn binnen.) Pauze in de vergadering. Je bent onder de indruk van wat je hoort.

Ook nog snel de boodschappen doen, over huis, en weer vertrekken om te gaan helpen. Hopen groenten snijden, voor het grote etentje de volgende dag. (Het is goed, denk je, hier wil ik zijn.)

(Je zou een foto willen van de plooi in de tijd. Misschien was die muur het wel.)

(De volgende dag. Zal misschien iets met je doen. Je denkt aan de anderen. Het is goed.)

07 juni 2026

Verdwijnhuid


Je bent natuurlijk te vroeg voor je afspraak bij de dermatoloog. Je gaat nog even naar het nabije park. (De bomen vertellen je iets.)

De dermatoloog onderzoekt elke plek van je lichaam. Ze doet het nauwkeurig en stelt je gerust. Je hoort van haar dat je huid nog jong is. (Dat is wel een mooie gedachte. Ook al zou je het op verschillende manieren kunnen begrijpen.)

Je haalt die ene trein nog net. (Even verdwijnen in een nulpunt.)

In de vooravond, je bent net op tijd voor die vergadering. Je luistert naar ideeën over wonen. (Iets maakt je droevig.)

Even thuis. (Al is het maar het idee.) Je vertrekt weer. De trein naar die andere stad, voor de vergadering en de voorstelling. Voor de voorstelling begint kun je nog net even iets zeggen tegen haar, voor je een plekje zoekt achteraan. Je luistert naar de verhalen van de mensen in het panel. Je bewondert haar, ze is als een heldin voor jou. (Misschien moet je dat maar zeggen aan haar, al denk je dat het een beetje onnozel is.)

De volgende dag. Je stuurt haar toch maar een berichtje om haar te bedanken voor wat ze doet. (Het is goed, denk je.)

(De lijst van de dingen die je rond zou moeten hebben deze week. Je ziet het allemaal voor je.)

Een snelle vergadering tijdens de middagpauze.

Het interview. De twee onderzoekers willen je wat vragen stellen. Je doet je best om zo goed mogelijk te antwoorden. (Zouden ze iets hebben aan wat je zegt? Het lijkt soms of de werkelijkheid die ze zoeken in hun vragen groter is dan de jouwe.)

Die avond. De eerste sessie in een reeks van drie. (Je ademt een beetje door je vermoeidheid heen.) Je hoort mooie verhalen.

En nog een late afwas, het huis mag rusten in de nacht.

Een nieuwe dag. (Voor het eerst sinds zo lang geen kine meer, het is een beetje verwarrend.)

Een hele lijst van dingen die je zou moeten doen. (Het is goed dat je bijna alleen bent.)

De vergadering. (Je ziet haar op het scherm, bent blij voor haar. Ze wordt binnenkort mama.)(Week.) Je kneedt je stem een beetje, zodat ze goed past.

Je wroet een beetje op de vertaling die je moet nakijken. (Je probeert ook de tekst te kneden, maar die is weerbarstig.)

Die avond. De samenkomst. Je neemt een vriend mee. (Het is belangrijk dat jullie hier zijn, denk je.)(Een foto: we zijn er.) Je bent onder de indruk van het verhaal dat je hoort.

Een verse dag. (Je hoofd voelt iets minder vers.)

Je begint aan de tweede vertaling die je moet nakijken. (Je collega merkt op dat je vaak zucht.) Je zou tegen de tekst iets willen kunnen zeggen als: drijf, beweeg met het water, wees vloeibaar. Je zou de woorden willen kunnen voelen.

(Een onbewaakt moment. Je zou het kunnen verdragen, denk je, een zes uur durende massage. Of zoiets. En dan verdwijnhuid.)

Je probeert het webinar te volgen. (Soms zou je sommige stemmen willen kunnen kneden.)

Die avond, het jaarlijkse benefietconcert. (Een foto: we zijn er.) Je wilt gewoon luisteren, kijken naar hoe ze spelen, hoe ze bewegen. Sommige mensen komen precies alleen maar om het hele concert door te kwetteren en te drinken. (Dat ene nummer, het brengt je terug naar toen. Je lichaam kent het ritme nog.)

(Weer een iets te korte nacht.)

Een volgende dag. Je ploegt door de vrijdagtekst. (Die tekst is altijd vriendelijk voor jou. De woorden lijken je huid te kennen, bewegen met je mee.)

Alle dingen die je nog zou moeten afwerken.

(Zullen we drijven?)

Of die trui toch niet een beetje warm is? Nee hoor. (Het is niet dat je het zo warm zou willen hebben, je wilt zachtjes omhuld zijn, zegt je huid.)

Die avond. Met een dierbare vriendin naar de opera. Rameau. Wat een wonderlijke ervaring. Je kijkt naar de muziek. (En je kijkt naar de muzikanten en zangers.) Het is een beetje warm, maar het geeft niet. (Heb je ook die mooie celliste gezien? Welke van die twee namen zou het best bij haar passen?) Er is iets in hoe die muziek beweegt, je kunt het moeilijk beschrijven. En ja, de geliefden komen bij elkaar. Het publiek is laaiend na afloop. Je ziet nog heel wat bekende gezichten in het publiek. Je bent blij dat je dit met haar kon delen, het was al zo lang een plan. (Dankbaar. Voor het leven.)(Moe.)

Een nieuwe dag. (Na ingewikkelde dromen.)

De boodschappenronde. En dan toch maar weer werken. Je zou eindelijk wat moeten kunnen opschieten met dat jaarverslag, al heb je weinig zin. (Je werkt je in het ritme.)

(Kijken naar de plant op je terras. Er is een trage rust in wat je ziet. Je blijft kijken. Het is bijna alsof je de diepe kleur kunt inademen.)

Samen met de vrienden tappen op het feest buiten in het park. (Het heeft iets van een ritueel.) Je kijkt naar de mensen in het gras. De band die speelt. (Je lichaam kent het ritme nog.)

Daarna wil je snel haar huis. (Een beetje anoniem zijn.) Je probeert nog wat te schrijven, maar het is te laat, en je bent te moe. Je kijkt naar de laatste afleveringen van het seizoen van die serie. Iets raakt je tranen. (Je bent er niet tegen bestand.)

Je slaapt in golven, zo lijkt het. (Je wilt weg uit die ene akelige droom.)

Een stille zondag. Je werkt nog wat. Dat geeft wat ruimte voor na het weekend.

Even onder het dekentje na de middag, dan nog wat lezen.

Een concert, dezelfde muzikant als in de opera. Bach. Je verdwijnt langzaam in de muziek. (Je huid ziet de muziek.) Hoe mooi het is, te zien hoe de fluitiste en de zanger daar boven reageren wanneer ze beneden ineens hun kinderen zien.

(Je mag blijven.)

(Tijd voor zondagmelancholie.)

30 mei 2026

Een hartje


De week begint met een vrije dag. (Je keek er zo naar uit, een lege dag, die alleen maar zichzelf hoeft te zijn.)

(Je denkt nog een beetje aan de verjaardag van Bob, de vorige dag. Liedjes gaan door je hoofd. Het is zo veel, denk je. Je kunt aan zoveel denken. Plekken.)(Misschien heeft verlangen iets met plekken te maken.)

Je blijft lezen in het boek, tot het uit is. (Het is zo goed, denk je.)

Je maakt nog een stukje over het boek. (Soms zou je je leven willen voelen zoals de woorden klinken in haar boeken.)

(Soms kijk je naar de afwezige plek in jezelf. Hoe je moet bewegen, hoe je iemand kunt zijn voor een ander, je zult het nooit weten. Je doet maar wat, telkens vanuit het niets. Misschien doet iedereen het wel zo.)

Een andere dag. De meneer van de krantenwinkel is blij je te zien, zoals steeds.

(En treinverlangen.)

De vergadering. Je probeert te zien waar het gesprek naartoe gaat. Omtrekkende bewegingen.

(Het is al meer dan een week, denk je. Week.)

Die avond. Ze wacht al op je in het restaurant. Je bent blij haar weer eens te zien. Een mooi gesprek. Iets over hoe je in de tijd beweegt. (En je hoort jezelf zoeken. Iets over wie je mag zijn, al dan niet. En ze stelt je gerust, meer dan.) Een geschenk.

De volgende dag. De laatste keer bij die kinesiste. Iets eindigt, na zoveel jaar. Doen alsof alles nog een beetje is als al die keren daarvoor, en tegelijk ook niet. Een cadeautje heen, een cadeautje weer. Lichte onwennigheid. (Het ontroert je meer dan je had verwacht.)

De vergadering. (Kun je baardstoppels op het scherm beter zien dan in het echt?)

(Je kijkt al uit naar die avond. Niet nadenken over een plek, gewoon de stroom volgen. Je wilt er zijn voor hen.)

Op tijd de trein nemen, zodat je straks zeker op tijd op hen kunt wachten. In het station wordt omgeroepen dat er geen treinen naar Leuven zullen rijden door een ontruiming van het station. (O nee, net nu je op tijd wilde zijn voor jullie afspraak.) Je stapt terug uit, gaat even kijken of er bussen zijn. (De bus die vertrekt is propvol.) Je gaat maar terug naar kantoor, stuurt haar een berichtje dat je later zult zijn. (Net nu jullie samen gingen eten, net nu je wilde dat alles zo rustig mogelijk zou kunnen starten.)(Innerlijke dialoog: oefenen in weerbaarheid, het leven is onbestendig, natuurlijk kun je dat.) Er lijkt weinig te veranderen in de toestand. Het wordt dus de bus. Je stuurt haar een berichtje. De bus is gewoon vol, niet propvol. Je ziet een voormalige collega. Twee jonge vrouwen staan op en bieden hun plaats aan jullie aan. (Het verval is definitief ingezet, mensen denken dat je oud bent.)(Het is zo dubbel. Je zou zo graag daar zijn, bij hen, ze wachten nu al zo lang op jou. En tegelijk gaat er een soort rust uit van de hele wereld die in de bus zit en door elkaar wriemelt.)

Je loopt bijna om toch iets sneller daar te zijn. Ze zien je al komen. Binnen is er nog veel plaats. De dingen vallen als vanzelf op hun plek, zo voelt het. (Het is belangrijk wie je nu bent, denk je. Het is toch een beetje alsof zij hem aan je voorstelt.)(De dingen die je wou zeggen, en verder de rivier.) Je kijkt naar hen, hoe ze naar elkaar kijken, hoe ze bezorgd zijn voor elkaar. (Misschien kun je voor een ander een plek zijn.) Dit is zo mooi, denk je. Dat je gewoon hier mag zijn. Na dat ene grapje kijkt ze je boos aan. (Je moet nog oud worden dus.)

Je loopt nog even met haar mee, wacht tot ze aanbelt bij haar vriendin, en dan vertrek je. (Je ogen worden heel even een beetje troebel. Het is, denk je, misschien is dat genoeg.)

Die nacht. Zoveel beelden. (Je weet niet hoe je moet zijn wat je al zo lang bent, zou iemand je zeggen.)

Een nieuwe dag. Je hoort de verhalen van je collega’s. Ze zijn er weer allemaal. (Je kijkt.) Het is goed.

De vergadering. Het gesprek maakt je een beetje moe, merk je.

Je vertelt een verhaal. (Waar komt het vandaan? Waarom nu?)

Je afspraak. Het is al lang geleden dat je nog eens kon bijpraten. Je probeert alles te onthouden, kijkt naar lijnen.

Die avond. Je kneedt de tekst, geduldig, tot alles wat je hoorde een plek gevonden heeft. (Je moest wachten op die structuur.)

De volgende dag. Je begint al vroeg, probeert snel op te schieten.

Je wacht aan het onthaal. Ze zijn met zijn drieën, glimlachen elke keer wanneer ze je zien komen. Ze willen ineens alles van je weten. Maar je moet vertrekken.

De treinen zijn in de war. Eerder die ochtend koos iemand ervoor om niet meer in het leven te blijven. (Je probeert te denken aan de ultieme eenzaamheid die aan dat moment is voorafgegaan. Het is zo droef.) De trein die wel komt, zit overvol. (Er zijn veel schooluitstappen, denk je.) Je gaat maar terug naar huis, om daar verder te werken aan de vrijdagtekst. (Je wou bij je collega’s zijn, voelt je een klein beetje schuldig.)

In de vooravond. De opening van de tentoonstelling waar haar foto’s ook hangen. Je zoekt een plekje tussen al die ouders en leerkrachten. Je hoorde al haar verhaal over die pijnlijke val. Je kijkt naar al die mooie en ook kwetsbare en zoekende en vindende jongeren. Het ontroert je diep. Je vertelt aan de schepen en aan de leerkrachten hoe trots je bent op haar. Je vraagt haar vriendje om de foto te maken. (Je ziet iets op de foto. Je weet niet hoe je moet zijn. Maar misschien is het al lang beslist.)

Een mooi berichtje. (Week.)

Die nacht. (Innerlijke dialoog.)

En heel vroeg. Het onweer. Je luistert.

Na de boodschappenronde vertrek je. Zoals elk jaar. (Dit keer uitzonderlijk ’s middags.) Jullie fietsen naar de vrienden. Pizza’s. Verhalen. Haar dochter komt erbij zitten met haar vriend. Je probeert niet te hard te laten merken hoe blij je bent haar nog eens te zien. Je hoort haar vertellen. (Je bent zo trots op haar en op haar moeder.) Je herinnert je je de vraag die ze je ooit stelde toen ze nog zo klein was.

Op tijd thuis om nog even naar de opendeurdag te gaan. Je loopt door gangen en zalen. Tekeningen, foto’s, grafiek, keramiek, beelden, en schilderijen. Je zoekt tot je de hare vindt, stuurt haar een berichtje. Die hele plek ontroert je.

Verlangen is een moeilijk woord, denk je.

(Tijdens het koken denk je na over afwezige plekken. Het is zo veel, denk je. Misschien mag het, misschien kun je het.)

Je gaat naar de kast en zoekt bij Bob. Dat ene trage nummer. Hoe hij een wereld oproept, hoe de muziek zacht sleept, telkens net niet stilvalt. De eenzaamheid in zijn stem. Je ziet de mannen waar hij over zingt. Je ziet iets over de liefde.

25 mei 2026

The Things We Never Say


Het is een bepaald soort verlangen. Weten dat er een nieuw boek van Elizabeth Strout is, een beetje zenuwachtig in de boekhandel kijken of het er al ligt, en het dan ineens in je handen houden. Het daarna nog heel even laten liggen voor je eraan begint, om dan vanaf de eerste bladzijde te voelen dat je op een bepaalde manier weer thuis bent. Het is niet anders met het heel mooie The Things We Never Say (vertaald als Wat ongezegd blijft). Er zijn zoveel dingen die we niet tegen elkaar zeggen, besef je als lezer terwijl je door het boek beweegt. De dingen die mensen niet zeggen, ze maken ons eenzaam en ze houden ons tegelijk bij elkaar. De titel van het boek lijkt nogal direct, bijna pedagogisch, maar het boek laat net de complexiteit zien van kleine levens en kleine gebaren. Het ademt diepe menselijkheid en tederheid. Meer dan over haar vorige boeken hangt er heel subtiel een sluier van zwaarte van de reële wereld over dit boek. Alsof de auteur daarmee iets wil zeggen over ontwikkelingen waarover we niet niets kunnen zeggen.

Het boek speelt zich af in het kustgebied van Massachusetts. Het hoofdpersonage, door wiens ogen de verteller vertelt, is Artie Dam. In het begin van het boek is hij 57. Hij is al veel jaren leraar geschiedenis, werd ooit verkozen tot ‘leraar van het jaar’. Hij heeft altijd met veel bezieling les gegeven, met een bijzondere aandacht voor de Burgeroorlog. Hij wil oprecht de jongeren begeleiden naar een waardige plek in het leven. Hij is, of was, het soort leraar dat een echt verschil kan maken in het leven van anderen. Hij is al vele jaren getrouwd met Evie. Ze hebben een zoon, Rob. Artie is van eenvoudige afkomst, is een beetje omhoog getrouwd. Op jonge leeftijd was Rob mee verantwoordelijk voor een ernstig auto-ongeval, en dat heeft het gezin zwaar getekend. Evie werd therapeute en vader en zoon leken van elkaar weg te drijven.

Artie gaat regelmatig met zijn zeilboot op het water en drijft meer in het algemeen een beetje door het leven. Sinds een tijd gaat dat moeilijker dan hij aan de buitenwereld laat blijken. Hij vraagt zich af of er iets bestaat als vrije wil. Maak je zelf de keuzes die bepalen waar je terecht zult komen, of zijn het de omstandigheden? Onder die vraag zit een sluimerende eenzaamheid. Hij voelt de afstand tegenover zijn vrouw en zoon. Hij vraagt zich af waarom mensen niet de echte verhalen vertellen, maar steeds veilig naast elkaar heen praten zonder te laten zien wat er echt gebeurt. Hij denkt na over manieren om uit het leven te verdwijnen zonder dat dat tot veel gedoe zou leiden. Het is ook de wereld die op hem weegt. Hij voelt de angst van zijn leerlingen, die na de coronaperiode opnieuw hun weg moesten zoeken. Hij maakt zich zorgen over de nakende presidentsverkiezingen van 2024. Uiterlijk houdt hij de schijn hoog en blijft hij zijn zachte optimistische zelf, maar innerlijk is er een groeiende leegte. In fragmenten kom je meer te weten over zijn jeugd, met onder meer heel ontroerende verhalen over zijn zus, die jong stierf. Hij beseft beter de afstand die er was tussen hem en zijn vader, en merkt dat hij zelf tegenover zijn zoon op een plek gekomen is waar hij niet wil zijn. Hij wil wél dingen kunnen zeggen tegen zijn zoon, wil wél diens verhalen horen.

En dan gebeurt bijna dat wat hij in alle stilte aan het voorbereiden was. En de dingen kantelen een beetje. Artie wil met meer overtuiging in het leven blijven. Het contact met zijn zoon wordt beter. Er ontstaat een nieuwe vriendschap. Artie denkt dat hij alles kan zeggen in die vriendschap, dat hij er zichzelf kan zijn, maar beseft later hoe die warme vriendschap alleen zo kan zijn omdat er over sommige dingen niet gesproken wordt.

Halverwege het boek is er een (ook visueel zichtbare) cesuur. Met enkele woorden, op een verder lege bladzijde, wordt nogal droog vermeld dat iemand – de naam van de Amerikaanse president wordt nergens genoemd – gewonnen heeft. En daarnaast wordt er een lang verzwegen geheim onthuld. Dat leidt in zekere zin niet tot een schok in het verhaal, maar verandert wel alle verhoudingen. Artie gaat dingen doen die hij tevoren nooit zou gedaan hebben. Hij probeert zichzelf daarin te observeren en ziet weinig aanwijzingen van een sterke vrije wil in de gebeurtenissen. Er komt een soort toestand waarin aan de ene kant dingen niet meer gezegd worden en aan de andere kant net meer worden uitgesproken, in werelden die naast elkaar bewegen. In dat alles vormt de diepe liefde van een vader voor zijn zoon een stuwende kracht. Als leraar lijkt Artie soms de aansluiting te missen bij de tijd, reageert hij anders dan hij vroeger deed, en tegelijk kan hij net dan onverwacht een heel bijzondere verbinding maken. Op zijn haperende manier zoekt hij naar een waardigheid die steeds meer onder druk staat door het gewicht van de verstikkende politieke werkelijkheid. Als leraar geschiedenis weet hij tot wat autoritaire leiders in staat zijn. Ben je machteloos? Is het beter dat je niet praat over dat wat zo snel kantelt? Met wie kun je delen wat je voelt? Wat weet je eigenlijk echt van de mensen die je omringen en met wie je je dagen deelt? Moeten alle geheimen onthuld worden?

Net als in haar andere boeken kan Elizabeth Strout als geen ander de lezer mee laten kijken in de innerlijke wereld van gewone levens. Ze doet dat met veel mededogen. Ze schrijft zo goed dat het bijna niet opvalt. Haar stijl is ingehouden. Vaak wisselen korte fragmenten elkaar af, waarbij de verteller af en toe duiding geeft en soms ineens kan bewegen in de tijd. Het geheel zit veel ingenieuzer in elkaar dan je op het eerste gezicht denkt. Na een tijdje merk je hoe elementen terugkeren en met elkaar verbonden worden. Het is bijzonder hoe het boek beweegt tussen een vormelijk sterk weefwerk dat ook een zekere lichtheid heeft en tegelijk een verhaal dat zeer open is, met veel lege plekken, en toch ook een zekere zwaarte. In een aantal van haar vorige boeken voelde je steeds hoe het verleden woog op personages in het heden, met op de achtergrond iets van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. In dit boek is het alsof de auteur voor zichzelf niet anders kon dan die achtergrond dichterbij te brengen. Artie is ervan overtuigd dat zijn land bezig is met een langzame maar zekere zelfmoord. Het heden weegt op hem, maakt dat hij zich willoos voelt. En Strout lijkt voor zichzelf te hebben beslist dat ze niet mag zwijgen over iets dat meer is dan een achtergrond. Dat alles lijkt een soort urgentie toe te voegen aan het universum van Strout dat we zo goed kennen. Sommigen zullen dat misschien te concreet vinden, maar het geeft een extra laag aan dit boek. Als lezer voel je het als een dreigende sluier, die ervoor zorgt de personages minder kunnen bewegen, minder vrije wil hebben. Maar onder die sluier is er nog steeds een diepmenselijk verhaal van mensen die proberen waardig te leven en daarbij haperen. Mensen bewegen naast elkaar en dragen hun eenzaamheid, en evenzeer geven ze blijk van kleine of grote gebaren van tederheid en begrip. Mensen kunnen wel degelijk een verschil maken in elkaars leven, door de dingen die ze wél zeggen of doen. The Things We Never Say is een heel mooi en op zijn manier dapper boek dat diep ontroert.    

22 mei 2026

Grootvaders


(Je denkt nog een beetje aan de vorige dag. Een mooi concertje, een fijn verjaardagsfeest. En veel regen. Hoe je de hele tijd bleef rijden achter dat jongetje op zijn kleine fiets, die maar bleef trappen in de regen.)

(Die droom. Misschien is het een herinnering.)

Je kijkt in de krant. Hee, zou er net nu ook iemand anders een opiniestuk hebben gemaakt over vliegen? O nee, het is het jouwe! (Oeps.) (Klein beetje zenuwachtig.)

In de trein een berichtje. Iemand las je stuk in de krant.

(Onderhuids. Iets.)

Het overleg lijkt een beetje in rondjes te draaien. Je zoekt een andere invalshoek. (De dingen vallen ineens netjes in elkaar.)

Een andere dag. Je presentatie. Je ziet de mensen op het scherm. (Waar zouden je woorden naartoe gaan?)

De vergadering. (Je zoekt het ritme van de woorden, denk je.)

De trein. (Je zou in iets willen leunen.)

(Dat bericht. Het raakte je toch, alsof het bij jou gelegd werd. Je kijkt, naar rimpels op het water. Je wacht. Zo gaat het.)

De conferentie. Je loopt rond met het fototoestel. Je zoekt momenten.

(Je buik wil niet hier zijn.)

Alles netjes opruimen.

(Moe in de trein. Beelden in je hoofd.)

(Misschien kan de wind door je heen gaan?)

Een nieuwe dag.

De verjaardag van je grootvader. Hij zou 126 geworden zijn. (Kom je met me mee? Nu mag jij jouw hand in mijn jaszak steken. Daar is het lekker warm. Ik zou willen dat je handen altijd warm zijn. Niet meer koud, zoals toen, net voor. We hebben alle tijd. Kijk, daar gaan we iets drinken. Wat zou je graag willen? Ik zie hoe je rondkijkt. En ik zou je vragen: vertel nog eens van toen, vertel nog eens van toen. Ik zou willen weten hoe je stem nu zou klinken, als je zou vertellen van toen.)

Het interview. De vrouw op het scherm wil je interviewen. Alles is goed. Ze lijkt zich bij elke vraag te verontschuldigen.

(Je leunt in je leeftijd.)

(Hoe zou het geweest zijn, als grootvader? De plek waar je nooit zult komen.)

De bijeenkomst. Je zoekt een plekje achteraan, je wilt kijken. (Het loopt niet zoals je had gehoopt, denk je. In je hoofd zeg je wat je zou willen horen, denk je.) Iets maakt je droevig.

Je vertrekt vroeg, om op tijd te zijn voor je volgende vergadering. (Even nog langs huis. Je zoekt iets dat warm is.)

De vergadering. Je kijkt naar de plannen die de ontwerper voorstelt. Je bent er blij mee. Ze maken een plek, probeer je uit te leggen.

(Die nacht. Je zou willen leunen in iets.)

Een nieuwe dag. Alle dingen van het lijstje, dat is het plan.

Verhalen.

(De plek waar je zit, ze wacht op je, telkens.)

Het wordt warmer buiten, het wordt warm. (Je wordt verondersteld blij te zijn. Maar iets maakt je droef.)

Iemand wil vriendje worden, zie je. (Die had je niet verwacht.) (Onderhuids. Iets.)

In het station. De mensen zien er moe uit, denk je.

Die avond. Nog een lang gesprek. Het lukt je uit te leggen wat je wilde zeggen.

Een nacht in etappes.

Klaar voor de nieuwe dag.

Een mooi gesprek in de trein, over treinen.

De vrijdagtekst. De poetsmevrouw vertelt verhalen. Kijk, kleine koekjes.

(Beelden, en vormen. Warm. Alsof je iets begrijpt.)

Een heel mooi gesprek, het ontroert je. (Doe je wat je te doen hebt? Draag je je leeftijd zoals het zou moeten, in verzet?)

Het is warm buiten. De zomerspulletjes zijn al uit de kast gehaald. (Soms net iets te uitbundig. Je kijkt.)

Het gesprek met de mevrouw aan de kassa ontroert je.

Je ziet de deelnemers aan het kookprogramma op je scherm. Ineens zie je in hen hun kinderen. Hoe ze doen wat ze doen omdat ze ergens in dat weefsel zitten, met hun kinderen steeds bij hen. (Het is zo mooi, zo breed, zo ruim, zo zee. Het is zo daar, en jij bent hier, zult altijd hier zijn. Hoe veel het ook is, het zal altijd minder zijn, in dit hier. Het schuift met je op, in het ouder worden. Het is een warme ruimte die je omhult, maar ze is leeg, denk je. Even, voor nu. Straks trekt het zich gewoon terug.)

Je fluistert iets tegen de planten.

Het is bijna de verjaardag van Bob. Hij is zo oud als je grootvader was, toen.