De eerste week terug. In het nieuwe jaar. Je bent blij dat je weer in de trein zit. (Je was ondertussen gewend aan het andere ritme, maar het is goed.)
(De plek ontvangt je rustig, is blij, voorzichtig.)
Tussen alles door ook nog de laatste nieuwjaarskaarten. Je brengt ze weg. (Iets mag bijna gaan liggen.)
Je leest een artikel in de krant, over een studie. Je ziet de vermoeiende reacties. Je denkt: zal ik een opiniestuk schrijven? Je schrijft een opiniestuk en stuurt het op. (Iets met wat je je had voorgenomen.)
De eerste avondvergadering van het jaar. (Je kijkt naar verhalen.)
Een andere dag. (Je hebt een min of meer droge route naar het station gevonden, waar de aarde je niet loslaat.)
Een nieuw lijstje. (Het moet nog een beetje op gang komen, denk je. Het lijstje heeft nog niet veel zin in zichzelf.)
(Moet je je goede voornemens ook echt opschrijven, of mogen ze vrij zweven door je lichaam?)
Je afspraak. (Iets schuift netjes in zichzelf. Iets herkent zichzelf.) Trage zinnen. Je vertelt haar het verhaal dat al een tijdje wachtte. (Je bent nadien blij dat het weg is.) (Je probeert bij jezelf te blijven, iets met die voornemens.) Een traag afscheid. (Een herinnering aan drijven, dat beeld is al genoeg, denk je.)
Lichter.
Een andere dag. (Iets hangt in de lucht.)
Op de tafel bij de kinesiste. (Uitgedeukt voor het nieuwe jaar.)
Je krijgt een droevig bericht. Iemand is er niet meer, je schrikt. (Je zag de vorige dagen nog haar kleurige schilderijen passeren, en nu ineens is ze er niet meer.) (Je denkt aan zwaarte, je zou iets lichter willen maken.)
Daar beneden is het verkeer stilgevallen door de hevige sneeuw. De bussen staan dwars over de weg, taxi’s schuiven weg, die meneer op zijn brommertje schuift achteruit. De drie politieagenten proberen het verkeer te regelen, maar lijken niet goed te weten wat ze dan zouden moeten regelen. Ze gaan dan maar even mee duwen bij een auto. Een ambulance probeert als schuivend en slalommend vooruit te komen. Een klein tractortje met strooizout beweegt naar de bussen.
(Het wordt niets met die krant, je stuurt je stuk naar een andere plek. Het antwoord is positief, waarschijnlijk.)
(Je bent waarschijnlijk weer de enige van het hele gebouw die in staat is sneeuw te ruimen. Er zijn nog zekerheden.)
De vergadering, op het scherm. Er gaat technisch iets fout, alleen je stem kan meedoen, je hoofd niet. (Is misschien niet zo erg.)
Die avond wil je niet gewoon thuis zijn. Je gaat naar de film. Wat een bijzondere film. Wat een geweldige actrice. Heftig, rauw, poëtisch, ontroerend. Leven in fragmenten, herhalingen, langzaam je brokstukken bij elkaar rapen. Verenigen zal nooit meer lukken, ze bij elkaar laten schuilen, dat kan wel. Ook in afwezigheid kun je zijn. (En ja, je voelt aan alles dat die film door een vrouw gemaakt is. Dat zul je ook aan je collega zeggen.) Een vriend zat ook in de zaal, zo blijkt. Jullie lopen samen door de stad.
Een volgende dag. (Het voorziene concert van die avond is verplaatst, het verandert het ritme van je dag.)
De vergadering mag snel gaan, denk je.
(Een dagelijkse portie verbijsterend nieuws over een zieke wrede man. Het is een oefening.)
In de metro op weg naar de vergadering. Je kijkt naar de wereld.
Je krijgt een bericht over de naderende storm. Je kijkt naar de regen.
Ergens midden in de nacht word je wakker van een oranje zwaailicht buiten. Een man is een straatlamp aan het vervangen.
Een andere dag. Op weg naar het werk waai je bijna omver.
Je werkt de vrijdagtekst af. (Terug in dat ritme, je kunt er een beetje in verdwijnen.)
(Hoe zat het nu ook al weer met al die grote vragen die je ging oplossen in het jaar zestig?)
De receptie van die avond. Zou je toch niet met de bus gaan? (Wat zou je aandoen? Dat ene hemd is niet echt goed, denk je.)
Je fietst naar de receptie. De regen is nat, stel je vast.
Gesprekjes hier en daar. (Je bent zo blij dat hij er weer is, gezond en wel.) (Iemand komt je vertellen dat hij de tekst van jouw nieuwjaarskaart heeft gekregen. De tekst beweegt, zonder dat je het wist, hoe mooi.) (Je bent blij haar te zien.) (Zou hij je nog kennen? Ja hoor, een aangenaam gesprek.) Je vertrekt niet te laat, praat nog even met de mevrouwen van de garderobe, ze hebben het koud.
Een andere dag. Op weg voor de boodschappen. (Het lijkt hier en daar toch erg glad te zijn.)
Een afspraak met een vriendin. Een traag gesprek, het doet je goed. (En de vragen die je nog niet opgelost hebt.)
Op weg naar huis. (Misschien moet je die balans van het jaar wel uitschrijven, misschien is dat een goede oefening?)
Op weg naar de nieuwjaarsdrink. (Het is koud aan het worden.) De bomen langs de weg, op de flank van de berg zien er wonderlijk uit. Op elke tak – zo lijkt het – is voorzichtig sneeuw gestapeld. Het is als kunst. De zwaarte lijkt de takken niet te deren, ze zijn zichzelf, ze vallen samen met zichzelf.
(Zouden takken ook huidhonger hebben soms?)






