Een nieuwe week. Je bent nog onder de indruk van de fietsactie de vorige dag. Tussen zoveel anderen, iets over kwetsbaarheid. Hoe de dochter vertelde over haar moeder die er niet meer is.
Je krijgt bericht van de krant. Het zal niet lukken voor je opiniestuk. Dan maar een andere weg. Je zoekt een foto en laat het zelf vertrekken. Iets over rouwen. Al heel snel krijg je een reactie van iemand die je zeer dierbaar is. Laten we iets doen, zegt ze. Ja, laten we iets doen.
Je hebt een nulversie te maken. (Iets als een tekst die er wel en toch niet is.) Je bouwt de tekst op, als zorgvuldig uitspreiden van woorden. Er staat een tekst, denk je. (De tekst zal vanaf nu bewegen in het huis, waarschijnlijk.)
Weer thuis. Je krijgt een mooi bericht. Het raakt iets in je, een plek die er nog is, denk je. (Straks eerst al het andere, en dan traag antwoorden, denk je.)
Ja, traag antwoorden. Dat wat je haar al een tijd wou zeggen. (Misschien was je verlegen.) Het mag, denk je. (Het leven is te kort.)
Een andere dag. Je laat je tekst ook via een ander kanaal vertrekken. De tekst mag zelf bewegen nu, denk je.
Je bent blij met het bericht dat je krijgt. (Iets mag.)
Je werkt de nulversie af, de tekst mag weg. (Een tekst is een plek.)
Die avond, op weg naar de vergadering. (Je bent er nog, zeg je.) De trein blijft net voor de bestemming nog een half uur staan. Door het raam zie je een bos, het is zo rustig, je verdwijnt even.
Je ziet iemand die je al lang niet meer zag tijdens de vergadering. Je bent zo blij haar te zien.
Een volgende dag. (Je bent een klein beetje zenuwachtig voor wat de dag gaat brengen.)
Je probeert nog zo snel mogelijk alle dingen te doen die je zou moeten doen, voor jullie straks samen op stap gaan. Die agenda die je gisteren al buiten had willen hebben. (Ze zullen wel niet al te kwaad zijn, het is nog altijd een week.)
Je sluit aan bij de collega’s voor het bezoek aan het museum. (Eigenlijk had je niet veel tijd, niet veel zin, zit je met je hoofd al bij dat bezoek van later op de dag. Maar eens je er bent, is het goed.) Het is al lang geleden dat je nog eens in dit museum was. Je kijkt ernaar uit om die oude meesters nog eens te zien. Het is zo mooi geworden. Je verdwijnt een beetje in de schilderijen. Je denkt aan dat mooie gedicht van W.H. Auden. Het schilderij waar hij het over heeft is blijkbaar in restauratie, maar je kunt het denken.
Vroeger naar huis, een kaartje schrijven, en dan weer vertrekken. Je fietst de berg op. (De berg zit ergens in je lichaam, denk je.) Een tocht door de gangen, van straat naar poort naar hospitalisatie naar kamer. Daar zit ze. (Je was nog niet in dit stuk van het ziekenhuis in een kamer geweest, denk je. Toen jij hier lag, zoveel jaar geleden, was dit gebouw er nog niet. Je was er wel bij, toen zij haar eerste chemo kreeg. Het leek toen te blijven, het is weer nu geworden.) Een heel mooi traag gesprek. Zonder omtrekkende bewegingen. (Dit is het, blijf in dit nu, zeg alles wat je wilde zeggen, denk je.) Het raakt je diep. (Kanker is een kloteziekte.) En iets is als een geschenk, denk je, dat dit gesprek er mag zijn. (Klein en nederig.) Je hebt gelukkig die mooie foto kunnen maken, met haar.
Je fietst zwaarder de berg weer af. (Gelukkig moet je niet stijgen bij de terugkeer, denk je.) Die avond bel je nog met een vriendin, om haar alles te vertellen. Jij was ook bij me, zeg je. (Het was zo.)
Een nieuwe dag. (Je lichaam draagt de zwaarte nog.) Ze stuurt je een mooi bericht, je stuurt haar de foto.
Napraten met de collega’s over het museumbezoek. Je legt uit dat je nog steeds niet echt into Rubens bent. Je collega legt je uit dat dat komt omdat jouw type een ander type is. (Daar had je nog nooit over nagedacht. Je wist niet eens dat je een type had. Maar alle informatie is natuurlijk nuttig, in het kader van de zelfopvoeding.) Je denkt dat het toch iets anders is, zeg je.
Je ziet een mooi bericht vertrekken, over de rouw. (Het is nu echt begonnen, denk je, het beweegt. Je bent haar dankbaar.)
De vergadering. Het heeft iets surrealistisch, denk je, hoe je collega daar op het scherm zijn best doet om op alle vragen te antwoorden.
Nog een vergadering. Je probeert een strategie te zien.
Die namiddag. Je bent nog op tijd voor haar masterproef. Je hebt je zo gehaast. (Je moest weer de berg op, maar wel eerder afdraaien.) Helemaal bezweet. In de gang nog even praten met iemand die je kent uit een vorig leven. Het concert begint. Het ontroert je erg. Je bent zo blij voor haar, hoe ze het allemaal gedaan heeft, op haar manier. (Je ziet iets van Bach.) Je moet nadien snel weer weg, het voelt een beetje onbeleefd.
Op tijd weer vertrekken thuis die avond. Met een vriendin naar het concert in Brussel. Het is de ‘farewell tour’. Een mooie plek, vooraan. De mevrouw naast je zegt je dat ze mogelijk haar hoofd op je schouder zal leggen, maar dat dat enkel is om straks de muzikant met de mandoline beter te kunnen zien. Alles is goed, zeg je, je kunt alles hebben. De zanger in het voorprogramma legt uitgebreid uit hoeveel de zangeres die later komt voor hem betekent. Ineens komt ze het podium op om tweede stem te zingen bij een van zijn liedjes. Nadien lopen de tranen over zijn wangen. En dan komt zij. Here I Am, zo begint ze. Het is zo bijzonder, hoe ze daar staat. Ze lijkt zo kwetsbaar. Er is een tijdje een of ander technisch probleem dat haar onrustig maakt, daarna ontspant ze. Ze lijkt echt in het moment te zijn, laat zich dragen door de zaal. Wat een mooi vaarwel.
Een nieuwe dag. De vrijdagtekst.
Je denkt aan iemand, stuurt haar een bericht.
De poetsmevrouw vertelt je nog eens hoe blij ze is dat ze op die plek mag werken. Het is er zo rustig altijd, en jullie zijn zo vriendelijk, zegt ze.
Een vergadering. (Meer mensen dan je had verwacht.) Een overleg. (Zo fijn dat je idee zal uitgevoerd worden.) De trein. Een overleg. Je bent blij haar weer te zien, je kijkt. (Alle dingen voor de vergadering van volgende week zitten in je hoofd nu.)
Op weg naar huis. (Wees dapper Jean, doe het.) Je stapt de telefoonwinkel binnen. (Drie dingen die op je lijstje stonden.)
Ergens in de nacht is het alsof iemand je in de matras duwt, met veel gewicht.
Een nieuwe dag. Na de boodschappenronde een inhaaldag. Een lang lijstje met dingen die je nog moest doen. Het lukt bijna helemaal.
Je krijgt een mooi bericht.
Op de muur bij het raam van je werkkamer staat in het groot een mooie boodschap. Je wordt met de lach leuker. (Een geschenk.)






