18 augustus 2019

Plekken waar je kunt zijn

Soms verdwijn je in een boek. Je voelt het boek aan je vingertoppen. Het doet je tintelen, heel zachtjes. Je ziet het papier, je ziet de letters, je ziet de vorm van de letters. Je voelt de rug van het boek. Je kantelt in een andere kant, waar er een stroom is, een rivier. Waar je rivier wordt. Vanaf de rivier moet je terug naar het land.

Soms neemt het verdriet je huid over. Je weet niet waar het vandaan komt, je weet niet welk verdriet het is. Het heeft zichzelf uitgenodigd in je huid. Misschien is het een nawee van een vorige dag, iets van ergens anders. Misschien is het oud, al een tijdje op de dool. Misschien is je lichaam zich aan het herorganiseren.

Soms komen liefdes van ooit je hoofd weer binnenwandelen. Ze zijn nog wel ergens in je leven, daar. En soms zijn ze ineens weer hier. In een droom. In je handen. In je ogen. In de kamer. Verhalen blijven op plekken rondhangen. En zo wil je het ook. Je weet nooit welke momenten ook aan de andere kant gezien worden.

Soms ben je in verwarring. Je doolt in je uithoeken. Je wacht op iets dat jou zal zeggen dat je thuis bent. Niet dat je al niet bent op de plek die je thuis zou moeten zijn, maar toch ben je er nog niet. Alsof de silhouetten van jezelf tegen elkaar aan schuren, nog niet samenvallen. Het is gewoon wachten, dat weet je.

Soms ben je onderweg. Je ziet het landschap aan de andere kant van het raam in de trein. Je hoeft niet te kijken, het is daar. Aan deze kant ben je, met het boek. Zo lang de reis duurt, is iets van je gewichtloos. Het zou kunnen dat iets je draagt. Iets wordt stil, in die beweging. Tot alleen de woorden blijven.

Soms ben je in het ritme. Soms lukt het helemaal niet, soms lukt het wel. Er is ergens een ritme in het huis, los van jou. Soms, als je staat te koken, voel je het al, dat je in het ritme bent. Hoe de dingen voelen in je handen. Hoe je door de kamer loopt, met het eten. Hoe de grond voelt. Hoe het smaakt. Hoe de afwas loopt.

Soms doet je lichaam alleen maar pijn. Alles zindert, waardoor je nauwelijks op je stoel kunt blijven zitten. Of ineens heeft iets besloten om te verkrampen of hard te worden. Het is echopijn, denk je. Een lichaam in, naast of over je lichaam. In je vinger snijden, en enkele seconden later de pijn voelen, dat is zonder echo.

Soms weet je wie je bent, net voor je je aan de nacht geeft. Het huis is donker, je ziet de grote maan daarbuiten. Zoveel licht. En even zie je alle dingen. Zie je waar je vandaan komt, waar je naartoe gaat. De volle leegte. Als je even later in het bed ligt, het licht uit, weet je dat dat moment weer voorbij is.

Soms ben je in de verhalen die je hoort. Iemand zit ergens, dicht bij je, en vertelt. Van alle vragen die je zou willen stellen kies je er enkele uit. En je hoort de antwoorden, en iets neemt het over. Je kunt de verhalen zien, in je hoofd. Je voelt het water, of de wind, of de stilte. Je ziet jezelf niet meer, en dat is goed.

Soms zie je iemand die je niet kent. Enkele meters verder, of zo. Iets in je zou willen vragen: mag ik naar u kijken? Je kijkt naar de beweging. Je ziet een herinnering in een lichaam, je weet alleen niet welke herinnering, maar dat geeft niet. Je ziet een verhaal. Soms weet je dat je dat verhaal zult herkennen, als je het hoort.

Soms verschuift een geur. Je bent ergens, een plek die je kent. Je doet iets. En ineens ruik je iets dat je net daarvoor niet zo had opgemerkt. (Soms doet het je denken aan de geurverwarring van toen, door de chemo. Hoe dingen ineens heel intens werden.) En je herinnert je momenten toen de geur veranderde, en wat dat wou zeggen.

Soms ben je ineens weer daar, toen bij de zonsverduistering, twintig jaar geleden. Snel daarna zou je te horen krijgen dat je ziek was. In de tuin, in het donker, begon je lichaam te trillen van de koorts. Er is sindsdien een plek in je. Soms kun je onverhoeds in die plek vallen. Soms kun je er zelf naartoe gaan, om het leven aan te raken.

Soms ben je daar, waar je aanraakbaar bent. Je weet niet of er wegwijzers zijn. Je weet niet aan welke kant je open zult scheuren en of dat wel zal gebeuren. Het is te leren, denk je, om daar te blijven. In die lege plek, die zich laat vermoeden. Ze zou heel gevaarlijk kunnen zijn, of misschien ook niet. Die plek dus. 

17 augustus 2019

Motherhood

Wil ik een kind? Of wil ik geen kind? Moet ik een kind willen als ik het, eigenlijk, misschien, hoewel niet helemaal zeker, niet wil? Kan een kind mij een plaats geven in het grotere geheel? Of moet ik toch vooral een boek schrijven? Hoe kan ik al die vragen beantwoorden als ik de hele tijd in dit rusteloze lichaam zit? Hoe overleeft mijn relatie al die vragen? In het heel eigenzinnige en indringende boek Motherhood (vertaald als Moederschap) van de Canadese schrijfster Sheila Heti beweeg je heen en weer als een stuiterbal doorheen een eindeloos lijkende twijfel. Het boek gaat niet alleen over kinderloos (willen) zijn, het gaat ook over hoe het is om vrouw te zijn, waarbij je lichaam het knooppunt of slagveld is van zoveel (maatschappelijke) verwachtingen of projecties. Het gaat ook over ‘heel’ worden, en de manieren waarop je dat zou kunnen. De auteur doet dat in een heel bijzondere vorm die heel dicht op je huid komt en tegelijk ook speels en diepzinnig is.

De persoon die het boek vertelt lijkt – zo vermoed je toch als lezer – erg op de auteur Sheila Heti. Ze is bij het begin van het boek 36, bij het einde bijna 40. Ze was ooit vroeger al even getrouwd, maar woont nu al een tijd samen met Miles. Ze komt uit een joodse familie. Haar grootmoeder zat in een concentratiekamp. Haar moeder was dokter en in het gezin erg afwezig, door haar werk. Haar vader deed de huishoudelijke taken. Miles heeft al een dochter uit een vorige relatie, maar hij ziet haar maar af en toe. Hij is advocaat, zij schrijft.

Het boek is de weergave van een slopend en erg complex innerlijk zoekproces en is tegelijk ook het antwoord erop. De vertelster voelt de klok tikken, weet dat ze stilaan naar het einde van haar vruchtbare jaren gaat, en wil voor zichzelf uitmaken of ze een kind wil. Het boek voelt vaak aan als een dagboek van een soort tocht door de woestijn. Er zijn gesprekken met vriendinnen die kinderen hebben. Er zijn discussies met Miles. Maar er is vooral de innerlijke wereld, waarin een schijnbaar eindeloze twijfel alle kanten opgaat. Het ene moment is er een groot verlangen naar een kind, het andere moment is er een wankel vermoeden dat het helemaal geen goed idee zou zijn. Gevoelens kunnen onmiddellijk weer omslaan naar de andere kant. Het proces is een vloeiende wisselwerking tussen het hoofd en de rest van het lichaam. Dat lichaam heeft ook nog een eigen ritme. Een deel van het boek is gestructureerd volgens de momenten van de menstruele cyclus. De vertelster kan soms alleen maar vaststellen dat ze machteloos is tegenover zichzelf en dat ze conflicten zoekt met haar partner. Ze worstelt met beelden die blijkbaar geïnternaliseerd zijn of die ze op zich voelt drukken. Ze worstelt ook met de wereld die complex en ingewikkeld is, terwijl ze een groot verlangen heeft naar een plek waar ze ongestoord samen kan vallen met zichzelf. Schrijven, in haar eentje, geeft haar soms het gevoel van een warme en veilige cocon. Al het andere lijkt soms te moeilijk.

Het boek lijkt vormelijk iets van de grilligheid van de twijfel weer te geven. Naast de korte fragmenten zijn er ook stukken waarbij de vertelster lange reeksen vragen voorlegt waarna ze met drie munten, als een soort I Tjing, die vragen laat beantwoorden met ja of nee. De vragen zijn grappig en ook heel diepzinnig. Je volgt als lezer heel direct mee wat er komt, soms wil je bijna zelf ja of nee roepen. Soms komen er foto’s tussendoor. De hoofdstukken kunnen verwijzen naar plaatsen of dus naar de cyclus. Het geheel is erg knap gecomponeerd. Als lezer voel je je in het hoofd van de vertelster. Je voelt haar onvermijdelijke eenzaamheid in de twijfel die ze zelf niet kan controleren. Je voelt hoe ze soms vanop een afstand naar zichzelf kijkt. Je voelt hoe ze met haar hoofd grip probeert te krijgen en hoe dat niet lukt. Naarmate het boek vordert zie je hoe de lagen op elkaar inwerken en zie je ook hoe de tekst heel knap beweegt tussen verschillende registers. Soms heel persoonlijk, soms verheven en bijna religieus. Discussies met Miles zie je ergens in de verte, en dan ineens een seksscène die ineens heel dichtbij is.

De behoorlijk genadeloze bevraging van alle redenen waarom je wel of niet kinderen zou hebben en waarom jij daar wel of niet toe in staat zou zijn evolueert langzaam maar zeker naar een onderhuids groeiend besef dat ze geen kinderen wil. Ze krijgt van zichzelf de indruk dat het lange schrijfproces als het ware een stiekeme manier is om op een punt te komen, aan de andere kant, waar het te laat is voor kinderen. Zo heeft het schrijven zelf een doel. Tegelijk is het boek dat het resultaat zal zijn ook een antwoord op een soort spirituele zoektocht. Iets in de wereld zetten en daardoor ook zelf bestaansrecht hebben. Het is als een gevecht met god. (Het verhaal van Jacob en de engel speelt een rol in het boek.)

De zoektocht kun je eveneens zien als een rouwproces. Niet alleen van verwachtingen of beelden die in je lichaam botsen. Het gaat ook over doorgegeven verdriet in de lijn grootmoeder – moeder – dochter. Invullen wie je bent kan ook vervullen zijn van iets dat buiten je ligt. Een kind legt de lijn naar de toekomst, maar die lijn gaat ook naar het verleden. Wanneer het manuscript bijna klaar is, zal de vertelster in dat verband een vraag stellen aan haar moeder. Je voelt hoe die vrouwen in het proces aanwezig zijn. Zeker naar het einde van het boek voel je hoe het daar in wezen ook over gaat.

Een boek maken over de keuze om geen kinderen te hebben is je begeven in een mijnenveld. Het onderwerp is ongelooflijk gevoelig en kan leiden tot heftige reacties. Sommigen zullen misschien klaar staan om de schrijfster persoonlijk dingen te verwijten (b.v. varianten op: het is egoïstisch om geen kinderen te willen en het schrijven van boeken over je eigen wereldje blijkbaar belangrijker te vinden). Zo’n reacties staan dan eigenlijk een beetje los van het boek. Er is immers veel moed voor nodig om zo diepgaand het hele spectrum aan vragen rond al dan niet kinderen hebben op de tafel te leggen en daarbij behoorlijk genadeloos de eigen twijfel en wisselvalligheid en uiteindelijk de keuzes in beeld te brengen. De hybride vorm van het boek, de taal en de verschillende motieven zorgen ervoor dat het boek geen pamflet of oninteressant egodocument is geworden. Je kunt feministische beschouwingen vinden over de dingen die op het vrouwelijk lichaam geprojecteerd worden, naast een moeizame maar ook ontroerende zoektocht naar liefde en balans in een relatie, naast het doorwerken van de tijd in de relatie met je eigen moeder en grootmoeder en naast het verlangen naar literatuur. Het boek raakt je heel persoonlijk in al die complexe vragen over kinderloosheid maar geeft je ook die andere lagen en de kracht van die heel eigen vorm. Het is een boek dat je alleen maar op een heel lichamelijke manier kunt lezen, waarbij je dan je hoofd weer tegenkomt. Motherhood is een bijzonder boek dat onder je huid kruipt.

15 augustus 2019

Het web

Een mooi gesprek. Een onverwachte ontmoeting, na zo lang. Hoe de dingen in elkaar schuiven, als een slinger die geduldig heen en weer gaat, zonder ooit een lege plek te laten. Hoewel het wel over lege plekken gaat.

Dankbaar.

De zinnen die in lichamen geschreven zijn. (Soms kun je ze lezen.)

(Al dagen probeer je het te lezen, naast de boeken. Boeken zijn gemakkelijk.)

(Echo’s in je huid.)

Misschien was het wel goed, die hand die stokte. Ergens onderweg.

(Je probeert beelden opnieuw te bekijken, ergens. Momenten van terugtrekken.)

Je kijkt naar je hand.

(Je denkt aan de handen die je deze week al zag.)

En verhalen over het web.

Hoe we allemaal een deel zijn van het web van het leven. Hoe die knooppunten met elkaar verbonden zijn. Hoe je het kunt zien, hoe je het kunt ademen.

Je bent zelf de hele tijd bezig om je web te maken. Je zou er ook op kunnen vertrouwen dat het web jou zal dragen.

(Die zin. Het is alsof je lichaam die zin ziet. Even is er paniek. Als een echo.)

(De zin verandert je adem, je moet wachten op de terugkeer.)

Zo dapper ben je nog niet, zeg je.

Iets met vertrouwen. Ze vertelt over vertrouwen.

(Je ziet het verhaal verschuiven binnen de zinnen, van buiten naar binnen.)

(Het is een moeilijk woord, als je het echt aanraakt.)

(Je ziet die beelden weer. Je ziet de lege plekken waar je had willen zijn. Je ziet de woorden niet die je daarvoor nodig had gehad.)

Het gesprek volgt zichzelf.

(Zo dapper ben je nog niet, denk je nog steeds.)

En het ging ook over de plek waar je schildert, waar je een beeld maakt. (Waar je een boek schrijft.)

(Het heeft er op een of andere manier mee te maken.)

Je wilt iets zeggen over onbestemdheid.

(Je ziet de onbestemdheid, je bent wankel daar, je bent daar.)

Verhalen over iets willen beschermen, verhalen over de leeuw. Verhalen over huizen.

Verhalen over kinderen op afstand. En de verwarring.

Het is mooi hoe de slinger blijft bewegen. Alsof alles er zomaar mag zijn. Met trage spiegels. Dit web draagt, hier, nu.

(Even zie je het.)

Je zegt haar dat jij niet zo dapper bent als zij.

In het huis is de stilte er weer.

(De tijd die het vraagt.)

Een andere dag. Er zijn teksten te schrijven. Boeken te lezen.

Je kijkt naar de regen.

(Soms maken de echo’s je moe. Soms zou je die zinnen willen kunnen zien, niet alleen weten dat ze er zijn. Soms wil je de pijn niet.)

(Je ziet de beelden. Je ziet het web.)

Huidverdrietherinnering.

(Misschien komt er later iets.)

Je werkt verder aan het eten. Je vult de pepermolen.

Het wordt zeker lekker.

12 augustus 2019

Lied van de tijd

Misschien herinnert het landschap zich alle voetstappen die er ooit gezet zijn. Het is een poëtische gedachte die een of andere troost in zich heeft. Daar waar je nu bent, dat wat hier lijkt, dat is een plek in de tijd die letterlijk boven alle andere tijdplekken ligt. Daar waar je nu een leegte ziet, of iets dat lijkt op een niet-plek, zoals de zee, daar was vroeger misschien een bos, er waren dieren en mensen, er waren verhalen. De Britse schrijfster Julia Blackburn heeft het over zo’n dingen in haar fascinerende boek Lied van de tijd. In dat boek gaat ze op zoek naar Doggerland. Daar waar nu de Noordzee is tussen Groot-Brittannië en Nederland was ooit gewoon land, Doggerland. Wat nu een eiland is, was ooit gewoon een deel van wat nu ‘het continent’ is. Het boek probeert dat Doggerland terug te halen. Zonder het met zoveel woorden te zeggen gaat het boek zo ook over heel wat andere dingen. Over kijken naar de klimaatverandering die op ons afkomt. Over merkwaardige politieke constructies over ‘splendid isolation’ (of ‘taking back control’) die alleen kunnen bestaan bij doen alsof je afgescheiden bent in tijd en ruimte. Over je een deel van de tijd en de ruimte voelen, deel van het landschap waar je toevallig in de wereld bent gekomen. Maar ook over het verdriet om een gestorven echtgenoot. Hoewel het boek aan de oppervlakte een soort zoektocht lijkt doorheen vele duizenden jaren geschiedenis, met eindeloos veel restanten, gaat het ook over iets anders. Je raakt als lezer steeds meer in de ban van die sporen in het landschap die telkens ook verhalen zijn. Het is alsof je de tijd anders beleeft. Dat brengt je enerzijds een rustige troost, en anderzijds een soort plaatsvervangende schaamte over het tijdsgewricht waar we nu in zitten.

De auteur woont dicht bij de zee en beschrijft in het boek haar zoektochten langs allerlei plekken aan beide kanten van de Noordzee. Ze heeft er heel wat ontmoetingen met allerlei deskundigen en ook met allerlei liefhebbers (dat klinkt iets beter dan amateurs). Mensen die eindeloos geboeid zijn door wat zich onder de oppervlakte van zand of water bevindt. Mensen die bij een wandeling aan het strand, bij voorkeur net na een storm, allerlei dingen zien. Mensen die al sinds ze kind waren een soort neus hebben voor fossielen en die schijnbaar moeiteloos naar die plekken gaan waar ze een teken van de tijd kunnen vinden. Vissers die kunnen horen wat er op de bodem van de zee is, wat het daar vroeger was.

Via al die verhalen en op basis van wat de wetenschap nu weet, ontstaat er een beeld van Doggerland. Doorheen het boek ga je van de oudste tijden naar het nu. Je krijgt een beeld van hoe het eruit moet hebben gezien. Je ziet grote groepen mammoeten, je ziet neushoorns en grote schildpadden, en allerlei andere dieren. Sommige plaatsen onder het water van wat nu de zee is, lijken op gigantische kerkhoven van mammoetbeenderen. Naarmate we dichter bij nu komen, komen ook de mensen. Daar lijken minder resten van gevonden te zijn, maar ze waren er wel. En – je ziet het op de kaartjes – telkens wordt het gebied kleiner, door het wassende water. Tot uiteindelijk het huidige beeld is ontstaan.

In het boek worden de hoofdstukken over al die omzwervingen rond de zee afgewisseld met korte ‘liederen van de tijd’, met telkens ook een illustratie gemaakt door een Spaanse kunstenaar. Die liederen zijn telkens een weergave van kennis uit een bepaald boek of een bepaalde bron in een min of meer poëtische vorm. Tekstueel wringen ze soms een beetje. Maar ze zorgen wel voor een bepaald soort ritme in het boek. Ze halen je telkens even terug van al die informatie over fossielen en dateringen. Ze werken niet echt als een lied, maar geven wel het gevoel dat er iets is als een soort lied in de tijd. Alles van toen is in zekere zin nog een beetje hier. Dingen of wezens zijn niet zozeer afgesloten stukken materie, ze zijn een proces. Via haar boek wil de auteur iets laten zien van dat proces.

Het duurt even eer je als lezer beseft hoezeer je aangetrokken bent door dit boek. Je gaat als het ware ook een beetje mee kijken voorbij de oppervlakte. Op zich is het al geweldig interessant om al die dingen te weten te komen over dat verdwenen land, dat eigenlijk ook niet verdwenen is. Dat er mensen zijn die hopen mammoetbeenderen in hun schuurtje hebben liggen, is merkwaardig. Dat er zo eindeloos veel dingen nog te vinden zijn, onder de grond of op de bodem van de zee, en dat ze blijkbaar zo dichtbij zijn, is een beetje magisch. Door die verhalen besef je ook nog beter dat die processen gewoon de hele tijd doorgaan. De zeebodem verandert constant, en dat geldt ook voor de kustlijn. Een 'grens’ in tijd of ruimte is veel minder stabiel dan sommigen zouden willen. (Terwijl je die dingen leest besef je ook hoezeer we voor een gigantische versnelling van die processen staan, en dat door iets als menselijke overmoed.)

Julia Blackburn beschrijft dit alles op een heel persoonlijke manier. Je voelt dat die manier van kijken voor haar een manier van leven is. Een plek proberen te begrijpen door letterlijk en figuurlijk onder de oppervlakte te gaan kijken en daar de verhaallagen te zien. En dan kun je ineens de voetstappen zien van kinderen die daar duizenden jaren geleden liepen. In het voorwoord beschrijft ze dat zoeken als een vorm van antwoord op de angst voor wat er in de toekomst naar ons toe zou kunnen komen. Als je je de eeuwigheid probeert voor te stellen door terug te gaan in de tijd, voelt dat meteen anders aan. Je “wordt gewezen op de enormiteit van wat ons allemaal is voorafgegaan: een ontzagwekkende stoet van talloze levensvormen die zich langzaam tot in het heden heeft ontwikkeld. Je hoort al bijna de liederen die ze zingen.”

Het boek gaat voor de auteur zelf ook over de liefde voor haar overleden man. Hij was een Nederlander. In elkaars leven komen, betekende al heen en weer gaan over de zee. Het idee dat er een land was tussen beide kanten, wordt als een metafoor voor hun liefde. Maar hij is dood. Ze blijft hem zoeken, onder de oppervlakte van de dingen. En je voelt hoe hij altijd wel ergens aanwezig is. Naar het einde van het boek merk je hoe de zinnen veranderen en het persoonlijke meer naar voor komt. Het boek lijkt zo ook het rouwproces weer te geven. Het is mooi en tragisch tegelijk dat in de tijd van het boek het land steeds kleiner wordt tot de zee het overneemt en beide kanten gescheiden zijn.

Lied van de tijd is een heel bijzonder boek. Terwijl je het leest, aarzel je soms een beetje, zeker als je er pas in bezig bent. Je weet niet helemaal zeker wat je met de vorm van het boek moet. Maar naarmate je verder leest, komt Doggerland dichterbij en voel je steeds meer dat je al die dingen zelf zou willen zien en aanraken. Je komt in een bepaald soort ritme. Pas nadien besef je dat het boek blijft doorwerken in je hoofd en is het alsof je je eigen plaats in de tijd anders ziet.

11 augustus 2019

Wonen in verhalen

Je kijkt terug, een beetje, en je ziet verhalen. Je ademt verhalen. (Je bent het ook.)

Even bij de mensen zijn die je dierbaar zijn, en onderweg zijn van en naar hen. Zo ziet het er wel uit.

Denken dat je nog zeker een half uur hebt om het huis helemaal aan kant te krijgen voor je bezoek komt. (Ze stuurt een bericht dat ze eerder zal komen. Falen voor gevorderden, denk je. Het zal wel meevallen misschien, denk je. Jullie hebben al grotere dingen meegemaakt dan jouw badkamer die nog niet gepoetst is, denk je.)

Je houdt van het gesprek dat ondertussen al meer dan dertig jaar doorgaat tussen jullie. (Nog altijd ben je een beetje verlegen. Nog altijd ziet zij jou zoals niemand anders dat doet.) Je ziet het verhaal van een liefde in de tijd, in wegen die elkaar nooit echt loslaten. Verhalen wonen in elkaar, blijven elkaar veranderen.

Een avond. Een hevig verdriet bezoekt je. Je kijkt naar de sporen, ze zijn zichtbaar.

(Veel verhalen van zomers dwalen door je heen, in de nachten. Misschien is het een beetje zoals het deken op je bed opschudden. Zien hoe alle verhalen er nog zijn in de huidlagen van je landschap. Zien, horen, ruiken, voelen, ze zijn er nog.)

Een andere dag. De belangwekkende zoektocht naar citroentaartjes. En het vertrouwen dat die een lange fietstocht zullen overleven.

Geweldige gesprekken met twee meisjes (die almaar groter worden). Ergens tussen gelnagels en horrorfilms. Je kijkt naar de verhalen, ziet hoe herinneringen meegaan. (Soms ben je een beetje verlegen.) Je vertelt over de handen, wat je kunt doen. (Blijkbaar zijn mattentaartjes toch nog altijd beter.)

(Waarom is er altijd zoveel tegenwind op de lange weg terug? Je komt enigszins totaal uitgeput thuis aan. De handen helpen je, naar waar je terug samenvalt.)

(Je kijkt naar je handen, probeert te zien hoe ze zullen zijn binnen meer dan tien jaar. En waar de verhalen dan zijn.)

Alle verhalen bewegen na, in je lichaam. (Ze zijn er misschien gewoon altijd.)

Een andere dag. Het mooie ritueel van het weerkerende bezoek. (Je weet nog hoe het was toen je haar voor de allereerste keer zag.) Iets met de tijd. Iets met de kinderen. En het trage gesprek op dat terras. Alsof er tijd is voor alle verhalen. (Ook die waarin je klein bent.)

Verdwijnen in het ritme van de trein. Het boek is dicht bij je.

(Je zou langer willen wachten op de nacht, denk je.)

Een andere dag. Je vertrekt op tijd, voor wat een lange reis zal worden. (Je krijgt die dag een forse dosis vertragingen. De kosmos wil je iets zeggen.)

Je schuift over de grens, nauwelijks merkbaar. (Het landschap daarbuiten draagt iets van jouw verhalen.)

Een verhaalplek die groeit. Sommige zinnen zijn pas voor nu. (Soms heb je de omweg van je hele leven nodig.) Het is zo mooi, en het is zo triest, denk je soms. De verhalen hunkeren naar elkaar, leggen zich beetje voor beetje in elkaar neer. (Soms heb je al die tijd nodig om te zien welke zinnen je zelf bent.) En zoveel dingen die nog wachten op  gezegd worden, telkens net voor je weer vertrekt.

In het overstapstation hoor je dat de trein die over de grens zal gaan door een technisch defect niet zal rijden. De reizigers kunnen de volgende trein nemen, zo zegt een stem die weerklinkt op het brede perron. Je zoekt een plekje. Het boek is bijna uit. Je leest verder als in een roes. Na de laatste bladzijde trillen je handen. (Je blijkt nog steeds op het perron te zitten, er zitten nog steeds mensen naast jou, ook te wachten, je moet even terug in het echte leven komen.) De volgende trein komt eraan. Je stapt in. Het is moeilijk om in een ander boek te beginnen.

Thuis nog beginnen te koken, ook al is het laat. (Je wilt iets dat warm is in je lichaam, denk je. Misschien wil je ook iets dat je zou kunnen troosten, al is dat minder bereikbaar.) En daarna rustig afwassen en het aanrecht opruimen. Het maakt je rustiger.

Een andere dag. Aarzelregen. Een mooi gesprek. (Het is alsof in de verhalen de verhalen van de vorige dagen mee bewegen.) (Je bent veranderd, denk je.) De kinderen. (Ze bewegen mee.)

Het boek heeft het ook over herinneringen in het landschap. Voetstappen die nooit verloren gaan, altijd nog ergens zijn.

Een nacht met grote dromen, die allemaal in je hoofd blijven nadien.

De dingen thuis doen. Het huis wil terug dichtbij komen, het huis heeft je een beetje gemist, denk je.

(Wie ben je in hun verhalen, denk je.)

De dingen leggen zich neer.

Foto’s maken van de wind. (Of van wat zich aandient.) Daarna mag je gaan liggen.

10 augustus 2019

Home Fire

Wat als je geliefde broer door iets wat hij deed door de machthebbers wordt beschouwd als ‘vijand van de staat’ en buiten de gemeenschap wordt geduwd? In de Griekse tragedie Antigone werd haar ene broer als slecht beschouwd en mocht zijn lichaam niet begraven worden. Antigone negeerde de regel van de staat, ging treuren om haar broer en begroef hem, wetend dat ze daarvoor de doodstraf kon krijgen. In een keten van tragische gebeurtenissen zal de machthebber – Kreon in de tragedie van Sophocles – uiteindelijk alles verliezen. Kamila Shansie maakte met Home Fire (vertaald als Huis in brand) een weergaloze en adembenemende moderne versie van dit oude verhaal. Het boek is ingehouden kwaad, maar nooit pamflettair. De personages worden genuanceerd getekend, maar niet in veilige pasteltinten. Morele vragen worden beschreven in een taal die spits en vaak ook subtiel ironisch is. De oude tragedie hangt als een wolk over dit eigentijdse verhaal dat enkele zeer actuele morele dilemma’s op het toneel brengt. De tragedie voltrekt zich, onontkoombaar. Je wordt als lezer even onontkoombaar in die tragedie getrokken, in een boek dat zich naar het einde voortstuwt als een trein die niet meer te stoppen is. Na de ijzingwekkende finale volgt er echter geen catharsis die je enige troost zou kunnen geven.

De hoofdpersonages in het boek komen uit een Brits-Pakistaanse familie. De vader is al lang overleden. Hij ging weg van zijn familie om als jihadist te gaan vechten en stierf op weg naar Guantanamo. De moeder stierf een tijd daarna. Isma, de oudste dochter, voelt haar jongere broer en zus, de tweeling Parvaiz en Aneeka, ook een beetje als haar kinderen aan. Daarnaast is er Karamat Lone, een politicus van Pakistaanse oorsprong, die zich heeft opgewerkt tot een ‘flinkse’ minister van binnenlandse zaken die zich fors uitspreekt tegen moslims die zich in zijn ogen onvoldoende integreren in de Britse samenleving. Zijn zoon Eamonn leeft het leven van een jongen uit een bevoorrechte rijke familie.

Isma, die een tijd haar studies heeft onderbroken om te zorgen voor de tweeling, gaat naar de Verenigde Staten om daar haar sociologiestudies af te ronden. Daar ontmoet ze Eamonn. De twee voelen iets voor elkaar, maar Isma houdt afstand. Ze wil gewetensvol leven, tegenover de wetten en tegenover haar geloof. Ze heeft al lang afstand genomen van haar vader, en heeft dat ook gedaan tegenover Parvaiz, haar broer. Die heeft zich door ronselaars laten verleiden om – in een soort zoektocht naar de vader die hij nooit gekend heeft – als moslimstrijder naar het Kalifaat te trekken, waar hij terechtkomt bij de media-afdeling van IS. Daar aangekomen merkt hij al snel dat wat hem was voorgespiegeld totaal niet klopt met de werkelijkheid. Hij wil ontsnappen aan de gruwel en wil terugkeren. Wanneer Aneeka ontdekt dat het Isma was die aan de autoriteiten heeft doorgegeven dat hun broer vertrokken is – vanuit een zorg om de familie te beschermen – is ze razend op haar zus. Het is Aneeka die uiteindelijk, eerst uit berekening maar later uit liefde, een relatie begint met Eamonn. Ze hoopt dat dat kan helpen om haar broer terug te krijgen. De terugkeer van Parvaiz mislukt echter en hij sterft. Karamat Lone weigert de repatriëring van het lichaam omdat hij hem niet meer als een Brits burger beschouwt. Het lichaam moet maar begraven worden in Pakistan. Aneeka komt in een tweestrijd en wil haar band met haar broer niet zomaar ondergeschikt stellen aan de wet. Daarna komt de tragedie in een definitieve versnelling.

Het boek is opgebouwd in een aantal grotere delen, telkens gezien vanuit een van de personages. Het begint bij Isma, en gaat daarna verder met Eamonn, Parvaiz, Aneeka en Karamat. Zo zie je als lezer de gebeurtenissen vanuit het gezichtspunt van dat ene personage. Je ziet de drijfveren, de twijfels, de blinde vlekken en ook de context die hem of haar mee bepaalde. In het begin van het boek verwacht je dat Isma het centrale personage zal zijn, maar dat blijkt al snel dus niet het geval te zijn. De verschillende personages weten essentiële dingen van elkaar niet, of nog niet. Ze komen door de loop van de gebeurtenissen te weten dat de dingen niet waren zoals ze dachten of hoopten. Of ze merken dat ze helemaal geen controle hebben op wat er gebeurt. Door naïviteit of ambitie kun je je laten verblinden. Moet je loyaal zijn aan je geweten, aan de wetten van de staat waar je toe behoort, aan je geloof, aan de liefde, aan je familieband? Die dingen kunnen binnen jezelf in een genadeloos conflict komen, waardoor er geen enkele keuze zonder verlies is. Op hun manier zijn de verschillende personages tragisch, zitten ze gevangen in een lot dat ze ten dele zelf hebben opgezocht. Als lezer zie je daarbij ook alle nuances, de dingen die niet zo groot of bewust of eenduidig zijn als de buitenwereld dat graag zou willen. Eens de dingen in gang gezet zijn, kunnen ze – telkens op hun manier – niet meer ontsnappen aan wat zal gebeuren. Binnen die tragiek kun je nog wel keuzes maken voor meer of minder waardigheid, meer of minder ethische moed. Wie dacht alles te kunnen controleren, kan alles verliezen.

Je kunt het boek op verschillende niveaus lezen. Je kunt het lezen als een eigentijdse reflectie op het oude verhaal en daarbij zien hoe de grote ethische vragen zich ook vandaag nog heel scherp kunnen stellen. Je kunt het ook lezen als een beschrijving van wat identiteit kan betekenen in een eigentijdse samenleving en hoe allerlei loyauteiten met elkaar kunnen botsen in een maatschappelijke omgeving die soms met verschillende maten meet. Je kunt zien hoe een proces van radicalisering werkt, minder groots of rechtlijnig dan velen denken (maar wel bewust georganiseerd door sommigen). Je kunt de botsing zien van de kleinmenselijke werkelijkheid van zo’n complexe situatie met de drang naar eenvoudige boodschappen in politiek en media. Je kunt de erg ingewikkelde ethische dilemma’s zien waarmee je, naargelang de positie die je hebt, kunt geconfronteerd worden. Maar je kunt het boek ook lezen als een verhaal over liefde, tussen kinderen van eenzelfde gezin, tussen geliefden die uit verschillende werelden komen. Het is de grote verdienste van de auteur dat ze al die lagen op een heel vanzelfsprekende manier laat zien in al hun veelkleurigheid. Ze doet dat ook in een schitterende compositie.

Home Fire is een boek dat je in een toestand van een soort verdwazing achterlaat. Het laatste stuk lees je in verkillende roes, waarbij je amper durft ademen. Het is een bijzonder dapper boek, geëngageerd zonder te roepen, met ingehouden verontwaardiging. De personages worden getekend in felle kleuren, maar je ziet ook hun twijfels, hun kleine verlangens, hun niet-weten. Dat het verhaal van die oude Griekse tragedie werd gebruikt, voelt nergens aan als mechanisch of geforceerd. Je voelt wel hoe dat oude verhaal als een noodlot boven de personages hangt. Je hoopt dat niet zal gebeuren wat onvermijdelijk zal gebeuren. Je voelt de immense kracht van die tragedie als lezer op een heel lichamelijke manier aan, niet als iets van ‘vroeger’, maar als iets van vandaag, iets waar je niet aan kunt ontsnappen. Er is geen veilige troost bij het einde van dit boek.

04 augustus 2019

Oude zielen

‘Ik weet nog altijd niet goed waarom het me zo ontroerde, dat wat je zei eergisteren.’
‘Moet je dan weten waarom? Is het op zich al niet goed genoeg?’
‘Ik vind het altijd bijzonder om met jou te kunnen praten. We doen dat niet zo vaak, dat is jammer eigenlijk. Misschien is het voor jou wel anders, dat zou kunnen.’
‘Nee hoor.’
‘Je bent dan wel een stuk jonger dan ik, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat in een deel van jou een oude ziel woont.’
‘En waar dan? Hier? Of hier?’
‘Ik denk dat die ziel vloeiend is, en zich in jouw lichaam kan verplaatsen.’
‘Woew.’
‘Nou ja, ik weet het eigenlijk niet. Ik maak het niet zo vaak mee, dat gevoel dat je ook dat stuk met iemand kunt delen.’
‘Het is wel grappig. Als ik jou zie, valt me vaak op dat jij een kant hebt die net heel jong is gebleven, hoewel iedereen vindt dat jij oud bent of zo.’
‘Dat is wel mooi.’
‘Soms ben ik een beetje bang als ik je naar mij zie kijken. Jij ziet altijd alles. En het voelt dan soms als een verwachting.’
‘Dat is zeker niet de bedoeling.’
‘Dat weet ik wel. Maar er gebeurt iets speciaals als jij in de buurt bent. Iets in jou, in hoe je kijkt, is zo intens aanwezig.’
‘Dat is bij jou wel niet zo moeilijk.’
‘Het is tegelijk ook wel heel goed, en veilig. Het mag wel.’
‘Vannacht dacht ik nog dat ik aan je zou moeten vragen om te dansen. Ik denk dat je dat goed kunt. En dat je dan niet alleen die springerige kant van jezelf zou laten zien, maar ook die oude. Het zou mooi zijn, te zien hoe je beweegt in jezelf tussen die kanten. Ik weet niet of je begrijpt wat ik bedoel?’
‘Ja, ik denk het wel. Het idee van die dans maakt me toch een beetje bang.’
‘Waarom?’
‘Zal ik mezelf niet verliezen aan die andere kant?’
‘Ik denk het niet. Je ogen zullen wel veranderen. Ze zullen trager worden.’
‘Trager?’
‘Soms is het alsof je ver weg blijft van die ogen die er nu zijn. Met deze ogen dansen zou op een of andere manier traag zijn.’
‘Ook als de beweging snel zou gaan?’
‘Ja.’
‘En ga je dan mee dansen?’
‘Oei.’
‘Hahaaa. Misschien moet jij ook wel dapper zijn.’
‘Ik zal je na jouw dans een verhaal vertellen. En daar moet ik heel dapper voor zijn.’
‘En dan? Zal het je veranderen?’
‘Ik denk het wel. Ik ben voor mezelf al een tijdje bezig met iets als jouw trage ogen. Trage verhalen of zo. Het is iets als kijken naar de verhalen die in mij zijn ingeschreven, in mijn lichaam, in hoe ik beweeg of praat. En het is dan de bedoeling dat ik die zo onbewerkt mogelijk voor me neerleg.’
‘En zijn ze dan weg van jou? Verdwenen?’
‘Nee. Omgekeerd eigenlijk.’
‘En hoe lijkt dat op die dans?’
‘Wie je bent, voor anderen en voor jezelf, hoe je jezelf ervaart, dat is als een verhaal dat je elke dag opnieuw te maken hebt. Niet dat de stenen zomaar veranderen, maar je moet ze wel elke dag weer in elkaar passen. En met dat beeld van die trage verhalen is het alsof ik mezelf, als ik van boven naar beneden kijk, op een wat andere plek zie. De wind kan er beter door, maar ik val er ook meer samen met mezelf. En dat kan een dans ook doen, denk ik.’
‘Soms vergeet jij wel eens dat jij echt een stuk ouder bent dan ik.’
‘Dat is waar, ik vergeet het. Misschien voelt het alsof een stuk niet zo van de tijd afhankelijk is.’
‘Is die oude ziel dan ook een trage ziel?’
‘Daar moet ik nog even over nadenken.’
‘Zal ik terwijl al dansen?’
‘O ja.’

03 augustus 2019

Liefde, als dat het is

Kun je in een relatievorm als een huwelijk als individu overeind blijven? Of verdwijn je in een samensmelting die eigenlijk niet veel meer met liefde te maken heeft? Kun je ontsnappen aan de zwaartekracht van de liefde? Zijn je grote of onuitgesproken dromen over de liefde bestand tegen de seizoenen? Weet je eigenlijk zelf wel wat je zoekt en verlangt in een of andere variant van de liefde? Ben je gedoemd om te herhalen wat niet goed was, alsof je niet anders kunt zijn dan acteurs in een stuk dat al geschreven is? De Nederlandse schrijfster Marijke Schermer  heeft het in haar roman Liefde, als dat het is over die grote vragen. Ze brengt dit alles in beeld met lichte toetsen en schijnbaar eenvoudige zinnen. Als dit boek een toneelstuk of film zou zijn, zou je veel lichte kleuren verwachten. De personages zouden waarschijnlijk mooie stemmen hebben. Er zou misschien mooie achtergrondmuziek kunnen zijn. Je zou je willen laten afleiden, maar al bij al snel merken hoe genadeloos dit boek is over het onderwerp dat in de titel staat.

Het boek begint in een zomer. We zien hoe David bij Sev is, zijn nieuwe geliefde. Een relatie willen ze het niet noemen. Zijn vrouw Terri heeft na een huwelijk van vele jaren het huis verlaten. Zij wou zichzelf terug heroveren op dat huwelijk, voelde dat het ‘op’ was. Ze begon zich te storen aan David, die in haar ogen te voorspelbaar plichtsbewust en degelijk is. Ze kan geen grote dingen aanwijzen, maar kan het gewoon niet meer. Voor hem komt dit alles als een natuurramp. Hun twee dochters, Ally en Krista, begrijpen er niet zoveel van en worstelen zelf ondertussen met de dingen die bij hun leeftijd horen. Terri zoekt haar heil in de armen van Lucas, een behoorlijk foute man.

Dan springt het boek terug naar een herfst eerder, en loopt door tot de herfst na die zomer. Als lezer krijg je telkens het perspectief van die zes verschillende personages. Er is geen verteller die boven hen staat en je in een bepaalde richting duwt of zich helemaal vereenzelvigt met één personage. Er is nauwelijks een ruimere context. Je krijgt een beperkte voorgeschiedenis van de personages. Via de personages voel je als lezer wel dat je die soms zou willen kennen. Terri botst op de manier waarop Lucas zijn persoonlijkheid afschermt. Sev heeft een verleden dat wel in het licht komt en dat uiteindelijk spiegelt met andere geschiedenissen. Ze is minder soeverein dan hoe David haar zou willen zien.

Als lezer zit je meestal vooral in het moment, in opeenvolgende scènes als in een toneelstuk, dicht op de personages. Je ziet de dingen telkens vanuit het begrensde perspectief van een van de zes, en dan nog via het tipje van de ijsberg. Hoewel ze met elkaar in hetzelfde stuk zitten, lijken ze ook allemaal een beetje op hun eiland te zijn, stellen ze vast. Wat weten ze van elkaar? Wat hebben ze met elkaar?

De schrijfster werkt dit alles uit in gecondenseerde, verraderlijk eenvoudige zinnen en ‘kleine’ dialogen. Wat eenvoudig of vertrouwd leek, wordt ineens een beetje raar of pijnlijk leeg. Wat vertrouwd was, was misschien een soort ritueel dat eenzaamheid moet verbergen. De perspectiefwissels in de opeenvolgende korte fragmenten verlopen heel soepel. Dat alles geeft aan het boek een bijna lichte toets, die net daardoor de tragiek die net onder de oppervlakte blijft versterkt.

Als lezer ga je mee door de seizoenen. Je ziet hoe de dingen gebeuren, hoe de personages zich opnieuw een plaats zoeken. Daarbij zie je steeds nieuwe kanten. Je ziet hoe iemand als Terri een beetje vastloopt in zichzelf. Ze lijkt een andere plek te willen, waar ze vrij kan zijn op haar voorwaarden, zonder David, en waar de dochters dan vanzelfsprekend in zouden schuiven, terwijl ze ook weer niet te veel in haar buurt moeten zijn. Ze wil de lust in haar lijf voelen bij Lucas, maar weet na een tijd ook dat hij eigenlijk voor een akelig soort ongebondenheid staat. David wil alles doen om voor zijn kinderen de best mogelijke plek te behouden, en verlangt naar een minder saaie versie van zichzelf. Door de breuk met zijn vrouw heeft hij iets van zichzelf gezien dat niet zo spannend is als zij blijkbaar zocht. Misschien zat ook hij vast. In de armen van Sev voelt hij zich heel anders. Maar hun gewichtloze samenzijn kan er ook alleen maar zijn in een plek weg van de wereld.

Het natuurlijke vertrouwde ritme van de seizoenen zou kunnen staan voor een cyclisch gevoel waarbij na verlies weer nieuw leven komt. De seizoenen zouden zo troostend kunnen zijn. Maar hier lijken de seizoenen meer de dragers van een tragisch lot. Je hoopt dat je kunt ontsnappen aan jezelf. Je hoopt dat je beter en anders kunt doen wat eerst niet lukte. Maar je komt terug naar die plek die je wilde ontvluchten, ook al is die dan elders.

Wanneer het boek terug in de zomer is, lees je een hoofdstuk met de titel Afgrond. Daarin staat een tekst in cursief waarin je een externe stem hoort. Daar is er even een verteller die de aandacht op zichzelf trekt. Misschien is het de schrijfster zelf wel. Misschien is het een schikgodin. In elke relatie lijkt er een onvermijdelijk kantelpunt te komen. De personages bewegen verder, maar kunnen zich niet onttrekken aan de seizoenen.

Liefde, als dat het is is een boek dat subtiel onder je huid kruipt. Het is behoorlijk genadeloos, in lichte toetsen. Kleine zinnetjes doen je vaak even het boek opzij leggen. De zinnen zijn uitgepuurd en ingehouden. De perspectiefwissels verlopen naadloos. Als lezer kijk je soms naar de gesloten kamers van een toneelstuk. Daar zie je de seizoenen van de liefde, waaraan niemand lijkt te kunnen ontsnappen.

02 augustus 2019

Tussenstanden

Misschien ben je altijd een beetje onderweg. (Denk je, terwijl je onderweg bent naar een afspraak. Even, bijna lang genoeg, daar blijven, en weer terugkeren.)

Misschien huist er een rust in dat onderweg zijn. Het ritme van de trein. Het niemandsland van een kleine reis. De woorden van het gesprek die zich in je huid leggen.

Misschien zie je de woorden beter, daar in dat ritme. De woorden die je leest. De woorden die naar je toe komen, in de wachtstand van je huid.

Die mooie mensen, die zomaar in je leven zijn. Hun verhalen blijven dicht bij je. De verhalen van de kinderen. (Om een of andere reden is het belangrijk dat je al die verhalen kunt zien. Rustig uitgespreid voor je. Je wilt ze allemaal daar kunnen zien.)

Jij staat hier. (Om een of andere reden zie je beter waar jij staat in de tijd.) Het is wel goed zo, denk je.

Een mooi gesprek. Wat zou het zijn, een goed mens zijn?

De woorden in de boeken die je leest. De reis die op je wacht.

Een mooi gesprek. Ook iets over stemmetjes, ingesleten in je huid.

(Je luistert, laat de zinnen binnenkomen. Je ziet het onvermogen, naast wat verworven is. En iets van schaamte.)

En soms zie je, hoe je genoeg alleen moet zijn.

Houdingen zoeken. In de trein, op de stoel, op de bank. (Het heeft iets met verlangen naar gewichtloosheid te maken, misschien.) Soms brengen de trillingen je thuis.

(Soms weet je niet waar die plotse spanning in je lichaam vandaan komt, welk verhaal aan het werk is, met welke vertraging.)

(Die ene houding, die je leerde in dat ene boek. Hoe ze telkens iets verandert.)

Tussendoor probeer je verder te lezen. (De zinnen die in je lichaam zijn geschreven, ze vragen tijd.) En wat je te doen staat, in de tijd die komt.

En hoe luchtig het kan voelen, op die pas opgelapte fiets door de stad bewegen. Hoe soepel het gaat, hoe eenvoudig het is. (Er is een evenwicht verschoven.)

En de lijnen die je ziet, terwijl je traag kijkt naar de mensen.

(Ergens in je hoofd, of langs je hoofd, kun je die plek zien. Waar je niet naartoe kunt gaan. Misschien is het zien wel goed.)

Hoe je kunt blijven kijken naar de planten. (Misschien willen ze hier wel zijn.)

(Boodschappen die je bereiken, en die blijven stuiteren in je hoofd.)

(Ergens midden in een nacht wakker worden. Woelen in beelden. Wachten tot ze vertrekken.)

Vroeg opstaan en de koele lucht in de kamer voelen bewegen.

Naar de foto’s kijken. (Soms lijken ze verhaalloos.) Foto’s zoeken, verhalen zoeken.

Een mooi gesprek. Je stem verandert, je daalt in je stem. Wat je hoort, maakt je weker dan je had verwacht.

Onderweg zijn. (Na de zinnen.) Het is alsof je lichaam lege ruimte rondom zou willen.

Een mooi gesprek. Het wordt telkens trager naar het einde. Alsof het die weg telkens nodig heeft.

De schilderijen in de tentoonstelling zijn zo mooi. Ze zeggen iets over de blik. (Je rug verstoort wat je zou kunnen aanraken hier. De pijn trekt. Je zou het verhaal willen zien.)

(De rug, de buik. Twee lichamen, minstens. In je hoofd proberen te zien wanneer ze weer zullen samenvallen. Terwijl stap je verder.)

Deuken vragen aandacht.

(Die boodschappen die je nog moet versturen, woorden die gezegd moeten worden.) Je ziet die woorden wel elke dag ergens voorbij gaan. Ze zijn er al.

Misschien is dat de reis.

30 juli 2019

Memories of the Future

Elk verhaal raakt een ander verhaal, wordt een ander verhaal. Je herinnert je je eigen verhaal (of je denkt dat je dat doet), je maakt je eigen verhaal, je bent je eigen verhaal. Misschien herformuleer je jezelf in de tijd, telkens opnieuw. Je bent het verhaal dat je over jezelf vertelt. En in die identiteit ben je misschien meer onvatbaar en gefragmenteerd dan je zelf zou willen. Een roman die je niet de illusie geeft dat je rechtlijnig en relatief eenduidig een persoon zou kunnen beschrijven die op zich ook relatief omschrijfbaar en aflijnbaar is zal zelf meervoudig en meerlagig zijn. Dat klinkt misschien allemaal nogal abstract en hoogdravend maar in de schitterende sprankelende roman Memories of the Future (vertaald als: Herinneringen aan de toekomst) van de Amerikaanse schrijfster Siri Hustvedt gebeurt het allemaal. In een interview omschreef zij de vorm van dit boek als een soort origami, en dat is eigenlijk wel een interessant beeld.

In zekere zin zou je kunnen zeggen dat dit boek bestaat uit drie boeken (ook te onderscheiden in lettertype. De persoon die het woord neemt, een schrijfster, SH, waarvan je vermoedt dat die enigszins lijkt op Siri Hustvedt, ontdekt bij het opruimen van het appartement van haar moeder een notitieboekje van haar jongere zelf. De schrijfster is ondertussen over de zestig, maar komt via dat schriftje terug terecht in de periode eind van de jaren zeventig. Toen kwam ze als jong meisje uit Minnesota aan in New York. Ze had het aanbod om een jaar later aan de universiteit te beginnen, maar wou eerst nog een jaar zichzelf als artiest ontdekken, voelen of ze een boek kon schrijven en de grote wereld leren kennen. Het derde boek is de aanzet van wat die eerste roman zou gaan worden.

Misschien heb je in het nu veel herinneringen blijkbaar niet meer aan wie je was toen, of kun je je alleszins niet meer verplaatsen naar hoe je toen in het nu was, met de kennis die je toen had, het lichaam dat je toen had. Het lezen van je dagboeknotities van toen haalt jezelf – bijna als een soort andere persoon – naar je toe. Vanuit het standpunt van het nu kun je reflecteren over de werking van het geheugen, de manier hoe je in de loop van je leven tijd ervaart, hoe je dingen herinnert in je hoofd of in je hele lichaam. Die verschillende teksten reageren op elkaar, bewegen zelf. Zo zie je dat die eerste roman in wording zichzelf een beetje vastrijdt en dat het gewicht van de beleving van die jonge vrouw verschuift naar het dagboek.

De jonge vrouw gaat wonen in een klein appartementje. Het is er allemaal een beetje krottig, maar ze voelt zich vrij. Met een groepje gelijkgestemde creatieve zielen verkent ze de grootstad. De hoofdpersonages uit haar boek – een soort experiment dat verwijst naar Sherlock Holmes (SH) – vinden hun weg niet in hun eigen verhaal. Het mannelijke hoofdpersonage wordt overvleugeld door het vrouwelijke personage. Het verhaal in dat boek lijkt zijn eigen noodzakelijkheid niet te vinden. In het echte leven is de jonge vrouw veel meer bezig met de stem van haar buurvrouw. Door de dunne muur hoort ze die buurvrouw in eindeloze tirades bezig. Ze luistert, met een stethoscoop, en probeert de woorden te noteren. Ze hoort een tragisch en mysterieus verhaal waar ze geen greep op krijgt. Wat is waarheid, wat is fictie? Wat is ‘normaal’, wat is min of meer verstoord?

De jonge SH heeft een heel akelige ervaring met een brutale zelfingenomen kerel die haar bijna verkracht. Dat element werkt als een soort catharsis in het boek. Ze maakt kennis met de wereld waarin haar buurvrouw beweegt. Ze gaat naar zichzelf kijken, observeert hoe het trauma werkt in haar lichaam. Ze zoekt naar sporen die haar maakten tot de ‘wachtende’ vrouw die onbewust niet gewapend bleek tegen allerlei vormen van zelfgenoegzame neerbuigende mannelijkheid.

Door de wisselwerking tussen de teksten komen zo thema’s naar boven drijven. De wijze waarop de woorden, de stemmen, de werkelijkheid, de intelligentie, de lichamelijkheid van vrouwen op allerlei manieren wordt gezien als minderwaardig of gevaarlijk of vloeiend wordt zichtbaar. Dat gebeurt niet op een pamflettaire of eendimensionale manier. Je voelt het als lezer in de tekst hoe de woede toeneemt. Je construeert de bewustwording mee. Wat eerst vanzelfsprekend leek, is dat na een tijd niet meer. (Het ene verhaal is een ander verhaal geworden.) Cruciale momenten worden daarbij erg pakkend beschreven. De sluipende onveiligheid en agressie van de aanranding, de vervreemdende vaststelling dat je lichaam bevriest en zijn eigen overlevingsstrategie zoekt schijnbaar los van je redelijke hoofd, die dingen ervaar je heel lichamelijk. De manier waarop SH op een later moment tijdens een etentje een arrogante en pedante man op een vlijmscherpe manier afmaakt met Wittgenstein als een soort filosofische mitrailleur is dan weer hilarisch.

Het boek beweegt tussen genres en registers en perspectieven. Dat wat je zou verwachten als een ‘roman’ vloeit over in filosofische en culturele reflecties die dicht bij een essay komen of bij beschouwingen over de werking van het geheugen. De codes die horen bij wat een dagboek is of wat memoires zouden zijn worden ook in vraag gesteld. Je kunt niet na de feiten ellenlange mono- of dialogen letterlijk reproduceren in een dagboek of in een herinnering. (Wat we voorstellen als een ‘realistisch verslag’ of een ongefilterde weergave is in zekere zin ook een vorm van fictie.) Soms is het de schrijfster SH die spreekt in het nu. Een aantal biografische elementen van de echte Siri Hustvedt lijken overeen te komen met hoe de schrijfster zichzelf omschrijft, maar sommige ook weer niet. Soms hoor je een vertelster, die rechtstreeks de lezer aanspreekt, en zo ook de codes in beeld brengt van hoe literaire verhalende teksten werken. De focus verandert ook constant, soms nauwelijks merkbaar. Van nu naar toen, van ik naar zij. De schrijfster en de vertelster die naar het personage kijken. De personages uit de roman in de roman beginnen mee te spreken in de innerlijke dialoog van de jonge en de oudere SH. Al die dingen gebeuren op een heel subtiele en soms heel speelse manier. Het lijkt alsof de verschillende teksten in het begin van het boek meer gescheiden naast elkaar staan en dat ze naar het einde van het boek meer in elkaar overlopen, naarmate je ook de pulserende kracht van de toenemende kwaadheid voelt.

Siri Hustvedt heeft een immense intellectuele bagage die ze op een sprankelende manier verweeft met zinderend tekstplezier. Als lezer moet je wel elke pagina goed bij de les blijven. In de manier waarop al die kennis verwerkt wordt voel je niet zozeer de drang tot etaleren maar wel iets van een statement dat uit de hele compositie spreekt: een overwinning op allerlei mannelijke strategieën om de vrouwelijke stem te smoren. De grote kracht van Siri Hustvedt is dat ze dat alles doet in een roman die niet zwaar of instrumenteel aanvoelt maar integendeel zorgt voor een permanent leesplezier, bewegend tussen ernstig en diepgaand en vaak ook heel erg grappig. Het is alsof je in zowat elke paragraaf het spel van allerlei tekens en signalen kunt voelen. De vorm van het boek, met de verschillende tekstsoorten, komt helemaal niet geforceerd maar integendeel organisch en in zekere zin ‘echter’ over. Het stukje gekleurd origamipapier krijgt door het vouwen langzaam maar zeker een eigen vorm. Memories of the Future is een heel bijzonder boek.

28 juli 2019

Het druppelmeisje

Op weg naar een moment van aanwezig zijn voor iemand die afwezig is.

Hij is ook aanwezig. Hij zou 33 geworden zijn vandaag.

Toen je zijn moeder leerde kennen, was hij nog een klein jongetje. Zo zie je hem nog in je hoofd.

Het is een tweede verjaardag in afwezigheid ondertussen.

(Misschien ben je proactief al een beetje verlegen. Je hebt alleen jezelf bij, het lijkt zo weinig.)

De trein. (Boekmoment.) De bus. (Kijkmoment. Een merkwaardig verward landschap onderweg.)

En regen.

Je bent, zoals altijd, veel te vroeg daar.

Het is stil op dat grote terrein. Daar liggen de graven, hier zijn de strooiweides.

(Zijn foto staat er nog.)

Op het aangrenzende stuk staat een man. Hij voert een uitgebreid gesprek met een aanwezige afwezige.

Je wilt dat gesprek niet onderbreken. Je staat, beweegt zo weinig mogelijk.

In de dreef net achter je lijkt het harder te regenen.

(Je weet niet goed waar de doden zijn. Het is alsof je onbewust iets zoekt in de ruimte, om ze dichterbij te halen.)

(Die ene zin in dat ene gedicht van Kopland.)

Het rijtje knuffels, daar tegen de stenen rand. Ze zouden immuun moeten zijn voor de regen.

Ze zijn er. De moeder, de vriendin en haar dochtertje.

(Je voelt je groot en hoekig. Je rug zeurt.)

De regen ademt in en uit.

Het meisje ziet de knuffels.

(Er is hier nergens een hoek of zo, waar je beschut kunt staan, waar je ziet dat je dicht bij elkaar staat. Het is zo open.)

Kleine verhalen.

Of hij er is, hier, vraag je. Hij is er, zegt ze.

Of hij er altijd wel een beetje is, vraag je. Ja, zegt ze.

(Sommige levens zouden afgerond kunnen zijn. Sommige levens voelen zo afgebroken.)

(Je weet niet goed wat je met je handen moet doen.)

Het kleine meisje is zo levend. (En soms heel stil.)

Het meisje vangt de druppels op die van de paraplu van haar mama wegdruppelen.

Of er zo geen druppels verloren zullen gaan, vraag je. De paraplu is groter dan haar handen.

Je vangt aan de andere kant in je handen ook druppels op. Twee kommetjes met druppels.

Je biedt de druppels aan aan het meisje. Ze kijkt verlegen, doet niets.

(Misschien moet je sommige dingen soms wel loslaten.)

Je laat de druppels vallen. Ze verdwijnen op de grond. In de regen.

Het is tijd om weer te vertrekken.

(Je bent nat. Je schouders zijn koud. Ze doen pijn. Vooral aan die ene kant.)

Je wacht op de bus. Het lijkt zo’n verlaten plek.

In de trein schuif je terug in je boek.

Het trosje jongeren komt terug van een festival. De muziek die daar nooit stopt loopt door in de trein.

Je loopt door de stad. Je denkt aan de planten, die je straks zachtjes water zult geven.

Weer thuis kijk je naar je handen. (Ze lijken afwezig.)

Je huid is bijna terug warm.

27 juli 2019

De ikwerkelijkheid

Het is een beetje moeilijk uit te leggen, denk je. Het is een beetje delicaat. Het gaat over nuances vaak. Maar het maakt je zo vaak verdrietig. (Misschien kun je er gewoon steeds minder goed tegen.)

Het heeft iets te maken met gebruik van de werkelijkheid, voor jezelf. Soms kun je ook zwijgen, denk je. Of zou je net andere woorden kunnen gebruiken. Of zou je ook heel even niet cynisch kunnen zijn.

Het zijn verschillende dingen. Maar ze maken je telkens een beetje verdrietig. (Misschien zou je af en toe gewoon wat kleinere woorden willen. De woorden doen ertoe.)

Misschien ben je gewoon niet gemaakt voor ‘hoe het nu eenmaal is’ op de diverse sociale media. Misschien kun je niet wennen aan ‘mensen willen nu eenmaal gezichten zien, houden niet van genuanceerde boodschappen’. Het zal wel. (Misschien vind je het steeds minder erg, dat je wat raar begint te worden, blijkbaar.)

Het is niet erg dat mensen allerlei dingen zeggen en delen op hun feesboek. Vaak is het leuk. Vaak kan het een vorm van verbondenheid zijn. Vaak kan het een nabijheid zijn. Je begrijpt wel niet zo goed waarom zovelen zo vaak zo snel denken te moeten reageren. Alsof dat zou moeten, alsof je een rol te spelen hebt, alsof je van jezelf vindt dat je een rolmodel of een ‘influencer’ moet zijn. Soms gewoon even zwijgen, uit deemoed, uit respect. Niet onmiddellijk de stilte die er mag zijn na iets dat moeilijk is net te snel met net te veel woorden, die net te stellig zijn vullen. Met dan ook nog eens net te veel het woord ik erin.

Soms wordt delen of reageren of betrokken zijn bijna iets als: gebruiken. Er overkomt een ander iets dat positief is. Je wilt die persoon feliciteren of zeggen dat je blij bent (wat heel fijn kan zijn), maar je maakt er vijf zinnen van waarvan er vier over jezelf gaan, met net iets te veel ik erin. Het zal meestal wel goed bedoeld zijn, maar het lijkt soms alsof sommige mensen via anderen net iets te veel zelf aandacht willen vragen. Je wilt een ander feliciteren omdat die iets geworden is – minister bv. – en je zet er een foto bij van jezelf met die ander, waardoor je eigenlijk vooral zelf in beeld komt. Je had ook gewoon kunnen zeggen dat je blij was voor haar. Je hoeft niet subtiel te suggereren dat iets eigenlijk jouw idee of verdienste was.

Je weet wel dat dergelijke kanalen op lichte wijze al aanwezige vormen van narcisme kunnen versterken, maar het maakt je triest.

Er overkomt een ander iets dat negatief is. Iemand wordt ziek, of iemand sterft. Wat in de echte wereld al zo vaak gebeurt, gebeurt ook in de virtuele wereld. Mensen die die moeilijke lege plek niet kwetsbaar kunnen laten, maar ze meteen naar zichzelf toe trekken, en vooral over zichzelf praten. Wanneer iemand sterft, lees je soms heel mooie persoonlijke getuigenissen, die oprecht en betrokken zijn. Maar soms lijkt het ook alsof die pijnlijke gebeurtenis op een of andere manier wordt gebruikt om zelf aandacht te krijgen. Het is soms een heel subtiele balans. De woorden doen ertoe.

Of er gebeurt iets ernstigs. Het kan belangrijk zijn dat je reageert, omdat je een bepaalde rol of functie hebt. Zwijgen is dan vaak niet goed. Maar dan kun je nog kiezen. Gaat het in je verhaal over wij of gaat het over ik? Kun je je zelf voldoende ondergeschikt maken aan het wat je wilt zeggen? Wil je een verhaal of een argumentatie brengen, of wil je toch jezelf brengen? Kun je iets van iemand anders die het al eerder deed gewoon steunen, of wil je er zo nodig nog zelf iets aan toevoegen omdat je zelf ook in beeld wilt komen?

De toon van je verhaal maakt ook veel verschil. Je kunt harde dingen ook met zachte woorden zeggen. Je kunt ervoor zorgen dat je je niet laat verleiden tot net te veel strategische uitspraken. Je kunt ervoor zorgen – ook al zou je het graag wel doen – om niet van je eigenlijke verhaal (A) gebruik te maken om iets anders (B) te zeggen. B kan zijn: een ander aanvallen. Wat goed leek te beginnen, een rustige toon bij A, wordt ineens ontsierd door B, waaruit blijkt dat C het doel was.

Kun je de ander in zijn of haar verhaal laten? Daarover gaat het ook soms. Je publiceert een tekst met een opinie of standpunt. Je probeert dat duidelijk maar ook voldoende genuanceerd en met zachte woorden te doen. De kans is groot dat velen het niet zomaar eens zullen zijn met wat je zegt. Dat is niet erg. Ze hoeven daarom niet te reageren. Als iemand dat toch nuttig vindt, kun je rustig zo reageren dat je laat blijken dat je hebt gelezen wat er staat en dat je toch iets dat relevant is wilt toevoegen, als in een dialoog. Dat is fijn voor diegene die het schreef, te voelen dat iets echt gelezen wordt. Maar vaak is het anders. Het stuk waar een ander misschien uren aan gewerkt heeft wordt gebruikt om via een reactie iets te zeggen wat in wezen niets met dat stuk te maken heeft, maar alleen met de persoon die reageert. Of via een of andere snelle reactie wil men je discrediteren of wil men bewijzen dat je aan dat ene ding niet gedacht hebt of dat je niet weet waar je over praat. (Zo moet diegene die reageert zelf niet verder nadenken of kan hij zich andermaal veilig boven de anderen verheffen.) En soms is het ook gewoon een vorm van mansplaining, een vermoeiende variant van gebruik van de werkelijkheid.

Misschien is het iets van de tijd, misschien is het iets van jezelf, maar je kunt er steeds minder tegen. Het maakt je verdrietig.

En je weet heus wel hoe de politiek werkt. (Het was en is een groot deel van je leven.) Het is niet erg dat anderen een ander standpunt hebben. Dat is de essentie van een democratie. Het gaat er niet om dat onder het mom van ‘laten we alles verbinden’ er geen discussies meer zouden mogen zijn. Over de gewenste maatschappelijke ordening zou er een permanente zoekende discussie moeten zijn. Conflict in ideeën is niet erg. Dat politici vanuit hun overtuiging een strategisch doel hebben is niet erg. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze alleen maar, de hele tijd, in strategische termen moeten denken en spreken, denk je. (Misschien was een van de zogenaamde signalen van veel kiezers bij de recente verkiezingen dat veel mensen graag wat minder spelletjes, wat minder cynisme, wat meer deemoed zouden willen. Wat minder gebruik van de werkelijkheid voor het eigen doel, dus.)

Het maakt je verdrietig, als je sommige politici hoort. Het lijkt voor sommige politici ondertussen hun bedrijfscultuur geworden te zijn. Alleen nog cynisch kunnen zijn, en dat telkens uitstralen. De indruk geven dat je waardig in je rol blijft van verantwoordelijke gezagsdrager in het begin van je verhaal. Zeggen dat je niets zult zeggen dat gevoelige processen (zoals regeringsonderhandelingen) zou kunnen schaden. En dan meteen de rest van je verhaal gebruiken om nog maar eens een bepaalde framing te creëren (iets over ‘twee democratieën’ bv.) of om een geliefkoosde vijand (die in jouw ogen natuurlijk echt slecht is, terwijl jijzelf zo zuiver en sereen bent) te gebruiken om nog een andere aan te vallen (iets met tuinhuizen of zo). Vanuit je rol als politicus denk je dat de verschillende politici samen een verantwoordelijkheid hebben om de nobele taak die aan hen is toegewezen op een waardige manier in te vullen. En dan doen de woorden ertoe. Maar los daarvan maakt het je ook verdrietig, dat sommigen blijkbaar alleen nog cynisch kunnen en willen zijn. (En daar zelfs nog trots op lijken te zijn.)

Het heeft allemaal iets te maken met het gebruiken van de werkelijkheid, van de dingen, van andere mensen, voor het eigen ik, denk je. En het doet pijn. Het zou kunnen – zegt de boeddhist in jou – dat zij er zelf nog meer door lijden. Ook als dat zo is, blijft het toch jammer. Een heel klein beetje nederigheid, het zou al helpen. Voorzichtige woorden ook.

25 juli 2019

Nachtdeuk

Het andere ritme neemt het langzaam over. (Je zou eraan kunnen wennen.)

(Je mag eraan wennen.)

(Misschien was je heel even bang, zoals dat vroeger soms was. Als alle mensen die je graag ziet ergens ver weg in een buitenland – of een klein beetje verder – zitten is je kompas een beetje in de war. Soms wil je gewoon rond kunnen kijken, en in je hoofd zien wie waar is. En dan wordt het rustig.) (Iedereen is er nog.)

(Misschien was je even bang, alsof je zelf de weg zou moeten vragen, je weg. Maar de dingen kwamen naar je toe. Zoals de planten die groeiden.)

(Je bent de kleinzoon van Julia. Ook jouw lichaam is niet echt gemaakt voor de warmte, toch niet voor die warmte.)

De student komt helemaal van aan de zee om je te interviewen. Hij is zo mooi blij met het gesprek. (Terwijl je antwoordt, komen mooie mensen zomaar voorbij wandelen of even naar je toe. Mensen waar je eerder die dag nog aan dacht. De kosmos.)

Zomaar een middagdutje. (Het mag, waarschijnlijk.)

Stukjes tijd zomaar laten passeren. (Het went al, een beetje.)

Het verse boek. (Je gaf het ook cadeau aan je maatje.) Je houdt ervan, hoe de schrijfster door de woorden beweegt.

(Eigenlijk vallen de nachten goed mee, behalve die ene, waar je uit leek te vallen. Die kant van het huis is het koelst. Het is alsof je mag schuilen in een nachtdeuk.)

(Je ziet hoe je stukjes rustig hun weg zoeken. Het is goed.)

Zo’n mooie gesprekken. Ze komen zomaar naar je toe. (Je kunt op alles ja zeggen.) Verhalen over de kinderen. Ze ontroeren je diep en liggen zich daarna rustig in je neer. Verhalen over waar je huid doorzichtig is.

(Dankbaar.)

De warmte verwart je een beetje. Een stukje van je blijkt rustiger dan je had verwacht. (Je leert.) Je doet gewoon wat je kunt doen. Je houdt het rustig en schuift door de dagen. (Er zijn mooie gesprekken.) Het is ook een beetje een kleine wereld, waarin je je terugtrekt. Buiten zijn er nauwelijks mensen te zien. Het huis zorgt goed voor je. (Een stukje is kwaad en opstandig. We hebben het zoveel jaar zien aankomen, denk je. Het had anders kunnen zijn, denk je. Het lijkt sommigen nog steeds niet te deren, denk je. Het zal voor zoveel mensen de volgende jaren zo moeilijk worden, denk je.) Misschien ben je al je stukjes. Misschien is jezelf telkens opnieuw uit stukjes samenvoegen wel een vorm van weerbaarheid.

En de nuttige dingen lopen al lekker, denk je. (Zoals geheel in milde aandacht naar de fietshersteller gaan. Je onderweg afvragen hoe je die kwestie van dat ventieltje moet uitleggen. Buitenkomen met een nieuwe binnen- en buitenband en een hersteld spatbord en helemaal gelukkig zijn. En weer zoveel bijgeleerd. Over de vereiste druk op het voor- dan wel het achterwiel, om maar even iets in de groep te werpen. De vorige dag was je er eigenlijk ook al. Voor dat zadel. Verwarrende momenten, als je de vraag krijgt of je een gelzadel of een gewoon zadel wilt. Op je vraag wat een gewoon zadel is krijg je als antwoord: een gewoon. Je had net al gehoord dat het zadel dat je had een vrouwenzadel was. In elk geval is je fiets na twee dagen weer helemaal klaar voor de vaart der volkeren. Lekker.)

De tijd drukt zich samen, of de tijden schuiven over elkaar. De tijd schuift over zichzelf dus eigenlijk. Wat vroeger was, beweegt in het nu. (Zo is het eigenlijk altijd in je hoofd, denk je.) Misschien mag de tijd vrijer bewegen nu. Beelden van liefdes bewegen door je heen. (Het is goed om ze even aan te raken.)

Je verlangt naar het ritme dat het van je overneemt. (Het komt misschien zomaar naar je toe.)

(Je ziet andere aardlagen nu. Ze zijn er waarschijnlijk altijd. Ze laten zich nu zien. Misschien mag je ze zien.)

Misschien ga je ook nog iets doen met gember.

Je hoort een onweer, in de nabije verte. Je kijkt naar de hevige wind.

De dingen komen naar je toe.

21 juli 2019

Kantelen

Nachtaarzeling. Niet weten hoe je jezelf moet uitspreiden.

Jezelf in de dag plooien. Straks zal je hoekigheid misschien verdwenen zijn, zullen alle stukken weer in elkaar passen.

Je lichamen zoeken elkaar. (Je buik is daar nog ergens.)

De winkel uit komen en ineens het beeld zien dat je nodig had voor dat stukje. Hoe je ineens ziet hoe je die dingen met elkaar zou kunnen verbinden. Die dingen die nu nog even wachten in een struikgewas.

Met het beeld in je hoofd de stukken naast elkaar leggen. Zien wat ze met elkaar zullen doen.

De stilte van de dag. (Je benen zoeken nog iets.)

Dat boekje dat je al lang wilde lezen. Je had een vermoeden dat iets in elkaar zou klikken. Vanaf de eerste pagina’s kantelt het al, zoals je had gehoopt. Dingen die je al zo lang ergens zag in je hoofd, nog onbestemd, lichten nu ineens op.

(Wonderlijk hoe er mensen zijn die dingen kunnen begrijpen, er woorden en beelden voor kunnen zoeken, en zo bij andere mensen dingen kunnen doen bewegen, kantelen.)

(Na al die jaren nadenken weet je soms nog altijd niet hoe woorden werken.)

Hoe zalig het is, op je terras zitten lezen terwijl het regent een meter verder. (Een herinnering.)

Je legt het boekje neer. (Hoe heerlijk, je kon het helemaal na elkaar lezen. Je kon in het ritme van die woorden blijven.)

(Briefjes met woorden voor het stukje dat nog zal komen. Als een soort reservebank.)

(Ergens in je krioelen de beelden. Los van jou. In jou.)

De woorden als een plek die je voor je zag. Je was al verdwaald voor de woorden. Iets zei je dat je daar even moest blijven.

De vrouw in die film. Je glimlacht de hele tijd.

Je blijft haken in de uitloper van een droom.

Het verhaal in de krant. Die dappere vrouw over haar vreselijke stiefvader. Hij wilde haar in bezit nemen. Zij heeft gewonnen, uiteindelijk. (Hoe ze vertelt over de zoon van haar zus, die bij haar kwam wonen. Tranen. Hoe veiligheid uiteindelijk wel kan komen.)

Filmpjes. (Onrust.) Beelden.

Het is het moment om te schrijven. (Nu moet het. Er is geen keuze. Zo had je het afgesproken met jezelf.)(Je weet nog altijd niet goed hoe het werkt.) Het gekrioel is nu elders. (Het residu daarvan zal wel tevoorschijn komen.) Iets van springen. Of vallen. Voelt als een soort lager gelegen open lege vlakte waar je doorheen moet. De woorden schrijven zichzelf, trekken elkaar naar de beelden. Je ziet lagen. Aan de andere kant kom je weer naar boven. (Alsof je terug hier bent.) Daarna moet je enkel nog enkele toefjes aanbrengen.

(Iets valt van je af.)

Het verhaal in de andere krant. Over trauma’s die doorgegeven worden. Tranen.

(Dat poetsen is voor morgen. Het mag. God heeft haar toestemming gegeven.)(Voor één keer…)

Proberen je lichaam in een zondagplooi te leggen. (Het rammelt nog een beetje.)

En zomaar aan weer een vers boek mogen beginnen. (Nog even aarzelen bij de stapel.) Het duurt altijd even eer de woorden in het boek je toelaten. (Misschien willen zij jou eerst leren kennen.)

De vakantieversie van het kookprogramma. De tafel met de 27 kinderen en kleinkinderen. Tranen.

Er is iets aan het veranderen, denk je. (Terwijl de aardappeltjes bakken.)

20 juli 2019

Verdwaald

‘Het is alsof ik niet meer weet hoe dat moet.’
‘Ik denk het wel eigenlijk. Maar je moet alleen jezelf volgen.’
‘En hoe weet ik wie ikzelf ben?’
‘Ik denk dat je jezelf op een of andere manier aanraakt als het goed is. Of dat je voelt dat je op dat moment met jezelf samenvalt. Dat heb ik toch van jou geleerd.’
‘En toch schaam ik me, denk ik.’
‘Laat dat nou maar, als je dat kunt. Het is mooi, als ik je zie zoeken.’
‘En jij? Ben jij dan zo rustig in jezelf?’
‘Nee, natuurlijk niet. Maar toch een beetje.’
‘Ik wil graag lang kijken.’
‘Ik weet het. Vertrouw je me?’
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Er is alle tijd.’
‘Zou dat zo zijn?’
‘Waarom zouden we daar niet van uitgaan?’
‘Eigenlijk was dat mijn droom, dat we genoeg tijd zouden hebben.’
‘Zou je echt met een leeg blad willen kunnen beginnen?’
‘Misschien wil ik met een gevuld blad van nul willen beginnen, kan dat?’
‘Doen we dat niet allemaal?’
‘Ik denk het niet, ik denk dat het meestal zo niet werkt.’
‘Waarom niet?’
‘Het is alsof je altijd al ergens moet zijn, alsof alles er al moet zijn. En misschien kunnen alle andere mensen dat.’
‘Misschien durf jij wel meer dan die anderen.’
‘Maar moet jij dan niet altijd wachten op mij?’
‘Als ik iemand anders was, zou ik dat waarschijnlijk zo voelen.’
‘Ja dus?’
‘Nee dus. Wat de een wachten noemt, zou de ander zijn in breekbaarheid kunnen noemen.’
‘Dat is wel mooi gezegd.’
‘Dat wat jij wachten noemt, doet mij eigenlijk echt wel goed.’
‘Ja?’
‘Ja. Als ik jou zie kijken, ga ik zelf ook anders kijken. En dan zie ik meer.’
‘Misschien is het wel als luisteren naar dansen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Stel dat wij zouden dansen. We zouden zoeken naar de beweging, naar het ritme. Naarmate je dat meer doet, kom je in dat ritme, komt dat ritme in je. En dan kun je misschien wel luisteren naar de beweging.’
‘Dat is een beetje als een kleur aanraken.’
‘Ja, dat is het.’
‘Wat ik wel fijn zou vinden, is als je straks voor mij zou voorlezen.’
‘Uit welk boek?’
‘Dit hier. Ik was het aan het lezen vanmorgen in de trein, en het was alsof ik jouw stem erbij kon horen.’
‘Zou ik dat wel kunnen?’
‘Ja hoor, natuurlijk. Maar je moet geen schrik hebben om je tijd te nemen.’
‘Dat is wel belangrijk. Als ik voorlees, denk ik al snel dat de ander wel zal hopen dat het snel voorbij is.’
‘Waarom?’
‘Ik weet niet.’
‘Als je dat denkt, kan de ander dat horen. En dan doe je het omgekeerde van wat je eigenlijk wilde.’
‘Ik denk dat je mij iets duidelijk wilt maken.’
‘Denk je dat?’

19 juli 2019

Enigszins

Ja dus. Dat de vakantie begonnen is.

(Eigenlijk heel erg moe.)

Vertrokken met een lijstje dat echt helemaal op was. Lijstjesgeluk.

(Alleen nog dat ene stukje uit het rijtje van vier. Als dat klaar is, kun je echt, of zo.)

Broedstukjes, dat heb je gemerkt. Ze bouwen zich onbewust ergens op.

(Beetje bang, zoals elk jaar, van het kantelen.)

Bij dat ene stukje wist je alleen dat Bach erin voor zou komen.

(En van de pijn van de eerste dagen.)

De avond tevoren zag je het bijna, maar iets wou het niet.

(Gelukkig is het anders dan vorig jaar.)

Midden in de nacht kwam er nog een mogelijke zin.

(Het mag, dit jaar.)

’s Morgens, net uit de trein, blijft het heen en weer gaan.

(Nog niets verlangen, dat helpt ook wel.)

Het zou weer uit verschillende lagen moeten bestaan, denk je. Anders is het niet goed.

(Behalve dat ritme dat je na een tijd zult voelen.)

Pas tijdens het schrijven wijzen de woorden de weg.

(Misschien zul je iets zien in de barsten.)

Die beelden die je de vorige dag in het nieuws zag, ze hameren in je hoofd.

(En dat mag komen.)

En ineens het beeld van dat meisje, toen. Het hoort bij elkaar.

(Wat zullen de planten zeggen?)

Je begrijpt iets pas nadat je het geschreven hebt.

(En ook de nuttige dingen nog natuurlijk.)

En Bach, dus.

(Een beetje bang, zoals elk jaar.)

Die zwangere vrouw vanmorgen op het perron. Het licht veranderde.

(De stapel boeken is al hoog. En zal nog hoger worden. Ongetwijfeld.)

De tekst is verzonden.

(Zou het dit jaar lukken om er wel heel veel…?)

Je loopt door de gang. Het gebouw laat je bijna los.

(En de afspraakjes. Even wachten nog, tot je toonbaar bent.)

Je loopt naar de trein. Het is goed geweest.

(Na dat laatste stukje even niet te veel meningen meer, of zo.)

Vrijdag is boekenbijlagedag. De treinrit voelt als luxe. Boekenbijlageverlangen.


(Bob Dylan zingt Why Was I Born.)

Je loopt door de straat. Er zou nog een beeld mogen komen voor het laatste stukje.

(Nog eens Bach?)

De vrouw die heel rustig, midden in de winkelstraat op een bank, haar baby de borst geeft.

(O ja, die ene foto moet nog, voor dat interview.)

Het maakt je zo gelukkig.

(Zou het wel echt zijn, die vakantie?)

Je bent thuis. Die paar dingetjes nog.

(Mag het wel? Zomaar?)

En dan. Het is.

14 juli 2019

Vallen is als vliegen

Het is een indrukwekkend boek dat op een zachte manier hard binnenkomt, Vallen is als vliegen, van Manon Uphoff. Het is het gruwelijke verhaal over de impact van ernstig seksueel misbruik in wat een keurig huis in de straat lijkt. Het is ook het verhaal van de taal. Het misbruik tast de taal aan. Maar het boek als een talig kunstwerk is als een overwinning op die machtsovername waarin de auteur met haar eigen woorden de tijd bezweert.

Het boek is in belangrijke mate gebaseerd op het levensverhaal van Manon Uphoff. Bij het begin van het boek spreekt de auteur als verteller de lezer rechtstreeks aan. Na een vorige roman kwam ze in een relationele crisis terecht en kwam ze met zichzelf op een soort dood spoor. Toen haar halfzus stierf, was het alsof de werkelijkheid van een groot deel van de eigen geschiedenis zich ineens naar voor duwde. Wat ze zo lang op afstand had gehouden in haar eigen schrijven drong zich onafwendbaar op.

Het gezin in het boek is een samengesteld groot gezin. De vader heeft uit een eerste huwelijk vijf kinderen, maar die komen niet mee in beeld. De moeder heeft uit haar eerste huwelijk twee dochters. Samen krijgen ze nog zes kinderen, waaronder twee dochters. In het boek heet de vader Holbein, meestal afgekort tot HEHH. Vader en moeder komen uit een verschillend milieu. Vader werkt zich op tot een belangrijke functie. Moeder zit vast in haar huwelijk, had in een ander leven liever andere keuzes kunnen maken. Het zijn de vier dochters die te maken krijgen met het misbruik. De moeder, die wordt omschreven als een soort Sophia Loren-type, wordt officieel door haar man bewonderd, maar lijkt zelf mee een slachtoffer te zijn. Naar het einde van haar leven begint ze afstand te nemen van hem. In de periode daarvoor heeft ze haar kinderen niet kunnen beschermen.

Door de lezer rechtstreeks aan te spreken, kiest de verteller voor een literair kader en voor literaire taal, en dat is ook heel bewust. Het is te zien als een soort herdefiniëring van zichzelf, als auteur. En tegelijk is het een vorm van overwinning op vroeger door in het nu een verhaal te maken in de eigen woorden, op haar voorwaarden dus. De dood van de halfzus brengt alles in beweging. De vertelster merkt bij zichzelf dat ze haar halfzus eigenlijk al een hele tijd uit beeld had geduwd. En dat is tekenend voor een ruimer mechanisme. Ze moet nu eerst de werkelijkheid van toen terug binnenhalen. Dat is menselijk immens moeilijk en het is ook moeilijk in het bepalen van de vorm van het verhaal. De ik-persoon, ook wel omschreven als “ondergetekende” heeft al die vreselijke dingen wel meegemaakt, maar heeft ze uit bescherming ook geparkeerd. Ze heeft als tiener op een bepaalde manier ervoor gekozen om ijzig te worden. Later komen er nog eetproblemen. Waarom dat allemaal zo is, weet je als kind op het moment zelf niet. Tussen de zussen werd er nadien nauwelijks over gesproken. Door terug te kijken, moet je ook de complexiteit onder ogen zien van het gezinssysteem en van je eigen bewegen in die context. Dingen die je wel of niet gezien hebt, dingen die je wel of niet deed, dingen die je onbewust tolereerde, je eigen plaats in het netwerk (was je min of meer de lieveling). De complexiteit van zo’n situatie is niet zomaar te vatten met 'eenduidige' woorden als incest (een woord dat maar één keer wordt gebruikt in het boek). Door het kijken zie je nadien hoe perfide het systeem was en hoe het uiteindelijk zoveel levens beschadigd heeft.

De vertelster vertelt het verhaal in omcirkelende bewegingen. In een mooie taal, poëtisch en met allerlei mythologische verwijzingen word je als lezer stap voor stap in het gezin getrokken. Die taal lijkt veilig. Je hoeft nog niet meteen te voelen waar je in terecht zult komen. ’s Nachts krijgt de vader in het boek de naam Minotaurus, die mythologische half-mens half stier die mensen meeneemt in zijn labyrint. De taal laat je niet meteen voelen dat je in een labyrint zit, maar na een tijd neemt de beklemming toe. Het gezin zit al langer in dat kluwen waaruit niet of nauwelijks te ontsnappen valt. De vader, die zichzelf oppermachtig waant, heeft een subtiel machtsweb uitgebouwd waarin ook de lichamen van zijn kinderen bezet gebied en dus eigendom zijn. De vakkundig geconstrueerde en gestileerde taal houdt afstand en voelt ook als een vorm van controle. De auteur heeft lang moeten wachten eer ze aan dit boek kon beginnen, voel je. Je voelt dat ze helemaal klaar wou zijn om het labyrint op haar voorwaarden te betreden, zodat ze niet opnieuw opgezogen kon worden en zodat ze tegelijk in alle openheid kon zien wat er werkelijk gebeurd is.

Het register van het verhaal lijkt soms laconiek, tot telkens ineens, in schijnbaar kleine woorden, de brutale werkelijkheid wordt getoond. Daarin zit tegelijk de afstand tussen toen en nu en ook iets van de normalisering van wat in wezen niet normaal was, zoals die beleefd werd door de gezinsleden. Als de Minotaurus jouw taal en jouw referentiekader overneemt, besef je niet zomaar dat de dingen niet kloppen. De permanente onveiligheid in het gezin wordt subtiel getoond, onder meer ook in het functioneren van taal. Verschillende registers, van verheven en intellectueel tot vulgair en vernietigend lopen door elkaar en kunnen heel snel in elkaar omslaan. Je moet permanent op je hoede zijn. De ik-figuur is van de kinderen de meest talige. Schrijven is een vorm van ontsnappen naar andere werelden, maar taal kan ook de taal van de vader zijn.

Het vertellen van zo’n verhaal is op een bepaalde manier ook het hervertellen van wie je zelf bent. Je merkt een soort innerlijke dialoog tussen toelaten wat er was, proberen te zien of er toch ook positieve herinneringen waren die overeind zouden kunnen blijven en het opnieuw tot een verhaal maken van al die dingen. Het particuliere verhaal krijgt zo ook een universeel karakter. Dat verhaal is sterker dan het universum dat die akelige man dacht gecreëerd te hebben. In het laatste hoofdstuk rekenen de zussen op rituele wijze als heksen af met hun verleden. Daar krijgt de tot dan toe ingehouden woede alle ruimte, na de dood van de Minotaurus. De toon in dat hoofdstuk is anders en keert terug naar de plek van het eerste hoofdstuk. Je leest ook tussen de regels hoezeer de gebeurtenissen van toen de levens van de gezinsleden hebben getekend. Ze lijken voor het eerst verenigd in het verhaal van hun pijnlijke jeugd en laten daarin ook voelen hoe ze toch behoorlijk overeind gebleven zijn in het leven.

Met Vallen is als vliegen heeft Manon Uphoff een heel bijzonder boek gemaakt. Het is een verhaal dat moest verteld worden. Dat verhaal heeft gewacht op dit boek. 

13 juli 2019

De verwarrende zon

Op bezoek met de collega’s in Charleroi. Het is een bijzondere ervaring. De gids vertelt over de geschiedenis van die plek. Je ziet de sporen in de stad, in het landschap. De tijd schuurt. Dingen verdwijnen, trekken zich terug. Nieuwe dingen schuiven in beeld. Je voelt het worstelen. Het landschap heeft veel verhalen.

Je denkt aan dat liedje van Wannes Van de Velde. Anders dan daar schijnt de zon, met af en toe een wolk (hoewel er regen was voorspeld). Het licht doet iets met de stad. De stad lijkt een beetje in de war, verbaasd dat er mensen komen kijken naar de haarscheurtjes in de tijd. Je probeert dezelfde straten te zien met de regen. Het lijkt even alsof ze zich dan meer op hun gemak zouden voelen, al begrijp je zelf die gedachte niet zo goed.

Na de middag gaan jullie naar Marcinelle, naar de voormalige mijn.

De straat met aan het einde de site met de gebouwen. Je schrikt een beetje. Het lijkt zo rustig, zo vredig. De zon straalt. De gerestaureerde gebouwen zien er mooi uit. Het geheel lijkt kleiner dan je je onbewust had voorgesteld. Het verwart je. Alsof de zon de afwezigheid groter maakt. Hier zijn zoveel mensen gestorven, weet je. Je zou hen dichterbij willen voelen.

De man die jullie rondleidt is de kleinzoon van een Italiaanse mijnwerker. Hij lijkt al helemaal van nu. Het is goed dat hij de verhalen geeft. Het grote hek. Het is het originele, zegt hij, gerestaureerd. Aan de andere kant van dat hek stonden radeloze mensen dagenlang te wachten op nieuws. Die andere kant is leeg nu, en in kleur.

Het is goed dat je kunt zien waar de mijnwerkers binnenkwamen, hoe ze liepen, waar wat gebeurde. Je ziet de bewegingen in de plek, al blijft het zo stil.

Met elk verhaal komen ze dichterbij, en dat is goed.

Iets in jou hoopt dat er wolken zouden komen, dat het grijzer zou worden. Regen zou ook mogen. Misschien is er te veel kleur. Misschien kunnen zwartwitbeelden in je hoofd je beschermen tegen de kleuren. (Zoals het ook moeilijk is de oorlog in kleur te denken, alsof de ruimte daardoor zou veranderen.)

De man legt uit hoe het ongeluk gebeurde, toen in 1956. Het lijkt zo gruwelijk banaal. Op de site lijkt alles zo dichtbij. Het was heel erg diep in de grond, heel erg onbereikbaar, en heel erg dichtbij.

In die ene kamer hangen de foto’s van 262 mannen die het leven lieten, net onder waar je nu staat. Velen kwamen van dichtbij de plek waar jij nu woont. Ze kijken je bedeesd aan. Je kunt zien hoe ze hier liepen, hoe ze zich klaar maakten om naar beneden te gaan. Maar ze zwijgen.

De stalen torens. Het exploiteren van de bodem en van de mensen die erin schoven tegen een hoge snelheid, op elkaar gepakt, hurkend, het botst een beetje met de onschuldige sierlijkheid van de metalen constructie. De constructie straalt vertrouwen uit in de beheersbaarheid van de dingen. Misschien kan dat alleen door dingen te scheiden, door dingen uit beeld te houden. Afwezigheid.

In de volgende zaal is er een film over de gebeurtenissen van die vreselijke augustusdag. Het is alsof de plek zichzelf terugvindt. Je ziet hoe de soldaten de lichamen op die trap dragen die je daarnet zag. Op de beelden is alles nu ook zo dichtbij, met al die mensen. Ze liepen daar, op die kasseiweg die naar dat hek vooraan leidt. Alle wanhoop was dichtbij.

De mannen in de film vertellen over die dag. Over het vreselijke besef niets te kunnen doen. Ze vertellen dat alle toen bestaande veiligheidsregels gevolgd werden. De regels waren niet goed. De mannen beneden hadden geen kans. Al die tijd vooraf was het gevaar al daar, uit beeld. De gebouwen waren toeschouwers, de hele tijd. Zouden ze de verhalen in hun stenen bewaren? Of zouden ze geleerd hebben weg te kijken?

Aan de muur hangen de metalen penningen van de mijnwerkers die die dag niet meer naar huis kwamen. Je ziet dat die koperen penningen in kleur zijn, echt.

Buiten schijnt de zon nog steeds. De verwarrende zon.

Het lijkt zo dichtbij, 1956. (Iemand zegt je later die avond dat, als je dat zo zegt, je dus zelf al oud bent.) Het lijkt zo dichtbij.

Je hebt ze gezien, denk je, maar ze zijn niet meer hier. Ze zijn zo afwezig, ook al kun je ze zien in die foto’s die bij je blijven. Ze zijn zo afwezig.

De bus brengt jullie terug naar de stad. De trein laat het landschap achter zich.

Onderweg komen de wolken. Als je uit de trein stapt komt de regen.

11 juli 2019

Een traag verdriet

(Dat je er toch iets over moet zeggen, denk je, terwijl je in de trein zit. Dat je toch daar moet gaan staan, in je woorden.)

Misschien was het toch wel een beetje spannend. Drie interviews over zonder kinderen. Misschien dacht je vooraf dat het wel allemaal vanzelf zou gaan. Misschien was het moeilijker dan je dacht. Misschien was dat wel goed.

Het is een klein verhaal, denk je. (Al weet je dat je dat niet mag denken.) Voor jou is het een groot verdriet, eigenlijk. Maar het lijkt klein tegenover al die anderen. (Ergens zegt een stemmetje dat je op dat verdriet wel geen recht zult hebben.)

Sommige vragen verwachtte je niet. Je wankelt even. (Misschien doe je iets verkeerd? Zonder het te weten.)

Je ziet je stem. Je ziet hoe die verandert. Je ziet wat de vragen met je doen. Je ziet dat het verdriet er is, en ook dat het stroomt. Je ziet de woorden die je zegt. Je ziet hoe je de woorden daar neer wilt leggen, op die tafel tussen jou en zij die de vragen stelt, opdat de woorden duidelijk zouden zijn, opdat wie het leest alleen de woorden zal zien (of zoiets).

(Wat je probeerde uit te leggen, met schroom en handen en voeten tegelijk. Je maakt het weer mee. Soms weet je niet goed of het wel mag, dat wat je voelt. Hoe moeilijk het kan zijn, als het gesprek dan toch eens op geen kinderen komt, dat een ander dat als een laken direct naar zich toe trekt, om meteen over haar eigen kinderen te beginnen. En om je zo – onbewust of onbedoeld of met alle beste bedoelingen – duidelijk te maken dat je niet weet hoe moeilijk het soms is om wel kinderen te hebben, dat je waarschijnlijk niet beseft hoe gemakkelijk jouw leven is, dat je niet zoveel aandacht moet vragen door zo nodig te verwachten dat anderen luisteren naar hoe het is om geen kinderen te hebben, en nog zoveel meer. Eerlijk gezegd, je weet echt ook wel dat het vaak echt niet gemakkelijk is om kinderen te hebben. Je ziet het ook, en de anderen leggen het je ook de hele tijd uit. En dat is niet erg. En je hebt alleen maar eindeloos veel bewondering voor hoe zij het allemaal doen, het is niet moeilijk om je hoofd daarvoor te buigen. Je bent vertederd en ontroerd door wat je ziet. Dat is er allemaal al. Maar gewoon af en toe even stilte voor die lege plek. Dat verdriet in die lege plek gewoon even laten wat het is, meer niet. Het is blijkbaar moeilijk. En hoewel je weet dat niets met slechte bedoelingen is, je kunt je zo afgewezen en ontkend voelen. Je schrikt er zelf van, telkens weer. Urenlang verdooft het je lichaam.)

Het doet je goed, te voelen hoe in je antwoorden het woord dankbaarheid naar je toe komt. Het is er ook zonder het woord. Hoezeer het als een geschenk voelt dat je al die jaren mocht kijken naar hoe die kinderen van al wie je dierbaar is in de wereld groeiden. Hoe je een stukje van de verhalen mocht delen. Dat het mocht, dat je iemand mocht zijn, voor hen, een beetje toch. (Soms is dankbaarheid een manier van kijken, zien wat zich naast alle andere dingen ook aan je aanbiedt.)

(Je aarzelt over die ene plek in het gesprek. Welke woorden kun je wel dichtbij laten komen waardoor je minder om iets heen moet fietsen. Je zegt iets over littekens, en hoe je daarmee door het leven beweegt, naast al het andere. Dat het leven mee daardoor gaat zoals het gaat. Met een aantal omwegen. Dat er dingen zijn die je lichaam niet weet. Dat je daardoor waarschijnlijk vaak dingen deed die verdwaald waren, niet waren wat een ander nodig had, die je hoekig maakten waar je rond en soepel had willen zijn. Al die dingen, je ziet ze in je lichaam. Ze zijn geen excuus. Ze zijn niet iets waar je je achter kunt verschuilen om jezelf niet te zien. Ze zijn. Gewoon. Ze zijn verdriet en ze zijn mooi. Soms zie je hoe de tijd van het ene spoor zo niet aansloot op de tijd van het andere spoor, de omweg was jouw weg. Als je die dingen in kleine woorden dichtbij kunt laten komen, vallen de andere stukken van het verhaal rustiger in elkaar, denk je. Het is er wel tijd voor.)

Of het verdriet overgaat met het ouder worden. (Vraag met lichte kortsluiting als gevolg.) Nee. Het wordt rustiger, en zichtbaarder tegelijk. (Het hoeft niet in een achterafkamertje, waar het misschien veel lawaai zou maken. Het mag hier, gewoon, in de kamer, waar het rustig kan zijn, waar je het kunt zien.)

Het is moeilijk uit te leggen, dat gevoel dat het gewoon een verdriet is, niet meer en niet minder. dat je geen kinderen hebt is gewoon een verdriet. (Je denkt, je hoopt, dat het zo ook niet later ineens heel groot zal worden. Laat het maar gewoon bewegen, daardoor wordt het gewoon.)

(Dat je het soms fijn zou vinden, dat anderen dat verdriet gewoon zo ook kunnen laten zijn. Dat ze geen advies geven, dat ze je niet willen fiksen, dat ze het niet weglachen, dat ze het niet overroepen. Dat ze je gewoon zien, daarin. Meer niet. En dat zij dan ook kunnen vertellen hoe ze het zich misschien helemaal anders hadden voorgesteld, kinderen hebben. Hoe dat ook een verdriet kan zijn. Om maar iets te zeggen. En dat die twee verhalen dan gewoon naast elkaar kunnen liggen, rustig. Als gewone mensen.)

Hoe ontroerd je was, door dat mooie gesprek. De moeder met haar baby. Nog niet eens twee weken oud. Rustig slapend op haar veilige lichaam. Hoe je mocht kijken en smelten. Hoe je mocht vragen hoe de bevalling was geweest. En alles. En hoe ze zo rustig reageerde op wat je vertelde, over het interview. En dat jouw kleine verhaal van het verdriet er gewoon mocht zijn, naast haar grote geluk. Twee verhalen gewoon naast elkaar. En je smolt, en je zag wat troost was.

(En je probeert uit te leggen wat je zelf nog niet helemaal begrijpt. Hoe het rustig laten bewegen van het verdriet ervoor zorgt dat je zachter wordt vanbinnen. Vrede. En dat je die zachtheid nodig hebt om beter te kunnen zien. Dat je zonder die zachtheid niet zou zien hoeveel geschenken er zomaar naar je toe komen, als je ze wilt zien. Zoals vriendinnen die met de juiste woorden voorzichtig uitleggen waarom ze denken dat je een goede vader zou zijn geweest, terwijl ze ook zien waar je twijfelt. Of het hebben over Julia, alsof ze er gewoon is en mag zijn. Met net genoeg woorden. Je weet nog niet hoe het zit, maar soms denk je dat het zien van geschenken de weg van de troost kan zijn, waar het verdriet je rustig vergezelt als een dierbare vriend. Of zoiets.)

(Langzaam kom je ergens dichterbij, denk je. Meer dan dat weet je niet.)

En hoezeer je ook mocht en mag kijken, hoeveel verhalen je ook mag horen, hoezeer men je ook toelaat, soms blijft het ook gewoon een wereld waar je buiten staat. Zo eenvoudig is het ook. (Misschien zijn er wel veel mensen in die wereld die het gevoel hebben dat ze erbuiten staan.) Het is goed dat gewoon te zeggen, merk je. Het maakt je klein.

(Sommige woorden blijven moeilijk, merk je. Alsof je er geen recht op hebt.)

Soms begrijp je je antwoorden pas veel later.

Eigenlijk was het wel een beetje moeilijk, denk je. (Eigenlijk weet je niet helemaal zeker of je verhaal wel de moeite waard is.) Eigenlijk weet je niet of iemand er iets aan zal hebben. Je ziet wel dat zij die de vragen stelden dankbaar zijn, en dat ontroert je. Je ziet hoe het beantwoorden van al die moeilijke vragen iets voor jezelf uitgeklaard heeft. (En het stelt je gerust dat je zo emotioneel was bij sommige vragen.) Dat je mocht vertellen is ook een geschenk.

(En daarna mag het weer even gaan liggen, dacht je ook al op voorhand.)