23 juni 2019

Verlangen naar de zee

Zoals de rivier droomt van een oorsprong, een bestemming. En zich troost met de gedachte aan het aan zichzelf ontsnappen in de stroom.

Zoals je je handen op je lichaam kunt leggen waardoor de rust terugkeert, ergens in een nacht.

Zoals je het verdriet van de zee kunt voelen, en je zou willen helen wat gekwetst is.

Zoals je lichaam verandert na het drinken van het water dat op je wacht.

Zoals je kunt zien, uitgespaard in de lege ruimte naast je, wie bij je zou kunnen zijn.

Zoals je de onrust uit je huid voelt verdwijnen, waarna de dingen zich neerleggen.

Zoals je verdwaald kunt zijn, op de dool. Onrustig bewegend door het huis. Vreemd.

Zoals de boeken die op je wachten. Zoals de boeken die zelfs niet weten dat ze op je wachten.

Zoals de herinnering aan die avond in de tuin. De liefde nog pril en onwennig. Het koele gras onder je voeten. Het besef van het verlies dat zou komen.

Zoals hoe je adem stokt, alleen al bij het woord helen. Hoe je niet weet hoe je naar dat woord moet kijken.

Zoals wanneer je zou kunnen vervloeien, dat ene moment.

Zoals wanneer een hand je naar het water leidt.

Zoals hoe je daar ligt, nog niet wetend hoe je met jezelf kunt samenvallen. Zien waar het zou kunnen kantelen, en niet weten of dat mag.

Zoals in een traag gesprek.

Zoals je ontheemde buik.

Zoals de regen, die ook even bij je zou willen blijven, de regen die weet.

Zoals het geheim van de planten in je huis.

Zoals de volle maan die de nacht verlicht, dichter dan ooit.

Zoals de woorden die je ooit zult aanraken.

Zoals de gloed die het van je overneemt. Je staat op, en je zegt dat je zult blijven.

Zoals het strand, met huidverdriet.

Zoals de sporen in het zand. Zinnen met waarheden die maar even mogen gezien worden. Misschien weten ze niet dat het strand niets vergeet.

Zoals de brief die je probeert te schrijven, telkens opnieuw.

Zoals het verhaal dat je wilt vertellen aan je kind.

Zoals het ritme van de dans.

Zoals hoe je wacht op tintels in je huid.

Zoals de boom die sterft.

Zoals je voorzichtig ruikt aan dat stukje arm, net naast de pols, na de zon.

Zoals wat je handen zouden kunnen zien.

Zoals een horizon.

Zoals hoe je buigt, bij het einde van de dag.

Zoals het nulpunt tussen twee seizoenen, gewichtloos en ondeelbaar.

Zoals de afwezigheid.

Zoals de zee zelf, misschien wel.

22 juni 2019

Over het schrijven van een stukje

(En die Goldbergvariaties door Trio Zimmerman zijn zo mooi…)

Je hebt tegen het einde van de week een column te schrijven, denk je, op een onbewaakt moment. Er zal wel iets naar je toe komen, denk je. Je verdwijnt weer in de dingen van de dag.

Op weg naar die eetafspraak bezoekt de gedachte je.

(Misschien is er ergens in je lichaam een wachtruimte. Misschien is die ruimte een lichaam.)

Een dag. Je zoekt een plekje in de trein. Soms wil je het raam aan deze kant, soms aan de andere. Je wilt een beetje verdwijnen. Je neemt de map met het woord vliegtuigen erop. Je bereidt je nog wat voor voor het panelgesprek straks. Welke woorden die je nu leest zullen straks weer terug komen?

Je zit op het podium op de rode sofa. Af en toe kijk je in het publiek. (Je denkt dat de mensen niet naar jou kijken, enkel naar je woorden.) (Misschien zijn je woorden een lichaam?)

Terwijl je antwoordt, zie je het woordlandschap in je hoofd. Je kunt die kant uit, of die kant. Je zou je verhaal zo kunnen vertellen, of zo. Je volgt de woorden, de waarden. Vrijheid. Rechtvaardigheid. In dat verhaal wil je zijn, voel je. (Het beweegt je.) Zo zal het zijn.

(Je ziet die woorden, dat verhaal, als deuren. Alsof je langs die kant naar binnen wilt gaan, alsof het licht dan anders in je lichaam komt. Hoop je.)

Je kijkt naar de woorden, vraagt je af of ze mee zullen gaan naar je stukje, later die week.

Na het gesprek komt een vrouw je bedanken voor je woorden. Ze zegt iets als dat ze blij is dat je voluit ging. (Het verhaal heeft jou gekozen, en het was goed om het te volgen, denk je.) Ze maakt je gelukkig.

Je loopt terug naar de trein. Het zal nog tot in de nacht duren eer de bewegingen van de woorden je verlaten.

Je zoekt een plekje, ergens vooraan, waar er alleen maar de wind zal zijn die binnenstroomt door de open raampjes. Je neemt het boek. (Het is niet eenvoudig om van het gesprek van daarnet in dit boek te kantelen. De woorden zijn iets te groot en te weerbarstig voor een zacht onthaal.)

Zin. Dat woord kan misschien meegaan, naar het stukje. Je weet nog niet hoe, maar misschien.

(Ergens midden in de nacht schiet je wakker. Je lichaam lijkt alle kanten uit te razen, woorden schieten heen en weer. Je gaat naast het bed staan en voert die trage oefening uit, telkens opnieuw. Misschien is het als de zon die op- en neergaat. Misschien is het de zee, de adem die zich weer met de zee verenigt, lichamen die terug samenvallen. Je gaat zitten op de rand van het bed, om alleen maar te ademen. Je lichaam legt zich neer in zichzelf, tranen lopen over je wangen, ze zijn mooi, en welkom.)

Een andere dag. Het stukje zou dichterbij mogen komen. Het zal wel komen.

(Je weet niet meer hoe je stem klonk, die vorige avond.)

Die avond neemt iets je in beslag. (Andere woorden rollen door je hoofd, je kunt nauwelijks volgen terwijl je ze uitschrijft.)

Een andere dag. Je neemt je voor, terwijl je op weg bent naar het station, om je stukje tegen te komen, ergens onderweg. Het komt nog niet helemaal. Iets met zin, denk je, zegt iets tegen je.

(Soms weet je niet vooraf wat je zou willen schrijven, wel hoe je zou willen dat het voelt terwijl je het schrijft.)

Die namiddag zie je iets. (Die vliegtuigen, dat mag alleen zijdelings, denk je. Daar meer over zeggen zou een andere toon zijn, en dat is voor een ander stukje, in een ander medium, of zoiets.) Je ziet iets over het einde van de maand en het einde van de wereld. (De woorden bewegen ineens snel in je hoofd.) Je ziet iets over gedrag en systeem. (Dat kan erbij horen. Je ziet twee zinnen. Je schrijft enkele woorden op. Als ze de volgende dag nog goed zijn, zullen ze erbij horen.)

De volgende ochtend. (Dit is de dag dat het stukje zich moet schrijven.) Je neemt je opnieuw voor, terwijl je op weg bent naar het station, om je stukje te zien. (Die twee zinnen wringen een beetje tegen. Wat het wil zeggen, weet je niet, maar het voelt alsof je met je stukje ergens anders naartoe zou willen gaan. En hoe moet die zin erin?)

Je ziet wat bleef hangen na dat panelgesprek. Over de niet-woorden. (Dat is de deur, denk je, daar moet je vertrekken in de woorden.) In het boek kwamen de woorden zin en zorg elkaar tegen. Misschien moet je daar iets mee.

Een artikel komt naar je toe waaien, via een vriend. Het woord zorg. (Kan dit toeval zijn? Heeft de kosmos een plan? Of is het enkel het woordlandschap? Het verhaal zit daar geduldig op je te wachten, misschien wel.)

Het moment is daar. Je volgt de woorden. Het stukje schrijft zichzelf, je moet alleen kijken waar het naartoe gaat en hoe het beweegt. (Met die twee zinnen erin zou het andere adem hebben gehad. Misschien zouden sommigen dat leuker gevonden hebben. Maar nu is deze tragere, wat worstelende adem beter voor jou, denk je. Dus zo zal het zijn.)

Het staat er. Je kijkt een beetje verbaasd. (Een tekst, ook een klein stukje, is een lichaam, denk je.)

Je leest het nog een keer na. Je geeft het uit handen. Het is weg. (Het is weer niet bijzonder, zegt iets je. Misschien zullen sommigen wel zien waar je naar op zoek bent, zullen ze zien welke woorden achter de woorden schuilen. Misschien kun je niet aan jezelf ontsnappen, en misschien is dat wel goed.)

Later voel je het verwarrende verdriet van deze dag. De dag van het kantelen van de seizoenen. (Je denkt altijd dat je te weinig doet op die dag, te weinig dans, of zoiets.)

(En die Goldbergvariaties door Trio Zimmerman zijn zo mooi…)

16 juni 2019

Over het bouwen van een tipi

(Of een piramide van vier verdiepingen.)

Of je naar haar groeifeest wilde komen. Ja natuurlijk!

(Moet je dan zelf ook groeien? En mag dat ook innerlijk zijn? Zoveel existentiële vragen die nog overblijven voor de tijd die je nog te gaan heb op deze wereld.)

Er is nood aan een zekere mate van voorspelbaarheid. Cadeaus zijn van het boekachtige soort. (In de geheimtaal ook wel eens omschreven als basketballen.) Je kunt niet goed kiezen in de winkel. Dat ene boek ziet er wel erg mooi uit. Dat andere boek is misschien iets voor de verschillende aanwezige vrouwen. Op de kaft staat ook dat het ‘girls only’ is. Het boek geeft alle antwoorden op alle belangwekkende existentiële vragen die je jezelf kunt stellen. Je neemt ze maar allebei. Over dat eerste boek zegt de mevrouw in de winkel dat ze het zelf ook gelezen heeft, en dat ze het heel mooi vond. Glimlach.

Het is wel een eindje fietsen. Af en toe voel je wat wind, maar je vermoedt al dat je straks echt wind zult hebben als je terug naar huis zult rijden.

Bij aankomst loopt het groeifeestmeisje je tegemoet. (Eigenlijk ben jij een beetje verlegen en zenuwachtig, maar je hoopt dat ze het niet merkt.) Je geeft het cadeau en het kaartje en vraagt of ze nu speciaal voor dit feest nog meer is gegroeid. Zij zegt dat jij ook bent gegroeid. (Dat zegt ze altijd, zou het dan toch zo zijn?) Ze vertelt je dat ze best wel zenuwachtig is, eigenlijk.

De cadeautjes worden verzameld in de kamer, tot het cadeautjesuitpakmoment dat later nog zal komen. De mensen worden verzameld buiten rond de tafel. Binnen zijn ook de desserts verzameld. Buiten is er een gesprek over leeftijden. Jij bent om een of andere kosmische reden bij de oudere mensen. (Wat statistisch gezien zou kunnen kloppen, maar dat zegt niets natuurlijk. Tenzij je saai zou zijn…)

Het groeifeestmeisje gaat op een verhoogje staan en spreekt de aanwezigen toe. Eerst komt er een voorstelrondje (wie ben jij hier?) en daarna beginnen de opdrachten. Allen tegen één, dat is zo ongeveer het concept. Jij hoort bij allen. Aan de deur hangt een lijstje met opdrachten voor allen en een ander lijstje met opdrachten voor één. Je wilt je graag aanbieden voor het uitvoeren van de opdracht ‘maak 50 vlechtjes’ maar je wuivende haardos is qua wuiven en qua dos een beetje suboptimaal voor wat het aanbrengen van vlechtjes betreft…

Je vraagt je af of je over speciale competenties beschikt die wel zouden kunnen helpen bij het succesvol afronden van het lijstje. (Je bent nog steeds een beetje in de war nadat ongeveer een week geleden iemand heel verbaasd reageerde toen je met een keerborstel bezig was in de zaal waar net een brunch was geweest. Heb jij dan het imago van een of andere saaie intellectueel of zo die alleen een beetje met zijn hoofd kan werken? Saai, tot daar aan toe, dat kan nog kloppen…)

De eerste opdrachten verdwijnen al snel van het lijstje. (Er staan speciale vakjes na elke opdracht zodat je ze kunt afvinken. Check!) Tussen twee opdrachtjes in scoren de dessertjes wel goed eigenlijk.

De grote opdracht die een beetje naar achter wordt geschoven is het maken van een piramide (van mensen) van vier lagen. Allerlei potentiële varianten van stapelen worden bedacht.

Misschien ben je dan wel saai, je kunt je natuurlijk nog altijd nuttig maken. Met het bouwen van een tipi. Bouw een tipi waar dan drie mensen in kunnen. Dat is de opdracht. Je zoekt een mooi plekje uit in de tuin en gaat met enkele lange rechte takken aan de slag. Je bindt ze bovenaan samen met stukjes gras. De oma van het groeifeestmeisje komt ook meehelpen, met klimop. Een mooie doek eromheen en de tipi is zowaar klaar. Drie mensen, van het zo klein mogelijke type, worden gezocht en in de tipi geplaatst. Je vraagt wel, voor alle zekerheid, dat ze niet te hard tegen de tipimuur leunen. Check!

Ondertussen blijkt het cadeautjesuitpakmoment te zijn aangebroken. Ook daar is conceptueel over doorgedacht. Het groeifeestmeisje zal iemand aanduiden die dan haar of zijn cadeautje mag afgeven. En dat in volgorde van grootte, te beginnen bij klein. Jij mag laatst.

De zenuwen lijken ondertussen al wat minder.

Terug buiten is het moment van de piramide daar. De mannen – jij hoort blijkbaar bij de mannen – mogen de onderste rij doen. Daarna worden er nog enkele lagen mensen, hopelijk van het kleine type, op gestapeld. Het meisje boven jou heeft lange blonde haren die over jouw ogen hangen. Toch een heel nieuwe ervaring voor jou.

Voor je vertrekt vraag je aan het groeifeestmeisje of ze nog zenuwachtig is. Nee, gelukkig niet meer. Je vraagt of ze gelukkig is met haar feestje. Ja.

(Ze wordt zo groot, denk je. Je bent zo ongelooflijk trots op haar, denk je. Je hoopt dat ze op een mooie manier de wereld in kan groeien. Je hoopt dat ze altijd zo groot en zo klein zal kunnen zijn als ze zelf zou willen.)

En ja, de hele rit terug heb je tegenwind.

15 juni 2019

Wat je achterlaat

‘Waarom heb je me gebeld gisteren?’
‘Ik weet het niet zo goed. Ik werd ineens bang. Misschien kwam het door die film, dat zou kunnen.’
‘Bang? Waarvoor?’
‘In mijn hoofd zit zo’n beeld waarin ik je, later, vertel wat je in mijn leven geweest bent. Hoe je mijn leven veranderd hebt. Zo net voor ik ga sterven. Ik heb dat al wel eerder verteld, maar het moet zeker dan nog eens goed gebeuren. En toen werd ik ineens bang, dat ik onverwacht zou sterven.’
‘En dat ik het dan niet zou weten?’
‘Ja, zoiets.’
‘Hoe vaak hebben we dit gesprek nu al gehad?’
‘Ik weet het niet. Misschien wel niet genoeg.’
‘Jij bent echt wel grappig eigenlijk. Het ontroert me wel heel erg, hoe je om de zoveel tijd een beetje bang wordt. Alsof je denkt dat ik alles zou vergeten.’
‘Dat zou toch kunnen? Zeker als het over mij gaat.’
‘Nee, dat kan niet, zeker als het over jou gaat. Ik moet alleen maar kijken naar jou, naar hoe je nog altijd naar me kijkt. Je hoeft niets te zeggen.’
“Zie je dat dan?’
‘Onnozelaar. Wat dacht je?’
‘Het is gewoon een moeilijke gedachte. Jij bent wel altijd ergens in mij, soms een beetje vooraan, soms een beetje achteraan. Maar het is een moeilijke gedachte dat ik ook in jou zou zijn.’
‘Dat weet ik, maar het is wel zo natuurlijk. Misschien heb ik je dat te weinig gezegd. Het is niet omdat het leven is gegaan zoals het ging dat daar iets aan zou veranderen.’
‘Je maakt me heel gelukkig hiermee.’
‘Maar je wist het toch?’
‘Misschien wel. Maar het is raar hoe zo’n dingen me steeds weer ontglippen, alsof ze niet mogen blijven. Misschien ben ik wel een tochtgat of zo.’
‘Jij? Het zal wel het tegenovergestelde zijn.’
‘Maar als ik bijna dood ben gaan we dat toch nog eens groots doen, dat vind ik wel.’
‘Ja, dat is afgesproken. En dan zal ik je hand vasthouden.’
‘Het is toch eigenlijk een beetje triest, dat dat telkens terugkomt bij mij. Ik word er soms een beetje opstandig van.’
‘Misschien mag je er ook wel een beetje blij mee zijn. Andere mensen zeggen nooit iets, verzwijgen de dingen, of willen ze niet eens zien.’
‘Vorige nacht werd ik wakker, ergens midden in de nacht. Ik weet niet hoe laat het was. ’s Nachts kijk ik bewust niet de op de wekker. Dan kan het elk uur zijn, dan is het alsof je een beetje gewichtloos bent in de tijd. De nacht kan dan heel geborgen aanvoelen. Ik hoorde de regen, en het voelde wel goed. En ik dacht aan jou. Op een of andere manier paste je in dat moment.’
‘Wou je dan dat ik bij je was?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet. Het beeld dat ik van je zag, was heel rustig. Ik kon je zien, en jij kon mij zien. Ik kon je aanraken, als ik dat wou. Het was alsof ik me niet in mezelf moest terugtrekken, alsof ik gewoon kon blijven.’
‘En deed ik iets?’
‘Nee. Je was daar gewoon, en je keek naar mij. Het was alsof je gewoon bij me wilde zijn. Niet alsof je iets van me wilde, alsof je me voor iets zou gebruiken. We waren daar gewoon allebei, en alles was goed. Ik wou dat er niets gebeurde. Hoe je naar me keek, dat stelde me gerust.’
‘Dat is een mooi beeld. Ik weet niet of ik het helemaal begrijp, maar dat geeft niet denk ik. Soms is het alsof jij bang bent voor iets waar ik nooit bang voor ben geweest. Ik voelde me meestal wel rustig in jouw buurt. Er was een stuk van jou waar ik niet kon komen, dat wist ik. Maar tegelijk was het alsof jij me zag, altijd, en dat was veel. Ik wist dat dat niet verloren zou gaan, of zo. Die gedachte hielp wel tegen het verdriet.’
‘Heb jij eigenlijk goed geslapen vorige nacht?’
‘Nee, het was weer een slechte nacht. De regen maakte me niet rustig. Er ging nog zoveel door me heen, dingen die ik nog zou moeten doen, dingen die ik niet in orde krijg.’
‘Maar het was niet dat ik je vanop afstand wakker heb gemaakt?’
‘Nee, toch niet.’
‘Misschien heb je nu wel zin in een aardbei.’
‘O ja. Mmm.’

14 juni 2019

Lichamen

Woorden lezen. Ze bewegen ergens in je. Even later. Tranen. Het begint ergens in je buik. Daarna weet je niet meer waar het begon. Er moet daar ergens een voorraad wachttranen zijn, die hun moment afwachten.

Soms lijkt de weg daar naartoe doorwaadbaar. Soms is er geen weg.

Je stem zit ergens lager. Bevrijd van iets.

Een poetsrug. Straalpijn. Of is het lekpijn?

Daarna jezelf uitplooien, uitdeuken.

Zithoudingen zoeken op het terras. De woorden in het boek bepalen mee wat de zwaartekracht doet.

(Van sommige zinnen krijg je hoofdpijn. Willen ze iets zeggen, of willen ze iets bewijzen?)

Verdriet van vorige dagen staat nu aan de andere kant van je huid te kijken. Lichtere woorden schuiven naar voor, nemen de plaats in.

Soms verschijnt een restant van rusteloosheid ergens in de avond. Uit het struikgewas.

Krampdromen.

Het ochtendlijf beweegt net naast zichzelf. Het zou terug in elkaar geklikt mogen worden.

Je buik zou dat voor je kunnen doen, wanneer het tijd is voor de dagbuik.

Een drukke dag, veel mensen om je heen. Je volgt de dingen.

Weer thuis. De fluittoon is aanweziger. Voor een tijd. Daarna schuif je weer in elkaar.

Zachte terugkeerdromen.

’s Morgens beetje onrustig. Het vooruitzicht van een lange dag zonder vooravondvluchtheuvel. Je kunt extra boterhammetjes meenemen, alsof je je buik kunt misleiden. Quod non.

Een middag, in de metro. Op weg naar de conferentie. Het is alsof je ene lichaam de trein is, je andere de mens in de trein die door de zwaartekracht nog even achterblijft.

Die vooravond. Je probeert rustig aanwezig te zijn, kijkt geconcentreerd naar de mensen aan de andere kant van de tafel. Alsof je een beetje achteraan en vooraan tegelijk bent.

Iets in je denkt tegelijk aan het uur. (Hoe laat zal het zijn eer je thuis bent? Zul je nog iets kunnen eten? Hoe groot zal de lege plek zijn?) Het is je buik, of je buikkennis.

Thuiskomen tegen middernacht. Gekneld tussen de tijd die je lichaam eigenlijk nog nodig heeft en de tijd die je zou moeten kunnen slapen. Je kiest ergens halverwege.

Haperende dromen.

De volgende ochtend strijkt de kinesiste enkele plooien glad. (Nee, glad is niet het juiste woord.)

Huidtintels in de trein. Altijd dankbaar.

(Je buikkennis verwacht buikverzet die avond, een tweede avond zonder vluchtheuvel.)

De vooravond, bij mensen die je dierbaar zijn. De onrust van een ander straalt binnen.

De avondvergadering is boeiend. Het ene lichaam is geconcentreerd aan het luisteren, denkt mee, zoekt beelden. Het andere lichaam voelt dat de vorige nacht te kort was. Je buik beweegt autonoom tussen de twee. (En doet wat voorspeld was.)

Op weg naar huis – wat lijkt het ver – heeft je buik weinig mededogen.

Een ontvankelijke nacht, met hersteldromen.

Een andere dag. Een overzichtelijk lijstje. Er staat één grote taak op de agenda. Tussen de kleine dingen vooraf en die ene beweeg je heen en weer in je lichamen. Daarna trekken ze zich terug, terwijl je verdwijnt in die grote tabel die je vakje per vakje invult. De tijd heeft een rustig gewicht.

Buiten op de bank zitten praten met een dierbare vriendin. Je stem voelt zacht. Je handen zijn rust.ig. Jullie zitten in de tijd

Eindelijk weer gewoon thuis in de vooravond. Handenmindfulness bij het koken. (Nog niet weten of je buik gewillig weer in je adem zal vallen. Erop vertrouwen dat het zo zal zijn.)

Vermoeidheid kan dempende laagjes wegkrabben in je lichaam. Dingen laten zich zien.

Weten dat je klaar bent voor een langere nacht. Je lichaam lijkt op een of andere manier zwaarder, of zal dieper wegschuiven. (De aarzeling die nog ergens in een van je lichamen zit om jezelf uit handen te geven aan de nacht. Ernaar kijken.)

Even trilt je lichaam, daarna begint het zachtjes te gloeien. En verdwijnt in de rivier.

Een andere dag. Ergens halverwege de voormiddag loop je door de gang. Je tranenlichaam duwt zich een beetje naar buiten, en trekt zich dan weer terug. Ergens halverwege de namiddag trekt je schouder zich samen. (Iets heeft een teken gegeven.)

Op weg naar huis is het alsof je de mensen beter ziet. Een laag is weg.

Zou er zomaar een zin naar je toe komen om een stukje rond te bouwen, straks in woorden? Dat zou mooi zijn, denk je, ergens net voorbij het plein. Je kijkt naar de bewegingen van de vrouw die net voor je loopt.

De dingen zullen zich wel aandienen, vertrouw je.

09 juni 2019

Plannen van een grote jongen

Het wordt wel stilaan tijd om plannen te maken, voor later, als je een grote jongen bent.

Lijstjes kunnen gemaakt worden. Met handige en nuttige en pedagogisch verantwoorde dingen. Die ook nog bijdragen aan de algehele wereldvrede. En aan de permanente zelfopvoeding. En zo mogelijk ook aan de innerlijke rust.


Toch maar eens aan dat boek beginnen. Misschien.

Cadeautjes beter leren inpakken. (En er nog meer geven.)

Een intensieve cursus volgen om ervoor te zorgen dat je elke kleine technische onverwachte wending tijdens het bestellen van de tickets voor het nieuwe cultuurseizoen zonder de lichtste vorm van ticketstress kunt opvangen. (Hoewel het ook – in het licht van de echte wereldproblemen – niet zo erg is als je nadien door een vriendelijke mevrouw wordt gebeld om samen met jou te regelen dat je alsnog je tickets krijgt.) Ook leren dat je niet noodzakelijk onmiddellijk geëxecuteerd zult worden als je belt naar de speciale helpdesk als je systeem vastloopt bij het bestellen. (Die mensen blijken daar gewoon klaar te zitten om problemen als het jouwe op te lossen, je hoeft dus niet te denken dat zij vooral en alleen bezig zijn met ECHTE problemen.)

Variant. Als je ooit nog eens in een ziekenhuis terechtkomt jezelf er door intensieve meditatie van overtuigen dat het niet verboden is om ergens diep in de nacht op dat belletje te duwen voor een nachtverpleegster als je vergaat van de pijn. (Ook in dit geval is er een kans dat de executie niet onmiddellijk wordt uitgevoerd.)

Ook nog kijken naar seizoen 3, 4, 5 en 6 van This is us. (En telkens voluit gaan voor het snotteren.)

Bellen naar Bob Dylan om alsnog samen een koffietje te gaan drinken. (Toen hij het de vorige keer vroeg, was er net een of andere belangrijke vergadering.)

Dat ding met tantra. (Of misschien toch maar voor je volgende leven. Alhoewel.)

Niet meer zeggen dat je een lelijke kop hebt. (Als je het immers nog één keer doet, gaat die ene vriendin zo boos kijken dat er een kans is dat je leven korter zal worden. Wat andere plannen in het gedrang kan brengen.)

Nog een hele tijd analoog blijven fietsen.

Variant. Hopen dat je nog lang sms’jes kunt blijven sturen.

Variant. Hopen dat je nog lang kaartjes kunt blijven sturen. (Met een postzegel.)

Je niet meer verontschuldigen voor je bestaan als het niet echt nodig is. (In alle andere gevallen is het een pedagogische opdracht voor de rest van de mensheid.)

Een vervolmakingstraject frangipanetaarten.

Veel wijze gesprekken met tegen dan heel grote meisjes (die nu nog grote kleine meisjes zijn), zodat ze jou permanent kunnen updaten over alles wat cool is, waarbij je minzaam kunt knikken.

Nog eens naar de opera met Victoria. (Maar dan wel eentje van Mozart.)

Begrijpen wat jouw planten je willen vertellen.

Veel herinneringen maken.

De zee die je vertelt dat het beter met haar gaat.

Nog veel boeken over de liefde.

Op wetenschappelijke wijze beslissen of je niet eigenlijk een heel grote jongen moet zijn om aan dat boek te beginnen.

08 juni 2019

Traag verdriet

(Een groot verlangen naar de Goldbergvariaties, in allerlei uitvoeringen. Je las dat er een nieuwe is, met drie strijkers. Die wil je horen. Of nu op accordeon. Eindeloos, steeds opnieuw, denk je. Als een heldere kamer, waar al het verdriet, al het verlangen en alle troost zijn.)

Gewicht.

De sporen zien.

Naar je handen kijken. Kunnen ze onschuldig zijn?

(’s Nachts wakker worden van de wind, en beseffen dat dit het huis met de sterke muren is.)

(Je een beetje onhandig verontschuldigen voor heftig.)

(Iemand zegt je dat hij je wel eens graag stout zou willen zien.)

Je ziet de zwaartekracht in je huid. Je ziet de afwezigheid van een plek. Je kijkt ernaar. Wat ook wil zeggen dat je hier bent, dat je kijkt naar de rivier. Er is nog genoeg verlangen over, tussen hier en de zee.

(Je in die nacht afvragen wie je zou toelaten.)

Langzaam herschikken de lagen van je lichaam zich.

(Je denkt aan dat beeld van je kleinzoon. Hoe hij in dit nu naar je zou kijken.)

(Je denkt aan hoe mooi ze zijn, in die serie. Hoe ze van elkaar houden.)

Eigenlijk is het wel mooi, te beseffen dat je gewoon op het strand kunt zitten en kijken naar de golven die het strand naderen en voorzichtig of net te groot het land betasten. Hoe ze gewoon komen en gaan. Hoe ze die lagen schikken en herschikken, zonder ooit de zee los te laten. Hoe je gewoon kunt zitten kijken. Hoe je alles ziet, hoe je niet elders en toen bent. Hoe je in dit veranderende hier kunt blijven.

(De mooie gedachte dat mensen zien wat je aan het doen bent.)

Het verdriet beweegt in je lichaam. En het is wel goed.

Op een of andere manier raak je de aarde zachtjes aan, in kleine stapjes, als danspasjes. Misschien ben je daar klaar voor.

(Een vriendin die je zei dat het helen begonnen is, en hoe je heel even verward was.)

Misschien zie je de zwaarte beter als je traag kijkt, misschien laat ze zich onthullen in afwezigheid. Er is zo eindeloos veel verdriet, zie je. En het is, gewoon.

De woorden leggen de dingen voor je neer. Ze geven je de beelden. Ze tonen je waar de bedding voor je adem is.

(Ondertussen speelt de accordeon rustig verder. Die muziek is een plek waar je elke keer opnieuw naar terug kunt keren. Iets dat blijft. Die heldere kamer.)

De adem verandert je lichaam. Er gebeuren dingen.

(Soms vraag je je af hoe de jaren werken. Misschien is het gewoon het getij. Misschien heb je elke eb, elke vloed nodig, om je huid te begrijpen. Iets als het aanvaarden van geduld, ongekozen. En het besef dat je zo de zee kunt zien, en de zee in je huid.)

Als je zo naar de nachten kijkt, zie je hoe ze veranderen.

Iets wordt lichter, al weet je nog niet helemaal hoe dat werkt.

(Je zou iemand kunnen vragen om naast je te komen zitten, in het water.)

Misschien willen de dingen zeggen dat je een plek geworden bent.

07 juni 2019

Ontheemding

Misschien was het een moment dat eraan zat te komen. Misschien was het een proces dat al een hele tijd bezig was. Misschien was het geen proces.

’s Ochtends loop je door de stad, op weg naar een seminarie. Ineens wankelt iets in jou. Alsof daar iets bezig is. Autonoom afscheid of zo.

Je probeert je te concentreren op de presentaties (die niet allemaal extreem opwindend zijn). Het voelt wel goed, zo hoog in de zaal. Niet te veel mensen die te dichtbij komen.

In de trein zoek je een hoekje, zoals je in de hoek van de kamer nog muren achter je voelt.

(Iets van jou is een beetje verdoofd, ergens anders, misschien.)

De bus zet je af. De beelden van de straat zijn ineens zo scherp. (In je droom die nacht stonden er aan de andere kant van de straat grote huizen, die allemaal waren afgebrand.)

Het huis is er nog. (Mensen lopen door elkaar heen.)

Met je zus ga je nog even door alle kamers, van boven naar beneden. Alles is zo goed als leeg. Zelfs de herinneringen lijken afwezig. (Het is goed dat haar verhaal je terug naar hier haalt.)

(Die paar spullen die nog mee moeten, je zet ze in de andere kamer. De Legobakken. Ze hebben gelukkig al een bestemming. Sommige dingen moeten door de tijd verder gaan, mogen niet stoppen bij jou.)

(Misschien heeft iets al afscheid genomen, je weet het niet zo goed.)

Aan de grote tafel bij de notaris. Je ziet alle woorden op het scherm. Je ziet de namen, ook de jouwe. (Je volledige naam ziet er nog steeds uit zoals je je die herinnerde.)

(Misschien is dit gewoon wat je al maanden aan het voorbereiden was, en is het niet meer dan dat. Misschien is dit een niemandsland, waar verhalen op afketsen. Misschien ben je al vertrokken van hier.)

Je zet je naam onder het grote document. In zekere zin is het huis van de ene kant van de tafel naar de andere kant gegaan. (Hoewel het ginder nog steeds op dezelfde plek staat.)

(Je bent blij voor hen, hoopt dat ze daar gelukkig zullen zijn. Op een of andere manier – dat besef je pas later – is het alsof je zou willen zeggen dat het huis zwaar is. Je hebt het een stuk lichter gemaakt, denk je dan weer. Dat ook.)

(Er is te veel betekenis samengedrukt, denk je. Je kunt alleen een beetje laveren, de zuurstof is voor later.)

Terug in het huis. Je bent moe, ineens.

(Waarom zijn er zoveel mensen? Je wilt alleen zijn, eigenlijk.)

(Het is ook wel goed en mooi allemaal natuurlijk.)

Je zegt aan de mevrouw van de catering dat ze niets is veranderd tegen vroeger. (Jij natuurlijk wel.) Ze vraagt of je niet liever in het dorp zou wonen. Je zegt dat dat niet zou gaan. Ze vraagt of je kinderen hebt. Jammer genoeg niet, zeg je. Je vraagt haar te vertellen over haar kinderen.

Je gaat buiten zitten met je zus. (Er is iets met je stem.)

Op sommige plekken ben je altijd ergens anders, zie je in je huid.

Je zus vertelt over hoe jullie vroeger als kind speelden op de straat. Ze vertelt over de bouwkraan die in de tuin stond, die ze per ongeluk in gang zette. (Wat zorgde voor smeervlekken op haar witte kleedje. Je ziet het beeld nog in je hoofd.) Je bent zo blij met haar verhalen. (Alsof je adem een beetje kan landen.)

(Het zijn fijne mensen, denk je. Ze beginnen de ruimte al in te nemen, en zo hoort het eigenlijk ook. Je hoopt dat ze er een hierplek van zullen maken.)

(Het is alsof al die mensen te dichtbij komen.)

Het is bijna tijd om te vertrekken. Je praat met de man. Je wenst hem alle geluk met het huis. Je zegt dat jullie alle demonen hebben meegenomen, dat het huis vrij is.

De reis terug. Gelukkig is de bus goed op tijd. Gelukkig komt ze op tijd aan in het station. (Je wijst de buschauffeur op die vrachtwagen die ginder gekanteld is en getakeld wordt.)

Misschien is je lichaam iets minder samengedrukt, of zoiets.

(Het is toch gewoon wachten, de dingen zullen zich pas later laten zien.)

(Op een of andere manier is het alsof je even geen verhaal bent.)

Terug thuis wil je je alleen maar nestelen onder het dekentje. Je kijkt drie afleveringen na elkaar van die serie die je zo beroert. (Je wilt heel erg in een verhaal zijn. Zien hoe de dingen kunnen zijn, of zoiets.)

Je weet niet helemaal zeker waarvan je afscheid neemt als je het licht uitdoet.

(In bed rol je je op tot een klein bolletje. Je kijkt naar je adem.)

Te vroeg word je weer wakker.

(Het is gewoon wachten, en dat is wel goed.)

02 juni 2019

Heftigjes

‘Soms heb ik een beetje schrik van mezelf, of beter: van de kracht die ik in mezelf kan voelen.’
‘Waarom zou je daar schrik voor moeten hebben?’
‘Ik weet niet. Soms voel ik dat ik heel erg betrokken kan zijn bij iets, en dan kan die kracht het een beetje overnemen. En dan ben ik forser dan ik wou zijn, en dat is niet altijd gemakkelijk voor anderen, en dat weet ik.’
‘Ik heb er eigenlijk geen last van. Je bent mooi als je zo hevig bent. Ik zie vooral hoe jij vecht voor iets, niet tegen iemand.’
‘Zie je dat?’
‘Ja, het is niet zo moeilijk te zien. Ik kan me voorstellen dat het een beetje heftig is, als je jou nog niet goed kent.’
‘Ik zie dan, terwijl het gebeurt, wat het effect kan zijn op anderen, en dat wil ik dan natuurlijk niet. ik ben dan bang dat mensen bang zullen worden of zo. En dat is niet de bedoeling.’
‘Het is een beetje als een vulkaan bij jou soms.’
‘Ja, misschien wel. Ik herinner me nog een tekening die een vriendin ooit voor me maakte, van die vulkaan.’
‘Dat had ze goed gezien dan. Weet je, op jouw manier maak jij veel indruk soms, en eigenlijk vind ik dat vooral aantrekkelijk. Maar jij schaamt je soms precies voor die kracht.’
‘Ja, soms wel. Misschien ben ik bang dat ik iets stuk zal maken.’
‘Ik weet dat je dit niet wilt horen, maar in zo’n momenten is er iets van een man in jou. En eigenlijk nog meer een vader.’
‘Een vader?’
‘Ik heb de indruk dat jij heel hevig kunt worden als iemand jouw zelfgekozen familie probeert te raken. En dan ga jij er pal voor staan om hen te beschermen, met al je breedte. Ik denk dat je dat zelf niet zo goed beseft altijd.’
‘Nee, dat klopt. Ik vind het moeilijk om zo over mezelf te denken, maar misschien heb je wel gelijk. Zoals altijd trouwens.’
‘Het komt van heel diep bij jou, dat zie ik wel op zo’n moment.’
‘Ja, dat is waar. Ik schrik er elke keer zelf weer van. In mijn hoofd is alles dan op een bepaalde manier zo helder, en dan kan ik niet begrijpen dat anderen dat niet zien en dat ze iets niet willen verdedigen of zo.’
‘En tegelijk kan het zijn dat je in al je hevigheid anderen een beetje verplettert, terwijl je dat net niet wilt doen.’
‘Ja, zo is het.’
‘Ik zei het je al eerder, en ook dat wil je niet horen, maar ik denk dat je een goede vader zou zijn geweest, of een goede moeder.’
‘Pfff… dat is een te moeilijke gedachte.’
‘Ik denk dat je weet dat ik gelijk heb. Het zou wat onbeholpen zijn misschien af en toe, maar je kinderen zouden weten dat je voor hen in de wind zou gaan staan.’
‘Ja, dat zou ik zeker doen.’
‘Zie je wel?’
‘Maar ik vind dat ik het toch beter zou moeten doen.’
‘Ik zou me er niet te veel van aantrekken. De mensen die je kennen en die je graag zien hebben ook graag jouw vulkaan.’
‘Ja? Is dat zo?’
‘Meer zelfs, ik denk dat je diep vanbinnen op sommige momenten die vulkaan ook wilt laten zien. Ook aan jezelf. Om te voelen dat er dingen zijn waarvoor je wilt vechten.’
‘Jij kijkt wel dwars door mij heen precies. Dat is wel een beetje suboptimaal. Kan ik dan niets verbergen?’
‘Voor de gevorderden niet, maar dat is niet zo erg. Maar ik kan natuurlijk ook doen alsof ik niets zie. Zou je dat dan liever hebben?’
‘Nee, dat nu ook weer niet.’
‘Voilà. En verder wil ik je toch nog op iets heel belangrijk wijzen.’
‘Wat?’
‘Dat we dit jaar nog geen ijsje zijn gaan eten.’
‘Is dat een stille wenk?’
‘Stil?’

31 mei 2019

Bescherming

Lagen, ergens in je. Soms schrik je ervan.

Kijken, en jezelf leren.

Vaststellen dat je ’s avonds begint te roepen tegen het scherm. De meneer in beeld doet alsof hij de indruk geeft dat hij aangeslagen is door zijn verlies, maar hij doet eigenlijk iets heel anders. Instrumentele interpretatie, of zoiets, in functie van de eigen ultieme strategie. Roepen, en merken dat het er de volgende dagen nog enkele keren uit zal komen. (Misschien worden die dingen ergens tijdelijk opgeslagen, onzichtbaar.)

(Waarom ziet niet iedereen dat, roept iets in jou. Twee dagen later lees je exact hetzelfde in de krant.)

Zoals steeds een beetje moedeloos worden van al die mensen die al binnen enkele uren de meest omvattende analyses klaar hebben en misschien vooral zelf nog eens in beeld willen komen.

De dag na. Iets gonst in je lichaam.

Je leest dingen, je hoort dingen. (Iets in je roept.)

Later, op weg naar huis. Hele zinnen bonzen in je hoofd. (Misschien helpt het om ze straks uit te schrijven. Misschien niet. Waarom eigenlijk?)

Toch maar wel. De zinnen schrijven zichzelf, leggen zich een beetje neer.

(Je huid blijft alert.)

Een andere dag. Je leest dingen die je niet zo bevallen.

(Eerst zwijgen, dan verdriet, dan nadenken en dan vechten. Iets in je lichaam is bij die laatste fase aangekomen, denk je.)

(Misschien ben je ouder dan sommige anderen. Misschien heb je al veel gevechten gevoerd. Misschien heb je geen schrik voor alle gevechten die nog zullen komen. Misschien zijn die zinnen leesbaar in je lichaam.)

(Een of andere oerkracht die zich naar boven wringt, soms. Het heeft iets met beschermen te maken.)

Een andere dag. Het lijkt alsof de dingen wat rustiger worden.

(Tot ineens een zoveelste gesprek. Je had je voorgenomen helemaal rustig te blijven.)

Je kijkt naar de aflevering van die serie. (Het blijft de seizoensfinale te zijn. Extra emo dus. Stille geliefden, moeders en dochters, ze vinden elkaar uiteindelijk.) Een golf komt over je. Veel tranen. (Oer. Iets met bescherming, zie je.) Je leest de dingen.

Een vergadering. Je denkt dat de dingen zich rustig en duidelijk hebben neergelegd. Het lukt aardig. (Je had je voorgenomen helemaal rustig te blijven.) De dingen nemen je over. Ze zijn weer sterker dan je dacht. (Je schaamt je een beetje voor je kracht. Iets was niet de bedoeling. En tegelijk stelt het je op een of andere manier gerust.) Nadien zie je de dingen.

(Je huid blijft trillen, de hele nacht.)

Misschien is het toch goed om ze uit te schrijven, denk je, de volgende ochtend.

Je verlangt op een of andere manier naar dat schrijven, waar je tegelijk ook geen zin in hebt. (Het moet een doorlopende tekst zijn, denk je. Zodat je in dat ritme kunt komen, zodat de zinnen je zachter kunnen maken, zodat het voor anderen rustiger te zien is, zodat de woorden iets met je huid kunnen doen. De zinnen zaten er al, stuiterden heen en weer. Door ze te schrijven verbinden ze zich met elkaar, komen ze thuis.)

(Om een of andere reden moest je dit doen. Je moest ergens gaan staan. Daar. Om iets te laten zien. Je begrijpt het niet helemaal.)

(Later zegt een goede vriend dat jij die tekst bent, of zo.)

Een vriendin op bezoek. Een mooi gesprek op het terras. Over de echte dingen.

Over de liefde. Ze vraagt iets, je probeert het uit te leggen. (Je denkt dat het niets is, maar het is veel.)

Sommige zinnen die je zegt raken de rivier aan, ergens.

Je probeert iets te vertellen over dat ene stukje. (Je probeert iets te vertellen over bescherming. Alleen het woord al opent sluizen.) Je probeert die ene zin te stotteren. We blijven. Misschien is dat al iets. (Misschien was die zin er ook voor haar, en wil je dat ook zeggen.)

Ze legt de zin voor je uit.

(Misschien doe je heel af en toe het goede, denk je.)

Ook in afwezigheid kun je zijn. Die zin begrijp je nog beter.

(Het citroentaartje bewaar je voor de volgende dag.)

’s Avonds werk je de tekst af. Je voelt hoe die zijn eigen ritme heeft gekregen. Het is goed zo. Je kunt hem loslaten.

(Je huid wordt zachter.)

24 mei 2019

Farewell

De week die ook de laatste week is, of zoiets.

De beeldjes die je zelf in elkaar knutselde. En de woorden erbij. (Volgens een of andere communicatie-expert had je er ongetwijfeld ook nog emoji’s bij moeten zetten. Het voelt wel goed eigenlijk, ouderwets zijn.)

In de conferentie. Zachtjes door de zaal lopen, met dat lange lijf. Door de lens van het fototoestel wachtend kijken.

De mevrouw in de trein. Iets leidt je enigszins af.

Tijdens de vergadering. Je luistert naar de verhalen, ze maken je klein.

Na een volgende vergadering. Op weg naar huis. Het wordt tijd dat je eindelijk iets eet.

(Wat is er met dat been? Het komt ergens vandaan. Een traanbeen.)

Een andere dag. Je neemt je voor om lijstjes af te werken. (Dat voornemen staat trouwens ook op het lijstje.)

Je ziet sprietjes en kleine blaadjes op het terras. Dingen die uitkomen. Zomaar. Het mag.

Een avond met tijd, zo lijkt het wel.

(Dat been.)

Sommige nachten lijken trager te zijn dan andere.

Mmm, gember. (Gemberverlangen.)

Een mooi gesprek. (Je leert iets over een haperend lichaam.)

(Je wacht op een onderwerp voor een stukje.)

Een avond die uitermate geschikt lijkt voor een of andere romantische film, dekentjesfilm.

Een conferentie in de grote zaal. Ernstige mensen. De minister spreekt de zaal toe. (Hij doet zijn best om zijn Engels te laten klinken als Engels. Het klinkt als Engels, maar verstaan doe je het niet.)

Daarna in de andere zaal. Met doorzichtige stoelen. (Je weet eigenlijk niet waarom die minder goed zitten.) Sommige mensen kunnen erg veel woorden per minuut produceren.

(Soms voel je enige hoofdenvermoeidheid. Het zou trouwens ook goed zijn als het woord toppers de volgende zevenendertig maanden niet meer gebruikt wordt. Denk je stiekem.)

Het lijstje vordert goed, denk je.

(Het onderwerp voor het stukje nadert. Je ziet het nog niet helemaal, maar het nadert.)

Complexe dromen, de hele week al. Je vraagt je af wie in je hoofd die ingewikkelde beelden kan bedenken.

Een andere dag.

Je loopt naar het werk. Ergens halverwege. De vrouw met haar twee dochtertjes. Ze brengen je naar je onderwerp.

(Het laatste beeldje. Je laat iets los. Het is mooi te zien waar ze naartoe gingen. Je kijkt, het is goed. Je buigt het hoofd.)

(Een beenmoment. Een traanwankelbeen.)

Je grootvader komt je stukje binnenwandelen. En hij is niet alleen.

(Misschien heeft elke mens enkele verhalen die hij of zij telkens opnieuw vertelt, telkens een beetje anders.)

Een mooie vraag over een brief, ze ontroert je.

De twee mensen die je komen interviewen komen binnen. (Je weet niet helemaal zeker of je wel iets zinnigs te vertellen hebt. Ze gaan waarschijnlijk heel slimme vragen stellen over rechten.) De vrouw vertelt over haar treinreis naar Kazachstan. Het ontroert je. Ze heeft voor jou chocolade uit Kazachstan meegebracht. De vragen gaan meteen naar de diepte. Je aarzelt een beetje, maar het is alsof ze zegt: kom maar, doe maar. (Voor zowat al die vragen heb je een leven nodig gehad, denk je.) Het is alsof je alleen maar met je hele lichaam kunt antwoorden. (Je vraagt je af of ze niet een heel ander soort interview voor ogen hadden, maar dat blijkt niet het geval.) Ze zegt dat ze de hoop voelt in je antwoorden. (Daarmee maak je me gelukkig, denk je.) Je bent een beetje verlegen als ze weggaan.

Je gaat kijken naar de klimaatmars die voorbij trekt. (Je staat daar te kijken. De jonge en oudere mensen komen voorbij. Je ziet mensen die je dierbaar zijn. Misschien zien ze je tranen niet. Het interview van daarnet loopt over in wat je nu voelt.) Je sluit mee aan. Bijpraten met een vriendin.

Je buigt af naar het station. (Anders ga je te erg verbranden, denk je.) Het is ook fijn om even alleen in de trein te zitten. Het is de dag van het literair katern, je neemt een trein die er net iets langer over doet.

(Je denkt nog aan die brief.)

Je staat te koken. Het is alsof je ineens ziet waar je week bent.

(Sommige stukken van het nieuws wil je eigenlijk niet zien. Er is gelukkig genoeg te prutsen op het terras.)

En dan is het ook nog de verjaardag van Bob.

(Die demoversie van het mooie Farewell.)

19 mei 2019

Een heel klein beetje boos

Sommigen denken misschien dat in tijden van oorlog alles geoorloofd is. Dat is niet het geval. En, het zou nog mogen gezegd worden, een verkiezingsperiode is eigenlijk geen oorlog. Het is een feest, denk je, of zou dat moeten zijn. Het is goed dat mensen in discussie gaan, en dat mag best ook hevig zijn. Het is goed dat visies botsen, dat ideeën heen en weer gaan, en dat daarna gezocht wordt naar een goede basis om samen te werken. Dat hoort zo, en daar is niets mis mee.

(Het is niet gemakkelijk, voel je, om op deze plek over politiek te praten. Eigenlijk gaat het daar ook niet over, denk je.)

(Het is tegelijk ook een vaststelling dat die bezigheid, die volgens jou nog altijd een nobele bezigheid is, in de feiten een groot deel van je leven heeft uitgemaakt.)

Misschien kun je er met het ouder worden steeds minder goed tegen. Je voelt hoe je eigen verontwaardiging groeit. Soms zijn je dromen zo groot dat ze pijn doen. En tegelijk kun je er steeds minder goed tegen dat gesprekken over de echt belangrijke dingen, op de echt belangrijke momenten, verlopen met woorden die pijn willen doen, of die iets zeggen over iets anders.

(Misschien is dat je droom: over de grote dingen kunnen praten, met kleine woorden. Maar ook dat is misschien een andere discussie.)

Het gaat eigenlijk niet over politiek, het gaat over mannelijkheid, denk je.

Je leest een tweet van een lijsttrekker van een partij, gericht aan een lijsttrekker van een andere partij. De auteur van de tweet was in een nog niet zo ver verleden staatssecretaris. De bestemmeling van de woordenrij is een parlementslid van een andere partij.

Het ene deel van de tweet is al erg, het andere is dat ook. Er staat: "Die man heeft zelfs nog nooit een wagen bestuurd. En hij wil premier worden? Komaan zeg!"

Zucht.

Zucht.

Zucht.

Er zouden diverse wetenschappelijke disciplines kunnen losgelaten worden op dit stukje tekst. Allerlei interpretaties zijn ongetwijfeld mogelijk. Je neemt er eentje uit.

Het gaat hier blijkbaar over een debat over mannelijkheid, denk je. Tussen de regels zou de boodschap kunnen zijn dat je om een goede premier te worden: (1) blijkbaar best een man bent, (2) bij voorkeur een ‘echte’ man bent. Een echte man heeft minstens een rijbewijs. Een wagen is blijkbaar een soort verlengstuk van echte mannelijkheid. Daarmee kun je laten zien dat je een echte bent.

Het is een vorm van sociale interactie tussen sommige mannen om de ander te willen vernederen door hem te wijzen op zijn lager gehalte aan echte mannelijkheid. (Die vorm van sociale interactie heeft in de loop van de menselijke geschiedenis al een slagveld aan ellende aangericht, maar ook dat is een andere discussie waarschijnlijk.)

Het gebruiken van woorden die aansluiten bij die vorm van sociale interactie kan door sommige mannen gebruikt worden als een soort signaal naar anderen om te bewijzen dat zij zelf wél een echte man zijn. (In de loop van de geschiedenis zijn er heel wat instrumenten en rituelen ontwikkeld die sommige mannen blijkbaar nodig hebben om aan anderen te bewijzen dat zij echte mannen zijn. Diverse Darwinistische analysemodellen kunnen daarop losgelaten worden, denk je.)

Sommige mannen vinden het vanzelfsprekend op die manier zichzelf een beetje uit te vergroten, en ze krijgen daar van anderen (van de verschillende geslachten) soms ook applaus voor.

(Gelukkig zijn er zo eindeloos veel andere mannen die dit soort zielige mannelijkheid niet nodig hebben, denk je.)

Als mannen onder elkaar een beetje onnozel willen doen, dan doen ze maar, denk je. Maar mensen die de eer hebben een publieke functie te mogen uitoefenen zouden zich minstens mogen houden aan elementaire beleefdheidsregels. De mensen die die eer hebben zouden ook hun best mogen doen om hun verlangen om hun mannelijkheid te etaleren onder controle te houden. (Je bent trouwens ook geen echte vent als je hardop zegt dat je het blijkbaar niet abnormaal zou vinden dat je politieke tegenstrever die volgens jou vernederd is zijn polsen zou gaan oversnijden. Met die woorden worden onderhuids misschien ook wel dingen gesuggereerd over mannelijkheid en eer en vernedering.)

Soms zijn mannen vermoeiend. (Dat nog tot daar aan toe. Zielige mannelijkheid is echter vaak helemaal niet grappig, soms zelfs gevaarlijk.)

Gelukkig bestaan er geen echte venten. Als ze al zouden bestaan, hebben ze vooral geen behoefte aan zielige ventigheid om een echte vent te zijn.

Gelukkig ben je zelf nooit geslaagd voor het examen voor echte man. (Echte mannen zouden minstens weten waar dat examen plaatsvindt.)

Gelukkig ken je zoveel mooie mannen die niet hard moeten roepen om iets te bewijzen. Ze maken er het beste van, zijn groot en klein, sterk en kwetsbaar, soms vindend en vaak niet. Ze kunnen ook vloeiend zijn in hun identiteit. Ze willen die niet opleggen aan een ander. Ze hebben niet zo’n schrik van de stilte. Ze zijn soms ook vermoeiend (net als jij) maar dan op een grappige manier. Ze zijn net als iedereen een beetje op de dool in het leven, en dat is niet erg. Ze hebben niet zo’n behoefte om anderen klein te maken om te kunnen geloven dat ze zelf groot zijn. Ze willen niet kwetsen om zelf iemand te kunnen zijn. En ze zoeken via een of ander kanaal geen gemakkelijk applaus op voor de manier waarop ze anderen kwetsen.

(Eigenlijk was je een beetje boos dus. Of zoiets.)

18 mei 2019

Traaghuid


Soms maakt de nacht je los. Soms niet. Soms begrijp je waarom. Soms niet. Misschien ben je als het wateroppervlak met een trage groter wordende cirkel.

Je bent gevraagd om te zetelen in het panel. De zinnen netjes in de presentatie. (In je hoofd zijn ze altijd een beetje groter, denk je. Misschien is het goed dat ze even indikken.) Het is mooi, te merken hoe jouw woorden en die van de andere sprekers netjes in elkaar lijken te passen. (Je weet nooit helemaal zeker hoe je woorden zullen vallen, of ze net die plek zullen innemen die goed zou zijn.) Iemand is blij je te zien.

Een bezoek bij een vriendin. Interactieve risotto. En een deskundig oordeel door haar dochter. Iets van een licht verdriet.

De volgende ochtend beslissen om toch maar thuis te werken. Iets met de treinen. (Het is fascinerend hoe klein die achilleshiel kan zijn.) De Franse versie van een tekst bij elkaar knutselen. Als met legoblokjes.

Voor de avondvergadering de trein nemen die niet langs de hoofdstad gaat. Die andere route leest om een of andere reden lekkerder. Tijd dus voor een vers boek.

In de trein terug een houding zoeken waarin je kunt verdwijnen. Soms is je lichaam een beetje hoekig. Soms meer dan soms.

Een andere dag. Het ene knutselwerkje is klaar, het andere dient zich aan. Tussen de twee in heel subtiel proberen andere dingen nuttig te vinden.

(Uitkijken en een beetje zenuwachtig zijn voor iets dat de volgende dag zal komen.)

Een vergadering in een klein glazen hokje met gekleurd glas. Misschien klinken de woorden anders dan.

Voor die avond heb je je vragen netjes op kaartjes geschreven. Zouden ze dan anders klinken dan gewoon op een blad? Je probeert veel mensen in het verhaal te krijgen. (Is misschien ook iets met legoblokjes.) Nadien komt iemand je zeggen dat je een mooie stem hebt. (Beetje verlegen, maar niet laten merken, vanzelfsprekend.)

De lichtschakelaars uitdoen en dan dat stukje in het net niet donker.

Een krampnacht. (Je weet niet waarom.)

Die ochtend klein beetje zenuwachtig (dus) de fiets op. (Er zijn plannen voor de namiddag, maar eigenlijk zou je liever hebben dat de rest van de dag leeg zou zijn.)

Het laatste deurtje naar de zolderkamer is erg laag. Het is er lekker warm. Je probeert iets te vertellen over waar je in je verhaal bent. Het klinkt een beetje hoekig, denk je. Met je kleren hoop je alles achter te laten daar op de bank, of zoiets. Je ligt op de tafel. (Je voelt al dat het weer anders zal zijn dan de vorige keren.) Misschien daal je heel langzaam in jezelf? Tintels, dat is een goed teken. Je probeert elke aanraking langs de binnenkant van je huid mee te volgen. Soms komen er beelden, maar je vraagt jezelf steeds terug te keren. Je kijkt, je ziet. Misschien is een reflex een ingesleten zin. Woorden die ook zouden kunnen overschreven worden. De reflex is soms: niet loslaten. Je vraagt het wel te doen. (Je ziet die onderhandeling.) Misschien is je lichaam nog groter dan je dacht tot nu. (Je wilt haar helpen met dat grote lijf, alsof je te zwaar bent. Je zou zonder zwaartekracht willen zijn. Je zegt dat het na het uit handen geven eigenlijk niet jouw probleem is wat er met dat grote been gebeurt. Dat is een goed plan.) Je kijkt, je ziet. Ergens tussen teleurstelling en compassie. Je ziet waar het verdriet zit, het is wit. Omgedraaid. Vrij. Heel voorzichtig mag het misschien wel. Minder schaamte. (Wat is er met dat bekken?) Weten dat het zal duren, het helpt. Het mag duren, denk je. Je kijkt, je ziet alles.

Nadien probeer je er iets over te vertellen. Je woorden stuiteren. Je hoort je woorden. (Iets over wat je zelf ziet in de spiegel en wat je niet kunt zien door de ogen van een ander.) Het is eigenlijk heel erg goed, zegt ze, je zou vooral blij moeten zijn. Dat ben je ook. (Al die andere verhalen zullen traag gaan liggen in je huid. Misschien ben je al bezig met nieuwe huidherinneringen.)

De hele dag ruik je naar de olie, en het is goed.

In de vooravond op weg met een vriendin. Brievenbus na brievenbus. Het is een ritueel voor jullie twee. Het is verhaaltijd. Je voelt hoe goed het doet, jullie hebben verhaaltijd nodig. Ze zegt iets over helen. Het ontroert je. Ze kiest het bankje om even te rusten, voor ze vertrekt. (Je hoopt dat ze goed thuis komt.)

Een mooi gesprek, in een omgeving die steeds voller lijkt te worden. Je krijgt iets van Mahler, het ontroert je. (Terwijl je vertelt, zie je de leeuw in jezelf.) (Of je gaat staan voor een ander, om iets van de wind op te vangen, om zo een plek te maken die veilig is, of je dat ooit zult gedaan hebben in je leven, het is een vraag die je bezig zal houden, altijd.)

Een andere dag. Verder knutselen. (Als kind was je niet altijd goed in legoknutselen met twee. Nu doe je het wel, met je collega. Het is wel fijn eigenlijk.)

Voor je naar huis gaat nog die nieuwe plaat ophalen die je later op de avond zo zal ontroeren.
Je ziet de vraag van een groot klein meisje. (Je smelt een beetje.)

Onder het dekentje naar die serie kijken. (Die man heeft zo’n bijzondere manier van bewegen, je probeert te begrijpen hoe het in elkaar zit.)

Een andere dag. Een antwoord van een groot klein meisje. Iets over platte basketballen. Hoezo plat? Het is goed.

(Een licht knagende rusteloosheid, ook.)

Er moet nog een struik bijkomen op je terras denk je. Een half uur later staat die er.

De kinderen in het park. En hun circusdromen. (Zoek je iemand?)

Je kijkt van boven naar het spektakel. (Je ziet iemand.)

12 mei 2019

Rivierverlangen

Die twee vrouwen in het journaal. Ze lopen mee in de stille mars in die andere stad. (Jij was op een andere mars, in de hoofdstad.)

Ze dragen de littekens. Ze vertellen dat ze incestslachtoffers zijn, misbruikt door hun vader. Ze vertellen het rustig. (Er moet een oceaan van pijn en verdriet achter die rustige woorden zitten.) Ze zijn groot, ze zijn sterker.

De tranen schieten in je ogen. Je handen trillen.

(Je ziet iets van de radeloze woede die in je huid zit.)

De verhalen raken elkaar. De verhalen die je kent. Iets van je huid. De vrouwen die je kent.

(Het gaat nooit over, denk je.)

Het is meer dan dat, en er zijn verschillende verhalen. Maar het spoor van vernietiging dat zoveel mannen hebben nagelaten doorheen de tijd, het is zo immens.

(Je weet nooit zeker of je gedaan hebt wat in jouw mogelijkheden lag om die keten te doorbreken. Je weet het nooit. Je ziet die mensen op de straat, je kent de verhalen. Het raakt iets van het kind in jou en het kind dat van jou had kunnen zijn.)

Het is zo immens.

(De uitzonderlijke gevallen lijken misschien het grootst. De verhalen van dichtbij, van de bekenden, ze zijn in aantal nog veel groter. Ze worden zo vaak niet gezien, zo vaak niet vervolgd.)

En de erfpijn.

Je hebt de sporen van het spoor gezien.

(Je handen trillen.)

De mensen in de straat. Waar gaan hun gedachten, hun machteloze kwaadheid naartoe?

Zij die de moed vonden om hun verhaal te vertellen, je buigt je hoofd voor hen. En de soms onbeschrijflijke kracht waarmee ze met hun gedeukte lichaam in het leven willen blijven, je buigt je hoofd.

We hebben je gehoord, we hebben je gezien, we blijven, in onvolmaaktheid, met te korte armen, maar we blijven. Hier. Al is het in verwarring. We laten ons raken. We blijven. Misschien is dat al iets.

(Je denkt aan de woorden die iemand die je lief is je ooit zei. Ze troosten je machteloosheid.)

(Het gaat nooit over, denk je.)

(De niet-woorden stuiteren door je hoofd.)

Zoveel pijn, zoveel verdriet. We blijven. Misschien is dat al iets.

De verhalen die je zag. Hoe klein ze je maakten.

(En je ziet de leeuw die in je huist.)

Het maakt je onrustig.

En de rivier is er ook. Je kunt verlangen naar de rivier.

Het water dat komt, traag genoeg. Het water dat het leven draagt.

Misschien kun je gewoon in de rivier gaan staan, en kijken naar het water.

Misschien kan het water voorzichtig helen. Misschien kan het water de richting van het leven tonen. Misschien is dat de plek om te razen, en te blijven, tot de klanken weggestorven zijn. Misschien is het bewegende water de plek die blijft. Misschien kan het water je dragen.

(En je weet niet waar die woorden over gaan. Het was alleen alsof het belangrijk was om iets niet zomaar voorbij te laten gaan. Alsof het goed zou zijn dat je ergens stond, dat het gezien zou worden. En al was het stotterend. Oefenen in staan is misschien ook al iets.)

11 mei 2019

Woordwonen

Soms zie je de woorden bewegen in je huid. Soms zie je hun afwezigheid. Soms zie je de afdruk van waar ze zouden geweest zijn.

Soms kun je verlangen naar woorden. Zoals je kunt verlangen naar een plek waarvan je pas achteraf beseft dat het een thuisplek zou kunnen zijn.

Soms kun je de woorden aanraken. Je kunt de woorden dragen in je handen. Je weet na al die jaren nog niet helemaal zeker uit welk materiaal ze gemaakt zijn. Iets als graniet, waarschijnlijk. Al kunnen ze ook verpulveren in je handen, net na die eerste streling.

Soms kun je verdwijnen in woorden. Ze zouden je mee kunnen nemen naar de zwarte gaten van je eigen schiereiland.

Soms weet je pas wat de woorden zeggen lang nadat ze er staan. Ze zijn naar je toe gekomen. Misschien heb je onbewust het stof geveegd, om plaats te maken.

Soms nemen de woorden het over. Je hoeft alleen maar te kijken. Je zou je kunnen afvragen wat ze eigenlijk overnemen.

Soms weet je niet zeker of je aan woorden denkt in je dromen. Je weet niet of de beelden die je ziet, daar, woordig zijn.

Soms lees je woorden over vrieslichamen, waarna je helemaal begint te gloeien. Alsof je lichaam jaren had gewacht tot het moment waarop jij in dat boek zou lezen.

Soms kun je vermoeden dat er ook woorden staan in dat boek dat je misschien ooit of nooit zult schrijven. Je kunt het boek zien als een schim, binnen loopafstand, klaar om te ontsnappen.

Soms wil je alleen woorden over de liefde lezen. Er is iemand die dat weet.

Soms zijn er zinnen waar je jaren op moet wachten. Jaren van omtrekkende bewegingen, tot je klaar bent. Misschien was die zin er al die tijd al.

Soms heb je geen keuze, weet je dat de vlucht geen zin meer heeft. Je ziet in je hoofd de plek waar je niet naartoe wilt gaan, en je weet dat je dat wel zou moeten doen. Zodra je tussen hier en daar een woord legt dat zorgt voor een klein geultje, ontbloot de plek zich voorzichtig.

Soms zie je de brieven die je zou schrijven. Een heel stapeltje, voor wie je lief is in dit leven. Ze zouden je laten vertrekken.

Soms moet je hen alleen maar volgen.

Soms zijn de woorden je adem. Je schuift, ongemerkt maar verhoopt, in hun ritme.

Soms zie je het verlangen van het witte blad.

Soms ruik je de woorden. Soms zie je hoe ze licht geven, ergens in een boek.

Soms zie je de macht van de woorden. Ze liggen daar, binnen handbereik. Je hoeft ze enkel te nemen om te kunnen slaan.

Soms begrijp je niets van hun mysterie. Soms weet je niet hoe wat je hier schrijft elders iets kan doen bewegen. Je weet niet zeker waar de woorden zijn, tussen jouw vingers hier en die ogen daar. Misschien ziet iemand iets.

Soms raken de woorden aan wie je zou willen zijn. Beter dan je falende handen.

Soms hoop je dat anderen alleen je woorden zien, alleen je verhaal, terwijl je daar staat. Door dat zelf bijna te geloven kun je de zwaartekracht vergeten.

Soms zie je hoe de zinnen in je lichaam zijn gebrand. Soms zie je waar de woorden zijn die het weer zouden kunnen helen.

Soms heb je niet meer nodig dan die ene zin in dat ene liedje om, telkens weer, je tranen te vinden. Waar in je lichaam worden die zinnen bewaard?

Soms zie je hun troost, niet door wat ze zeggen maar door wat ze zijn.

Soms kijk je naar je handschrift, als een onwetende. Als iemand die door een gang loopt, niet weet in welk huis hij is binnengegaan.

Soms kunnen de woorden over de goden praten, soms liggen ze tussen jou en de demonen.

Soms zijn woorden  genoeg.

Soms niet.

09 mei 2019

Onbestemd

Beetje ingewikkeld.

Dus beetje normaal, eigenlijk.

Misschien heeft je lichaam een eigen verhaal, misschien moet je gewoon kijken, misschien weet het wat jij niet weet. Je dacht het al eerder, iets in die zin. Alleen is dat niet weten, dat onbekende, nog altijd hier, en niet daar. Misschien kun je niet zomaar zien wie je bent, je kunt je tegelijk niet onttrekken aan jezelf. En ook als je dat doet, ook als je je losmaakt, dan ben je nog steeds hier, dan ben je dat losmaken.

Een beetje ingewikkeld, dus.

Soms verlang je naar begrijpen. Het lezen van elk stukje zwaartekracht. Alles zien zou al veel zijn. Ook in afwezigheid kun je zijn. Het voornemen om alleen te kijken is al nobel. Dat je lichaam dingen doet die vreemd zijn, maakt jezelf nog niet tot de andere. Je huid heeft een geheugen. Bevroren bewegingen. Soms zou je ze willen begrijpen. En misschien is dat het verkeerde woord. Zoals toen ze je vroeg om haar je hand te geven en je hand ergens onderweg besliste. Je zag het. De omgekeerde weg. Alsof je hand probeerde de woorden ‘geef me je hand’ te interpreteren en verloren liep in de vertaling.

Misschien is het daar. Waar je in onbestemdheid bent. Misschien is het goed om daar te staan.

Een lange omweg, denk je ineens. Of niet.

Dus, dat blad dat je kreeg, met die getallen op. De resultaten van het bloedonderzoek. Die paar woorden die je had gehoord aan de telefoon. Dat de meeste dingen heel goed waren, en sommige toch niet echt. Later zou je horen dat het op een genuanceerde manier beter was dan je even dacht. De dokter legde je rustig uit hoe normaal de meeste dingen waren die niet zo goed waren (naast al de dingen die eigenlijk heel erg goed waren). Dat andere dan, ze liet je zien hoe complex het was, en je zag het. Ze vroeg of ze je geholpen had. Ze zei dat je eigenlijk al alles deed wat je zelf kon doen. En je wou zeggen dat je best wel met die onbestemdheid kon leven. Je zag het, het maakte je rustiger.

Je probeerde haar iets te zeggen over de paniek die er was geweest in je lichaam, in jouw onbestemdheid, als het ware.

(Op weg terug naar huis waren er alleen maar tranen.)

Hoe die kleine dingen je plots wankelend kunnen maken, alsof je ineens van zand zou zijn.

Je probeerde het haar uit te leggen, en dat was goed. Misschien is wankelen ook gewoon een moment van zijn.

Proberen te lezen welke verhalen er huizen in de uithuizigheid van dat moment. Misschien herinnert het lichaam zich de afwezigheid van een nulpunt, van oorsprong en bestemming. In dat moment. En is er heel even niets tussen jou en de wind (zoals het misschien altijd al was). Het is een verhaal.

Er is nog een verhaal. Misschien zou je niet kunnen zien waar het ene verhaal zich terugtrekt voor het andere. Misschien geeft dat niet.

Het kankerverhaal. (Dat had je ineens gezien.) De eenvoudige formulering is dat je lichaam je in de steek laat. Dat lijkt te impliceren dat je voor dat moment wist waar je was, maar misschien is die gedachte te rooskleurig.

Die ziekte dus, die er op een bepaalde manier voor zorgde dat je lichaam je heel vertrouwd werd en je ook deed beseffen dat je het niet kon vertrouwen. (Soms ben je in de war met de verleden en de tegenwoordige tijd in een zin.)

En de jaren sinds toen. Hoe je heel langzaam uit de gevarenzone kwam, hoe je heel langzaam weer in meer dan enkel het nu wilde zijn, hoe je plannen begon te maken. Hoe het leek alsof het mocht. (Verhalen raken elkaar.) Hoe er een rust kwam, of iets dat daarop leek. Hoe je soms al leek te vergeten wat er was gebeurd. En hoe je ook ineens, op een onbewaakt moment (een onbewaakt moment, zijn er andere?), totaal onvoorbereid weer ‘toen’ kon zijn. Hoe alles ineens, heel even, heel totaal kon wankelen. Waarna het weer gewoon overging, zoals al die andere keren.

En misschien is er een stuk dat al die tijd wou zeggen dat je alles zou doen wat je zou kunnen doen, alles wat je zelf zou kunnen controleren, en dat je dan het leven in je handen zou kunnen houden, blijven houden, dat je dan zomaar zou kunnen blijven leven. En zo is het niet, natuurlijk, al zou het wel handig zijn. Soms zeggen de dingen je dat je die controle niet cadeau zult krijgen. Zoals een brief over een schuldsaldoverzekering. Of een blad met getalletjes.

(Je zag die dingen, op weg naar huis.)

Soms als je leest, zie je onveiligheid, soms zie je onbestemdheid. Dat dacht je wat later. En ook wat later dacht je ineens terug aan die eerste nacht in het ziekenhuis, na de operatie. Hoe je ’s avonds laat naar je kamer werd gebracht. Hoe je daar was, die nacht, alleen. Hoe fijn het was dat er een beetje licht was, en hoe veilig je je toen voelde. Hoe het water voelde, dat je uit een doekje kon opzuigen.

Misschien zie je wel beter hoe de verhalen in elkaar schuiven, en misschien is dat wel goed. Ook in afwezigheid kun je zijn. Zoals je ook thuis kunt zijn daar waar je bent, hier dus.

05 mei 2019

Afstanden

‘Toch goed dat we lekker kunnen stappen, slenteren is niet zo mijn ding.’
‘Nee, dat heb ik al gemerkt.’
‘Soms helpt het ook een beetje om zo mijn gedachten voor te blijven, of er beter naast te kunnen lopen of zo. Ik kan het niet goed uitleggen. De beweging helpt tegen opgezogen worden.’
‘Gebeurt dat dan wel eens?’
‘Misschien niet, maar ik denk het soms wel, dat het zou kunnen.’
‘En proberen voor jezelf uit te lopen helpt dus?’
‘Ik denk het. Het heeft iets met het woord afstand te maken. Ik vind dat een ingewikkeld woord.’
‘Verlang je dan naar afstand, of net niet?’
‘Misschien wel allebei. Soms voel ik een afstand tot mijn lichaam, alsof ik er niet helemaal mee kan samenvallen. En daardoor maak ik soms misschien ook wel afstand, terwijl ik het tegenovergestelde zou willen.’
‘Zeggen mensen je dat dan?’
‘Ja, soms wel. Ik herinner me iemand die het me zei, dat afstand het wezen was van wie ik ben. Wat er op dat moment gebeurde was ingewikkelder dan dat, maar ze had ook wel gelijk, eigenlijk. Misschien is machteloosheid ook wel een vorm van afstand?’
‘Ik ervaar soms vooral de afstand tot anderen. Anderen die uiteindelijk gewoon met zichzelf bezig zijn, zich niet echt openen, of dat niet kunnen of willen.’
‘Misschien zijn we soms allemaal wel bang van kwetsbaar zijn of van niet kunnen beantwoorden aan verwachtingen.’
‘Ja, bij sommigen is dat zo. Anderen kunnen precies alleen maar naar een foto van zichzelf kijken.’
‘Liever een foto dan een spiegel.’
‘Inderdaad. Een spiegel beweegt ook.’
‘Het maakt me soms een beetje moe, te merken hoe je lichaam als het ware is volgeschreven met zinnen die niet de jouwe zijn. Het is alsof die tussen jou en jezelf in komen. Al kan dat natuurlijk niet echt, want die versie met die zinnen ben je zelf. Je kunt niet aan jezelf ontsnappen, en zo is er tegelijk te veel en te weinig afstand.’
‘Als je zoiets vertelt, is het soms alsof ik het begrijp, terwijl ik het toch niet echt kan voelen. Ik zie het wel bij jou, in hoe je beweegt. Dat zien kan ik voelen, maar bij mezelf lukt me dat niet helemaal.’
‘Op een bepaalde manier is dat een goed teken, dat je dat niet echt zelf kunt voelen.’
‘Ja, voor mij misschien wel. Maar misschien is dat ook een afstand tussen jou en mij.’
‘Misschien wel, maar het is niet zo erg.’
‘Het is, of was, soms een beetje ingewikkeld voor mij, hoe jij tegelijk dichtbij en toch een beetje ver weg bent.’
‘Ik weet het. Soms schaam ik me er een beetje voor.’
‘Dat hoeft helemaal niet.’
‘Dat weet ik.’
‘Je hebt me eigenlijk veel over mezelf geleerd. Ik moet nu denken aan een dans. Als je met iemand de tango wilt dansen die zelf niet goed weet hoe hij die tango in zijn lichaam moet loslaten zie je ook beter hoe je zelf beweegt.’
‘En als dat iemand is die gewoon niet kan dansen?’
‘Dan is het niet interessant. Maar in het beeld dat ik heb is het net iemand die heel graag zou willen dansen, die de dans in zichzelf bijna kan zien.’
‘Maar als jij dan gewoon heel graag meteen wilt dansen, en het al wel heel goed kunt, dan is dat toch tijdverlies?’
‘Het kan zijn dat je heel graag wilt dansen én daarna ook nog een goed gesprek wilt hebben.’
‘Over dat dansen?’
‘Misschien. Je kunt praten over de afstand tot de dans, maar ook over de afstand tot de woorden. Wat dat betreft ben ik dan weer niet zo’n goede danser.’
‘Het duizelt een beetje in mijn hoofd, maar ik denk dat je niet iets heel interessants hebt gezegd.’
‘Wees maar gerust. Maar ik ga het niet herhalen.’
‘Misschien zal ik het je vragen in een brief.’
‘Gaan we weer brieven schrijven?’
‘Wie weet.’

04 mei 2019

Iets over falen

Er kan een zeker gevoel van lichte controle over de werkelijkheid en bijgevolg aarzelende rust uitgaan van een mooie amendemententabel. (Er is gelukkig maar een beperkt aantal mensen in de wereld dat dit enigszins merkwaardig klein genot zal herkennen. De 99% anderen hebben nog altijd sinterklaas.)

Vaststellen dat de overigens geweldige Afrikaanse zangeres op het podium een karaktervol hoofddeksel draagt. Jezelf erop betrappen dat je je afvraagt of je die plooien in die hoedconstructie zelf moet strijken, en zo ja, hoe je dat ding dan op je strijkplank moet leggen om dat te doen.

Tijdens dat concert verder lekker dollen qua stoelgericht dansen met de vriendin naast je. In principe ben je niet verpletterend echt een fan van het fenomeen ‘publieksparticipatie’ tijdens een concert. Gewoon lekker zitten kijken en luisteren volstaat behoorlijk, eigenlijk. Dansen is ongetwijfeld wel goed voor je karma. Maar met dat lange rammelende lijf tussen die rijen stoelen elegant bewegen is soms een klein beetje moeilijk. Zittende bewegingen kietelen het karma ook wel, hoop je.

Hoekig door de dag bewegen, alsof je jezelf zou willen kunnen uitdeuken. (Dat zou eigenlijk geweldig zijn.)

Tijdens de vergadering uitleggen dat het fijn is dat je op tijd kunt vertrekken omdat je de afwas nog moet doen. Waarna een heel gesprek volgt over potentieel relatiereddende aspecten van de afwas. Voor je relatie met jezelf is die ook inderdaad belangrijk. Een dag moeten beginnen met een aanrecht in de keuken dat niet leeg is, brengt ongetwijfeld ongeluk van kosmische aard, zoals neerstortende dino’s of zo.

Na de vergadering geconfronteerd worden met een enigszins merkwaardige aberratie van de menselijke geschiedenis, in de vorm van een bierfiets met een trosje studenten in de prelallende fase. In een flits, ergens in een achterafkamertje van je brein, een zeer lichte neiging tot zachte weerstand waarnemen. Je in die flits kunnen voorstellen dat je een soort roze bazooka zou hebben waarmee je een heel klein en zacht bommetje zou kunnen zenden naar de bewuste bierfiets. Het zou de vorm hebben van een blinkende bel uit een bellenblazer, dus wat dat betreft ongevaarlijk. Het zou enkel leiden tot een vorm van precisiejeuk, in de kuiten of zo. Over dat laatste valt te onderhandelen.

Je vrije dag halverwege de week kan nuttig besteed worden in het kader van het bevorderen van de arbeidsethiek. Poging tot het huis poetsen, dus. Dat het een poging is, besef je steeds weer wanneer je bezig bent. Zodra je aan het ene begint, zie je de 99 andere dingen die je eigenlijk zou moeten doen. Poetsen helpt je dus om in te zien wat voor alle onderdelen van je leven geldt: het is een edele vorm van permanent falen. (In jouw geval toch. Die 99% anderen hebben gelukkig wel alles onder controle. In het leven.) Na lang aarzelen en interne dialoog begin je – in het kader van de zelfopvoeding – aan dat stuk van de kast waar alle ‘overschotdingen’ worden gelegd of gegooid. Van die dingen waarvan je eigenlijk niet weet waar je die zou moeten leggen en die je wel regelmatig nodig hebt, of zou kunnen hebben of waarvan je beseft dat je die waarschijnlijk nooit nodig zult hebben maar die je toch niet kunt weggooien. Prulletjes. Zo’n prulletjesplek bestaat ongetwijfeld niet bij die 99% anderen met hun feilloos gemanagede huishouden.

Allerlei goede voornemens maken die tot een extreme gezondheid zouden moeten leiden. Dat idee helpt nog niet echt om je wankele falende zelf voort te stuwen in de vaart der volkeren. Er moet een soort erfschuld zijn of zo, in jouw geval dan toch.

Vaststellen dat het bekijken van een amendemententabel je net iets meer levensvreugde geeft dan het maken van een jaarverslag.

Een rare uitspraak op de radio. Bij de rellen in die andere hoofdstad zou er sprake zijn van een “harde kern van anarchisten”. Om een of andere reden is dat een contradictio in terminis, denk je.

Na de avondvergadering die vroeger begon dan anders toch nog een stukje afwas doen. Er is een rangorde in de prioriteiten in functie van het project ‘doe altijd het goede in het leven en gij zult in de hemel een eindeloos trekkingsrecht qua chocolade hebben’. De afwas afwerken voor je naar de vergadering vertrekt is erg belangrijk. Als de vergadering echter een half uur of uur vroeger begint dan in je normale bioritme voorzien is dreigt er een conflict met een andere belangrijke waarde, zijnde: wees steeds op tijd voor een vergadering. Het op tijd zijn krijgt dan uiteindelijk voorrang, maar dat laatste stukje afwas dient wel te worden uitgevoerd voor je je mag neerleggen in de zetel om die laatste afleveringen te zien van die geweldige reeks Togetherness.

Tijdens het kijken naar die geweldige reeks met die geweldige acteurs en actrices in de war zijn in de innerlijke dialoog. Er is die ene actrice die je altijd graag bezig ziet, om redenen die je zelf niet helemaal begrijpt. Het heeft iets met die lach en met die enigszins forse wenkbrauwen te maken, onder meer. Je stelt vast dat ze tussen het eerste en het tweede seizoen een borstvergroting heeft laten uitvoeren, en dat maakt je om een of andere reden verschrikkelijk verdrietig. (Dat ze het onderwerp in kwestie in het eerste seizoen enkele keren op geheel functionele wijze laat zien maakt het nog ingewikkelder.) Ze blijft even grappig botsen met het leven, maar het is zo jammer denk je. (Waarna je je afvraagt of je dat eigenlijk wel mag denken, dat je dat jammer vindt. Waarschijnlijk zul je daarmee toch iets doen dat niet mag van de goden.)

Er zijn dagen met filemomenten. Alsof iedereen alles van jou nodig heeft net op het moment dat je eigenlijk bijna naar je trein zou moeten om zo nog netjes alle dingen te kunnen doen die je je had voorgenomen. Net op dat moment blijkt je mail te zijn uitgevallen. Je scherm legt je uit dat je eigen naam en paswoord blijkbaar niet volstaan om tot de mailkosmos te worden toegelaten. Eigenlijk wil je in het leven altijd alles netjes afwerken, denk je, net voor je weer beseft dat je eigenlijk permanent faalt in alles. Gelukkig voor hen kennen die 99% anderen dat gevoel niet. (Uiteindelijk komt, zoals meestal, alles een beetje goed, wat als eindconclusie van je leven aanvaardbaar zou kunnen zijn.)

Een rare uitspraak van de treinmeneer nadat je trein opvallend traag begint te rijden. “We hebben vertraging omdat er een trein voor ons rijdt.” Om een of andere reden dacht je tot nu toe dat het concept treinsporen enigszins impliceerde dat er in principe altijd een trein voor je en achter je kan rijden. Het leven is ingewikkeld voor de 1%.

Het eigenlijk wel lekker vinden dat je een hele avond in het Engels over Europa kunt praten met die fijne mensen naast je en merken hoe diep ergens in je buik Europa nog steeds zit.

In het kader van de achterstallige lijstjesonderdelen, en ook van de algemene existentiële verlangens, een poging doen om het terrasproject verder af te werken. Dromen van allerlei planten en bloemen en struiken die jou op je terras met het leven zouden kunnen verzoenen en andermaal in de winkel met die 7 miljoen plantjes beseffen dat je geen idee hebt van waar je mee bezig bent. Met een ernstig gezicht toch plantjes meenemen en daarna aan de terrasgoden vragen erover te waken.

Een rare uitspraak van een jongen die in de tot een soort strand omgebouwde hoofdstraat naar zijn moeder roept, enkele meters verder. “Mama, mijn telefoon is plat, dus ik ben nu onbereikbaar.” Wil dat dan zeggen dat enkel die jongen zijn eigen woorden hoort en dat die mama die dan niet kan horen?

Je bent niet slim genoeg voor de wereld, dat is duidelijk. Gelukkig zijn die 99% anderen dat wel.

28 april 2019

Aarzelwegen

Verlangen naar dingen met korte zinnen.

Dansen in de keuken.

Wat zou je tegen haar zeggen in het echt?

Die schouder, welke restpijn zou het zijn?

Niet helemaal zeker weten of je jezelf aan de nacht wilt geven.

Wie was dat in je droom?

Het hoofd kun je je niet herinneren, de rest wel.

Een klein hoofdpijnplekje en iets in je arm.

Je lichaam herschikt zich.

(Die kleine schokjes tijdens het concert.)

De kranten zijn geduldig.

Uitstellen van genot, voor gevorderden.

De kleur van de wasmand.

Het schikken van de dingen.

Alsof je lichaam nog niet klaar is om te antwoorden.

Verwarschaamte.

Heb je niets leukers te vertellen?

Wie zul je kiezen?

Wankelverlossing.

Koude handen, even.

(Toen, gloed.)

Wat ze je zei, waar het wacht.

Kijken naar wachtleegte.

Waar het zich bevindt, je zou het kunnen aanraken.

Slaapkanteling.

Zoeken naar een zeeligging.

Stel je voor, dat je nu de zee zou zijn.

Je zag die film al drie keer, denk je.

Misschien zijn het haar schouders.

Je zou iets moeten doen, misschien.

De genade van de zondagmelancholie.

Enkele potten op het terras herschikken.

Soms, wanneer je iets doet, zie je wat je nog zou moeten doen.

Plantenonzekerheid.

Waarom groeien die planten binnen nu beter dan vroeger?

Als je langer zou wachten zou je meer pijn voelen.

Welke lichaamsweg je zou moeten nemen.

Je leest het boekje uit.

Lichte woordweerstand, maar je denkt dat je het begrijpt.

Je kijkt naar plekken.

Zomaartranen.

Aardappelen op zondag.

Kleine stukjes opruimen.

(Alsof je niet helemaal samenviel met jezelf.)

De wijn.

Kinderverwarring.

(Uitgestelde vragen, dat is misschien wel goed.)

Voetstraling.

Zou je kunnen weten wat je opgespaard hebt?

En binnenkort, als de dingen zijn gaan liggen, zul je.

Het afwaswater spoelt weg.

Het ritueel.

27 april 2019

Gaten

(En je verlangt naar woorden die je huid zacht zouden maken, je hoofd doorwaadbaar. Alsof de wind zomaar door je heen zou kunnen. En dan zou je kijken, alleen maar kijken.)

Eerder.

(Je had je dat lange weekend iets anders voorgesteld. Leger of zo.)

(Waardoor er weinig tijd is voor naweeën, uitdijende rimpels op het water van je lichaam. Misschien stellen ze zichzelf uit. Het is wachten.)

Verder kneden aan een tekst. (Je moest een drempel over. Je had gekeken naar die drempel.) Daarna een eindeloze tabel in elkaar knutselen.

(Je moet in een tekst gaan staan om hem te voelen ademen, om hem zachtjes uit te spreiden in de tijd. En tegelijk wil je een beetje buiten de tekst staan, zodat iets je niet kan raken.)

Of je ook nog naar de vergadering komt, vraagt ze. Je gaat.

(En elke keer hoop je dat de dingen stoppen, dat men gewoon zal zeggen dat het klaar is. Je zou het willen. Je ziet ook iets over tektonische platen en woorden. Dat inzicht verandert iets in je lichaam.)

Er zijn ook nog al die andere dingen die je moet doen. Je probeert te laveren, blokjes op een rij te zetten. (De rest is voor later.)

En nog een tabel.

In de wachtzaal. Je denkt aan die ene houding, iets met je armen. Het brengt je helemaal terug. (Je hoort het aan je stem.)

De laatste aflevering van die mooie reeks. Hoe vaak het terugkwam: het spijt me.

Een ochtend. Treinen in vertraging. (Ergens, zoveel kilometer van hier is iemand niet meer.)

Je zit in het statige rode halfrond. Je kijkt naar mensen. Mensen aan de andere kant van de zaal hebben blijkbaar goed door wanneer je je zit te ergeren.

Ze staan allemaal aan die tafeltjes. Er komen intelligente antwoorden. (Sommige ervan herken je, om een of andere reden.) Er komen ook enigszins onnozele antwoorden. (De omgeving zet aan tot diplomatisch taalgebruik.)

Daarna snel je weg. Er wacht een tabel. (Zouden tabellen op zich eenzaam zijn?)

Bijna thuis, eerst een omweg langs de truffels. Dé truffels.

Zo’n mooi concert, mooi omringd. Alsof de verhalen zich zomaar neer zouden kunnen leggen.

Een andere dag.

Die middag sta je met enkele dierbare vrienden te kijken. Het fietspad draagt de naam van een bekende. Het doet goed daar te zijn, je zou iets van de tijd willen aanraken. Het is mooi dat je er een deel van mag zijn.

Bij de studenten vertel je over vliegtuigen. (Iemand had je iets gezegd over een rockster.) Het ontroert je, hoe ze kijken, hoe ze je dingen komen vragen.


In de trein stuur je berichtjes. Om mensen dichterbij te halen, nu je alleen maar onderweg bent.

(Je hebt niet erg veel zin om naar die volgende vergadering te gaan. Je zou liever gewoon ja willen kunnen zeggen op die vraag of je die avond vrij bent.)

Je bent wat te vroeg. Je gaat nog even in het park zitten, onder een dreigende lucht. Kindjes rennen heen en weer, achter je. Ze verkennen een wereld.

De vergadering. (Enkele dagen geleden had je een beeld, je lichaam had een beeld, over wat dit moment betekende.) De tekst ligt er bijna. Sommigen trekken nog, naar hier, naar daar. Soms is het moeilijk je kindje los te laten, of zoiets.

Een andere dag.

Het is toch wel spannend om een of andere reden. Gewoon in die vergadering mogen zitten. Die plek waar je zoveel uur doorbracht een tijd geleden. Je zegt aan de burgemeester dat je de truffels bij hebt. Misschien is dat het enige dat echt belangrijk is.

Enkele telefoontjes. Snel schakelen.

Een vergadering in de blauwe zaal. De minister zit recht tegenover je. Het lijkt niet zijn beste dag te zijn, denk je.

(Je lichaam zou lege plekken kunnen gebruiken.)

(Tussendoor probeer je te bellen om de uitslag te horen van het onderzoek.)

Een vergadering. Een lang gesprek. Snel koken. (Om later op de avond te kunnen eten.)

Nog een laatste vergadering voor de dag. Het voelt anders aan, rustiger, trager, hoe moe je ook bent. Je bent blij dat een vriend het goed maakt, hoopt dat hij snel weer helemaal in orde zal zijn.

(Uitstellen van genot is een specifieke competentie, waar jij goed in bent, leg je uit. Sommigen glimlachen.)

Een ochtend.

Vroeg opstaan om nog maar eens verder te kneden aan de tekst. Je hoopt dat het de laatste keer zal zijn. Je zou alles netjes uit handen willen geven.

Boodschappenronde. Een verhelderend gesprek over scheermesjes. Trots vertellen over de kinderen van je zus. (Denken dat je graag veel tijd zou willen kunnen verliezen.)

Een tekst die je nog moet schrijven. Iets over afpakken. In een grotere leegte was er misschien een andere tekst gekomen. (Het is wat het is.)

En toch al iets kunnen doen voor je terras.

En dan nog die ene vergadering voorbereiden. Je probeert het overzicht snel in je hoofd te krijgen. (Nog even wachten op de lege plek. Iets heeft je nodig.)

(Je ziet iets als een rode draad in de week.)

21 april 2019

Terugtocht

‘Het is goed dat je heel voorzichtig bij me kwam zitten.’
‘Ik heb lang geaarzeld.’
‘Waarom?’
‘Soms straal je iets uit als: kom bij me, maar raak me niet aan.’
‘Misschien wel. Je bent niet de eerste die dat zegt.’
‘En niet de laatste waarschijnlijk.’
‘Sorry voor mijn verwarring. Het is alsof ik een beetje verdoofd ben of zo, of bevroren.’
‘Ik zie het wel een beetje, denk ik.’
‘Het is alsof ik in de verte zie wat ik voel, maar ik weet het nog niet.’
‘Misschien moet je gewoon een beetje wachten.’
‘Heb je dat soms ook? Dat er zo te veel dingen in lagen in je liggen, rommelig op en door elkaar. Alsof er door wat er gebeurde of door wat iemand zei of door waar je was er tegelijk zeventien dingen getriggerd worden, ergens in je lichaam. En dat je dat allemaal zo’n beetje ziet gebeuren, hoewel het wat tolt in je hoofd. En hoe je eigenlijk al die dingen afzonderlijk zou willen kunnen bekijken, maar dat ze allemaal komen. En dat je denkt dat je ze misschien afzonderlijk wel allemaal netjes zou kunnen aanraken en naast je neer leggen, in het gras of zo. Maar dat je de kans niet krijgt.’
‘Ja, ik denk het wel. Niet echt zoals bij jou, maar toch ongeveer.’
‘Nadien zou je dan die dingen als het ware samen met je kleren willen kunnen afleggen, om je te kunnen zuiveren, met zacht water. Maar zo gaat dat niet. Je moet gewoon wachten.’
‘En is het gemakkelijker zoals nu om niet alleen te zijn?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien zou het net goed zijn, om op een of andere manier aangeraakt te worden. Misschien ook niet. Als jij iemand zou zijn die ik niet goed ken, zou ik denken dat ik iets moet doen of zo.’
‘Zoals wat?’
‘Gezellig.’
‘Waarom?’
‘Dat kreeg ik vroeger vaak te horen, dat ik eens een beetje gezellig moest zijn.’
‘Jij kunt op andere momenten best heel gezellig zijn, maar eigenlijk ben je altijd wel jezelf.’
‘Als ik zo moet wachten, zoals nu, en ik zou dan te veel moeite doen om iets te zijn wat anderen gezellig zouden kunnen noemen, dan zou ik een beetje in twee splitsen of zo, mezelf kwijtraken.’
‘Doe dat dus maar niet. We kunnen hier gewoon zitten kijken. Traag kijken.’
‘Heb je vrijdagavond die maan gezien?’
‘O ja. Die was zo hevig aanwezig. Een zelfverzekerde maan.’
‘Ik was thuisgekomen na een feestje, en ik heb nog een hele tijd staan kijken. Het was een beetje alsof iets of iemand me iets wilde zeggen.’
‘Het zal ook wel iets met eenhoorns te maken hebben, ongetwijfeld.’
‘Ja, dat denk ik wel.’
‘Wat denk je nu? Wat zou je willen?’
‘Denken niet veel eigenlijk. Het is alsof mijn lichaam nog altijd een beetje te vol is, met al die lagen. Al wordt het stilaan rustiger, de wind is al een beetje gaan liggen. Ik begin langzaam weer samen te vallen met mezelf.’
‘Dan zie je er nu dus minder wazig uit?’
‘Ja, inderdaad.’
‘Ik dacht al dat ik iets zag.’
‘Ja ja, dat zal wel.’
‘Er is altijd ook wel ergens een stemmetje van een verlangen dat stiekem zou willen dat iemand die dingen van je af neemt, zo een per een. Maar zo werkt het ook niet.’
‘Misschien een beetje wel, door warme lucht ertussen.’
‘En dat je dan ook vanbinnen lekker warm krijgt, in plaats van alleen vanbuiten?’
‘Ja.’
‘Dat is wel een fijne gedachte. Weliswaar ook beangstigend, maar ook fijn. Desalniettemin.’
‘Wat een woord.’
‘Ja, dat is een woord dat zomaar op bezoek kan komen. Onaangekondigd.’
‘En heb je dan koekjes in huis? Voor onaangekondigd bezoek?’
‘Op dit moment alleen paaseitjes.’
‘Mmm.’