01 juni 2020

Gedachten 76

Een weekdag. Blijkbaar ben je week, op deze dag.

Wakker worden in een rare droom.

Je rug is ook aanwezig, en zal dat blijven.

Beginnen alsof het een werkdag is. (Hoewel je zin hebt om veel tijd te verliezen, gewoon zomaar.)

Het nieuws bij elkaar zoeken. Op maandag eigenlijk vrijdag voorbereiden.

En dan die andere klus die je je had voorgenomen. Je leest je circulair weer in. Er is een kleine tekstdrempelvrees. Je wilt het eerst allemaal een beetje in je hoofd zien.

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou?

Je krijgt een antwoord van ongeveer de andere kant van de wereld. (Het blijft moeilijk om te vatten hoe dat werkt. Het geeft niet, het is alsof ze dichtbij is.)

Tussendoor kijken naar weer een thuisconcert van de geweldige Richard Thompson.

De stukjes van de tekst beginnen zich in je hoofd op te stellen.

Je hebt een lekker stuk van de krant voor het laatst gehouden. (Krantenplanning in verlengde weekends, ook dat is een vorm van uitstellen van genot.) Het boekenkatern. Een verhaal over een recensent die behoorlijk fout bezig was. Het houdt je al enkele dagen bezig, sinds je er voor het eerst iets over las. Het verhaal van de recensente die over de hele zaak vertelt raakt je. (… iets over mannen.) En je bent het net als zij toch ook niet eens met die schrijfster die zegt dat een recensie ‘neutraal’ moet zijn. (Beelden komen terug uit je opleiding, over de ‘fallacies’ van de literaire kritiek. Je hebt al meteen allerlei antwoorden klaar.) Je zou graag eens doorpraten met die recensente, denk je.

Het interview met de schrijfster ontroert je, ook. En er is de bespreking van het boek waar je net in begonnen bent. En een stuk over de essayiste die je zo bewondert. (Telkens als je van haar een tekst leest op The Guardian kun je niet anders dan woew zeggen.)

(Lezen over boeken is naast een genot ook een beetje bedrieglijk. Het is alsof je al een klein beetje in dat boek bent, alsof het boek al een klein beetje in jou is. Alsof je je daardoor een heel klein beetje groter voelt dan je eigenlijk bent, qua permanent falend wezen. Alsof het net een heel klein beetje minder erg wordt dat je die eindeloze hoop boeken nog niet gelezen hebt. En natuurlijk ook omdat je gewoon graag luistert naar iemand die op een mooie manier over een boek vertelt.)

(In de opleiding leerde je dat je zelf een eigen poëtica zou moeten hebben. Je zou er nog altijd niet goed op kunnen antwoorden als je de vraag kreeg naar de jouwe. Je kunt wel vrij snel weten, alleen al door naar een boek te kijken, of het iets voor jou zal zijn. Soms weet je: dit is goed, maar ik wil het niet lezen. Misschien is je antwoord, na al die jaren, dat een boek aan jou zijn noodzaak moet bewijzen. Daar respectvol over nadenken is iets heel anders dan neutraal zijn. Maar het is ook iets heel anders dan recensenten die in hun bespreking meer over zichzelf dan over het boek praten.)

Lekker fietsen. Naar de mensen kijken die je voorbij ziet fietsen of stappen. Hoe ze bewegen, hoe ze in de tijd zijn.

Verder werken aan de tekst. (Nu even doorbijten, jezelf over de drempel duwen.)

Je ziet de beelden van die sheriff die mee opstapt met de betogers. (Tranen.)

Je denkt aan de geweldige Mavis Staples en dat nummer op die plaat met liedjes van de burgerrechtenbeweging. Met die nerveuze stuwende onderbouw door Ry Cooder, en die geweldige videoclip die erbij hoort. (Genoeg volume is nodig.) (Tranen.) (Klein, verward, opstandig.)

De tekst stelt zichzelf samen. Je had verder willen staan, ook al die andere tekst af hebben, maar dat is voor later. (Het mag heel even.)

Je denkt aan dat ook al geweldige nummer uit die geweldige reeks (die je nu al enkele avonden na elkaar zit te verslinden). De dreiging, en dan de explosie. En iets over dansen op de rand van de vulkaan. Het blijft door je hoofd gaan.

Je leest verder in het boek. (Terwijl hoor je dat nummer nog ergens in je hoofd.)

Je ziet het meisje op de fiets voorbij rijden. (Ze is er weer, gelukkig. Dingen die blijven.)

Je ziet de beelden van de betoging in het nieuws. De politieman die ontroerd is. De politieman die knielt.

(En terwijl zal die ene (niet voor publicatie vatbaar) wel aan het golfen zijn zeker? Of zich opwinden omdat iemand op zijn (niet voor publicatie vatbaar) getrapt heeft?)

Je ziet de kleuters die weer naar school mogen glunderen. (Bijna allemaal toch.)

Het is of een deel van je lichaam niet rustig wordt.

De dingen zullen zich wel neerleggen, straks.

En morgen is er de trein, denk je.

Gelukkig is de zee er altijd. Ergens.

31 mei 2020

Gedachten 75

De zondag ligt open, denk je ’s morgens. Net genoeg dingen die je zou moeten doen. Dingen afronden die al even wachten.

Je bent al een beetje gewend aan de nieuwe krant, al is het eerste gevoel nog niet helemaal weg, denk je.

(Misschien heb jij ook niet zoveel behoefte aan lifestyle, whatever that may be.)

Een mooi verhaal gaat heen en weer. Iets over dingen die blijven, en zijn in afwezigheid.

(Je zoekt dat ene stukje terug, over zijn in afwezigheid. Je schrikt een beetje van wat je leest.)

Je ziet mensen dansen in een filmpje.

Je ziet een traag verhaal in een grote lege ruimte.

De nieuwe planten krijgen hun plekje op het terras, in de juiste potten. Je bent benieuwd hoe die bamboe het zal doen. (Er is iets met die hoek van het terras.)

Je hoopt dat ze zich thuis zullen voelen. (Het blijft je soms verbazen dat ze bij je willen blijven.)

(Misschien moet je nog enkele kleine plantjes extra halen. Dat kan een nieuwe opdracht worden.)

Nuttige dingen. Zoals naar de glasbak gaan en je belastingbrief invullen. En ook nog een wasje draaien.

Mensen die ‘in de politiek’ willen gaan. Op zich heb je dat al nooit begrepen. (Je bent heel ouderwets, wat dat betreft. Je hebt een overtuiging, je engageert je en dus doe je dat ook in de politiek. Of zoiets. In de politiek willen gaan, alsof het een doel op zich is, klinkt net iets te instrumenteel, om het vriendelijk te zeggen.) Mensen die in de politiek willen gaan en beginnen met het lezen van Machiavelli, het is toch een beetje foute boel. En die mensen worden dan zo bewonderd omdat ze het spel zo goed spelen. (Door mannen, meestal.)

(Het heeft ook iets met je cynismealarm te maken, waarschijnlijk.)

Je denkt nog aan wat de je de vorige dag las over melancholie.

Het is van de zondag.

Je legt jezelf even neer. Je mag even verdwijnen.

Je leest iets waar je een beetje van schrikt.

In een vers boek beginnen. Je twijfelt nog even tussen twee boeken, al wist je eigenlijk al welk je zou kiezen. Een harde kaft, een nieuwe vertaling van een bekend boek, mooie tekeningen.

Soms kiest een boek jou.

Zoals je ook in de boekhandel door het aanraken van een boek kunt weten of het een goed boek is voor die of die.

De bovenbuurvrouw vertelt je dat ze hoorde dat het zo druk is op de zeedijk.

(Als je je ogen sluit en traag ademt, is de zee niet zo ver weg.)

Het hoort bij dat moment van de zondag. Huidverwarring. Lichte kortsluiting, beelden schuiven door elkaar. Je handen trillen.

Gebakken aardappeltjes herstellen de vrede.

Dingen die blijven, dus.

(Verhalen in je hoofd.)

Er is nog veel wind.

Straks, in de nacht, ga je naar de zee. Zo dichtbij. De zee kan je wiegen.

30 mei 2020

Gedachten 74

Je hoort de klokken al. Het is bijna tijd om te gaan klappen.

Welke rituelen zullen we houden? Voor de tijd die we zullen aanvoelen als de tijd na?

In de verte klapt het kleine meisje met de mooie blonde krullen dapper mee. Ze dartelt over het plein.

Iets later in de dag komen, het is weekend. Het mag misschien.

Je had het al gehoord op de radio, en je ziet het nu, nadat je de kranten uit de brievenbus haalde. De ene krant heeft een nieuwe lay-out. Je eerste indruk is teleurstelling. Het ziet er sneller uit. Ook deze krant lijkt weer iets meer op andere kranten, qua uitzicht dan, denk je. Het maakt je een beetje verdrietig. (Je begint meteen met een interne dialoog om jezelf ervan te overtuigen dat het beter is niets te vinden voorlopig, en het gewoon een beetje te laten gebeuren. Je reactie heeft misschien wel meer met jou dan met de krant te maken, suggereer je.)

Iets in jou is niet zozeer bang van verandering, denk je, maar hoopt wel dat er enkele dingen zijn die blijven. Als kleine plekken waar het veilig is. Of als dingen die niet zomaar steeds weggaan. (In het kader van de zelfopvoeding leg je aan jezelf uit dat het goed is om naar die verlangens te kijken, om daarna dan met open ogen de nieuwe krant te lezen.)

Ondanks de pedagogisch verantwoorde ochtend kom je toch nog te vroeg in de winkel voor de weekendboodschappen. De mevrouw vraagt of je al naar je tweede verblijf bent gegaan. Naar het derde, antwoord je, op ernstige wijze. Je wijst erop dat er te weinig maatschappelijke aandacht is voor het grote probleem van de derdeverblijvers. Even gelooft ze je. Ze vraagt of ze iets gemist heeft in het nieuws. Die paar seconden van twijfel zijn wel mooi.

Je brengt het verjaardagskaartje weg naar het postkantoor. Het verjaardagsbeleid zit stilaan terug op schema.

Je neemt je voor de dingen af te werken die waren blijven liggen de vorige dagen.

De kosmos daagt je even uit. Na vijf minuten valt je computer ineens helemaal uit. (Er zit een diepere wijsheid in het besef van de veranderlijkheid en onbestendigheid van de dingen, geheel boeddhistisch verantwoord, maar een computer die gewoon werkt is natuurlijk ook wel handig. Gedurende een lange minuut wordt de zelfopvoeding onder druk gezet. Na diep ademen en op de knop duwen, start het ding weer op.)

Op magische wijze heeft je laptop zich helemaal hersteld. De vorige dagen kreeg je een melding om je op de hoogte te brengen dat het installeren van updates niet gelukt was en dat men het later nog eens zou proberen. Voor het geval dat je zelf hulp zou zoeken zou de volgende foutcode handig kunnen zijn, zo stond er. En dan dus die mysterieuze code. Toch wel een beetje een rare boodschap. Je begint te zoeken op de pagina’s die je zouden moeten helpen (en meestal vooral bewijzen dat je dom bent). Er staan allerlei strategieën, waarbij ook het aanklikken van de functie ‘probleemoplosser’. (Ze zouden dat bij sommige mensen ook moeten installeren, dacht je nog even.) Na twee keer de probleemoplosser laten werken had die gezegd dat het probleem niet gevonden was (en dus waarschijnlijk niet opgelost kon worden.) Het was na het reconstrueren van je dromen een van de eerste gedachten van de dag geweest. Of je tot het einde der tijden op die updates zou moeten wachten. Maar het blijkt, na die korte appelflauwte, dat alles spontaan bijgewerkt is, en smoothly werkt.

Het blijft wel een raar gevoel, zo afhankelijk zijn van een apparaat. Een erg kwetsbare vrijheid.

Je schrijft een stukje over een lezing die je binnen enkele maanden gaat geven. Er was je ook gevraagd jezelf te beschrijven, kwestie van jezelf een beetje in de markt te zetten. Je weet niet helemaal zeker of je daarbij ook moet vermelden dat je van echt zure pickles houdt bij de gebakken aardappeltjes. (Dingen die blijven.)

Na de middag een ruim fietstochtje, en nog een pakje thuisbezorgen. Ook dat is weer gelukt.

Opruimen in het huis. Een doos met knuffels en kinderboekjes maakt zich klaar voor een nieuwe bestemming.

Een fijn terrasgesprek met een vriend. Je krijgt zomaar een kleine les over Hannah Ahrendt cadeau. Later als je groot bent, ga je nog eens alles van haar lezen, neem je je voor. (Dat en ook het hele Wohltemperierte Klavier. Maar verder no pressure.)

Je collega en zijn zoon brengen een lading planten voor je terras. Het is fijn hen te zien.

Bij het schrijven merk je dat je rug het langzaam aan het begeven is. Misschien zijn er zinnen die naar buiten willen. Zinnelijkheid kan ook voorwoords zijn.

Leonard Cohen is als een veilige plek, terwijl je rug begint te zinderen.

Er is nog steeds veel wind.

De avondappel is ook een ritueel, denk je. (En straks gaat Babylon Berlin weer verder.) En misschien is het goed om net voor middernacht nog verse lakens op het bed te leggen.

29 mei 2020

Gedachten 73

Lichtjes uitgeput aan de woorden beginnen, na een zware dag. De week mag kantelen.

Buiten is er nog altijd veel wind.

Je hoort een liedje dat net alleen nu kon komen, al weet je niet waarom.

Je plooit je lichaam in de dag. De nacht had net iets langer mogen duren, maar het geeft niet.

Je bekijkt nog eens alle documenten voor de vergadering. Je schrijft in je schriftje wat je straks wilt zeggen.

Eerst nog een andere vergadering, met de vrienden.

En dan dus. Je hebt er weken aan gewerkt. Alles staat netjes in de nota, alles zit in je hoofd. Je licht het punt toe. Het punt wordt goedgekeurd. Na dat stuk vertrek je terug uit de vergadering. (Diepe zucht. Glimlach. Kopje koffie.) (Eigenlijk ben je wel een heel klein beetje trots.)

Je begint aan het werk van elke vrijdag. Het is of je telkens een berg over moet. Zorgvuldig stappen, niet te snel. Elk stukje er netjes in schuiven.

Variant in de categorie roepen naar de radio. Wanneer men de woorden mankracht of bemannen gebruikt. MENS moet het zijn, roep je. (De radio reageert niet.)

Het zou kunnen dat je straks, als de avond daar is, je rug zult voelen, denk je. En dat zou dan goed zijn.

Een verhaal komt naar je toe. En je ziet hen, daar in de verte. Week.

Even fietsen en boodschappen. Even langs de boekhandel.

In de andere winkel, aanschuiven aan de kassa. De mevrouw voor je, met een volle kar, vraagt of jij niet eerst wilt. Er liggen maar drie dingen in je kar. (Eigenlijk ben je trouwens niet zo’n karmens, toch meer een mandjesmens, denk je, maar het geeft niet, alles is goed.) Nee hoor, doet u maar. Het is een goede middagmeditatie.

Je prutst naarstig verder. Je bent ongeveer aan de afdaling begonnen, denk je.

Je krijgt een mooi eenhoornberichtje.

(Je verlangt naar doorwaadbaarheid.)

Je ziet twee buurvrouwen hand in hand voorbij komen. Je ziet twee buurmannen hand in hand voorbij komen (dat was eigenlijk een dag eerder, maar de beelden voegen zich samen). Het maakt je gelukkig.

Je stelt vast dat je veel honger had.

Een mooi terrasgesprek. Het is zomaar een cadeau.

Je rug laat zich langzaam voelen. Je mag voorzichtig een beetje uit elkaar vallen.

(Je hebt nog zoveel te doen, de volgende dagen, maar je hoopt op lege plekken, en wachten op een rivier.)

Dance Me to the End of Love. Dat is het liedje.

Even zie je hoe het zou zijn, een trage dans, en dat je dan alle bewegingen zou weten, zou zijn. Dat het even vloeiend zou zijn als het in je hoofd is. En dat je alle tijd zou hebben om telkens te zoeken en te wachten op die beweging, en dat het zou mogen. Dat het even zou blijven, die lege plek waarin je zou kunnen dansen.

(En dan ook zo’n mooi pak natuurlijk.)

Als je wacht, begint je huid te tintelen.

Het is goed dat de dingen zich even neer gaan leggen.

De beelden van de dag die even op de vluchtheuvel gebleven waren, komen nu naar je toe. Ze schuiven door je heen.

Tot waar de wind waait, zou dat hetzelfde punt zijn waar ook het liedje stopt?

28 mei 2020

Gedachten 72

Soms ben je de dag even kwijt, moet je je even oriënteren in de week. Er zijn van die ankerpunten die je even moet zoeken. (Dit is de dag voor die dag. Die dag is de dag dat het weekend begint. Dit is de dag van de kine. Dit is de dag  van het boekenkatern. Blijkbaar heb je ook een min of meer voorspelbaar kookschema.)

Gelukkig hebben alle andere mensen wel een wild leven.

(Nochtans, in jouw hoofd…)

Je hebt hetzelfde lichaam (min of meer toch) dag na dag, en je hebt dezelfde bureaustoel. Soms past je lichaam er goed op. Soms lukt het van geen kanten.

Er is nog een pakje gearriveerd, zo hoor je. Het evenwicht in de kosmos herstelt zich heel langzaam.

Je knutselt die berichtjes voor de website bij elkaar. (Waardoor je hopelijk van de diverse soosjalmiediakanalen van je werk niet de hele tijd meer van die berichtjes zult krijgen die je erop wijzen dat zoveel volgers al zo lang niets meer van jou gehoord hebben. Het zou ook kunnen bijdragen tot hun levensgeluk dat ze al een tijd niets meer van je hoorden.)

Tijdens de vergadering probeer je een belangwekkende kwestie helder uit te leggen. Je schrikt een beetje van jezelf.

Je probeert in je hoofd de puzzel te leggen van de tekst die die kwestie zou moeten oplossen. Al is het meer: je staat in de ene kamer te kijken naar hoe in de andere kamer de puzzel zal gelegd worden.
In sommige berichten van de krant heb je helemaal geen zin.

Lekker windje, denk je bij het fietsen.

Altijd fijn om de winkel binnen te stappen.

Er hapert iets in de chocoladebevoorrading. Misschien verlangt de chocolade naar zichzelf.

Dansen kan een effectief dipjesantwoord zijn, zo wordt ook door iemand anders bevestigd.

Je zoekt een liedje.

(Je herinnert je nog, hoe je haar dat liedje zag zingen, toen tijdens dat concert. Je weet nog waar je zat in de zaal, met wie je daar was toen.)

(Soms vraag je je af of wat je denkt wel groot genoeg is. Misschien zou het iets meer mogen zijn om als gedachten bij elkaar te harken en naast elkaar te zetten als een hoopje woorden. Misschien is het ritme wel al een beetje genoeg.)

In het kijken van de ene naar de andere kamer ben je ongeveer aan de pretekstuele aarzeling. Je maakt het document al klaar, met netjes geordende titeltjes. Je moet alleen nog de ruimte tussen de titeltjes boetseren.

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou?

Even alleen. Jij en de planten. Voorzichtig enkele dorre stukjes wegplukken. (Als een uitgesteld minikapperbezoek.)

Door proactief ingrijpen voorkomen dat het kookvocht van de rijst er ineens uitpruttelt. Geldt ook voor pasta. Techniek voor gevorderden. (Soms denk je dat je het systeem begrepen hebt. Soms lacht het gepruttel je in je gelaat uit.)

(Het is vervelend om telkens opnieuw, hoewel je dat echt niet wilt, te moeten merken dat je niet bestand bent tegen de stem van die ene mevrouw. Sommige stemmen kunnen je verzoenen met de existentie. Sommige stemmen kunnen je boterzacht maken. Sommige stemmen kunnen ervoor zorgen dat je op alles ja zou zeggen. Sommige stemmen doen je huid tintelen. Maar sommige stemmen doen niets van dat alles.)

Bij het klappen probeer je te kijken naar zij die er niet meer zijn. Ze kijken naar jou. Je buigt voor hen.

Je ziet een bericht voorbij komen dat stelt dat een “knuffelmaatje” of “seksbuddy” in coronatijden zou moeten kunnen voor singles. Verwarring: ligt de nadruk op moeten of op kunnen? Maar verder no pressure. Volgens een officieel Nederlands instituut is het “logisch dat u als single ook lichamelijk contact wilt hebben”. Wel een hele geruststelling dat men dat officieel heeft vastgesteld. (Ingewikkeld.) In het artikel blijkt het over huidhonger te gaan. Dat woord is toch gemakkelijker, om een of andere reden. Of overzichtelijker. (Je zult het eens in de groep van de innerlijke dialoog werpen.)

Kijken naar alles wat is, in de prewoordfase, dat is al genoeg, denk je.

Je wacht op je adem. Je ziet de sporen.

De avond mag komen.

27 mei 2020

Gedachten 71

Ergens in de nacht aan een liedje denken. Uit die plaat die die zanger zo ongeveer letterlijk met zijn laatste adem maakte.

De ochtend is koel en rustig.

Je hebt een gesprek met de planten. Ze kennen al je geheimen.

Het lijstje voor de dag zit in je hoofd. Iets in je lichaam lijkt trager te zijn dan de rest.

Even had je overwogen om de trein te nemen naar de grote stad. Je moet een uitnodiging versturen, en je vreest dat de juiste mailadressen enkel op jouw computer daar te vinden zijn. Tot je ze toch nog op een andere manier kunt recupereren. Het verwarrende gevoel dat je nog niet in de trein zult zitten. (Je lichaam moet er even aan wennen.)

(Je hoort nog eens een bespreking op de radio. Ja dus. Babylon Berlin.)

Een vergadering. Je bent zo blij haar weer te zien, het is al zo lang geleden. Heerlijk hoe die kinderen – geheel toevallig natuurlijk – mee in beeld komen. Getuige zijn van de wonderlijke competenties op het vlak van multitasking van eigentijdse moeders. Iets tegen je kinderen zeggen, terwijl de computer naar een andere kamer verhuizen en tegelijk verder gaan met je toelichting.

Je bent nog steeds niet helemaal aangepast aan het videovergaderen. Jij kunt niet scrollen in een document dat zij presenteert, dompie. Je bent nog steeds te analoog waarschijnlijk.

Het woord dompie leerde je ooit van je nichtje, toen ze nog heel klein was.

(Die ene foto waarop zij in jouw nek zit en jij een enigszins gekke bek trekt is misschien nog wel mee verantwoordelijk voor het ontstaan van het woord dompie.)

Je belt naar het ziekenhuis, om ook die tweede afspraak opnieuw vast te leggen.

Tijdens het fietsen probeer je een oplossing te bedenken voor die tekst die je moet schrijven na die ingewikkelde vergadering van de vorige dag. Terwijl kijk je naar de mensen. Hoe ze bewegen. Hoe ze zich laten aanraken door de zon en de wind.

Tot ieders verbazing blijkt dat twee pakjes al op hun bestemming zijn. Supersonisch. Iets met een eenhoorn, een vos, een paard en een hond.

Een mooi gesprek, in video-etappes. Iets over de aarde die droog wordt.

Je vertelt een verhaal. Het verkrampt je huid.

Iets gaat niet helemaal goed bij het koken. Al is het wel lekker.

Wat je denkt, kan mee bepalen of je voeten koud zijn of niet, stel je vast.

Het meisje in de pas heropende speeltuin. Met een heel ernstige blik ondersteunen dat je maar een half uur mag blijven. Er zijn nog heel wat andere kindjes die ook zullen willen komen. De mama die aan haar dochtertje duidelijk maakt dat een zekere mate van hoog speelrendement aangewezen is, aangezien ze nog maar tien minuten hebben. Of iets in die aard. Eerlijke pretverdeling.

Het verhaal van die kinderen in Afrika, ontsnapt aan hun ontvoerders, nu opnieuw in de gevangenis. Het is een vreselijk verhaal. Op een of andere manier voelt het goed dat dat verhaal weer in beeld kan komen.

(De kramp is nog niet weg. Je legt het in de handen van de zee, zij zal wel het nodige doen.)

Je denkt nog aan je kromme rug.

Mensen hollen en fietsen voorbij, in strakke pakjes. Sommigen zijn al naar de kapper geweest.

Je hoort dat liedje van de vorige nacht. Het raakt je weer midscheeps. Keep me in your heart, for awhile.

Je denkt terug aan die goede vriend. Hij stierf aan dezelfde ziekte. (Die verdomde kloteziekte.) Zijn adem verliet hem ook. Je herinnert je nog jullie laatste telefoongesprek. Hij fluisterde.Iets over hoe moeilijk hij het vond om het leven los te laten.

Je denkt terug aan een interview dat je ooit las (of was het uit die documentaire, je weet het niet meer zeker), met de zoon van de zanger. Hoe er letterlijk net genoeg tijd was om de liedjes op te nemen in de studio. Geen tijd voor twee takes. Het was op.

Je kijkt naar het filmpje. De rivier in jou raakt je aan.

En de wind.

26 mei 2020

Gedachten 70

Variant van te vroeg naar de winkel gaan. Te vroeg naar de kinesiste vertrekken. En je mag daar pas net op tijd aanbellen. Je gaat nog even naar de treinen kijken. Je ziet treinen binnenkomen, en je probeert je nog te herinneren welke trein het is. Je weet het nog.

De competentie ‘op je buik liggen op de behandeltafel met een mondmasker en tegelijk je rug en schouders ontspannen’ wordt verder ontwikkeld.

Op weg naar huis stop je even bij de krantenwinkel onder het station. Het is fijn om de mevrouw van de winkel weer eens te zien.

Je bereidt je nog even voor voor de mogelijk moeilijke vergadering die volgt.

Je kijkt en luistert naar de tussenkomsten in de vergadering. In je hoofd is het alsof elke tussenkomst een plek inneemt op een groot vlak. Tegelijk probeer je al de tekst te zien die al die stellingen zal moeten verzoenen tot iets dat aanvaardbaar kan zijn voor iedereen en toch nog voldoende beet heeft. Dat zal een hele klus worden, het betere evenwichtswerk. Je ziet het nog niet helemaal.

Sommige gesprekken lijken te bewegen op drie niveaus tegelijk, bij wijze van spreken. Wat je ook doet om een of andere structuur voor te bereiden om zo het gesprek in te bedden, het maakt precies niet zoveel verschil. (Al weet je dat dat niet zo is.)

Nadien snel even de stad in. Dit keer is er weinig volk in het postkantoor. Binnen is het enorm rustig en ontvankelijk. Je hebt wel iets met een postkantoor. Normaal is het fijn om gewoon naar de mensen te kijken die wachten of al aan het loket staan. Nu is er bijna niemand. Maar bovenal is een postkantoor ook altijd een deel van een mysterie. Iets van hier zal naar daar gaan. Je geeft de stapel pakjes af. De mevrouw legt je uit welk pakje te dik is. Daarvoor moet je een apart etiket invullen. (Gelukkig heb je er dit keer wel aan gedacht om je bril mee te brengen.) Of het prior moet of niet? De tocht van een pakje naar een welbepaalde gemeente daar in de verte kan – zo lijkt het soms – weken duren. Benieuwd wat het dit keer zal zijn… Als je vertrekt, staat er weer een lange rij tot buiten aan te schuiven. Misschien is de postkantoorgod je goed gezind vandaag.

En na de middag dat ene pakje zelf gaan afgeven. Je legt het voor de deur en belt aan. Ze komt langs de tuin. Je schuift het onder het hek door. Ze merkt niet op (of zegt er niets van) dat je het niet helemaal perfect hebt ingepakt. Even verhalen uitwisselen in drie dimensies. Het maakt je gelukkig.

De mevrouw aan de kassa heeft mooie ogen, denk je. Veel meer kun je niet zien.

Je denkt aan de ogen van die vrouw in die geweldige serie. En aan hoe zij en die man stonden te dansen. Als een gretige overwinning op een kantelende tijd. (Straks ga je weer kijken, weet je.)

Een heel rijtje dingen die je zou moeten doen. Een voor een ga je het rijtje af. Hoe goed het voelt als zoiets lukt.

Je zit nog even buiten op het terras, het einde van de namiddag. Een tussenplek. Je bladert door het tijdschrift, luistert naar het geluid van kinderen, kijkt naar de wind.

Misschien kun je dat ook in jezelf, tussenplekken maken?

Bij het koken ook de dingen een beetje netjes houden. Telkens een beetje opruimen. Het maakt je rustig. Je probeert aandacht te hebben voor elke beweging die je maakt, met het mes, met de lepel, met de pan. Je bent hier.

Er zijn mysteries in het leven. Mensen die erin slagen van een aanrecht binnen vijf minuten een totale chaos te maken. Mensen die altijd te laat komen. Mensen die altijd net een klein beetje op hun bord laten liggen.

Zo een of ander toefje. Tien rijstkorrels of zo. Er gaat een soort angst van uit, denk je soms. Een subtiele horror vacui. Een leegte die onzeker maakt.

Er zijn ook mensen die elk gesprek naar zich toe halen, die zich de verhalen toe-eigenen. Misschien heeft dat ook wel iets met leegteangst te maken.

De man in het journaal die probeert de bomen te helen. De stukjes hout, als een prothese, en het zachte mos, in de wonde.

Helen is een ingewikkeld woord.

Het kleine jongetje fietst voorbij. Zijn papa loopt er hijgend achteraan.

Misschien is fado wel als mos.

25 mei 2020

Gedachten 69

Het licht lijkt zo onschuldig. Het is er gewoon.

En het is niet zo dat het licht onverschillig is of zich afkeert.

Het is er. Zoals het onvatbare leven.

Misschien is het fijn om in god te kunnen geloven. Je bent blij voor hen, hopelijk voelen ze zich geborgen en gedragen, op een weg met een bestemming. Je vindt het al moeilijk genoeg om ook maar iets te vatten van die onstilbare drang tot leven dat het leven zelf is. De immense troost die uitgaat van dat ene grassprietje dat zich tussen het beton door naar buiten wringt. Die drang is zo naakt, zo zonder woorden, zo zonder verklaring, zo zonder grote beginner al ingewikkeld genoeg.

De zee probeert je dat geduldig uit te leggen, en kan daar rustig nog tot in de eeuwigheid mee doorgaan, zee die je bent.

(Hoe kwam je hier nu eigenlijk bij?)

O ja, het licht dus. Misschien is het licht ook wel als een grassprietje dat naar de zee verlangt.

Het licht dat er al is wanneer je wakker wordt.

Je spreidt de week een beetje voor je uit. Je maakt een lijstje, probeert de dagen in je hoofd te zien. Je schikt en herschikt een beetje. (En ook deze week zal alles wel weer een beetje anders lopen.)

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou?

Ze zijn er nog, en er zijn nog verhalen. Je adem legt zich rustig neer bij zichzelf.

Iets over schrijven, en dat boek, dus.

De eerste vergadering van de nieuwe week. Het is jouw verslagbeurt. Je schrijft alles zachtjes op in je schrift.

En je wilt nog veel verhalen horen.

Je denkt nog aan beelden uit die serie waaraan je in het weekend begonnen bent. Je had enigszins geaarzeld om eraan te beginnen, al weet je niet waarom. Je zus had net als jij nog even geaarzeld, wist ook niet waarom. In de krant lees je een bespreking ervan.

Je fietst naar het postkantoor. De middagsluiting – je wist niet dat die er was – is net begonnen. Later in de namiddag fiets je nog eens terug. De rij die staat aan te schuiven is net iets te lang voor jou. Het zal voor de volgende dag zijn.

(Eigenlijk was je een beetje bang dat het stukje dat je geschreven hebt en dat er sinds die ochtend staat niets zou doen. Het is helemaal anders. Je merkt dat het daar een weg vindt, dat het iets raakt bij een aantal mensen. Je weet nog altijd niet goed hoe dat werkt. Maar je voelt je dankbaar, en verlegen.)

Je bereidt je voor op de volgende vergadering. Je kijkt ernaar uit om nog eens met haar te overleggen. Ze doet je altijd glimlachen. Heel snel probeer je alles in je hoofd te verzamelen, alle vragen die je wilt stellen, alle dingen die je in de tijd hebt gezet in je hoofd. Alles zit klaar.

Je werkt nog enkele teksten af. Er komen telefoons. (De tijd is weer voorbij gevlogen.)

Alle dingen die je nog zou moeten doen. Ze komen nog wel. (Alles zit netjes in je hoofd.)

Bij het koken geniet je elke dag weer van die stenen kruik die je van een vriendin kreeg. Ze zei je dat het wel zou lukken om de olijfolie netjes in de kruik te krijgen zonder te morsen. Ze had gelijk, zoals altijd. En elke dag wacht je voorzichtig tot de olie komt, terwijl je de kruik kantelt. Klein geluk.

Morgen neemt ze afscheid van haar schoonmoeder.

En de pijn in je rug. En de dingen die nabewegen in je lichaam. Huidverwarring, als iets dat jou telkens weer terug zou willen halen. Je kijkt ernaar.

Misschien hoef je de weg niet te kennen.

Misschien is het licht geduldig.

Net als de zee.

24 mei 2020

Gedachten 68

Zomaar uitslapen tot na half acht. (Is wel redelijk decadent.)

Happy birthday Bob!

Alleen even de dringendste dingen uit je mailbox doen. De rest mag even wachten. (Dapper van jezelf.)

Een soort verwarrende droefheid. Je maakt een tekst voor anderen. Er is een verschil tussen ‘ik voeg enkele dingen toe’ en ‘ik heb enkele lichte aanpassingen doorgevoerd maar eigenlijk de hele tekst herschreven zoals ik zou hebben gedaan als ik de auteur was geweest’. Het tweede is eigenlijk een heel klein beetje onbeleefd, denk je. Lichte verwarring. Aan de ene kant moet je je tekst uit handen kunnen geven, hij was ook niet voor jouw naam bedoeld. En de nieuwe versie loopt natuurlijk wel lekker, en zo. Is ongetwijfeld meer sexy (wat van jouw teksten of van jou iets moeilijker kan verwacht worden). En het doel is uiteindelijk hetzelfde, dat mensen de tekst lezen. Aan de andere kant maakt het je droef, ook al maakte je het al zo vaak mee. Wanneer de deskundigen van ‘de’ communicatie op het veld komen en even een tekst onder handen nemen om die zo te kneden tot ‘men’ die wél zal lezen. Of iets in die aard. Het is subtiel. Je denkt dat je gevoel net iets anders is dan dat men niet aan jouw kindje zou mogen komen. Misschien vergis je je wel, en is het gewoon beter zo. (Toch maakt het je droef, om iets als 101 redenen. Weliswaar niet erg sexy.)

Misschien ben je te moeilijk. Kan ook.

Je ziet iemand dansen. Je kijkt naar lijnen van de tijd.

Je ziet een trage beweging, telkens opnieuw. Het zou mogen.

Het uitgestelde poetsen. Of toch een beetje poetsen. Op basis van je rugquotum.

Ondertussen draai je de platen van je vader. (Het zou ook zijn verjaardag zijn geweest.) Ze zijn echt heel erg goed. Die muziek is ergens bij je  gebleven.

Een familieskype. Met aandacht voor het vraagstuk van het scheuren van een varen.

Je vertelt je zus iets over Sophie Scholl.

De middagkrant valt op een of andere manier iets beter dan de ochtendkrant. Het papier lijkt zachter, plooit zich anders rond je hand. De letters zijn stiller.

Welke stem de echte is, je zult het nooit weten.

Iets neemt je over, maakt je huid hard en koud. En blijft.

Misschien is het ook gewoon de zondag.

De poetsrug vraagt dat je toch even gaat liggen.

Je kijkt naar de lagen in je huid.

Hoe je telkens weer op dat ene punt komt. Je kijkt.

Gedichten lezen op het terras. Het boekje legt zich rustig neer in je hand.

Ze raken je aan. In een trage beweging. Het zou mogen.

Je zorgt voor de planten. Ze fluisteren je iets toe.

Je bent hier, in deze afwezigheid ben je.

Je adem volgt het ritme van de zondag.

Iemand heeft de bomen gekwetst daar, zie je. Het doet hier pijn.

De demonen zoeken hun weg.

De muziek die je hoort, doet je denken aan die ene avond, zo lang geleden, in de tuin. Arvo Pärt.

Je denkt aan de zee.

Misschien hoor je straks de zee in de nacht.

23 mei 2020

Gedachten 67

Mag ik bij je komen zitten, vraagt iemand je in je droom. Het mag.

Je kijkt naar jezelf, in die droom. Om te zien hoe je het doet.

De zaterdagboodschappen. (Met aardbeien. Volgens je droom mag het.)

Eerst die ene tekst afwerken.

En dan je stukje. Er komt een titel die je niet helemaal verwachtte. Dat zal het dus worden. Je volgt de woorden, zoals ze komen. (Je had het jezelf gemakkelijker kunnen maken, denk je. Je probeert woorden te zoeken voor iets dat je in je hoofd ziet, ergens, maar waar je de vinger nog niet helemaal op kunt leggen. Sommigen zullen weer zenuwachtig worden, vermoedelijk. Het zij zo.)

Een mevrouw belt je. Of je een lezing wilt komen geven in november. Het is een fijne vraag.

(Op een of andere manier komen dat boek van de vorige dag en het gesprek met die mevrouw samen in het stukje. Misschien is het wel goed soms, gewoon de rivier volgen en kijken naar de dingen die naar je toe komen.)

De stad in om het kaartje naar het postkantoor te brengen.

Nog even langs de boekhandel. Het ritme is al anders dan de vorige keer.

Op weg naar huis nog enkele gesprekjes. Je bent blij voor iemand.

Je zou nog zoveel moeten doen, maar je laat het. Eerst even gaan liggen. Alsof je in een andere laag van de dag wilt kantelen.

De stapel boeken op de tafel. Een voor een netjes (nou ja, redelijk netjes) inpakken. Omslagen vullen. Het lijstje is bijna klaar. Het is natuurlijk veel te laat, maar de jarigen zullen het je hopelijk wel vergeven.

Een cadeautje netjes inpakken behoort wel niet echt tot jouw kerncompetenties. Maar je hebt wel die grote rol donkergroen inpakpapier. (Daarmee kun je nog wel enkele jaren verder. Beter een suboptimaal ingepakt cadeautje dan helemaal geen cadeautje.)

Je ziet dat er in je voortuin ineens een redelijk gigantisch opblaasbaar zwembad ligt. Weggewaaid, ergens.

De ingepakte pakjes liggen op twee stapels. (Het is raar hoe dat werkt. Alsof iets van de wereld terug bij jou binnenkomt. Alsof je daardoor iets terug in balans kunt brengen.)

De dingen die je terug opnieuw doet, stap voor stap. Het is alsof je op een of andere manier telkens opnieuw je lichaam moet herschikken.

Je ruimt de tafel weer op. Je handen beginnen te trillen, iets maakt je ineens rusteloos. Het was ergens opgespaard.

(Misschien is het wel zo dat je jezelf elke dag opnieuw in elkaar moet zetten.)

(Het nulpunt zal nog niet voor de zaterdag zijn, denk je.)

Een fijn terrasgesprek. Het eerste cadeautje vindt een bestemming. (Iets in de kosmos legt zich neer.)

Je kijkt naar het landschap in je hoofd. Zijn ze er nog allemaal?

(Je was iets aan het zoeken in dat stukje eerder die dag. Iets ervan begrijp je nu beter, zoveel uur later.)

(Zoals je eerder van de week ineens iets begreep over een motto dat je zelf ooit gekozen hebt. Door dat boek.)

Dingen die zich neerleggen in je lichaam.

Je kijkt naar je handen.

De dingen die je niet weet.

22 mei 2020

Gedachten 66

Het was zogenaamd ook nog een brug, eigenlijk.

(Je collega’s weten dat ze je moeten waarschuwen als er een vrije dag is, om te voorkomen dat je weer voor een gesloten deur zult staan aan het werk. Ze hebben er een thuiswerkvariant van gemaakt, en die is niet helemaal effectief. En dat ligt niet aan hen.)

Maar het concept van een wekelijkse briefing is natuurlijk wel dat die ook wekelijks verschijnt. (Zelfopvoeding voor gevorderden.)

Je neemt nieuwe maatregelen, bedenkt nieuwe strategieën, zet grote stappen, om de belangwekkende kwestie van de niet functionerende kaartlezer op te lossen. (Je wist niet dat er zoveel achterkamertjes in je computer zaten.) (Om een of andere reden sluit je niet uit dat er een eenvoudige reden moet zijn waarom het niet lukt.) Na 423.268,24 pogingen, langs diverse strategische wegen, zie je ineens wat er aan de hand is. Het is enigszins nogal heel erg beschamend, en basically wel lullig, om het beleefd te zeggen. Of zoiets. In wezen is je probleemoplossend vermogen nog overeind. En je hebt eigenlijk ook een coole nieuwe kaartlezer bij.

Je puzzelt verder aan de briefing. Het gaat allemaal trager dan je had gehoopt. Het zij zo.

Een tweede boekhandelbezoek. Je kunt vrij bewegen, de winkel is zo goed als leeg. Het voelt goed om iets trager te kunnen kijken. Je ademt al anders. Enkele stappen worden gezet in de aanpak van de achterstallige verjaardagscadeautjeslijst. (Binnenkort zal een bezoek aan het postkantoor de volgende etappe zijn.) Je bent gewoon blij dat je er bent. En je krijgt nog een mooie poster mee met een gedicht van een van je favoriete dichters. Die poster hoort bij dat ene boekje.

In de andere winkel maakt een mevrouw een opmerking omdat ze de winkel nog niet binnen mag. Men legt het haar nog eens rustig uit. Ze blijft een beetje misnoegd kijken. Er is haar een onrecht aangedaan, waarschijnlijk.

(Soms is het veel, denk je onderweg. Zoveel dingen die je traag zou willen kunnen doen. Naast elkaar, in volle aanwezigheid. Soms lijkt het even alsof je faalt tegenover je dierbaren, maar misschien zullen zij het je wel vergeven. Misschien heeft de tijd zichzelf ook wat leegte gegund de voorbije weken en mogen de dingen traag weer naar zichzelf terugkeren.)

Terug thuis neem je dan ook maar meteen het filmpje op met jouw indrukken over het boek. (Je ziet er zoals steeds weer heel oud uit in het filmpje. Je schrikt.) Achter je dikke kop zijn de boeddhabeeldjes op de piano nog net te zien. (Kijken naar alles wat is.) (Of gewoon aandacht afleiden.) (Milde aandacht natuurlijk.)

Je had al naar god gebeld – gelukkig heb je daar geen flashy kaartlezer voor nodig – over de waterkwestie. Ze was niet thuis. (Misschien was er ook een brugdag, na die dingen die de vorige dag in de hemel gebeurd waren.) Het water dat uit de lucht valt, kan zelfs geen zachte streling worden genoemd. Toch zijn er mensen die meteen hun paraplu bovenhalen.

De optie regendansen zal ernstig moeten overwogen worden.

(Je hebt, eigenlijk, iets niet met het fenomeen paraplu. Eigenlijk heb je iets tegen een paraplu. Het is in wezen een asociaal ding. Mensen met een normale lengte, zoals jij, krijgen die dingen steeds net niet in hun ogen, dankzij kunstig en soepel heen en weer wiebelen tijdens het stappen. Misschien kan voor het gebruik van een paraplu wél het woord social distancing worden gebruikt.)

Waar het stukje dat je nog moet schrijven over zal gaan, zit nog maar vaag in je hoofd. Je zou het merken tijdens het schrijven. (Voorlopig merk je vooral dat het steeds later wordt.)

(Je houdt heel erg van verhalen. Houden van is zelfs nog te klein, of zo. Maar je houdt eigenlijk niet van het woord narratief, en nog minder van de term nieuw narratief.)

Gelukkig zijn er veel dingen en heel veel mensen waar je wel van houdt.

Het stukje schrijven zal voor de volgende dag zijn, en dat is goed.

Je rondt de namiddag op enigszins rituele wijze af, zodat het weekend kan beginnen.

Zouden al die geweldige kinderen in het journaal mediatraining gehad hebben?

Die journaliste die zo mooi drie keer vastloopt in haar eigen zinnen.

(In je stukje zou het ook over stilte gaan. Je ziet iets van wat je zocht in je hoofd. Iets over gewoon blij zijn nu en met je kinderen blinkende ogen delen. Niet iets proberen naar je toe te halen van alles wat eraan voorafging. Je kunt het niet goed uitleggen aan jezelf.)

Verhalen over het water. Verdriet over het water had je al lang. Als je sommige mensen hoort praten, kun je alleen een beetje verbijsterd kijken. Het is droef. Alsof we zelf het water niet zijn. Alsof het water het andere is.

Je krijgt bericht dat iemand gestorven is. Ze was al een tijdje langzaam uit het leven aan het verdwijnen. Je bent blij dat je haar enkele keren hebt mogen zien in de loop der jaren. Je blijft lang kijken naar die mooie foto. De woorden over de rivier zijn mooi. Misschien is er genade in het vertrek, in het helende water. Je buigt het hoofd. (Zij zijn je heel erg dierbaar.)

De partita’s.

Je zult god een brief schrijven over het water.

21 mei 2020

Gedachten 65

Vroeg in de dag. Je had speciaal de wekker niet gezet, zodat je toch een half uur langer zou kunnen slapen (dat mocht wel van jezelf). Je bent, geheel spontaan, nog vroeger wakker dan anders. Zo zal dat altijd gaan.

In je hoofd wordt het een overzichtelijke dag. Met de dingen netjes naast elkaar, niet allemaal tegelijk. Je hebt een klein lijstje klaar.

Gewoon een dag in jezelf verblijven, zou dat ook mogen? (Wie je bent, beweegt en ontsnapt de hele tijd, dus je hoeft niet te tellen in het hoeveelste jezelf je verblijft.)

De dingen die je je had voorgenomen. Je verzamelt zoals elke dag een hoopje links voor de puzzeloefening van vrijdag. Je werkt een tekst een beetje bij. Je past een nota een beetje aan. Je maakt vragen voor een panelgesprek binnen enkele weken. En je schrijft een stuk voor een brief die beweegt door de stad. Het lukt zoals je hoopte. Binnen de eerste helft van de dag.

Een tekst aanpassen is iets dat je met je handen doet. Je kunt niet uitleggen wat dat zou willen zeggen.

Tussendoor wacht je op een beeld voor het stukje dat je de volgende dag moet schrijven.

De hele dag zie je mama’s met kinderwagens voorbij komen. Het is mooi.

Je gaat de bewegende brief wegbrengen. (En het is natuurlijk niet zo dat zonnig weer en een vrije dag kunnen aanvaard worden als een voldoende reden om zomaar te gaan slenterfietsen. Niet dat jij ook maar enigszins de neiging hebt om snel te fietsen.)

Soms ga je fietsen om naar mensen te kijken. In welk evenwicht ze bewegen. Welke verhalen je zou kunnen vermoeden. Hoe ze in de tijd zijn.

Je kijkt naar een aflevering van die ontroerende en tegelijk verstorende serie die vooral in een trein speelt. Daarna dut je even weg. (Je grootvader en je vader deden dat ook vroeger. Misschien lijk je wel op hen.)

Je kunt je nog goed de geur herinneren van je grootvader. De geur van hout. Hoe je als jongetje naast hem zat. Het is moeilijk om zijn stem nog te horen. Dat verwart je even. Misschien is hij wel in jouw stem. Vijfendertig jaar geleden stierf hij.

Je bent klaar om het boek uit te lezen. (Het voordeel van een dag met stukjes naast elkaar. Als het goed gaat, is je hoofd klaar voor een boek.) Je ziet de auteur denken, soms hoor je haar praten. (Haar stem is niet weg.) (Het boek ligt lekker in je handen, de letters zijn mooi.) Een boek heeft een adem. Het is bijzonder die adem te kunnen zien. De tekst beweegt. Het is een beetje alsof het boek op het einde net iets te snel een deur wil sluiten, terwijl de adem trager was, of zoiets. Je moet er nog eens over nadenken. Misschien is dat enkel iets van jou, niet van het boek.

Kijken naar alles wat is. Misschien moet je daar iets mee doen in dat stukje van de volgende dag.

Je krijgt een bericht van iemand die aan je dacht bij het lezen van een boek. Het is een geschenk.

Je verpot die grote plant naar een grotere pot. De aarde is zacht en warm.

De rijst kookt.

Soms vraag je je af hoe oud je bent. Hoe je je eigen tijd moet zien zonder kinderen. Het is het mooie en waarschijnlijk tegelijk verwarrende dat je in je kinderen je eigen tijd ziet, waar je ergens bent. Soms lukt het om jezelf te zien als het geduldige slib van alles wat er aan dit nu voorafging. Soms is het alsof de tijd rondom jou in een duisternis is verdwenen. Zoals dat moment als je door een donkere tunnel stapt, ergens in het midden, wanneer heel even de zwaartekracht weg lijkt te vallen. Je ziet de mama met haar baby in de kinderwagen voorbij stappen. Ze neuriet een liedje.

In je hoofd probeerde je de verhalen en dus de tijd van je grootvader aan jezelf toe te voegen. Alsof je zo een veilige plek in de tijd kon krijgen.

Roepen naar het journaal, aflevering elfendertig.

Seriously?! Tien minuten beschouwingen, als hoofdpunt, over tweedeverblijvers? Het feit dat er geen overrompeling is, is ook al nieuws. Al is die man die zijn ruiten zorgvuldig staat te wassen wel ontroerend. (Wie komt er trouwens op voor de derdeverblijvers?)

Seriously?! Na die hele, behoorlijk vernietigende maar glasheldere analyse van het onbegrijpelijke van het niet inzetten van meettoestellen om fijn stof te meten, zou je op zijn minst enige deemoed of toch een intelligente uitleg verwachten van de minister. Ze komt niet verder dan het woord regelneverij, in een antwoord dat ook nog eens met lichte irritatie gebracht wordt.

Die wonderlijke gitarist. Er is een warme eenzaamheid in hoe hij speelt. Er is iets van pijn in die heel zachte ronde noten. Zijn muziek past bij stille avonden.

En iets met kinderen.

20 mei 2020

Gedachten 64

Je verlangt traag. Naar stille woorden. En welke huid die zouden zijn.

(Misschien was je gewoon heel erg moe vandaag, na die drukke dag van gisteren. Misschien wou je minder indrukken.)

(De Goldbergvariaties door dat strijkerstrio. Ze leggen zich over je huid. Voorzichtig.)

Je bent er al een beetje aan gewend, weer naar de kinesiste gaan. Je kunt jezelf al iets meer uit handen geven. En dit mondmasker ligt ook beter dan het andere.

Nadien loop je traag door de tunnel onder de sporen. Daar wou je nog eens zijn. Mensen zijn op weg naar ergens. Het ontroert je zo. De schermen weer zien met de vertrekuren. Alsof ze allemaal nog gewoon daar zijn en op je wachten. De treinen.

Je denkt nog even aan woorden uit de vergadering van de vorige avond. Die ene man had het heel uitvoerig over ‘een redelijke mate van zekerheid’. Hoewel het over de jaarrekening ging, was er toch een aarzelende poëzie in die woorden. Die andere man had het over ‘een korte notendop’. Wat conceptueel wel een beetje ingewikkeld is.

Je fietst door de stad. Je houdt je netjes aan de regels, pas thuis zul je het masker afnemen. Je ziet je adem in het masker, hoe het mee op en neer gaat. Het is alsof je nog beter ziet hoeveel je ademt, en je ademt net daardoor nog uitgebreider of zo, gewoon voor het overweldigende plezier van het ademen. Anders zou die adem misschien gewoon alledaags onopgemerkt gebleven zijn.

In je hoofd zit je met iemand in de trein en heb je een lang treingesprek. Een gesprek tot Eupen en terug, of zo.

Het deed je zo’n deugd toen je dat las onlangs. Die man die zei dat hij het miste, gewoon de trein kunnen nemen naar Eupen, om rustig te kunnen lezen.

(Toen je de eerste keer uitstapte in Eupen was je wel een beetje teleurgesteld dat het station er enigszins lullig uitzag. In je dromen was dat een immens gebouw in art deco of zoiets. Je was met een geliefde, en jullie haalden nog net de bus, waar je een poging deed tot iets vragen in het Duits. Er was ook nog iets met kleine kikkertjes, in die vakantie.)

De eerste videovergadering van de dag. Je ziet een man uit Wenen. Je zou hem zoveel willen vragen, maar er moet een panelgesprek voorbereid worden. (Je voelt dat je moe bent. Je hoofd kan niet te veel complexe zinnen en vragen aan.) Mensen verlangen naar verhalen, denk je. Iets in die aard zeg je. De woorden komen een klein beetje stotterend in het Engels.

Mensen zijn verhalen vertellende wezens. Je verlangt naar verhalen.

(Je denkt aan die serie waarvan je nu – door die gratis bon – eindelijk het vierde seizoen kunt zien. Ze zijn zo geweldig, die acteurs, die personages. Hun wankele tegenstrijdigheden, hun gedeukt zijn, hun verlangens, hun dansende gevechten, hun pijn. Hoe ze telkens toch weer bij elkaar uitkomen.)

Je staat aan te schuiven aan de winkel. Ineens voel je een kleine kriebel in je keel. Gewoon een kriebel. Je probeert je niet te concentreren op je kriebel. Je weet niet of het zal lukken om te zeggen welk brood je wilt zonder die kriebel uit te nodigen. (De kriebel gedraagt zich goed, en verdwijnt, even nadat je weer buiten bent.)

Je vindt dat een decolleté in het algemeen wel een goede uitvinding is. Ook in het kader van de universele wereldvrede. Die mevrouw die je passeert bij het fietsen nadert evenwel de uitfloeprand. Het zou bijna fout kunnen gaan. Maar ook het begrip fout kun je met milde aandacht bekijken.

De tweede videovergadering. Je collega’s lijken ook moe. Zij zullen zich ook netjes houden aan de komende vrije dagen. (Zij wel.)

Je wilt die twee verslagen nog schrijven, om ze weg te hebben. Het wankelt een beetje. Je zou van dun papier kunnen zijn nu.

Hoe gaat het met je? Hoe gaat het met je? Verhalen komen naar je toe. Nadien denk je, bij de afwas, hoe je het mist om nog eens gewoon met haar te kunnen praten. Over lijnen die het leven in je maakt.

De man en de vrouw in dat programma. Ze vertellen hoe ze hun kinderen missen. Je begint spontaan mee te snotteren. (Je bent een watje.)

In het journaal gaat het over de echt belangrijke dingen. Er gaat net iets te veel onkritische tijd naar DE tweedeverblijvers en DE communicatie over die gemarginaliseerde groep die EINDELIJK een perspectief krijgt. De minister-president is net IETS te gulzig in het willen aankondigen van deze grote doorbraak die dit onrecht EINDELIJK recht zal zetten. Voor een bepaald soort gretigheid zou het woord obsceen kunnen gebruikt worden.

Je had al een paar keer aan haar gedacht, net deze dag, en je leest een verhaal van haar. Iets over verdrietige opstandigheid tegen de dingen. En je zou iets willen kunnen doen. Ze zegt je dat jouw verhalen, elke dag, iets doen voor haar. (Het maakt je klein.)

Vertel eens hoe je schrijft. Dat zou een vraag kunnen zijn voor een traag gesprek.

Vertel eens over de kinderen.

Vertel eens over het verdriet.

Vertel eens over de eenzaamheid.

Vertel eens over je droom.

Vertel eens over wat je niet weet.

Vertel eens over je angst.

Vertel eens over de dag.