23 februari 2020

Misschien gewoon de cello volgen

Je probeert iets uit te leggen over het schrijven. En dat het woord misschien zo vaak voorkomt. Wat waarschijnlijk klopt. Misschien.

Er is iets met het ritme van een zondag. De zondagmelancholie die komt tegen een uur of vijf. De tranen die komen tegen kwart voor zes. Zomaar. (Is het een herhaling van vroegere ritmes? Zijn je flanken op dat moment minder beschermd? Waren ze gewoon aan het wachten en hebben ze een voorkeur voor de zondag? Om kwart voor zes?)

Er was al iets die ochtend tijdens het poetsen. De oude jazzplaten van je vader, dan zijn ze er. (Je hebt nog een gigantische stapel te gaan.) Een plaat van Sweet Emma Barrett. Je stopt, luistert, kijkt door het raam naar de wind en de regen, en je bent vloeibaar. (Je ziet de afzonderlijke instrumenten. En je denkt aan iemand. Kijk, zie je de instrumenten, zou je vragen.)

(De doorwaadbaarheid is groter op een zondag, misschien.)

Je denkt nog aan die woorden. Of het twijfelwoorden zijn. Of aarzelwoorden. Of gewoon woorden die nog niet weten of ze aangeraakt willen worden. En het niet zo erg vinden om op die plek te zijn.

Je ziet beelden. Je ziet ogen.

Misschien vraagt de zondag dat je het ritme van je lichaam volgt. De lagen leggen zich neer, laten zich zien. Er is niets om voor te vluchten.

(En je denkt aan de cello. De cello gaat met je mee, terwijl je schrijft.)

(Je denkt aan de concerten die je zag, met de cello. Je weet nog waar je zat, met wie.)

En als je gewoon kijkt naar wat is, zonder te lopen. Het is alsof het gewicht in je lichaam verschuift.

Je probeerde iets uit te leggen over verdwijnen uit jezelf. Misschien is dat het omgekeerde van een zondag.

Je leest over horizontale regen. Je ziet horizontale regen.

(Je denkt aan de varenverwarring die je al de hele week voelde. Die varen die al zo lang met je meegaat. Er was iets mee. Je hebt hem verplaatst. Je zou hem willen kunnen beschermen. Je zou verhaaltjes willen kunnen vertellen in het donker. Hij staat dichter bij je, terwijl je schrijft. Je kijkt naar de varen, hoopt dat de varen de cello kan horen. Je kunt niet altijd beschermen wat je dierbaar is, denk je.)

Je denkt aan gember.

(Soms laat je been zich gemakkelijk ontspannen. Soms niet.)

De boeken die je cadeau kreeg. Ze liggen op een klein stapeltje op je tafel. Je neemt ze voorzichtig in je handen, betast ze. Je schrijft je naam erin, en van wie je ze kreeg. In potlood. Ze hebben een weg te gaan, zo lijkt het wel. Eerst op de tafel. Even wachten. Tot het tijd is voor je naam. En dan leg je ze voorzichtig op de stapel. Waar ze rustig verder wachten.

(Hoewel, rustig…? Terwijl je zit te lezen in dat dikke boek beweegt er een kleine rusteloosheid onder je huid, door de boeken die wachten.)

In de warme hoek van de kamer zitten lezen, het doet op een of andere manier een zondag kantelen.

Je had foto’s gemaakt waarin je ook de wind kunt zien als je goed kijkt.

(Je houdt van het gewicht van dat oude toestel. Het kan niet wat je zou willen dat het kan, maar het gewicht, hoe het in je hand ligt, het brengt je een klein beetje thuis.)

(De aankondiging, eerder die week, dat je radio in de kamer binnenkort niet meer zal werken lijkt een beetje op het verlies van dat gewicht.)

(Een hele tijd na deze storm zul je beslist hebben welke radiokeuze je gaat maken. En een tijd daarna zullen de dingen zich ook weer neerleggen. Misschien hebben andere mensen een lichaam dat beter geschikt is voor veranderingen in de zwaartekracht.)

En zo tussen zes en half zeven is het alsof je hele lichaam koud is. Je loopt heen en weer door de kamer. De aardappeltjes staan op het vuur te bakken. De pot pickles staat klaar. In de sla heb je een lepeltje van die heel scherpe mosterd gedaan. Die drie samen zullen straks je lichaam weer warm maken, denk je.

Je denkt aan het stukje dat je eind van de week zult schrijven. Je ziet de onzichtbare schaduw waar de woorden zich dan in zullen neerleggen. (De afwas is bijna gedaan, stel je vast.)

De cello is eenzaam en soeverein tegelijk. En misschien is dat niet erg.

Je probeerde iets uit te leggen over de dingen waarvoor je je zou willen verontschuldigen tegenover je geliefden. Alsof je sommige dingen in de tijd nu pas ziet.

(Misschien is het bijna tijd voor een nieuwe afspraak, trouwens.)

De beelden van de dans die je zag in je hoofd. Waar gaan die naartoe?

Die zachte zoete peertjes, die je bijna op kunt zuigen, traag. Ze horen bij de zondag die zich bijna neerlegt. De nacht zal ontvankelijk zijn, denk je.

22 februari 2020

Iets met de sax

Of je ook zou kunnen komen. Voor het openbaar examen. Van de grote meid en haar sax.

Oeps. Het is diezelfde dag nog.

Je had allerlei plannen, je zou bezoek krijgen. Maar het is wel te herschikken, je wilt er erg graag bij zijn, en je weet dat ze het graag zou hebben.

Je zegt haar dat je zult komen.

Nog snel eerst de laatste boodschappen doen. Met nog een merkwaardig scheermesjesmoment met veel convivialiteit aan de kassa. (En uiteindelijk een forse korting. Laat dat haar maar groeien.) En natuurlijk de mattentaartjes die je mee zult nemen. De mattentaartjesmeneer zegt iets over de wind, die wel niet weg zal gaan.

Met de fiets of met de bus? Toch maar met de bus. Het is best wel een eindje. Die steenweg is niet hyperleuk. En er is wel veel wind.

De busmeneer zal je zeggen welke halte je moet nemen. Het verhaal dat de steenweg vertelt heeft iets desolaats. Soms zie je niet-plekken, zonder verlangen.

Je bent een half uur te vroeg aan de zaal. Je kijkt naar de bewegingen, oriënteert je. Daar woont ze.

Er lijken precies weinig mensen te komen. Zou er iets mis zijn? Je wilt net bellen, een berichtje. Je had langs de achterzijde moeten komen. De stoel wacht op jou.

Je ziet de ogen van haar mama, die je op komt halen. (Hier wilde je zijn, weet je.)

In de gang hoor je in allerlei kamers allerlei geluiden. De muziek leeft.

Je zit naast haar zus en haar mama op de eerste rij. Een muntje voor de zus, belangrijk. Je bent blij hen te zien. (Je zou zoveel willen vragen en vertellen.)

(Je bent nu al ontroerd, denk je, en het moet nog beginnen.)

Op een rijtje komen ze binnen. Niet echt onopvallend zwaai je, ze lacht.

De saxofoonmevrouw vertelt hoe alles zal verlopen. Het is een toonmoment, en voor sommigen dus ook een openbaar examen. (Helemaal goed begrijpen doe je het niet, maar dat geeft waarschijnlijk niet.)

(Je herkent het okergeel.)

Ze staat vooraan, met de saxofoon. De pianomeneer zal haar begeleiden. (Ze is zo groot, denk je weer.) Even zoeken ze elkaar, halverwege het stukje, en dan gaat het weer gewoon door. Ze heeft een mooie toon, denk je. (Dat moet je haar zeggen straks, dat ze een mooie toon heeft, en dat ze die rustig mag vinden, stap voor stap.)

Later komt ze nog terug.

Jullie hier, zij daar. Tussendoor kijk je even. (Zou ze zien dat je trots bent?)

En ze komen allemaal, soms alleen, soms met anderen. Soms zie je de noten, de zin, soms vergeet je wie er staat. Soms zie je het verlangen.

(Even is het alsof je vader naast je zit, alsof je hem ziet kijken naar zijn leerlingen, alsof je hoort wat hij zou zeggen, wat hij zou zien.)

Het is mooi, denk je, hoe al die mensen hier nu zijn. Iets wankelt even, ergens in je.

(Alsof je zomaar hier mag zijn.)

Het is voorbij. Ze loopt naar haar mama, en daarna ook naar jou. En daarna zijn er ook nog stukjes cake en chocolade.

Er wordt een deskundig oordeel uitgesproken over hotelcake. En daarna over washandjes van hotelkwaliteit.

(Hoe ze bewegen, hoe ze kijken, iets in die ogen.)

En het overhandigen van de mattentaartjes.

Het is tijd om te vertrekken.

Je wuift hen nog na.

Het was goed dat je er was, denk je. Je glimlacht.

16 februari 2020

Gespreksaanraking

Je maakt je klaar voor het debat, later die avond. Een hele stapel documenten, even inwerken. Eerst wil je even naar huis gaan, om daarna daar weer te vertrekken. Dat voelt anders. Op weg naar het station en later op weg van het station stromen er zinnen door je heen. Ze zeggen zichzelf in je hoofd. Ze zouden kunnen komen.

Je zit vooraan, in het debat. Je kijkt naar de mooie jonge mensen in de zaal. Je kijkt naar de andere gasten naast je. Als de vragen komen, is het alsof je die kunt zien in je hoofd. Elke vraag verbindt zich met zinnen die je zou kunnen zeggen. Daarna nemen de zinnen het over, terwijl je beelden ziet. Je ziet de plek waar je wilt gaan staan. Daarna volg je de woorden. Je kijkt, ziet hoe het gevoel van je adem het overneemt. Je ziet de verontwaardiging. Je volgt.

Nadien in de trein op weg naar huis. Halverwege staan er veel mensen op het perron te wachten, ze stappen in. Net voor je aankomt, vraag je waar ze naartoe geweest zijn. Een optreden, in die grote zaal. Je vraagt wie het was. Ze zeggen een naam. Door een of ander stom toeval heb je die zanger net de dag daarvoor op de televisie gezien (voor het eerst). Dat je hem kent, zeg je. De twee jonge vrouwen kijken je verbaasd en met een glimp van bewondering aan. (Je bent nochtans officieel oud geworden.) Terwijl je door de stad naar huis loopt, denk je aan je allereerste concert in die zaal, toen je een jaar of zestien was.

Je zit rond de tafel, met je Europese collega’s. Je lichaam lijkt te groot voor de stoel, of de stoel is gewoon niet al te best (wat wordt bevestigd door je Nederlandse collega). Je luistert naar de sprekers. Je ziet de dingen die ze zeggen. Je ziet het punt dat je zou willen maken. Je zou nog zoveel willen vragen aan de spreekster. Je doet het maar niet, en neemt een stuk chocoladecake tijdens de pauze.
Je beantwoordt een boze mail. Nadien blijven zinnen en beelden door je lichaam stromen. Je ziet de ruimte waar je je zinnen zorgvuldig neerlegt, hoe ze een richting en een ritme kiezen.

Van een vriend krijg je een boek voor je verjaardag. Je kijkt naar het boek. Je weet even niet meer of je het een tijd geleden voor iemand anders hebt gekocht of voor jezelf. Het was voor jezelf, zie je ineens.

Een mooi gesprek. Het valt meteen in het spoor. Het is alsof het rustig ademt. Ze zegt dat je er rustiger uitziet. Het komt door de zachte tinten, denk je. Over grote dingen praten in zachte tinten van herkenning. Je bent dankbaar.

Terwijl jullie wachten tot het begint, in de schouwburg. Een mooi verhaal over kinderen die gekwetst zijn, en kunnen geheeld worden.

De schrijvers op het podium. Over de liefde. De vrouw bij het einde van het programma. Het peilloze verdriet over de dood van haar geliefde. En de woorden, als sporen in de tijd.

Op weg naar de lezing die je gaat geven, vroeg in de ochtend nog. Loslaten. Het woord loslaten. Aan dat woord doen we niet.

Je staat te praten voor de mensen die aandachtig luisteren. (Je herhaalt bij jezelf dat ze niet naar jou kijken maar naar je woorden.) Je zoekt het ritme van de beelden in je hoofd, en vanaf dan moet je enkel de stroom volgen. Bij zowat elke zin zie je tien andere zinnen die je daarover zou kunnen zeggen. Je zou willen dat ze de stroom zien, dat ze de beelden zien, dat ze zelf beelden beginnen te zien. (Je ziet het jongetje.)

Je rijdt door de stad voor de boodschappen. Je legt je spullen op de tafel. De vriendelijke mevrouw telt alles op. Je aarzelt even, vertelt dan dat je de pickles eigenlijk nog een beetje te zoet vindt. (Je weet niet goed of je dat wel mag zeggen. Ze zegt dat ze het zal doorgeven.) Je rekent af. Ze vertelt je dat ze je columns leest. Verlegen zeg je haar dat ze je die dag gelukkig heeft gemaakt. En je vertrekt weer.

In de boekenwinkel zoek je een boek, dat er blijkbaar al niet meer is. Je weet niet goed of je het zult vragen. Je doet het niet. Je kwam in de eerste plaats voor een cadeau voor een vriend.

Een warm koffiegesprek, met je maatje. Van hem krijg je het boek dat er de dag daarvoor inderdaad niet meer was, omdat hij het nog een dag eerder daar had gekocht. Hij wist dat je een lezing moest geven, had zo uitgerekend dat de kans klein was dat je nog op tijd in de boekenwinkel zou geraken. Je bent er heel blij mee. Het gesprek komt op een gevoelig punt. Wanneer jij ooit een boek zult schrijven. Het wankelt even in je hoofd, zoals steeds wanneer die vraag komt. Je probeert stotterend uit te leggen waarom je denkt dat je het niet kunt, nooit zult kunnen. Iets over de prutser die je bent. Iets over de demonen. Iets over de plek in je hoofd waar je naartoe zou moeten gaan, om er dan lang te blijven. Iemand zegt dat de auteur van het boek dat je net kreeg – je bewondert hem mateloos voor zijn weergaloze Nederlands – zichzelf ook nog altijd een prutser vindt. Wat misschien wel een heel klein beetje een troostende gedachte is. Je zegt haar dat ze je in de toekomst mag blijven kwellen met die vraag. Wat misschien nog niet echt een troostende gedachte is.

15 februari 2020

De tijger

De beelden en verhalen schuiven door elkaar. Ze vinden elkaar.

Verhalen die er de hele tijd al waren, verhalen die naar elkaar toe schuiven, zoals druppels op een glasplaat. Op het laatste moment lijken ze aan elkaar te trekken.

Sommige hebben geduldig gewacht. Ze hadden hun tijd nodig. Misschien waren de woorden gewoon geduldig, wachtend tot ze aangeraakt werden.

Je ziet die dappere mensen op de televisie. Ze vertellen rustig. Ze waren als knooppunten van pijn en machteloosheid.

Het is niet eenvoudig om het pad te zien, als het moeras je deel is. Je ziet hoe die mensen rustig blijven stappen. Ze zijn zelf het pad geworden.

Lagen raken elkaar. Je ziet de ogen. Je ziet hoe de zinnen zijn geschreven in hun huid. Je ziet waar het gevaar is.

En de eenzaamheid. En het onvermogen. In weerwil van wat er nu is. De mensen die er nu zijn. Je ziet hoe hij het vertelt. Daar waar de dingen stokken.

Beelden. Plekken van afwezigheid. Misschien kun je ernaar kijken, misschien is dat al veel. Misschien legt iets zich dan neer, om van dat nulpunt weer te beginnen.

Je ziet het verlangen. Het lijkt op het kampioenschap tegenwindfietsen. Je ziet hoe ze fietsen. Misschien zien anderen alleen de wind.

Verhalen raken elkaar. Je kijkt naar je handen. Je ziet beelden. Waar de tijd bevriest. En waar het nu wacht. En de rust die daar kan zijn.

Waar je je handen moet leggen, heel voorzichtig. Waarna je gewoon wacht. En de dingen zich terug neerleggen. Je lichaam grenst zich af.

Je ziet de eindeloze moed van die mensen. Wie het geheim verbreekt, kan nog meer verliezen. Wie de cirkel van het zwijgen doorbreekt, legt zich neer op onbekend terrein. Maar wel voor het eerst.

Misschien heeft de tijger gewacht. Wat toen niet kon, is er misschien nog steeds. Aankomen in dit nu, verward weliswaar, onvoorbereid, maar nu.

Je denkt aan de kinderen. Je ziet mensen die lijnen trekken, aan de andere kant gaan staan. In het onbekende nu. En daar hun kinderen wiegen in het leven. Met handen die langzaam minder onwetend worden.

Je ziet de leeuw in je. Hij is daar ergens. Hij hoort bij je. Iemand legde je dat uit. Je kunt er naar kijken, wanneer het moment daar is. En het is goed.

Je denkt aan hen, je zegt het. Ze zijn mooi, in het leven. Daar wilden ze zijn. En je zou het willen zeggen: ik sta hier, ik blijf hier staan.

Je hoort de verhalen. Je kent de plek waar die verhalen zijn. Het maakt je niet bang. Je luistert. Je ziet hen, en niemand anders.

Je ziet die vrouw. Je ziet haar man. Je ziet hoe ze bewegen. Zorgzaam en vertrouwd. Hij laat genoeg ruimte, en is ook altijd in de buurt. Ze hebben hun plek gemaakt.

Je ziet die andere vrouw. Hoe ze danst. Ze bepaalt zelf wat ze met de zwaartekracht doet. Ze kan het tonen aan de kinderen, die zich in het nu dansen.

Je ziet hoe een groot verdriet gedragen wordt. Wat het doet met een lichaam. Hoe je staat. Hoe het beweegt tussen rusteloze ogen. Hoe het weet.

Ze vinden elkaar, ergens op het pad. Ze worden gezien. Ze zijn er, en ze blijven. Misschien weten ze niet hoe dat moet, misschien zijn ze onhandig, maar het geeft niet.

En soms weet je niet of je het goede doet. Of je ging staan wanneer het moest. Voor hen. Of je een plek maakte waar het veilig was, ergens aan de andere kant van de wind.

Je ziet hoe ze vertellen, daar op de televisie. Ze hebben het gehaald. Op een of andere manier zou je willen zeggen dat je trots bent op hen. Misschien voelen ze het wel.

09 februari 2020

We kijken naar de wind

‘Hier kan de wind ons niet raken. Hier zijn we veilig.’
‘Mag ik zo bij je komen zitten?’
‘Ja, dat mag. Ik weet wel niet helemaal zeker hoe ik dat moet doen.’
‘Je doet het goed zo.’
‘Ik dacht aan je. Om een of andere reden dacht ik dat er bij jou te veel wind zou zijn of zo. Ik kan het niet uitleggen. Ik wou dat je hier zou zijn. En onze dochter ook.’
‘Ze is goed aan het slapen hier, ik ben net nog gaan kijken.’
‘Misschien moeten we de wind dankbaar zijn, een beetje toch. We weten weer hoe kwetsbaar we zijn.’
‘Het is raar. Er is zo weinig dat me echt rusteloos maakt. Maar als er storm is, is het weer alsof ik terug dat kleine meisje ben. Vroeger in het oude huis. Ik dacht altijd dat het huis wiebelde als er zo’n windstoot was.’
‘En was er dan niemand die even bij je kwam liggen of die een verhaaltje vertelde?’
‘Nee, eigenlijk niet. Telkens opnieuw schrok ik wakker, de hele nacht door.’
‘Wat erg voor jou. Als je wilt, kan ik straks nog altijd een verhaaltje vertellen?’
‘O ja, dat zou leuk zijn. Er is toch niemand die ons ziet.’
‘En wat dan nog?’
‘Ja, dat is wel waar eigenlijk.’
‘Vanmiddag, voor je hier was, zat ik daar in de hoek te kijken naar het licht. Ik hoorde het geluid van de wind. En de planten daar bij het raam waren zo mooi. Ze stonden er zo rustig. Alsof ze me iets wilden vertellen.’
‘En heb je toen naar mij gebeld?’
‘Ja.’
‘We hadden het net daarvoor nog over jou gehad.’
‘Ja?’
‘Over hoe je soms staat te dansen in de keuken. Waarbij het woord dansen misschien de vriendelijke versie is van onnozel doen.’
‘Maar jullie dansen toch mee soms?’
‘Natuurlijk. Maar wij dansen wel echt. Of dat vonden we toch.’
‘Als ik alleen sta te koken dans ik ook wel af en toe. Tot ik mezelf weerspiegeld zie in het raam. Nu de dagen langer worden, groeien de dansmogelijkheden dus.’
‘Onderweg naar hier moest ik nog aan die brief denken die je mij vorig jaar stuurde. Het was alsof je je wou verontschuldigen voor iets. Dat hoeft helemaal niet. Ik zie nu wel beter wat je bedoelde. Ik begrijp dat het je een beetje machteloos maakt, te weten wat je weet. Maar je was daarvoor ook altijd al gewoon jezelf, op een mooie manier. En ik was ook onhandig. Letterlijk misschien wel.’
‘Dat is wel lief. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen.’
‘Je hoeft niets te zeggen.’
‘Heb jij dat soms ook? Dat je precies terug zou willen naar een soort nulpunt, of voor het eerst bij dat nulpunt komen, om dan van daar opnieuw te beginnen?’
‘Daar moet ik eens over nadenken.’
‘Soms zie ik dat in mijn hoofd, hoe het eruit zou zien. Maar genoeg daarover voor nu. Nu zijn we gewoon hier.’
‘En de wind blijft buiten.’
‘Ik moet nu ineens denken aan toen die dag aan zee, toen er ook veel wind was. Je kon jezelf voorover laten vallen in de wind, en dan bleef je hangen.’
‘O ja, dat weet ik nog.’
‘En achter dat muurtje gingen we dan onze boterhammetjes opeten.’
‘Jij had een heel lekker slaatje gemaakt.’
‘En jij was verdrietig in de trein terug.’
‘Weet je, ik vind dat we altijd genoeg verhalen moeten hebben die we aan elkaar kunnen vertellen.’
‘Dat is wel een goed plan.’
‘Als die kleine meid die hiernaast ligt te slapen groot is, zou ze zich dat van ons moeten herinneren.’
‘En ook van dat dansen natuurlijk.’
‘Ja, dat ook.’
‘Zal ik toch maar dat dekentje pakken?’
‘Ik dacht dat je het nooit zou vragen.’

07 februari 2020

Aanloop

Naar het schijnt ga je bijna een drempel over, zegt men. Zo voelt het niet, maar zo zal het wel zijn.

(Eigenlijk denk je alleen maar aan het menu voor het etentje en de kookstress.)

Misschien is het wel gewoon even stilstaan in dankbaarheid. Het leven is al die hele tijd bij je gebleven, zomaar. Een reisgezel die zich niet altijd laat kennen.

Sommige dingen worden lichter, helderder. Van sommige dingen zie je beter de zwaartekracht. Je ziet de woorden, de zinnen in je lichaam. Je kijkt.

Je vertelde iets, over dat kijken.

Je hoorde iets over verhalen, in de nacht. De verhalen, ze namen het piekeren weg.

Het is mooi, hoe verhalen zich naast elkaar leggen, ongehinderd door zichzelf. Ze kijken naar elkaar. Er is niemand die ze opeist, ze zijn er gewoon. Ze zijn van niemand anders dan van zichzelf.

En er is het licht van februari. Die gedachte is bij je. Al weken eerder dacht je aan het licht van februari. En toch is het er ineens, merk je het terwijl je in de ochtend door de stad loopt, terwijl je wacht op de trein. Ergens, ongemerkt, is het licht van februari in zichzelf gekanteld.

Misschien is het een mooie gedachte, dat je een drempel zult overgaan, en dat er alleen maar meer licht zal zijn aan de andere kant.

En storm ook, zo zegt men. Je denkt aan de storm, terwijl je staat te koken. En je denkt aan dat plekje in de hoek van het huis, waar je zult zitten terwijl de wind waait. Het huis zal je beschermen.

Je kijkt naar haar, terwijl ze piano speelt. Je ziet het meisje, aan diezelfde piano. Je dacht er al weken aan, hoe het zou zijn. Iets met een cirkel.

Omwegen van eenzaamheid en verhalen die rustig wachten. Spiegels met geduld.

Het onvermogen in wat je zou willen beschermen.

Je loopt door de stad. Er is een lichtheid in je stap. En de tijd is nu. Voorbij die drempel ben je al.

(Soms ben je bang dat je niet lang genoeg interessant zult zijn voor een ander die naar je toe komt. Alsof je een voorraadje verhalen zou moeten aanleggen, voor lege plekken. Uiteindelijk valt het altijd geweldig mee.)

Je beschrijft iets over het verlangen dat overblijft. Iets over een nulpunt, en dan kijken. De onmogelijkheid ervan. En het zien ervan.

En dat je overal in de stad zomaar bekenden kunt tegenkomen. Misschien wil dat zeggen dat je ergens bent.

Of je nu moet oefenen in gerimpel?

Je vertelt iets over een vader zonder kind.

(Om een of andere reden had je eerst het dessert gekozen. Iets met frangipane, dat diende zich aan. Om allerlei kosmische redenen.)

En iets over helen.

Het beeld van een jongetje in het ziekenhuis. Misschien laat het iets nieuws zien.

En de dingen die je niet weet.

Het plekje dat voor jullie gereserveerd was bij het raam. En de warme zon. Ook wel de smaak van chocolade. En uitzichten. De man vraagt of alles naar wens was.

Of je nog dingen moet doen, als drempeloefening? (Misschien is die taart bakken meer dan voldoende.)

Je raakt de tijd anders aan, denk je.

Je vertelt iets over beschermen. Je ziet iets over beschermen. Je weet iets over beschermen, of beschermd worden.

Het licht omarmt je, in februari.

Een rimpel in het water van de zee, op weg naar het strand. Je kunt de rimpel zien. Je kunt iets vermoeden over een bestemming. De rimpel is het verlangen van het water. Herinnering van het water. Water.

02 februari 2020

Jemima

Ik zag haar voor het eerst in de trein. Ze kwam naast me zitten, tussen Antwerpen en Aarschot. Ze vroeg me welk boek ik aan het lezen was. Ik liet het haar zien: Limits, van Giorgos Kallis. Ik vertelde haar dat ik van een goede vriend had gehoord dat ik eerst dit boekje moest lezen voor ik zou beginnen aan een lange tekst die ik nog moet schrijven, voor een boek. En ook dat ik vind dat het boekje lekker in de hand ligt. Ik heb een bijzondere gevoeligheid voor boeken die lekker in de hand liggen en mooi mee bewegen. Net daarvoor had ik nog een artikel over zinnelijkheid gelezen, en misschien was het wel zoiets.

Ze heette Jemima. Ze had even rondgekeken in de wagon en het nog vrije plekje naast mij leek haar wel veilig. Ze zei dat ze dat altijd doet, onbewust bijna. Kijken en onmiddellijk ook inschatten waar het veilig is.

‘Het is iets dat mijn lichaam bijna autonoom of zo doet. Daar wel, daar niet. Het heeft niet zozeer met het uiterlijk te maken, het is iets anders.’

Ze vertelde dat ze net in Antwerpen bij een speciale bakker een taart was gaan halen voor haar oma. Het had iets met een verhaal van vroeger te maken, waarom die taart net daar, in die winkel in Antwerpen moest gekocht worden. Het was iets als een soort magische spreuk of zo.

‘Het is iets dat ik met mezelf heb afgesproken. Als ik die bewuste taart daar koop, dan kan er niets fout gaan. Het brengt geluk of zo. Het is als een ritueel. Straks ga ik met die taart naar mijn oma. Ze is pas 91 geworden. We gaan dan altijd bij haar in de keuken zitten, op dezelfde manier. Ze heeft al koffie gemaakt en ze weet uit welk kopje ik koffie wil drinken. Ze snijdt twee stukken van de taart. En dan legt ze eerst even haar hand op de mijne, en dan beginnen we te eten. Na enkele happen zegt ze dan dat alles goed komt. En dan eten we zwijgend verder.’

Ze vertelde me dat ze zo hield van de ogen van haar oma. Met die ogen kon ze zo helemaal kijken, alsof ze je helemaal zag. En zo voelde het ook. Als er iets aan de hand was, zoals een nieuw vriendje dat toch weer van het verkeerde soort was, dan zag ze dat meteen. Jemima moest het nooit zelf zeggen. Ze wist het soms zelf nog niet.

‘Om een of andere reden denk ik dat jij dat ook begrijpt. Ik ken je natuurlijk niet, en straks stap ik af en jij ook. Het is een beetje een gedoe, ik en de mannen. Na een tijdje merk ik telkens weer dat hij toch eigenlijk niet goed is voor mij en dat we eigenlijk ook niet goed zijn voor elkaar. Anderen zien dat altijd eerder dan ik. Ik ontken het eerst nog, probeer te rekken wat eigenlijk niet goed is en dan komt het verdriet. Ik denk wel dat ik elke keer een beetje vooruitgang maak, maar helemaal zeker ben ik daar nog niet van. Maar mijn oma blijft geduldig en ze steunt me altijd. Soms zegt ze weleens dat het niet zo erg is om alleen te zijn, zoals zij is. Misschien moet ik daar een goed voornemen van maken voor dit jaar, om daarover na te denken.’

Ik zei dat ik haar goed begreep en dat ik hoopte dat het toch echt wel goed zou komen. Ik vroeg of ze graag kinderen wilde.

‘Ja, ik denk het wel. Heel erg graag eigenlijk. Maar ik denk ook dat ik er misschien een rommeltje van zal maken. Ik zou zelf eerst mijn eigen verwarring op orde moeten hebben en liefst ook nog iemand naast me hebben die een beetje stevig in de aarde staat en samen met mij die kinderen een veilige plek in deze wereld kan geven. Ik hoorde nog een gesprek gisteren met een kinderpsychiater over wat de gevolgen kunnen zijn voor de lichamelijke ontwikkeling van kinderen van wat er thuis gebeurt. En ik zou het echt wel goed willen doen, zoals alle papa’s en mama’s waarschijnlijk.’

Ze zei dat ze zich een beetje rusteloos voelde, maar dat dat later beter zou zijn, na de taart met haar oma.

‘Vind je ook niet dat er al veel licht is? Zodra het februari is, voel je echt dat het licht aan het veranderen is. Ik kijk graag naar het licht van februari, vooral ’s morgens. Al blijft het verwarrend dat de winter op de dool is. Het zou koud moeten zijn nu. Net als de rest van de natuur hebben wij ook de koude nodig om nadien beter warmte te kunnen geven en ontvangen. Veel mensen durven dat precies niet meer, in alle seizoenen leven. Ze willen dat het altijd warm is, waardoor dat ook vanzelfsprekend zou worden. En dat is het niet. Warmte, die je ook vanbinnen warm kan maken, die is nooit vanzelfsprekend. Ik moet nog elke dag oefenen. Maar dat lijkt me net heel goed. Zo zie ik veel beter de mooie dingen die er wel zijn en die zomaar op mijn weg komen.’

Ik vertelde haar nog dat ik die ochtend had gezien dat er een bloem was opengegaan in de bak op mijn terras. Ik beloofde haar om er een foto van te maken en die naar haar door te sturen. Daar keek ze erg naar uit, zei ze. Ze zou die foto aan haar oma laten zien.

We kwamen aan in Aarschot, waar ik moest overstappen op een andere trein. Zij moest nog een stukje verder. We namen afscheid. Ik ging wachten op het andere perron. Haar trein moest nog even wachten. Het is altijd een beetje ingewikkeld of je dan de hele tijd moet blijven kijken naar elkaar of zogenaamd af en toe. Ik denk dat we de hele tijd af en toe hebben gekeken, die twee minuten.

Terug thuis maakte ik een foto van de bloem en stuurde ze door. Ik kreeg als antwoord de groeten terug van haar oma. Misschien komt vandaag alles goed met de wereld. 

01 februari 2020

Kijk papa, zonder handen

De vrouw aan het loket. Ze doet je aan iemand denken.

De vrouw in het felgroene regenjasje op het perron. Ze zoekt iets op haar telefoon. Je kijkt naar haar handen. Handen zeggen alles. Ooit leerde je dat van iemand, dat je naar de handen moet kijken.

De drie jonge mannen die een beetje schichtig door de trein lopen. Ze gaan samen het toilet in, en blijven daar. Ze zijn onderweg naar ergens, hopen ze, denk je.

De mama die probeert haar twee zonen rustig te houden in de trein. De ene begint telkens opnieuw hetzelfde verhaal te vertellen. Over iets dat DE AFSPRAAK was, en dat HIJ (zijn broer) zich daar niets van heeft aangetrokken, zoals het ALTIJD is, en dat dat NIET EERLIJK is, en dat IEDEREEN tegen hem is. De mama zet een heel arsenaal aan professionele afleidingsmanoeuvres in. Soms lijkt het heel even te lukken. Even. “Maar ik wil nu toch nog eens uitleggen waarom ik kwaad ben, want er was een afspraak…”

De man op het busperron die blijkbaar kwaad is om iets. Hij roept en slaat met zijn hand op het windscherm. Tot hij naar zijn hand kijkt. Het doet pijn.

De vriendin die je onverwacht het gepaste advies komt geven terwijl je een verjaardagscadeau staat te kiezen voor haar man.

De vrouw in de wereldwinkel. Lachend en zingend loopt ze naar de deur om die open te houden voor jou.

De vrouw in de winkel die vraagt waarom je later bent. Je bent zo voorspelbaar qua winkelroutine dat ze zich al bijna zorgen maakt als je iets later komt. Je kunt gelukkig altijd een volledig sluitende verklaring geven. Waardoor de kosmische orde niet verstoord wordt. En je kunt zeggen dat je toch altijd blij bent als je haar weer ziet. Wat geheel wederzijds is. (Was de federale formatie maar zo eenvoudig…)

Het jongetje op de fiets. Heel even houdt hij zijn handen net boven het stuur. “Kijk papa! Zonder handen!”

De vrouw die de hele tijd achter je blijft terwijl je naar boven fietst. Zij rijdt elektrisch.

De vrouw die in de winkel de havervlokken per zak van 15 kg koopt. Ze vindt het wel lekker, zegt ze.

De vrouw die met luide stem aan haar dochtertje uitlegt hoe ze achter haar aan moet fietsen als ze daar op die plek de straat oversteken en iets te veel instructies lijkt te geven terwijl ze het samen proberen.

De vrouw in de garage die net met haar fiets wil vertrekken terwijl jij binnenkomt. Ze glimlacht.

De kinderen op hun kleine fietsjes. Opgewonden en blij roepen ze allerlei dingen naar hun papa. In het Nederlands, met een beetje Engels er doorheen.

De vrouw die je onverwacht passeert.

De vrouw die door je hoofd loopt.

De man die in het journaal uitleg komt geven. Je ziet zijn vader in hem.

De man in het journaal die staat te trillen van kwaadheid omdat men hem tegen zijn wil uit de EU heeft gekegeld. (Je tranen, andermaal.)

De vrouw, je hoort haar de fado zingen. Je weet nog toen je haar voor het eerst zag, jaren geleden. Hoe ze halverwege het concert ineens alleen nog maar tranen was. Ze ging even weg, en kwam terug. “Jullie moeten mij er doorheen helpen.” En ze begon weer te zingen.

31 januari 2020

De woorden raken je aan

Je zou nog even een gedicht schrijven. Tussendoor. Omdat het gedichtendag was.

(Misschien helpt het te denken dat anderen echte gedichten schrijven en dat jij een beetje knutselt.)

(Misschien is het een vorm van verlangen, of het erkennen van verlangen.)

Je weet nooit goed hoe het werkt. Het geeft niet. Het is iets met de afstand tussen de woorden, met de plek die ze worden. Enkele woorden vinden elkaar, een beetje onwennig nog. En eens ze daar zijn, is het anders.

(Je ziet iets in je hoofd. Een beeld van een plek, aangrenzend aan een lichaam. Je ziet wat de woorden zouden doen als ze daar in de buurt zouden komen. Je ziet waarom ze daar niet kunnen komen.)

Het is wachten. Eens de eerste woorden er staan.

Je komt jezelf tegen. Er zijn woorden die je niet kunt gebruiken, omdat ze niet passen in jouw lichaam. Je ziet het vaak bij anderen, bij echte schrijvers, hoe ze soepel bewegen tussen de woorden. Onbevreesd. Misschien bewegen ze even soepel in hun lichaam, kunnen ze op alle plekken komen. Onbevreesd. Het is alsof je al die dingen ziet, als je die teksten leest. Jij hebt maar een klein schiereiland waar je kunt bewegen. Misschien hebben anderen de hele wereld.

(Het beeld uit die droom van de vorige nacht dringt zich op. Je zag een stuk. Er was een verhaal. Ze was geen onbekende. Je wist iets.)

En wat je ook schrijft, je kunt nooit helemaal aan jezelf ontsnappen. Alsof je uiteindelijk altijd door dezelfde deur moet, ook al is die breder geworden in de tijd en zijn er 753 manieren om door die deur te gaan.

(Hoe je telkens weer bij dezelfde plek komt, of bij de plek die nu jouw vragen draagt. Misschien maakt de tijd thema’s voor je en heb je dat gewoon te aanvaarden. Het is alsof je het zand een beetje kunt ophopen rondom die plek, waarna je kunt toekijken.)

Het is soms teleurstellend, hoe klein je bent, eens je begint.

(Je denkt aan iemand. Je ziet iets dat was.)

Je kunt er verdwijnen of je kunt er alles zien. Het duurt even eer je die zin begrijpt. De zin is een geschenk, zie je daarna.

Op sommige zinnen moest je wachten, ze konden alleen nu komen.

(Het is rustiger als je er minder omheen schrijft, heb je gemerkt. Je kunt het zien aan de woorden, dat ze rustig zijn, denk je.)

(Misschien zul je het ooit wel kunnen.)

Er is een deur. Anderen kunnen door die deur in de woorden komen. En hoe de adem dan verandert.
Het woord ergens. Je ziet het pas nadien. Hoe het er staat, hoe het zich herhaalt.

(En als de woorden zich neerleggen, zullen ze dan aan zichzelf genoeg hebben? Zullen ze een plek kunnen zijn voor iemand anders die ze leest?)

(Je begrijpt iets van het verlangen.)

Soms kun je de woorden niet ontwijken. Ze kunnen alleen maar die ene richting uitgaan. Je kunt de woorden niet losweken uit hun bestemming, op dat moment. Misschien is het goed om dat te aanvaarden.

Je ziet het spel van de woorden. Hoe ze glunderen. Hoe ze wringen met wat verwacht was. Zoals iemand ineens een tel overslaat. Je ziet pas na even de dans. Ze kijken naar verwondering. Ze oefenen nog. Het echte werk is voor later, als je groot bent.

(De beelden van die droom hebben hun plek in de dag ingenomen. Andere beelden komen naar je toe, als om dat ene beter te zien.)

Soms weet je dat een bepaald woord daar moet staan maar begrijp je niet helemaal wat het je zou willen zeggen. Het geeft niet.

(Misschien is falen niet zo heel erg.)

(Iets lost zich op in die twee woorden. Het gewicht ligt denk je bij het tweede woord. Je begrijpt iets wat je daarvoor niet zag.)

Al die dingen, ze geven niet. Ze zijn volstrekt onbelangrijk.

Je laat het tekstje los. Het blijft klein en onbetekenend, maar het is van zichzelf.

26 januari 2020

Waar het windstil is

‘Misschien ben ik wel bang?’
‘Misschien ik ook wel. Heb je daar al over nagedacht?’
‘Nee, eigenlijk niet. Waarschijnlijk denk ik dat alle andere mensen alles kunnen en alles weten, of zo.’
‘Niet dus. Ik denk dat ik wat rustiger ben dan jij nu, maar tegelijk is er niet zoveel verschil. Geef me je hand eens?’
‘Waarom?’
‘Doe maar gewoon. En zie wat er gebeurt.’
‘Het is alsof mijn hand dingen zegt, los van mij.’
‘Niet los, dat is het nu net.’
‘Ik kijk, en ik zie iets niet. Alsof er daar een plek is die immuun is aan woorden of zo.’
‘Ik begrijp helemaal wat je zegt. Ik denk dat de woorden daar niet zoveel te zoeken hebben.’
‘Misschien is het een uitnodiging tot traagheid?’
‘Dat denk ik ook.’
‘Maar zul je dan niet weglopen?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik wil blijven.’
‘Ik wou iets zeggen, maar ik doe het dus niet. Ik zal ervan uitgaan dat ik je geloof.’
‘Ja, doe dat maar. We zijn er oud genoeg voor.’
‘Ik hield er trouwens wel van, vanmiddag in de trein. Toen we samen zaten te lezen. Dat is zoiets waar ik vroeger soms van droomde.’
‘En wat was dat dan?’
‘Het vanzelfsprekende ervan. Dat je je niet moet afvragen of je wel genoeg interessante dingen hebt om te vertellen. Dat anders elk moment zou kunnen blijken dat je toch een beetje saai bent. En gewoon de rust die ervan uitgaat. En de veiligheid.’
‘Ik vind het ook heerlijk. Er zijn niet zoveel mensen met wie ik dat kan, samen lezen. Dat is een beetje zoals samen koken, of samen zwijgen.’
‘Ik denk wel dat je heel even in slaap gevallen bent.’
‘Ik? Nee hoor.’
‘Toch wel. Maar ik zal het niet verder vertellen.’
‘Het is je geraden. Stel je voor dat de bevoegde instanties het te weten zouden komen. Of de kosmos.’
‘Die wist het al, die is alomtegenwoordig.’
‘Je moet je er wel op voorbereiden dat ik in je ogen ga kijken. Langer dan even.’
‘Als ik wegga, zeg je het me dan?’
‘Ja. En ga jij dat ook doen?’
‘Ja.’
‘Dan is het goed. Geef je hand nog eens?’
‘Zo?’
‘Zie je het verschil?’
‘Ja, een beetje.’
‘Dus?’
‘Het mag.’
‘En de zon is er ook, kijk maar.’
‘Misschien, als we het willen, is er hier geen wind.’
‘Misschien was dat er al.’
‘Maar straks gaat het wel regenen.’
‘Dat zien we dan wel.’
‘Ik denk dat de kosmos gelijk had.’
‘Had die jou iets ingefluisterd dan?’
‘Ja. Terwijl jij sliep.’
‘Onnozelaar!’

25 januari 2020

Stemmen in de tijd

Het jongetje loopt door de winkel. Zijn mama achter hem aan. Zij praat de hele tijd tegen hem. Hij maakt soms een kirrend geluid. Stemmen sijpelen binnen bij hem.

Een hele dag thuis zijn, geen woord zeggen. Je stem is een mogelijkheid. Ze is er in afwezigheid. De ruimte weet. Zoals je je hand in het zand duwt of in klei en dan kunt kijken naar de afdruk, zo is er misschien in de ruimte een ruimte uitgespaard waar je stem in past. Misschien is er ook zo’n ruimte voor je hand.

Je leest het artikel over de Nederlandse zanger. Je hoort zijn stem, terwijl je leest. Je herinnert je nog waar je zat in de schouwburg, zoveel jaar geleden. Die ene keer daar, die andere keer daar. Je hoort de stemmen van wie toen naast je zat.

Soms als je je een stem probeert te herinneren, is het alsof ze je ontglipt. Je kunt aan een stem denken als aan het moment waarop je die stem zult herkennen. In je hoofd zitten veel stemafdrukken. Ze wachten. Zodra je te hard probeert de stem ook te horen, verdwijnt ze. Je denkt dat je jezelf zult verliezen als al die stemmen zouden verdwijnen.

Op een foto zie je een vroegere geliefde. Haar strenge blik. Je kijkt naar de plek die ze inneemt. En je hoort haar stem. Je mist die stem. (Zou je dat aan iemand kunnen zeggen? Ik mis jouw stem.)

Je luistert naar Bessie Smith. Alle platen na elkaar. Met elk nummer kruipt ze een beetje dieper onder je huid. Er moet een plek zijn, die er al was in jou. Misschien is het een holte. Bessie Smith mag daar altijd komen. Het is een geruststellende gedachte, dat je altijd naar Bessie Smith kunt gaan.

Soms hoor je de stem van de planten. Soms zou je ze willen horen. Soms is het alsof de planten iets willen zeggen.

Iemand zegt je dat hij je hoorde op de radio. Hij zegt dat er iets gebeurde met die twee stemmen. Alsof er iets ontstond. Die ene stem kun je zien, ook hoe klein je je voelde tegenover haar stem. Jouw stem kun je niet zien. Misschien moet je aanvaarden dat anderen jouw stem wel zien.

In het restaurant. Iets maakt je lichaam onrustig. Het is alsof je stem ergens anders is. Als ze terugkomt, zakt ze diep in je.

Je stem verandert als je over de kinderen praat.

Ergens op een zandbank in de nacht hoor je de stem van je huid.

Je leest in het boek. Met een beetje moeite zou je je een beeld kunnen vormen van hoe de personages eruitzien. Al wil je dat eigenlijk niet. Hun stemmen horen is nog veel moeilijker.

Op de receptie zijn er te veel stemmen rondom je.

Je denkt aan een stem. Aan hoe je je voelde toen je die stem voor het eerst hoorde. Hoe je telkens wilde terugkomen, alleen maar om die stem te horen.

Je hoort iemand praten. Je hoort hoe hij in de comfortzone van zijn stem komt.

Beelden. Je ziet hoe haar stem verandert. Ze verdeelt zich, ze komt terug.

De zee. De stem van de zee is soms ook als een afdruk. Je kunt haar stem horen, maar niet zien.

Het is de sterfdag van de man die ooit je dokter was. Je weet nog wat zijn stem met je deed, hoe ze kon veranderen tijdens een gesprek. Soms wist je wat hij zou zeggen, maar dat gaf niet. Als het zijn stem was, geloofde je het.

Stel dat je zou weten hoe de stem van Bach klonk?

Je weet nooit welk stem haar echte stem is.

In je herinnering hoor je stemmen, toen je daar op de operatietafel lag. Waarschijnlijk klopt die herinnering niet, maar ze is er wel.

De man in de film vertelt over sporen in je lichaam. Hoe ze je kunnen ontregelen. Hij legt uit dat zingen je lichaam weer rustig kan maken. Hoe je eigen stem je terug kan doen samenvallen met jezelf.

De stem van de vrouw in de winkel verandert terwijl ze met je praat.

De stemmen van de man en de vrouw die ruzie aan het maken zijn op straat. Zogenaamd op ingehouden wijze.

De stem van de treinmevrouw. Ze kijkt naar haar stem, denk je.

Je ziet hoe het zou zijn, als een andere stem de ruimte zou innemen in je huis. Je ziet waar die stem zou zijn. Je ziet stemmen die al in het huis waren. (Zoals het landschap zich de voetstappen herinnert. Zoals de huid zich iets zou kunnen herinneren.)

22 januari 2020

Nachtsporen

In het concert, in dat hokje. Je kijkt eens rond in de zaal en zegt tegen haar dat jullie zo ongeveer de jongste aanwezigen zijn. (Dat denken die anderen misschien ook als ze jou zien.)

Verhalen over kinderen en Lego.

Je ziet beelden van toen, ergens opgeslagen. (Je bent blij dat ze er zijn.)

(Je weet niet goed wat je arm je zou willen zeggen.)

Lichtflikkeringen in de nacht.

(Je buik lijkt verdwaald.)

Een andere dag. Je luistert naar de lezing. Het geschuifel van de vrouw naast je, je weet wat dat betekent. (Gebruiksaanwijzingen.)

Nadien probeer je iets uit te leggen over verdriet. (Op die plek klinkt het een beetje raar. Het leert je iets.)

Je loopt terug, denkt aan chocolade.

Kijken naar verhalen. Je ziet de plek waar je nu staat. (En wat misschien altijd aan je zal trekken.)

Die avond. Waar je hoekig bent.

Je leest de tekst die zich langzaam aan het vormen is. De woorden en hoe ze zichzelf zoeken, het ontroert je. Ze nemen langzaam hun ruimte in.

(Je moet wachten tot je buik er zin in heeft en zegt dat het nu wel voorbij is.)

Het licht in de nacht.

Denken aan die tekst waarmee je de nieuwe dag zult beginnen. (Je kunt al zien hoe je de tekst in je handen zult nemen.)

De nieuwe dag. Je kneedt de tekst verder, tot het goed is.

De gordijnmeneer belt je. Of het goed is om de volgende dag langs te komen, om het op te hangen. (Het lijkt ineens een spannende gedachte, de glorieuze wederintrede van het slaapkamergordijn.)

De vergadering. Je kijkt naar de tekeningen van de toren, en ziet waar de wind waait. (Tot waar de wind waait zul je nooit weten.)

Terwijl je uit de trein stapt, belt de radiomevrouw je. Je probeert plekjes te zoeken op het perron waar er geen aankondigingen te horen zijn, tevergeefs. Een bewegend gesprek. Ze vindt het boeiend, en zal je straks misschien terugbellen.

(Dat stuk van je rug.)

De radiomevrouw belt. Ze zouden je graag hebben straks, en of je naar de studio kunt komen. (Je kijkt even naar de uren in je hoofd. Hoe de dingen in elkaar passen.) Je zegt ja.

Je kijkt naar de beelden van het dappere meisje dat heel rustig staat te vertellen. Je leest wat die vieze ouwe vent heeft verteld (van hem wil je geen filmpje zien). De reporter op de radio zegt dat het meisje diplomatischer is geworden. (Hoe hij het zegt, bevalt je niet.)

Je loopt naar de studio, langs de steenweg. Je ziet zinnen die je zou kunnen zeggen.

De onthaalmeneer neemt je mee naar de studio.

(Je kijkt naar je handen.)

Je was al enkele keren op deze plek, je vindt het nog steeds even magisch.

De radiomevrouw komt je halen. Ze zegt dat men de sport naar voor heeft geschoven, zodat jij iets later bent. In de studio. Hoe bijzonder het voelt om zomaar in de buurt van die mooie stem te mogen zijn. (Dat durf je haar niet te zeggen.) Ze doet iets met haar ogen terwijl ze spreekt.

Net buiten komen de berichtjes al binnen. Er zijn mensen die je gehoord hebben.

In een mistige avond weer naar huis. (Je ziet in je hoofd dat je op weg bent naar huis.)

De nacht verwart je een beetje. Het gordijnbesef verandert de ruimte.

(Hoe je soms naar een plek verlangt.)

(De beelden die je ziet, in afwezigheid.)

Je schuift in de dag.

Je kijkt naar de playlist. Je wilt nog snel die ene boodschap doen, en weer terug zijn voor Bach begint.

De gordijnmeneer komt binnen. (Je weet niet goed waarom je een beetje zenuwachtig bent.)

(Gordijnverlangen is ingewikkeld. Iets mag misschien niet.)

Je loopt opgewekt naar de trein.

(Je schouders zijn in de war, ze zijn altijd in de war.)

Straks is er koffie. En chocolade.

17 januari 2020

Luisteren

Luisteren naar Louis Armstrong en zijn Hot Five en Hot Seven.

Waar komt die muziek vandaan? Je zou stiekem in die studio willen staan, om te kijken. Gewoon ergens in een hoekje. Eindeloos.

De muziek is gemaakt ongeveer veertig jaar voor je geboren werd. Je grootvader was half de twintig.

Het lijkt zo ver weg, of het leek zo ver weg. Je leeft ondertussen al een stuk langer dan veertig jaar na je geboorte. Waardoor veertig jaar voor je geboorte ineens dichterbij lijkt.

Hij leefde nog toen jij geboren werd. Hij was dichterbij.

Je beseft dat hij ongeveer even oud was als je grootvader.

De verhalen van je grootvader. Hoe hij op stap ging als jonge man, om te gaan feesten. Het moet in die periode geweest zijn dat die opnames van Louis Armstrong gemaakt zijn.

Werelden schuiven in elkaar. De tijd daar komt dichter bij de tijd hier.

Stel dat je daar zou staan, in die studio, met je grootvader naast je. Hij zou op dat moment nog niet weten dat zijn zoon later de muziek zou spelen die min of meer voorafging aan wat jullie daar zouden horen.

Stapels platen van die muziek liggen nu bij jou in huis. Ze kwamen naar je toe.

Je beluistert ze, plaat per plaat. Je kijkt naar de gezichten van de muzikanten op de hoes.

Je zult nooit goed begrijpen hoe dat werkt. Je kijkt naar de stapels platen in je kast. Als je gewoon kijkt, gebeurt er niets. In al die hoezen wacht de muziek rustig af.

Melodieën die teruggaan tot toen, daar. Ze zijn ook een beetje hier.

Ooit heb je die muziek voor het eerst gehoord. Je weet niet meer wanneer. Ze is ergens in je gaan wonen, naast al die andere muziek.

Hoe vreemd zou die muziek hebben geklonken voor je grootvader? Je weet het niet. Om een of andere reden denk je dat het voor hem als ver zou geklonken hebben, maar misschien is dat wel helemaal niet zo.

Je weet niet of hij zou blijven staan, of al snel weer zou willen vertrekken, een beetje verlegen. Jij zou blijven staan, denk je.

Zoveel dingen weet je niet.

Je hoort hem nummers spelen die je goed kent, die je in je hoofd kunt zien terwijl hij speelt. West End Blues.

Je houdt van de blue notes, dat is altijd zo geweest. Dat is ergens onderweg in jou gekomen. Of misschien was het er al.

Basin Street Blues. Je hebt ondertussen zoveel andere versies gehoord, op al die platen, en door de muzikanten die je vroeger zag spelen.

De beweeglijkheid en de vrijheid. Zelfs na honderd jaar oefenen zul jij nooit met je woorden kunnen doen wat je daar hoort.

En natuurlijk St. James Infirmary. Ooit is het naar je toe gekomen. Je hebt het zelf al zo eindeloos vaak gespeeld. Die stem. En wat er daarna komt. Eerst de piano, en dan de trombone, en hoe de andere instrumenten sierlijk om die trombone dansen, zonder elkaar los te laten. Op het einde terug de trompet, die alles netjes neerlegt.

Je hoorde de platen met opnames van de muzikanten die meeliepen met die begrafenisstoeten. Daar zou je je grootvader mee naartoe nemen. Hij zou met grote ogen staan kijken, en knikken.

Die muziek was daar toen. Maar ze kwam ook van elders.

Het is wel een mooie gedachte, dat al die muziek ook een beetje door jou heen stroomt. Misschien is het niet zo erg dat je niet weet waar daar ophoudt en hier begint, waar toen eindigt en overgaat in nu.

Er zitten enkele jaren tussen de eerste en de laatste opnames van die sessies, en je hoort al een wereld van verschil.

Je hoort een nummer dat je ook kent van Billie. En zo blijven de dingen elkaar aanraken.

Je zegt aan je grootvader dat het tijd is om te vertrekken.

Zo’n zestig jaar na deze opnames zei je grootvader, terwijl hij in het ziekenhuis lag, dat je moest oppassen bij het oversteken van de straat. Misschien was hij in zijn hoofd nog in zijn huis. Misschien was de gang die gevaarlijke straat. Niet snel daarna stierf hij.

Binnen enkele jaren is het veertig jaar geleden dat hij stierf.

16 januari 2020

Wiebeldingen

Terwijl je staat te wachten aan het onthaal, het kleine meisje dat dartelend aan komt lopen met een fietshelm die net een beetje te groot is.

Heen en weer kantelen op je bureaustoel, ervan overtuigd dat de beweging zal bijdragen aan een of ander inzicht.

Rechtstaan, en daarbij een voor een de stukken van je lichaam op elkaar zettend, als bouwblokken, en even wankelen.

Het lepeltje in je hand, het duwt de lucht opzij.

In de trein, die bladzijde van de krant, die net niet helemaal goed blijft liggen op je been, en dat terwijl je je had voorgenomen om een hele rit bewegingloos te blijven zitten, als een soort meditatie of zo.

De yoghurt in het kommetje, ingehouden.

Dat beeld in je hoofd.

Heen en weer bewegen, terwijl je staat te wachten op het perron, en voelen hoe de zwaartekracht toekijkt.

Iets met de wind.

Dat stukje huid, net aan de rand tot waar je je moet scheren, ’s avonds.

Het wiegen, zachtjes heen en weer, in een droom, als een helende eeuwigheid.

Het water in de afwasbak.

De vrouw in de tantrische video, die iets vertelt dat ergens in je lichaam iets doet kantelen, waarna je huid zich ontspant.

Het onderwerp van de vergadering.

Het licht van de auto’s, ’s nachts, en wat ze doen op je muur.

De gedachte, terwijl je door de gang loopt.

Billie die zingt, Let’s do it.

De tijd, die zich heeft teruggetrokken in je lichaam.

Het touwtje van je nachtlampje.

De paksoi.

Het dikke boek, terwijl je aan het lezen bent in de warme hoek van de kamer, en niet helemaal weet wat je met je benen moet doen.

De woorden in die zin.

Het kindje op de arm van mama, gretig naar de wereld kijkend.

Het restwater in de bak onderaan van het koffieapparaat op het werk, en de poging om dat netjes weg te gieten.

Je benen, net voor je gaat slapen.

De pijn, ergens in een knoop in je rug.

Je knie, tijdens Let’s do it.

Het beeld dat je ziet door het raam.

Stappen over de dikke keien in de straat in heraanleg.

Eindeloze nog-niet-formatiegesprekken.

De rijst die aan het koken is.

De plant die geurt na een aanraking, en wat je daarover ooit leerde.

Wat je zag.

12 januari 2020

De jaren

Ergens midden in de nacht weer wakker schieten. Jaren rekenen.

Je kreeg een vraag: wanneer was dat?

Je had al zitten zoeken in je hoofd, voor je ging slapen. Sommige dingen die je begint, zetten zich later verder, moeten eerst uit je systeem, voor je weer verder kunt.

Het was toch toen? Was het wel echt toen?

Een eindeloze stroom beelden komt op gang. Het was toch toen dat je haar voor het eerst zag, daar in die tuin met al die andere mensen? (Je hebt er nog een foto van, dus het zou moeten kloppen.) En was dat dan ook met die en die?

Je begint terug te tellen, op basis van andere ankerpunten. Dingen daarbuiten in de wereld, die je naast de dingen in je hoofd legt.

Er komen steeds meer beelden. Allerlei gebeurtenissen, jouw geschiedenis met haar, al jullie avonturen, ze komen terug.

(Het is zo raar, als je al zo lang met iemand samen op stap bent, in een soort tocht om een gezamenlijke droom te realiseren, is het of die jaartallen uit je hoofd verdwijnen. Of niet echt verdwijnen, veeleer dat ze ergens in de marge gaan staan. Dat onderweg zijn is ‘altijd’ geworden, een lange stroom, en dan zijn de jaren niet meer zo belangrijk. Het is alsof ze dat zo beslist hebben.)

Je hebt zo stilaan het rijtje van dingen en jaren in je hoofd, maar je lichaam heeft blijkbaar nog niet veel zin om terug in de slaap te schuiven.

(Tussendoor ook nog de beelden van die serie waarvan je net voor de nacht de laatste afleveringen zag.)

Andere verhalen beginnen zich ook aan te dienen. Dingen over de liefde, over vriendschappen. Heel veel beelden, soms dichtbij, soms wazig. Je probeert ze in volgorde te krijgen. Alsof dat moet, voor je weer kunt gaan slapen.

Je ziet foto’s, je ziet momenten, je ziet brieven, je ziet handschriften, je ziet geuren (zo lijkt het toch). Dingen waarvan je toen wou dat ze herinneringen zouden worden, waarvan je toen dacht dat je erg nauwkeurig moest registreren wat er op dat moment gebeurde. Ze zijn er nog.

Je ziet allerlei momenten en beelden die bij de plek horen waar je nu bent.

(Dat raam zonder gordijn blijkt toch ook een rol te spelen. Het licht trekt zich niet helemaal terug. De plek lijkt minder begrensd.)

Je probeert de tijdlijnen naast elkaar te zetten. Er was ook nog die ziekte. Er overheen komt nog een ander tijdgevoel, alsof je pas nu, sommige lijnen ziet in die hele stroom van toen naar nu. Dat verhaal, dat zien, heeft een eigen ritme in je lichaam, los van jezelf en helemaal niet los van jezelf. (Je moet het gewoon observeren, en volgen.)

(Ondertussen denk je dat je toch eigenlijk ook wel graag gewoon zou willen kunnen slapen.)

(Je nachthuid moet gewoon wachten, tot de stroom in je hoofd gaat liggen.)

(Je moet het trouwens morgen, of straks eigenlijk, als je weer wakker bent, na de slaap, nog doorgeven aan die ene die de vraag stelde. Je moet erop vertrouwen dat je dat tegen dan niet zult zijn vergeten.)

Het is alsof de beelden blijven bewegen, blijven komen.

Het is ook wel goed om alles eens netjes naast elkaar te zien, al die lijnen, denk je. (Elk moment van de dag of nacht is goed voor de zelfopvoeding. Al zou gewoon slapen ook een goed plan kunnen zijn.)

Misschien was die vraag wel een goede aanleiding om al die dingen eens te bekijken. Je doolt door het leven. De dingen trekken je naar alle kanten. Nadien zie je beter de mist waar je in zat, en tegelijk ook hoe je veranderde. (Die gedachte is een vermoeden, waarschijnlijk zal een en ander pas duidelijk worden in het daglicht.)

Je adem begint het langzaam weer over te nemen. Je huid zakt langzaam weer in het bed.

Je staat even op. Die trage bewegingen, heen en weer, telkens opnieuw. Je voelt hoe het rondom jou koel begint te worden. Het is tijd, bijna, om weer in de stilte van de nacht te schuiven.

Je wacht nog even, gaat weer liggen. (Er komen nog enkele beelden, maar je legt die naast je neer, en nu blijven ze daar liggen precies.)

(Er was een tijd dat je het wilde weten, hoe het kantelmoment eruit zag, tussen net niet en net wel in slaap. Die tijd ligt achter je. Sommige dingen liggen echt achter je, heb je gezien.)

Je verdwijnt.

(Om aan de andere kant weer terug te keren.)

09 januari 2020

Soms is het tijd voor Billie

Je weet het, soms is het tijd voor Billie. (Met Lester, in dit geval.)

Een groot klein meisje komt achter je staan en speelt met je haar, dat nog enigszins aanwezig is. Ze heeft je net daarvoor uitgelegd dat het wetenschappelijk bewezen is dat kinderen sommige smaken anders ervaren dan grote mensen. Je hebt nog een cadeautje voor haar (en het is geen basketbal).

(Het is al dagen alsof de tijd heen en weer gaat. Alsof beelden van vroeger weer toenadering zoeken.)

Het stukje schrijft zichzelf, je kijkt naar de woorden. Misschien schrijf je sommige stukjes telkens opnieuw, telkens een klein beetje anders. Misschien zie je de dingen telkens een klein beetje beter. Je ziet woorden over onvermogen, toen. Je ziet wie je toen was, wie je toen niet kon zijn. (Zij leest het ook.)

Een gesprek over de kinderen. Je probeert iets uit te leggen. Over het ene kind dat het andere raakt.

(Je denkt aan die paar zinnen die je een week eerder hoorde. Ze erkenden iets van toen, haalden het naar nu. Iets herstelt zich. Iets was er misschien al de hele tijd.)

De brief die je wilde schrijven, het zijn zinnen geworden in een schriftje. Een schriftje met een magneetje.

De woorden die je verzond. Een vriend wijst je op het verdriet dat hij erin las. Je bent even in de war. Ze voelden lichter bij het schrijven, denk je.

Je denkt de hele tijd aan een zoon die niet meer in het leven is, zo is gebleken. Het woelt in je. Je staart naar een plek waar woorden gestapeld zijn. Je machteloze handen zoeken afwezig in de stapel. Het zal nog enkele dagen duren. (Misschien is het proberen al genoeg.)

(Je weet nooit wie je bent voor iemand anders, of je een herinnering bent.)

Je wilt dat alle kaartjes op hun bestemming komen. Alsof pas daarna de wind kan gaan liggen.

Je hebt de kerstlichtjes weer in hun doos gedaan.

(Hoe zou het zijn, denk je, als je zomaar zou aansluiten bij die beelden van vroeger, als je even terug op dat moment zou gaan zitten, en kijken. Wie zou je zien?)

In de lift vertelt ze dat ze jouw woorden op het kaartje gelezen heeft.

Je leest een tekst over rouwen. Het beeld dat je ziet, zegt iets over vieren, ook. Verhalen komen naar je toe, denk je, zomaar. Het is een geschenk. Ze zegt iets over hoe je kijkt, het ontroert je.

Je loopt door de stad. De twee bakken met lege flesjes op het karretje, stevig bevestigd met de spanriemen. Je laveert tussen de anderen, onderweg. Het is zo warm, denk je. Je ziet de etalage met de platenhoezen. Er is een wereld daar, weet je.

Een vergadering maakt ineens een zijsprong. Twee mannen, jij en een vriend, zingen Her Majesty, leggen uit aan de andere aanwezige dat dat korte liedje verborgen is helemaal aan het einde van de plaat. Die ene plaat. Ze kijkt een beetje bezorgd. De vergadering gaat gewoon verder.

Onderweg, met je boodschappen. Je dacht net aan iemand, ze komt naar je toe gefietst. Ze ziet er moe uit, denk je. Je zou veel willen zeggen, maar je moet door. Beelden schuiven.

Die avond, op weg naar huis. Bij het kruisen raken de twee (dikke) auto’s elkaar. Een spiegel breekt af. (Misschien houdt god niet van een SUV.)

(Je denkt aan iets over aanraakbaarheid.)

(Het is alsof je al een tijdje gevoeliger bent voor geluiden, je hoort meer details, of zo.)

Die nacht schuif je mooi in en uit je dromen.

Je leest de woorden. Het is alsof ze zich aan je vastzuigen. Ze verzwaren je, ze gaan wel weer weg.

(De tijd heeft een eigen logica, denk je. Je kunt ernaar kijken, en daarna leggen de dingen zich weer neer.)

Iemand heeft je gezocht, zie je. Dat had je niet verwacht, het voelt wel goed, eigenlijk.

De man achter je in de trein praat de hele tijd in zijn telefoon. Je vraagt je af wat het is in zijn stem dat je zo ergert.

Het kleine meisje in de winkel is een liedje aan het fluiten, ze kijkt je ernstig aan. Ze fluit wel heel erg goed, denk je.

Je leest de woorden. Jouw woorden hebben iets gedaan, weer. Iets van vroeger komt naar nu. Het ontroert je.

Je kijkt naar de rijst die staat te koken. Je denkt aan iemand. Je denkt aan een handschrift.

Je ziet de beelden, je ziet hoe iets van toen rustig is mee gegaan tot nu. Hoe iets is gebleven, en er altijd zal zijn. Het is mooi geworden, op een stotterende manier ook onvoorwaardelijk.

(Misschien vertel je de verhalen anders, denk je. Misschien reageert de ruimte daarop.)

Terwijl hang je de was op, en denk je aan het licht.

Billie zingt verder.

04 januari 2020

L'Europe Galante

‘Weet je nog dat we hier waren? Zoveel jaar geleden?’
‘Natuurlijk weet ik dat nog. Twijfel je daaraan?’
‘Ik weet niet. Ik denk altijd dat ik de enige ben die zich dingen herinnert. Misschien kan ik me niet voorstellen dat het voor jou ook iets bijzonders was.’
‘Maar natuurlijk. Geloof je dat niet?’
‘Je hebt het nooit gezegd. Ik verwachtte dat ook niet. Misschien kon ik me nooit voorstellen dat het voor jou een speciale herinnering was. Ik was maar een passant of zo.’
‘Nu voelt dat alleszins niet zo. Ik denk dat ik toen zelf ook niet op een goede plek was. Het spijt me eigenlijk wel dat het toen allemaal zo gegaan is. Het ging toen niet anders. Ik zie nu beter wie jij was toen. En wie je nu bent zie ik de hele tijd.’
‘Ik heb soms het gevoel dat ik nu beter zie wie ik toen niet kon zijn. En dat voelt soms slecht, ook tegenover jou.’
‘Dat hoeft niet. Je komt elkaar tegen zoals je op dat moment bent, en je kunt niet anders zijn dan wat je op dat moment bent.’
‘Dat weet ik wel, ondertussen toch. En toch. Soms maakt het me opstandig. Alsof je de tijd zou willen ombuigen, en dat gaat natuurlijk niet.’
‘Als ik eerlijk ben, moet ik zeggen dat jij misschien sinds toen meer veranderd bent dan ik. Al lijkt het misschien anders.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Wat ik me nog herinner van deze plek is hoe je naar me keek. Jij keek zo traag altijd, en ik wist soms niet goed wat ik daarmee moest doen. Om toe te laten dat jij zo keek, moest ik ook zelf kijken, en ik wist niet goed hoe ik dat moest doen.’
‘Was het gemakkelijker om weg te gaan?’
‘In zekere zin wel. Of het leek toch zo. Want ik miste je ook wel, al wou ik dat niet zeggen.’
‘Iets in mij gaat er altijd van uit dat mensen steeds weggaan van mij. Het leek me dan ook normaal, alsof ik het verdiende of zo.’
‘Het is raar, en ook wel mooi, hoe jij toch altijd blijft. Hoe je iets van ons in stand probeert te houden. Ik zou het in jouw plaats niet gedaan hebben waarschijnlijk, maar ik ben nu wel blij dat je het deed. Sommige dingen begrijp ik nu pas, zoals dat van de kinderen.’
‘Misschien begrijp ik het zelf ook nu maar pas echt. Ik denk dat ik toen nog te verward was, op zoek naar mezelf.’
‘Het is wel mooi, dat heb ik altijd gevonden, hoe jij zo blijft zoeken. Ik denk dat ik die moed niet heb.’
‘Ik weet niet of het waar is, maar het is wel lief dat je dat zegt.’
‘Die muziek? Hoor je dat? Zo mooi.’
‘O ja. Ik was een tijdje geleden in een concert, met deze muziek. Dit ene stuk was toen het bisnummer, denk ik toch, terwijl we mee op het podium stonden. Ik heb die uitvoering sindsdien al enkele keren op de radio gehoord en het ontroert me telkens weer.’
‘Nu ik dat hoor, heb ik het beeld dat ik daar met jou was, of dat ik daar graag geweest was. Het is een van die dingen die ik mis. Naast jou in een concert zitten. Er gaat dan een soort rust van je uit, je bent dan helemaal daar, op die plek en in dat moment. En daar dan zomaar bij mogen zijn, dat is wel iets bijzonders.’
‘Zal ik je nog eens meenemen?’
‘O ja, graag.’
‘Hoe zou het zijn als we hier nog eens waren zoals toen, hoe zouden we nu naar elkaar kijken?’
‘Jij nog trager, denk ik. En het zou rustiger zijn. Misschien zou ik je beter zien dan toen. Ik had het gevoel dat ik je verloor toen, telkens opnieuw. Je was er wel, maar je was ook ergens anders. Ik deed ook geen moeite om je dichterbij te halen, dat besef ik ook nu.’
‘Het is wel waar wat je zegt. Het was soms alsof ik afwezig was van mezelf. Alsof ik in een andere kamer naar mezelf zat te kijken. Ik voelde me zo machteloos, en ik durfde het niet zeggen, denk ik. Want dan zou je nog sneller zijn vertrokken of zo.’
‘Misschien had je dat wel moeten proberen. Het was al zo moeilijk om mezelf te begrijpen, en jij was zo ver weg soms. Waardoor ik nog meer vastliep. En woorden had ik helemaal niet, ik hoopte dat het op een of andere manier vanzelf zou gaan, maar dat was niet zo.’
‘Het is eigenlijk wel mooi, dat we die dingen nu gewoon zo zeggen.’
‘Ja. Het lijkt nu alsof het zo gemakkelijk is om jou die dingen te zeggen.’
‘Voor mij voelt het ook als een soort geschenk. Als ik jou hoor praten over ons toen, hoor ik ook dat wij er waren toen, dat er een wij was. En misschien wou ik dat graag horen.’
‘Heb je daar al die tijd aan getwijfeld?’
‘Ja, ik kan het niet helpen. Het is niet zo erg, zo werkt het bij mij.’
‘Laten we hier nog even blijven zitten, voor we opnieuw vertrekken.’
‘Dat is goed.’

02 januari 2020

Schoendroom

Onderweg naar een samenkomst. Je wurmt je door de mensenmassa op het voetpad. Het lijkt even alsof duizenden mensen in de ene richting gaan, jij in de andere. Ze slenteren. Even later kun je afslaan. Die mensen zullen daar nog uren doorgaan, denk je, met slenteren, heen en weer.

In het café. Jullie zijn daar, voor iemand die er niet meer is. Een zoon is niet meer, ondertussen al een tijd. Het blijft zo wezenloos, denk je. Je bent er. Je weet nooit goed hoe je aanwezig kunt zijn. Misschien is aanwezig zijn ook een vorm van stotteren. Ze is je dierbaar, de moeder. Misschien zijn je armen te kort. Het afscheid is mooi. Iets over de tijd. Misschien is stotteren ook goed.

Een gesprek. Een vriendin, een ziekte. Je zou het willen kunnen uitleggen. Jij had ooit ook de ziekte met dezelfde naam, maar jouw verhaal is klein, naast het hare. Je had geluk. Na al die jaren blijft er soms nog altijd iets van dat verwarrende schuldgevoel. Waarom jij wel, en een ander niet? Je zou alleen maar willen dat het haar goed gaat, dat het leven nog lang bij haar mag blijven. Je stottert, zegt waarschijnlijk de verkeerde dingen.

De trein terug (net voorbij de mensen die nog steeds aan het slenteren zijn). Een jonge vrouw ligt gekronkeld rond haar koffers in een heel diepe slaap. Mensen proberen haar wakker te krijgen, op allerlei manieren, het lijkt niet te lukken. Twee securitymeneren krijgen haar toch wakker. Ze is op de plek waar ze naartoe ging, of ze ook even uit zou kunnen stappen. Terwijl de trein dan toch vertrekt, staat ze nog wat verdwaasd op het perron.

Die avond. Een mooi gesprek met een vriendin. Iets over afstanden. Iets over plekken zonder een centrum, zodat je kunt verdwalen in een plek. Ergens zijn, toekijken, ergens niet zijn, en bewegen tussen die dingen.

De volgende dag. Een bezoekje, een gesprek. Je ziet hoe jullie twee daar zitten. De tijd heeft jullie samengebracht, ooit, en het gesprek gaat gewoon door. Ze ziet je zoals alleen zij dat kan. Het gaat ook over dans en woorden, over de tijd in een lichaam, over woorden in een lichaam. Je probeert haar iets te vertellen, ze begrijpt het. Dit zal er altijd zijn, denk je.

Die namiddag. De man komt je opnieuw interviewen, over de kinderen. Zijn vragen doen je bewegen naar alle uithoeken van je lichaam, zo voelt het. Plekken die er zijn, waar je naartoe gaat om iets te kunnen antwoorden. Die plekken zijn er dus, denk je. Je antwoorden zullen uren later nog door je heen zwerven. Het ontroert je, hoe hij met die vragen worstelt.

Een andere dag, de laatste dag. Je gaat nog wat door met opruimen, je was er enkele dagen geleden mee begonnen. (In je hoofd zag je die ballast in het huis, die moest weg, om anders te kunnen ademen, of zo.) Stapels papier in je bureau. Die hoop mag weg. Die dingen komen op hun juiste plaats terecht. Sommige dingen waren daar de hele tijd blijven liggen. Brieven aan geliefden, nooit verzonden. Je leest ze opnieuw, je schrikt een beetje. Brieven aan jou gericht. Je leest ze opnieuw, ze maken je warm, met terugwerkende kracht. Dingen die er echt waren.

Die avond. De mensen rond de tafel zijn als een warme plek. Je mag er zomaar zijn. Je kijkt rond, en ziet iets van de tijd die jullie delen. Je bent er ook een deel van, zie je ineens. Er zijn de rituelen van elk jaar. Het is een plek met een centrum, zie je. Een gesprek dat je ontroert. Iets over een fout in je lichaam, iets over kinderen.

In de nacht fiets je weer naar huis. Je denkt na over trage voornemens. Over goede gesprekken. Over stotteren.

De eerste dag is een ritueel, zoals steeds. Geen woord wordt gezegd, de hele dag. Je zet de wens klaar. Je vult de agenda in. Je kijkt naar het muziekprogramma. Je hangt rond. Je leest. (Ergens beweegt een traag  verdriet, en het is niet erg. Het weegt ergens op.)

Beelden van liefdes bewegen door je heen. Als een adem van de tijd.

De goede voornemens. Verder gaan waar je vorig jaar begonnen was, denk je. Je leest een interview, je bekijkt een lang gesprek. Sommige woorden hebben meteen een effect. Iets ontspant meteen, stroomt uit je weg, zo lijkt het wel. Je handen worden warm.

In de nacht, dicht bij de ochtend. De terugkerende droom, in eindeloos veel varianten. Ergens zijn, een plek met veel deuren en gangen en kamers, zo blijkt. Weg willen. Vaststellen dat je schoenen zijn  verdwenen. Niet weg kunnen, wat lijkt op niet kunnen ontsnappen. (Je wordt wakker en voor het eerst begrijp je iets van die droom.)

Nog een beetje opruimen. Je zet de spullen die weg mogen in het bakje. Je fietst naar het containerpark. De mannen zijn heel vriendelijk en helpen je. Terug op weg naar huis voel je dat de ballast daar is gebleven. De rest vertrekt de volgende dag.

De hoek van de kamer, waar het warm is, met twee veilige muren achter je. Je leest in het dikke boek. Je was er enkele dagen geleden eindelijk in begonnen. Het wachtte al enkele maanden op je. Soms moet je wachten op het juiste moment voor een boek. Verhalen over bomen en mensen, hoe ze met elkaar verbonden zijn.

De lege plekken zijn goed voor je, denk je. (Er is een verhaal aan het bewegen onder je huid, denk je.) En je hebt nog een brief te schrijven.

01 januari 2020

Wens 2020



Je wilde iets zeggen
Over de kinderen
Maar misschien
Hoefde het al niet meer

Je wilde iets zien
Van de woorden
In je huid geschreven
Ze hebben lang gewacht

Je wilde iets vermoeden
Van de troost
Hoe je in de wind staat
En waar de tijd schuurt

Er is een lege plek
Waar je al bent
Het is de zee
Die dat fluistert


jan