28 november 2020

Er is iets met de dood


Het komt op je weg. Dat je praat over hoe het zal zijn als iemand sterft, dan, wanneer het moment daar zal zijn. Het is iets met de tijd. Het dient zich aan, nu of iets later, het is niet anders. Je hoopt dat het in de juiste volgorde zal gebeuren, dat vaders en moeders niet hun kinderen terug moeten geven aan de aarde. Het heeft iets met de seizoenen te maken, denk je.

En dat je, tot dan, mag kijken naar het leven dat een beetje vermoeid trager begint te lopen. Klaar om zich terug te trekken in de seizoenen. Wie ben je, in dit leven? Je bent als een golf die zich even omhoog richt. Een golf als een verdichting van verlangen. Tot het tijd is om weer alleen maar zee te worden.

Dat zijn de beelden die je voor jezelf gebruikt. Ze helpen je. Ze zeggen iets van wat je voelt. Je weet niet helemaal zeker hoe de beelden en het gevoel zich tot elkaar verhouden, maar dat geeft niet.

Soms heeft de golf pijn, zoals de zee verdriet heeft.

Sommige beelden begrijp je, sommige niet. Het lijden is een deel van het leven, wat iets anders is dan dat het leven lijden zou zijn. Met zachtheid naar het lijden kijken, het proberen te vatten, het is iets anders dan een cultus van het lijden prediken. Je hebt je seizoenen in dit leven, in deze ene golf die je bent. De golf blijft niet bewaard, het leven wel. Maar de verhalen over de golf kunnen wel eeuwig verteld worden.

Er is het falen, daar waar je tekortschiet. Misschien heb je niet altijd geleerd hoe je moet bewegen in dat bos dat de liefde is. Misschien was er niemand die het je zei, waar het pad was. Misschien was je gids zelf verdwaald in het leven. Misschien duwde iemand je van de weg. De schrammen worden in dit leven geleefd, in het leven dat je doorgeeft, niet in een ander leven, op een andere plek.

En soms verlang je dat wat zwaar is zal stoppen bij jou, dat dat jouw bijdrage aan de liefde is.

Hoe je dat uit moet leggen aan Julia, je weet het niet. Zij wel, denk je. Ze heeft al lang gezegd dat het goed is. 

Als jij sterft, zul je verdwijnen in je geliefden. Dat is het beeld dat je hebt. Het is een klein beeld, maar meer dan genoeg, denk je.

Vertel nog eens dat verhaal, dat kun je niet meer vragen aan de doden. Zo lang je in dit leven bent, kun je verhalen vertellen, of eraan denken. Of erdoor geraakt worden. Misschien hebben we dat oerverlangen gekregen van de zee. Vertel nog eens een verhaal.

De mens is een verhalen vertellend wezen.

Een verhaal kan een golf een heel klein beetje veranderen. Alsof de spankracht van het water net iets anders wordt. En daardoor wordt misschien de ene golf door de andere anders gezien. Zoals iemand haar afdruk in jouw huid heeft nagelaten. Waardoor jij misschien wel net iets anders beweegt. En net iets anders verlangt in de getijden.

En er is zoveel dat ontsnapt aan de zachtheid van de beelden. Daar beweeg je stotterend.

Elke aarzeling bij elke drempel. Je kunt ze allemaal zien, daar voor je. Je loopt niet weg, je vraagt soms om ze traag te mogen doen. Al houden drempels daar niet altijd rekening mee.

Er is een eenzaamheid, in dat moment net voor de golf zich terugtrekt in de zee. Misschien, als je de tijd krijgt, kun je iets zien, is er een wijsheid in het vertrek.

Je denkt aan de oude Julia, haar hand in de jouwe. Je handen zijn zo warm, zei ze je steeds. Misschien is dat jouw verhaal voor de jonge Julia.

En er is de kwaadheid, jouw opstand tegen de dingen. En je denkt aan de brief die je toen voorlas, daar vooraan. Rage against the dying of the light.

Er is een troost, als een soort voorbereidende rouw, in het heen en weer reizen. Van hier naar daar. Je kunt alleen met de trein reizen in iets als een overgave. De trein brengt je van hier naar daar, in de tijd die nodig is. Ergens halverwege wacht je een klein half uur, het is als een meditatie, een uitnodiging tot de volle leegte. En het verse boek waarin je las. Het verhaal raakte je vanaf de eerste bladzijde, alsof het voorbestemd was, dat dat verhaal je zou vergezellen. Er was die ene zin, die je de leeuw in jou weer liet zien. Het is goed zo, dacht je. Het is jouw verhaal, en het zal ergens blijven.

Soms lijkt het landschap zo grijs, lijkt dat landschap zo grijs. Daar. Het is een deel van de reis. Dat je heen en weer gaat, van hier naar daar. Je bent ooit van daar naar hier gekomen. Iets met kleuren. Je merkt dat er een trage lichtheid is gekomen in het reizen. Het is de tijd die je zacht aanraakt.

Soms zwijgt de zee.

Je weet nooit zeker of je het goede doet. Misschien is elke dag opnieuw proberen wel genoeg. Zoals je het leven leeft. Elke dag opnieuw. Zo lang het in je handen blijft.

22 november 2020

Herfstverlangen


‘Die muziek van Leonard Cohen past heel goed bij dit moment, vind ik.’
‘Ja. Er klinkt een soort ingedikt besef van de eindigheid doorheen.’
‘Het past wel bij jou. Jouw melancholie is nog een beetje jonger, maar het is alsof ik jou ook een beetje hoor.’
‘Dat is wel een mooie gedachte.’
‘Het heeft wel iets. Hier nu binnen zitten, lekker warm, en buiten die beelden van de herfstbomen. Het is alsof je ze kunt ruiken, alleen al door ernaar te kijken.’
‘Ja, dat is inderdaad zo. Ik heb altijd gehouden van de herfst. Er is een soort moed voor nodig. Je geeft iets uit handen, je moet iets loslaten. En je hebt vertrouwen of geloof nodig om te wachten op iets dat terug zal keren aan de andere kant van de winter. Misschien moet je het loslaten om te weten dat het in een andere vorm terugkomt. En die andere vorm is anders, los van nu, en tegelijk er ook mee verbonden.’
‘Ik voel dat ook heel sterk zo. En tegelijk is het, als ik eerlijk ben, alsof mijn lichaam soms een beetje bang is van de herfst. Het is alsof het me daarin een beetje tegenspreekt.’
‘Ben je bang van de tijd in je lichaam?’
‘Misschien wel. Al wil ik dat officieel niet toegeven natuurlijk. Ik ben denk ik niet zo goed in ouder worden als jij bent.’
‘Ik weet niet of ik er zo goed in ben in ouder worden. Een vroegere geliefde zei me ooit dat ik beter was in missen dan zij. Soms denk ik dat dat klopt. Al weet ik niet goed of dat zo’n fijne gedachte is.’
‘Je bent er te goed in, denk ik. Het hoeft niet zo te zijn. Dat zei ik je al eerder.’
‘Ik heb met mezelf afgesproken dat ik die gedachte aan de herfst zal geven. Er zal dan wel een soort antwoord terugkomen naar mij, wanneer het tijd is.’
‘Je legt jezelf als het ware in de herfst.’
‘Ja, dat zou je kunnen zeggen.’
‘Ik zal het op het moment zelf vaak niet zeggen, maar een tijd later voel ik steeds dat ik het toch moeilijk heb met onbereikbaarheid. Het onvermogen om elkaar te vinden. Ik ben daar niet zo goed in. Het maakt me kwaad soms, tegen iets. Een soort muur of zo.’
‘En op een bepaald moment kunnen we daar dan met een gevoel van vrede naar kijken.’
‘Is dat nu al zo?’
‘Bijna, denk ik.’
‘Misschien blijft het wel altijd bijna. En is dat onze weg.’
‘Dat zou kunnen.’
‘Het kan zijn dat ik het altijd wel een beetje warm zal krijgen van jouw stem.’
‘En ik zal wel altijd die dingen zien die ik zo mooi vond. En vind natuurlijk. Ook al is het anders.’
‘Ook als ik lelijk zou worden?’
‘Ja.’
‘Dat stelt me wel gerust op een of andere manier.’
‘Er is nog veel voor jou daar in de wereld. Dat weet ik wel zeker.’
‘Soms maakt het me bang, maar ik geloof het ook wel. Voor jou ook trouwens. Laat je lichaam open, voor alle seizoenen. Het is ervoor gemaakt.’
‘Dat is wel een mooie gedachte. Ik zal die ook maar meteen doorgeven aan de herfst.’
‘Misschien weten we nooit helemaal zeker of wij naar de herfst verlangen, of omgekeerd. Ik weet niet helemaal zeker wat die gedachte zou willen zeggen, maar ze klopt, denk ik.’
‘De herfst vraagt ons iets, de herfst laat zich bekijken en aanraken.’
‘Zullen we nog even naar buiten gaan?’
‘Ja, dat is een goed idee. Heb je je regenjas bij?’
‘Ja, dit keer wel.’
‘Dan is het goed.’

21 november 2020

Soms ben je moe


Gekwetste jongetjes, met littekens uit hun kindertijd, verdienen wat dat betreft mededogen. Het zou wel handig zijn als ze gewoon in hun eigen kamer blijven spelen en daar al hun poppen stuk maken, zonder de hele wereld (of dat stuk ervan dat ze als de hele wereld beschouwen) erbij te betrekken.

Het zou kunnen dat het lukt om het leven te overleven zonder op skivakantie te gaan.

Soms zou je de gezichten willen zien van die tientallen mensen die die dag gestorven zijn, gereduceerd tot een cijfer dat beweegt in de ene of de andere richting.

Zelfs nu de speciale kerstwinkel in de winkelstraat gesloten is, maakt het je acuut droevig om er voorbij te lopen. Het zal wel aan jou liggen. Iets begrijp je niet, en zul je wel nooit begrijpen.

Een andere mening hebben, over alle belangrijke kwesties, het is niet zo erg. Je hebt het ook wel nodig. Maar waarom het uiten van die andere mening vaak zo giftig moet, met steeds zoveel negatieve, vernietigende energie, het ontgaat je.

Het menselijk tekort, in de verdwaalwegen van de liefde.

Die heel kleine dingetjes. Zoals dat boek dat je, zelf, net iets te ver over de rand van de tafel legt, waardoor het – hoe had het anders gekund – van de tafel valt. En dan moe worden van jezelf.

In een videovergadering zitten. In een gewone vergadering ben je soms al hypergevoelig voor mensen die de hele tijd tussenkomen en niet wachten tot de ander is uitgesproken. Merken dat je het in zo’n videotoestand dubbel zo erg merkt, en dat net na een te korte nacht. Het eigenlijk niet erg willen vinden, uit beleefdheid of zo. En toch niet anders kunnen.

De twee jonge vrouwen die voor jou lopen. Traag. Alsof ze alle tijd hebben. Ze gaan samen de winkel binnen waar jij ook naartoe gaat. Ze blijven bij elk rek staan om uitvoerig commentaar te geven. Ze praten de hele tijd door. Dat zal dus funshoppen zijn, denk je. Het maakt je in wezen niets uit. Ze zijn misschien wel heel erg gelukkig zo, voelen zich heel erg verbonden met elkaar. (Innerlijke dialoog.) Je bent eigenlijk wel gewoon blij voor hen. Misschien maak je jezelf moe, op dat moment. (Of was je het gewoon al.)

Sommige mensen roepen zo hard de hele tijd.

Die ene man die trouw doorgaat met kwetsende mails naar jou te sturen. Zelfs als je die onmiddellijk wist, blijft er toch nog iets wegen, ergens.

Heel vaak ben je niet moe, eigenlijk.

Er bestaat ook iets als een onderwereldvermoeidheid, ergens diep in je huid.

Luisteren naar wondermooie muziek. Ze komt ergens vandaan. Een geheime plek waar ze al eeuwen was. En in dat ene moment voel je de zee in je, kun je de schoonheid aanraken. En je beseft dat je net daarvoor zo moe was.

Het kleine meisje in de bakfiets. Ze wuift naar jou, met een brede glimlach. De dag daarvoor had iets dat vermoeide verdriet in je geraakt, dat met dat kind. Nu is er alleen maar dit moment. Het geschenk van die ene glimlach. Het blijft de rest van de dag.

Ooit was je bang om in slaap te vallen. Elke dag opnieuw. Het putte je uit. Wat toen zo onbereikbaar leek, is nu vaak zo normaal geworden. Voelen dat je moe bent. Dankbaar zijn voor de dag die je zomaar weer gekregen hebt. In bed gaan liggen. Een mooie herinnering die je bezoekt in die enkele momenten. Schoonheid die alleen voor jouw ogen was. En zomaar in slaap vallen. Alsof het mag.

Jezelf toestemming geven voor een middagdut. Onder het dekentje. Omdat je een beetje moe bent. Moe zijn is soms een zeer goed plan.

20 november 2020

Onderweghuid


Een stevige ochtendwandeling. Wat zich als slib had afgezet in je rug en je schouders wringt eerst een beetje, wiebelt dan, en verlaat je uiteindelijk. Of toch een beetje. Voor even.

Het is lekker om zo het huis weer binnen te komen.

(Interne gesprekken. Je kijkt. Het gaat heen en weer. Het raakt je huidfossielen. Je wacht tot wat zich zal indikken in wat blijft en wat loslaat. Waarschijnlijk.)

(Misschien heeft ook de stroom zich teruggetrokken. Een beetje.)

Die oefeningen, ’s avonds. Die harde plekken, even bevrijden met je vingers. Daar aan de schedelrand, daar tussen je ogen, daar in je schouders. Een daglaagje verwijderen.

(Oefenen in lege plekken.)

Je hoort jezelf iets uitleggen. Je denkt dat het klopt.

(Het is goed zo.)

Soms is het de tijd die je huid verwart. Iets is daar opgeslagen. Misschien was het ooit nodig, toen. Je kijkt ernaar. Het vindt wel een plek.

(Je voelt iets bewegen, het is aangenaam. Iets als het water, en wat het zich herinnert.)

Je stapt soepel, lichtjes verend, door een koele ochtend. Alles draait lekker rond. Je zou aanraakbaar kunnen zijn.

(Die ene vraag, ze is belangrijk. Voor de loop der dingen. Je mag zeker niet vergeten ze aan haar te geven.)

Je kijkt naar je handen. Je vraagt je af hoe ze zullen zijn, dan.

(Het heeft je veranderd. Wat je achterlaat, als een soort voorbarige resthuid. En alles wat zich zomaar liet zien en bekijken. Het heeft zich rustig gevestigd.)

Wat zich in je ogen heeft verankerd, wat zich laat aanraken.

Iets heeft je zacht gemaakt, die dag. Je stem heeft alle tijd. Je hoort wat je woorden doen.

(Misschien kantelt het weer in zichzelf, je denkt het niet.)

Je geeft die ene lezing voor het eerst via een scherm. Het is een beetje wennen. Je ziet niet hoe de woorden aanraken, je kunt enkel vermoeden. Je hebt je zwarte jasje aan. Waardoor je anders rechtop zit. Je stem volgt.

(Misschien kun je die jasjes laten aanpassen, zodat ze nauwer aansluiten. Dan kun je anders bewegen.)

(En dat cadeau wacht ook nog steeds, tot de tijd daar is.)

In de nacht gaat de stroom van je woorden nog altijd door, zo lijkt het wel. Je herinnert je iets.

Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jou? (En wie je het nog zou willen vragen. En vertel gewoon, in lange zinnen, denk je. Zodat je kunt kijken naar de verhalen.)

De regen wacht nog even, terwijl je je klaarmaakt om te vertrekken.

(Er is een afwezigheid. Het is.)

Je staat te wachten op de trein, in het overstapstation. Het jongetje loopt je voorbij, draait zich naar je om, en zegt heel vriendelijk iets tegen je. Net daarvoor had hij al een heel gesprekje gevoerd met de treinmeneer die op het punt stond de trein te laten vertrekken. 

De ruimte waar je doorheen stapt is niet leeg, maar ze lijkt zo desolaat. (Het hoort bij deze grote plek, denk je steeds. Herinnerhuid.)

(Dat dat zal blijven tot je laatste adem, het was wel een mooie zin. Je kunt dus altijd blijven kijken.)

Je hoort je woorden stuiteren. Je huid trekt samen. Je blijft rustig zitten. Iets gebeurt, iets gebeurt niet.

Je loopt in de donkerte, aan de rand van de weg. De grote vrachtwagen rijdt voorbij. Misschien heeft god deze plek verlaten, denk je.

Je stapt uit de bus. Je moet nog even die tunnel door om naar het perron te gaan. Je ziet dat de trein die je nodig hebt niet zal rijden. Ofwel blijf je op dat lege, en desolate, perron een uur zitten. Ofwel neem je die andere bus, om door te rijden naar de stad, en daar dan de trein te nemen. Je stapt in de bus, probeert een plekje te denken.

Het lijkt al jaren geleden dat je nog die rit met de bus deed. Die weg, in het donker, heeft altijd een onleesbare lelijkheid gehad. Zoals een soort waterafstotend oppervlak dat geen schoonheid als tederheid toelaat. (Zoveel herinneringen rijden met je mee.) Er zijn soorten duisternis.

(Je bent alleen.)

De trein is blij je te zien. Je leest verder in het boek. (Al die beelden, al die zinnen die je in je schriftje zou schrijven, ze zijn er, maar ze wachten wel even.)

Iets is koud geworden.

De woorden gaan met je mee, ze lopen naast je.

(Hoe zul je je huid opwarmen?)

Je haalt de dingen van de namiddag, onverwacht op pauze gezet, nog even in. Je maakt, op vraag van de kosmos, een officieel attest. De rituelen willen wel blijven, en dat mag.

(Het is belangrijk de nacht zacht aan te raken.)

15 november 2020

Het begint en het eindigt


Waarom weet je niet, maar het begint met die ene pianist, en dat stuk van Bach dat hij speelt bij het begin van dat kleine concertje.

Iets laat je anders ademen, tussen het verdriet van een zondag.

Die ochtend had je staan aarzelen. Je had het je voorgenomen, dat je die krantjes zou gaan bezorgen. De regen zou nog wel even wachten op jou. Dus deed je het maar.

Soms heb je geen zin om mensen tegen te komen. Je weet niet waarom. Misschien wil je alleen zijn, met het ritme van de beelden die door je lichaam gaan.

Het plekje tussen je ogen, net boven je neus. Vanaf daar kan de rust zich verspreiden.

Het pak papier weegt op je arm. Er is altijd een punt, ergens onderweg. Vanaf daar wordt de stapel precies sneller lichter dan daarvoor.

Je voelt iets in je afstand nemen. Het trekt zich terug in zichzelf, het lichaam zet een stap achteruit. Het had anders kunnen zijn, denk je.

De vrouw met de baby in de kinderwagen. Misschien is ze al de hele nacht op. Hopend op de slaap van haar kind. Misschien slaapt het kind nog maar net, dankzij de wind.

Je hoort de kinderen spelen in het park. Ze gillen en lachen.

Iets in je keert terug naar een punt waar het eerder was. Misschien is het een soort uitkijkpunt.

Soms schrik je van mensen die net uit hun deur komen terwijl jij er passeert. Even ben je verlegen of zoiets. Misschien zien ze iets.

De vrouw aan de andere kant van de straat glimlacht naar je.

Toen in die nacht, de dingen die je zei.

Weer op weg naar huis. Die andere ronde is voor een andere dag.

Iets over het huis herkennen bij het binnenkomen. De dingen ademen mee in, en uit.

Je rug komt in vertraging thuis.

Je kijkt naar de dans. Die trage beweging. Het transparante gewaad. Zou het ook van kant zijn?

Dat beeld blijft.

Je leest, om te begrijpen, om je te herinneren aan begrijpen.

De regen komt bijna.

Je legt je neer, in loslaten.

Een mooi gesprek. Misschien zie je alles al, zegt ze, en weet je alles al.

Het ene licht uit, het andere licht aan. Tussen de twee ga je van de ene naar de andere kamer, door de donkerte. En je kent de weg.

Je geeft de planten water. En fluistert telkens iets. Het is goed, zeggen ze.

Je ziet het concert. Het requiem. (Ook nu weer verlang je naar een kleinere uitvoering. Alsof het je alleen maar echt zou kunnen raken als het kleiner zou zijn geweest. Alsof de muziek een beetje bedolven wordt onder de uitvoering.)

Een trage adem.

Dingen die je probeert te zeggen. Je ziet waar ze zijn. Het is goed zo.

Het regent niet meer, zie je.

Waarom weet je niet, maar het eindigt met die andere pianiste, en dat stuk van Bach dat ze speelt, als een van haar dagelijkse kleine concertjes.

13 november 2020

Rugdagen


Je kijkt rond in het huis. De ruimte verwacht iemand. Zo lijkt het wel.

Misschien maken de planten zich klaar. Ze bewaren alle verhalen. Ze kijken.

Iets maakt je rusteloos. De brief aarzelt.

Pas door het schrijven begrijp je zelf wat je schrijft.

Dingen schuiven door elkaar in je huid.

Er is ook een poetsplan. En een kookplan. Er is geen woordenplan.

Dingetjes afwerken, lijstjes leeg maken.

Jezelf een klein beetje in de weg lopen.

Je kijkt naar je handen. Je vraagt je iets af over herkenning.

Kant heeft een bijzondere plaats in je leven, stel je vast.

De woorden bereiden zich voor. Je weet dat ze zullen komen wanneer ze komen.

Iets van de liefde is onontkoombaar, dat heb je altijd geweten. Het stelt je gerust.

De stukken blijven bij elkaar.

En als je daar bent, klopt alles in de wereld.

De dans is mooi.

Kaakverhalen. En wachten in de nacht.

Dit is er voor jou, zou je willen zeggen.

En de dingen die je ook al wist, of die je woorden wisten voor jou.

Je kijkt naar wat altijd in je zal blijven.

In de ochtend, de zon vertedert het huis. De planten glimlachen.

Je ruimt een beetje op, maakt het aanrecht weer leeg.

En zoveel schoonheid in een trage ochtend. Je handen kijken.

Iets wacht. Het komt wel wanneer het komt.

Iets met laadpalen. De kosmos wil je iets zeggen over blijven en weggaan.

Iets van de liefde is onbereikbaar, het laat zich zien in spiegels.

Je lichaam luistert, trekt zich even samen in een kramp, raakt een vermoeidheid.

Dat wat je niet kunt zijn. En hoe je dat danst.

Het is tijd, om te vertrekken.

Hoeveel adem heb je nodig voor die berg?

Zal het gelukt zijn? De kosmos kijkt even een andere kant op, maar weet wel beter.

Gelukkig ligt het niet aan jullie.

En de dingen leggen zich neer, in wat zich aandiende.

Een gesprek over soorten liefde, en de liefde voor de wereld daarin. De tekst mag blijven.

De zwaartekracht van je adem.

Je schrijft een brief aan Julia. (Terwijl je schrijft, schudt je lichaam.)

De dagen omhullen het verdriet, of omgekeerd.

Er is iets met ruggen en schouders, en wat ze zeggen.

Er is iets met weggaan en blijven.

Je weet nog niets over je adem, je stroom.

De beelden blijven, en zijn veranderd. Je houdt van rimpels.

Je neemt je voor om alleen maar te kijken.

En misschien weten de woorden wat jij nog niet weet.

11 november 2020

Een brief aan Julia


Lieve Julia 

Het leek me hoog tijd om nog eens een brief naar je te schrijven. Niet dat ik zoveel belangwekkends te vertellen heb. Er zijn misschien gewoon enkele beelden die ik met je zou willen delen.

Waar sta je als kind en als papa in de ruimte? Ik weet niet goed hoe het voor jou is. Het is een gevoel dat voor veel mensen verschillend is waarschijnlijk. Dat je in een soort keten staat. Je grootouders en ouders staan voor je, als je het als een lijn in de tijd ziet. Als het goed gaat, en als ze er zijn, kun je een beetje achter hun rug schuilen, uit de wind. Soms zijn ze er niet, of maken ze er een rommeltje van, en dan is het alsof ze af en toe een beetje verdwaald zijn. Maar je kunt wel de plek zien waar ze staan, of zouden moeten staan. Als ze sterven, wordt het een lege plek daar. En dan is er de plek achter je. Daar staat iemand waarvoor jij in de wind kunt gaan staan. Dat voor en achter zou je ook om kunnen draaien, met een beeld van ouders die achter je staan, als je de wereld betreedt. Het maakt niet zo uit hoe je de lijn ziet, het lijkt alleszins op een keten, een soort natuurlijk proces. Als je ouders wegvallen en je hebt geen kinderen sta je daar ineens helemaal alleen. Er staan mogelijk nog mensen naast je, zoals een zus of broer als je die hebt. Maar de wind heeft toch een beetje vrij spel.

Misschien is dit voor jou een heel abstract beeld, of iets waar je nog helemaal niet aan toe bent. Het is niet erg. Ik vroeg het me gewoon af, hoe jij die keten voelt. Zie je een lijn die van je grootouders tot bij jou is gekomen? Voelt het goed om hen in jouw lichaam te voelen, in hoe je beweegt of hoe je naar de dingen kijkt? Heb je het gevoel soms dat je een beetje verloren loopt in de tijd als je die band niet voelt? En hoe kijk je naar je papa en je mama? Als je ons in de ruimte zou moeten zetten, hoe zou je dat dan doen, en waar zou je zelf gaan staan?

Soms als ik naar je kijk, terwijl je bezig bent met die 101 dingen die je doet, is het alsof ik de tijd uit handen kan geven aan jou. Wanneer het moment komt dat ik zal sterven, kan ik denken dat iets van het leven dat ik heb mogen dragen overgaat in jou. Misschien is het leven iets als een estafettestok. Als je geen kinderen hebt, kan het zijn dat de stok op de grond valt. Niet dat ik boodschappen heb voor jou, wijze lessen of zo, maar het voelt wel goed te weten dat de stok op een of andere manier bij jou terecht zal komen. Het heeft iets met overgave te maken. Misschien zal ik me gemakkelijker kunnen overgeven aan de dood, omdat ik weet dat de keten verder doorleeft. Ik weet dat het leven bij jou in goede handen is. En als jij zelf kinderen zult krijgen, zul je misschien ook wel zo’n gevoel hebben. Ik zou het graag van je horen, hoe je die dingen aanvoelt.

Er is een beeld dat me verwart. Het beeld van het dragen. Jouw mama droeg je in haar buik. En ik heb je daarna ook in mijn armen gedragen. Zo kon ik je het leven laten zien, in de grote wereld. Ik herinner me nog hoe je soms naar me toe kwam lopen om me te vragen je te dragen. Het liefst wou je zo tegen me aan hangen dat jouw buik tegen de mijne kwam. Ik voelde dan hoe je je vastklampte aan mij. En ik zag hoe je rustig werd. Het is een beeld. Maar als je het ruimer ziet, vraag ik het me vaak af. Of ik jou wel genoeg heb gedragen in het leven. Af en toe eventjes, wanneer het nodig was. Weet je nog hoe het voelde? Welke herinnering heb je erbij?

Soms ben ik bang om oud te worden. En het heeft iets met dat dragen te maken. Het is een mooi beeld. Te weten dat jij daar ook ergens in de buurt zult zijn, als ik op het laatste stuk van de weg ben. Net als alle andere mensen hoop ik dat ik rustig en gezond oud kan worden. En dat je dan alleen maar moet kijken. Dat je vraagt om nog eens alle verhalen te vertellen. En dat zal ik dan doen. Maar ik zou niet willen dat je me moet dragen. Ik kan niet goed uitleggen wat ik daarmee bedoel. Het zal al moeilijk genoeg zijn om je achter te moeten laten.

Na mijn dood mag je wel mijn verhalen dragen. Als ik me voorstel dat jij zelf ook kinderen zou krijgen, en dat je dan af en toe over mij vertelt, een of ander raar verhaal, dan zou dat idee alleen al me een soort veiligheid geven. In de verhalen wil ik wel verdwijnen. Stel dat jij iets aan je kinderen vertelt. En zij doen iets met dat verhaal, als ze klein zijn of later. Dan verandert er telkens iets, wordt het ene verhaal het begin van een volgend verhaal. En zo zou ik dan kunnen verdwijnen, zonder ooit echt verloren te gaan. Wat wel een mooie gedachte is.

Ik weet eigenlijk helemaal niet goed wat ik met deze brief wilde zeggen. En misschien geeft het niet. Misschien begrijp jij een beetje waar dit alles vandaan komt. Vertel me maar, ooit eens, wat je dacht. Het is mooi om te zien, hoe jij en de anderen van jouw generatie zo vanzelfsprekend met de dingen omgaan. Jij zult het dus allemaal heel goed doen, dat weet ik nu al. Het is soms een moeilijk gedachte dat ik waarschijnlijk niet jouw hele leven zal kunnen zien. Als ik heel oud word, zul jij nog altijd jong zijn.

Die plaats in de ruimte dus, daar zou ik graag met jou verder over willen praten. Misschien kan dat wel.

Je papa

07 november 2020

Swing Low, Sweet Chariot


‘Gaat het een beetje?’
‘Ja, het gaat wel, ik ben gewoon heel emotioneel. Het is zo’n opluchting.’
‘Het is wel mooi om je zo te zien. Het gaat wel diep allemaal.’
‘Ja. Zag je dat filmpje van die twee mensen, allebei over de honderd? Ze zijn getrouwd eind van de jaren dertig. En ze waren elke keer gaan stemmen. Heel trots, en vanzelfsprekend. En ze zaten daar te wachten, en zongen Swing Low, Sweet Chariot. Of die beelden van die presentator, die het heeft over zijn kinderen. En dat het nu iets gemakkelijker is om een ouder te zijn.’
‘Kun jij dat liedje ook zingen?’
‘Straks probeer ik het wel misschien. Ergens midden in de nacht of zo, en dan met die diepe stem.’
‘Het was of ik ineens terug normaal kon ademen.’
‘Ja, dat gevoel had ik ook. En wij zijn dan nog maar gewoon hier, aan deze kant van het water.’
‘Heb je aan je dochter gedacht?’
‘Ja, de hele tijd. Het is soms zo moeilijk. Je wilt het gevoel hebben dat je je kind kunt beschermen tegen wat gevaarlijk of slecht is. Je wilt dat ze kan voelen dat je daar staat en dat je kunt laten zien dat er een weg is om het goede te doen. Als ik het zo zeg, klinkt het zo opgeblazen of zo, maar ik kan het even niet anders uitdrukken. En dan is er zo’n vreselijke man, die ervoor zorgt dat we niet meer kunnen ademen. Vandaag zou ik haar dan willen zeggen dat het de moeite is om je nooit neer te leggen bij zoiets, nooit.’
‘Ze weet het wel, denk ik.’
‘Denk je dat?’
‘Ja natuurlijk. Zie je dan niet hoe ze naar je kijkt?’
‘Nee, misschien durf ik dat niet zien.’
‘Ze zal het natuurlijk niet hardop zeggen. Ze zal cool doen met haar vriendinnen en met haar ogen rollen, maar jij laat haar de dingen wel zien die ze nodig zal hebben.’
‘Ik ben vaak bang dat ik het niet in me heb, omdat ik het nooit geleerd heb.’
‘Je doet het zo goed. Misschien moet je me maar geloven als ik dat zeg.’
‘Als ik haar door het huis zie lopen of als ik haar hoor praten met haar vriendinnen, ben ik vaak zo trots. Ze is gretig in het leven. En ze heeft ook iets dat ik bij mijn grootmoeder zag. Een soort soevereiniteit, een vanzelfsprekend rechtvaardigheidsgevoel. Ze heeft geen schrik om voor anderen op te komen, ook al heeft ze soms zo’n klein hartje.’
‘De vader in jou ontroert me vaak. Misschien ook omdat ik die zelf gemist heb, zo vaak. Je bent rustig aanwezig, maar je zou voor haar door het vuur gaan.’
‘Soms heb ik schrik van dat gevoel, het is zo overweldigend, zo totaal.’
‘Je hebt soms schrik van de beste dingen in jezelf. Ik kan het weten.’
‘Je maakt me verlegen.’
‘Soms vraag ik me af hoe het zou zijn, als ik wel kinderen zou hebben. De dingen zijn gegaan zoals ze zijn gegaan, de tijd ging voorbij. Misschien is het wel beter zo, ik weet het niet.’
‘Je weet wel wat ik daarover denk. Je zou het goed hebben gedaan, denk ik. Het is zo mooi, hoe je met mijn dochter bent. Ze voelt zich thuis bij jou, voelt zich gezien. Als we wat verder zijn, zal ze aan jou haar geheimen vertellen, en niet meer aan mij.’
‘Dankjewel, dat is wel een mooie gedachte. Ik denk niet dat het zo zal zijn, maar het doet wel goed om die gedachte even toe te laten. Maar ik denk dat ze altijd naar jou zal komen. Jij ziet toch alles, ze moet het niet eens uitleggen.’
‘Misschien wel, maar ik wil ook voor haar dat ze zo’n plek heeft als bij jou, vrouwen onder elkaar, of zoiets. En jij bent natuurlijk wel helemaal cool, niet zoals haar oude papa.’
‘Het is al goed.’
‘Morgen komt ze, we kunnen het haar vragen.’
‘Nee, laat maar. Maar vertel het haar wel zeker, dat het ertoe doet om een goed mens te zijn. Het is belangrijk dat ze dat van jou hoort, nog eens.’
‘Ik zal het proberen.’
‘En kom nu maar even hier bij me.’



06 november 2020

Beelden en de zee


De man voor je gaat zo traag.

Je rug neemt het over.

Het kindje in de bakfiets.

Je ziet weer die stem, wat ze met je deed, weer.

Je hand, de woorden, de brief.

Je pakt het boek in, het cadeau mag vertrekken.

De hand van de mevrouw in de winkel.

De beelden, terwijl je door de stad loopt.

Wat je zou doen, als.

Iemand is ergens aan het zingen.

De roze zak, balancerend op je hand, een koude ochtend.

De zon die recht binnen schijnt, en de stofdeeltjes.

De beelden dus, hoe traag je het zou doen.

De lakens uit de wasmachine halen.

Ze zegt iets over jouw golven.

De stapels boeken, het zit er ergens tussen.

De pianostemmer heeft precies niet zo heel veel werk.

Je speelt Georgia on my mind.

Het meisje wordt zo groot.

De scheerzeep mag wel.

Dat je niet iedereen kunt zien op het scherm, het verwart je.

Je wou iets doen met de stroom.

De troost van peren.

Daar waar je lichaam stokt in de tijd.

De verlossende aankondiging, die mag gaan komen.

Je ziet je handen, wat ze doen, en het verandert je.

Die ogen.

Dat wat je niet weet.

Dat beeld, misschien durft je brief het.

Hoe traag nader je een afstand?

Je ziet lekkere dingen.

De vrouw voor je wil eerst heel uitgebreid haar verhaal doen, terwijl je wacht.

Dat andere verjaardagscadeau, je ziet wat het zou kunnen zijn.

De man aan wie je probeert uit te leggen dat het postkantoor vandaag gesloten is.

Waar komen die beelden vandaan?

Het licht van de herfst.

Iets over de dood, hoe die zou komen.

Dat je dat nog moest gaan halen, voor deze winter.

Zou je het durven?

Dat van het water.

Hoe je zou herkennen.

De dingen die je doorschuift naar het weekend, ongemerkt.

De rimpels, in jouw spiegel.

Het beeld neemt je over.

Je zou iets aan de zee willen vragen.

05 november 2020

Pogingen tot zen


Het voordeel is dat je eeuwig kunt blijven oefenen in onthechting. Elke dag is een kleine spirituele oefening.

Je voornemen dus om – zo mogelijk met milde aandacht – te kijken naar alles wat is.

Je zo organiseren dat je het aantal beelden van dat wat je niet wilt zien beperkt. Lichtjes roepen al tegen woorden die verslag uitbrengen van dat wat je niet wilt zien.

Jezelf uitleggen dat de oefening van in de wereld zijn en je ertoe verhouden erin bestaat dat je ook in de afgrond moet kijken.

Dus toch die beelden zien van die president die zich blijkbaar in het nauw gedreven voelt.

En vaststellen dat de totale onthechting nog niet voor vandaag is.

Voelen hoe zo ongeveer elke cel van je lichamelijke aanwezigheid in de wereld zindert van iets tussen verzet en walging.

Het is alsof je zijn vieze mannelijke geur tot hier kunt ruiken.

Verschillende golven schuiven door elkaar. Er is een golf die heel primair lichamelijk is. Die heeft waarschijnlijk te maken met dingen in jou die gekwetst zijn, doorgegeven doorheen de tijd. Het is een hoogspanning. Die je tegelijk ook laat voelen dat je huid een grens kan voelen, ruiken, tussen iets als goed en kwaad. Er is een golf die te maken heeft met de dingen waar je je het grootste deel van je leven aan hebt gewijd. Je voelt hoe diep die dingen in je lichaam zijn verankerd. Het gaat over waarden.

Er is zoveel pijn, en die stelt je tegelijk ook wel gerust.

Al dat gif, in die weerzinwekkende man, die tegelijk een heel bang en beschadigd jongetje is. Het activeert een of ander immuunsysteem in je huid.

Er is een gevoel van wankelen. Aan de ene kant voelen dat er iets is in jou wat hij nooit zal kunnen raken, wat altijd sterker zal zijn. Daar kun je zitten, in aanwezigheid. Aan de andere kant zien hoe schaamteloos efficiënt zo’n man de dingen naar zijn hand kan zetten. Het ergste is misschien nog die horde meelopers. Zij die beter zouden kunnen weten, zij die een cirkel rondom hem hebben gemaakt en het ultieme nihilisme verdedigen. Wankelen dus een beetje. Je tegelijk rustig voelen in iets dat een kern blijkt te zijn en je ook machteloos voelen.

Je kijkt naar de techniek van het verderf. Je ziet hoe het is voorbereid, hoe het is opgebouwd. Dit is waar het begint, denk je, of al lang bezig was. Dit is waar het misschien nog kan worden tegengehouden, misschien niet meer.

Je lichaam beweegt tussen analyseren, de dingen in een kader zetten, en een rusteloze adem. Telkens ook proberen drie stappen verder te denken, om dan klaar te zijn op alles wat zal komen, en dan helder te kunnen kijken. Je lichaam heeft zichzelf schokdempers aangeleerd, die tegelijk schokvoorspellers en schokuitstellers zijn.

Tussendoor probeer je na te denken over de teksten die je nog moet schrijven de volgende dagen. Dat stukje dat je de volgende dag moet schrijven. Je zou willen dat je niet over hem zou moeten schrijven. Het is alsof hij met zijn toxische kleverigheid anderen kan bezetten, onder hun huid kan kruipen. Je wilt er omheen kunnen schrijven, als een vorm van verzet.

En er is die andere tekst. Je was gevraagd een lezing te geven over amor mundi, liefde voor de wereld. De samenkomst werd afgelast. Je kreeg de vraag een tekst te schrijven. Iets over liefde in de wereld brengen. Je voelt voorlopig alleen maar afstand tussen jezelf en de plek waar je een tekst over de liefde zou kunnen schrijven. Het is alsof die vieze man zich de hele tijd tussen jou en die plek dringt.

Wat er ook zal gebeuren de volgende dagen en uren, je zult die tekst wel schrijven, dat weet je zeker. Misschien moet je even wachten, om traag te ademen, en enkel maar naar die adem te kijken. Misschien moet je iemand aanraken, om zo je huid sneller terug te vinden, samen met de stroom, en het besef van de zee. Misschien kan dat allemaal niet. En misschien is dat de oefening in onthechting.

Het zou natuurlijk ook handig zijn als er snel goed nieuws zou komen.

Je ziet wel de weg, wat er ook gebeurt, denk je.

En iemand die je zeer dierbaar is, zei het je. Dat jij nooit die man zult zijn, dat jij nooit die man geweest bent, dat jij nooit die man kunt worden. En iemand die je zeer dierbaar is, zei het je. Dat je erop kunt vertrouwen.

Het heeft ook iets te maken met dat verlangen, denk je. Om rechtop te staan in de wind, wat er ook gebeurt, en te beschermen wat en wie je lief is. Verlangens kunnen pijn doen, maar ze laten je voelen dat je leeft.

En voor je jezelf uit handen geeft aan de nacht, zul je nog die trage beweging maken met je handen en een lichaam dat die handen volgt. De zon die op- en neergaat, de zee die in- en uitademt. En daarna buig je, in dankbaarheid voor de dag die je zomaar kreeg. Onhoorbaar fluister je iets, tegen wat aanwezig afwezig is, naast je.

01 november 2020

Fietsen in de regen en de wind


Het blijft een raadsel waarom de wind tegen mee lijkt te draaien. Misschien heeft de kosmos een plan met jou?

Geheel analoog fietsen is best wel stoer. Zegt een van je innerlijke stemmen tegen een andere die luidop aan het dromen was van voor heel even zomaar een elektrische fiets, alleen dan als er tegenwind is, en regen, of zo.

Dat ene stuk van de route (en eigenlijk ook wel dat andere) ziet er met de wind en de regen en de algehele grijsheid zo droef uit. De herfst kan niets verzachten.

Nadenken over de liefde. Iets over onvermogen. Iets over de plek die je wel of niet mag zijn. 

De broek wordt langzaam nat. Het is blijkbaar malse regen. Dat woord mals heeft je altijd wel gefascineerd. Wat is eigenlijk het woord voor het andere, dat niet mals is? Verlangt malse regen naar harde regen, of omgekeerd?

Nadenken over verlangen. Wat zou dat ene beeld willen zeggen?

Die gsm in je broekzak, zou die nat kunnen worden? Moet je die dan niet ergens anders steken? Dan moet je daar wel voor stoppen. Je hebt geen zin om te stoppen. (Interne dialoog, over allerlei ethische dilemma’s.) Je stopt, verplaatst de gsm naar een andere plek, met grotere droogtegarantie.

Andermaal vaststellen dat je niets begrijpt van Halloween. Ook dat zal aan jou liggen.

Die ene mevrouw loopt net iets sierlijker dan die andere. 

Sommige huizen zijn wel echt heel erg lelijk.

Een huis passeren waar iemand woont die je kent. Warme glimlach in de regen en de wind.

Ergens in je lichaam huist er een middagdutverlangen XL.

Die ene meneer fietst wel heel erg traag, eigenlijk.

Kijken naar gedachten die er niet zijn.

Straks ook koffie. En misschien wel een stukje chocolade. (Normaal is dat voor ’s avonds, maar misschien kan het chocolademoment zomaar vervroegd worden. Decadent. Je vraagt advies aan de kosmos. De kosmos lacht, en vraagt of je haar enkel voor echt belangwekkende kwesties zou willen storen. Je legt haar uit dat de chocoladevraag enkel een soort glijmiddel is om te vragen wat het plan is dat de kosmos met jou heeft. De kosmos glimlacht veelbetekenend en zwijgt.)

In het plan van de kosmos komt een koopzondag trouwens niet voor.

Nadenken over wat je handen zouden willen. (Die ene stem zegt dat je hoofd dit zal willen, terwijl je lichaam aan iets anders denkt. De andere stem wijst de vorige erop dat het hoofd ook een deel van het lichaam is, en dat het dus geen goed idee is om te blijven spreken over het hoofd en het lichaam. De ene stem zucht en zegt dat het – gezien de wind en de regen – toch niet nodig is om altijd 100% politiek correct te zijn in de innerlijke dialoog. De andere stem vindt regen en wind een flauw excuus en zal daarbij ongetwijfeld denken aan een of andere categorische imperatief. En zo gaat dat nog een tijdje door.)

Het paaltje met de knop om het verkeerslicht op groen te krijgen voor de fietsers. Er staat op dat je met je elleboog op die knop moet duwen. Je beschikt over een relatief spitse en scherpe elleboog, maar het zou toch een beetje moeilijk zijn, denk je.

Mannen op mountainbikes roepen hard tegen elkaar, ook al staan ze dicht bij elkaar.

Nadenken over het zondagsverdriet dat zomaar op een zaterdag kwam. Misschien komt het in een verlengd weekend op een maandag.

Zien dat je bijna thuis bent. Na de herinrichting van dat ene kruispunt ben je niet meer zo zeker dat dat de plek zal worden waar je ooit zult verongelukken op de fiets. Er is een kans dat je dus nog lang genoeg zult leven om de wijsheid te bereiken.

In de parkeergarage er tegenop zien om je fiets aan die haak te hangen. Je broek is ondertussen helemaal nat, je muts ook.

Nadenken over de zwaarte van regen.

Weer binnen. Het huis fluistert je iets toe.

31 oktober 2020

Nu even geen lawaai


Maak nu even geen lawaai, denk je.

Praat zacht en nederig, denk je.

Geen dichte drommen, denk je, ook al kun je alles begrijpen.

Geen gretigheid, geen grote woorden.

En even geen meningen, of toch niet te veel.

Gewoon kijken.

En iets voelen van het punt waar het leven in de dood kantelt.

Iets van de machteloze handen.

Iets over de liefde, iets over onvermogen.

Vermoeidheid ook, en kwetsbaarheid.

(Het is telkens weer zo, in je hoofd, alsof je al drie dagen verder bent.)

Misschien wou je net iets meer deemoed voelen.

Daar waar de pijn van een ander de jouwe raakt.

Een toon die net een beetje anders zou zijn, iets minder luid.

(Veel schroom.)

Misschien is het gewoon je eigen vermoeidheid.

Misschien zie je je eigen verdriet.

Misschien – ineens zie je het duidelijker – had je een ander ritueel gewild.

Een ander soort heiligheid.

Je ziet de wind.

Je hoort de kinderen.

Je zag de foto van het nieuwe leven, pas geboren.

Je zag iets van een verlangen, het was er.

Er was een zwaarte, ergens in de middag. Het verdriet liet zich zien.

En je keek.

Je zocht de veilige hoek op in de kamer, met de sterke muren.

Je keek naar de zinnen in je boek en in je handen.

(Je weet nooit helemaal zeker waar de verleden tijd kantelt in de tegenwoordige tijd.)

Je lichaam antwoordt in vertraging.

En je ziet in het huis hoe het verandert als je er niet alleen bent, hoe de ruimte zich herschikt.

De ruimte ademt in herinnering.

Het regent, als een trage wijding.

Je schrijft een brief.

Misschien heb je wel niets te vertellen.

Je vertelt iets over die plek, ergens in de middag.

Je zou iets willen kunnen geven.

Misschien is het wel goed zo, zo zonder lawaai.

Dat beeld dat je had gezien, het blijft. Je begrijpt het niet helemaal.

De fadozangeres begrijpt het wel, denk je.

30 oktober 2020

Huidreizen


Je zit te werken. Ergens onderhuids beweegt er iets anders. Het heeft een eigen hartslag.

Je probeert de dingen te schikken in je hoofd. Misschien valt er niet veel te schikken, misschien zou je sommige dingen liever nu even niet in het hoopje zien.

Het leven loopt anders dan nu even niet, denk je.

En je bent hier, terwijl je ook daar zou willen kunnen zijn, denk je.

Je hoort een verhaal, je handen beginnen te trillen. Je zou iets willen kunnen doen om te beschermen, of iets in die aard. Maar je bent hier. Misschien doe je het goed, je voelt ook het falen. Iets over alleen gelaten worden. En je zou jezelf willen kunnen openplooien, om een windstilte te zijn.

De man met de vrachtwagen is al daar, veel vroeger dan verwacht. Je moet het gesprek loslaten, je huid is in de war.

Hij vertelt verhalen over spannende avonturen ooit, aan de andere kant van het IJzeren Gordijn.

Je maakt stapeltjes, je draagt hopen naar binnen. De geur prikkelt je neus.

En je zou nog steeds ook daar willen zijn, iets met je handen.

Je maakt je klaar voor het gastcollege dat je zult geven. Het mooie jasje. De stem. Je praat anderhalf uur tegen een scherm. De studenten zijn ergens, ze laten zich niet zien, enkel horen. Ze spreken je aan met meneer.

In de nacht ligt je huid in de knoop.

En je had ook nog iets gewild met die brieven.

Misschien heeft iets van de dagen zich opgestapeld, aan het oppervlak.

De dag laveert tussen de dingen. Soms zijn er huidkantelpunten.

Misschien is er een wak in je huid, je merkt het pas als je daar bent. Vallen.

Even val je. Er is in de lucht niets om je aan vast te klampen. (En er is maar één ding dat je zou willen, voel je.)

Al wat was afgesproken schuift er weer tussendoor. Je wachtlacht afwezig door de vergaderingen, terwijl je huid zwaar lijkt.

Mag ik je gewoon even alles na elkaar zeggen? Dat vraag je haar. Je bent verlegen.

De andere dag. De treinrit laat je voorzichtig tintelen, terwijl het landschap naar je kijkt.

De ene bus komt weer niet, je neemt een andere. Ergens halverwege stap je over in de auto. De route ademt daardoor net een klein beetje anders.

Je rijdt haar het ziekenhuis binnen. Iedereen is vriendelijk. Ergens op de achtergrond voel je een nerveuze trilling.

Je vertrekt weer, wandelt de hele weg naar het station. Het doet je goed. Het kanaal zwijgt.

Je leest het boekje in de trein. En daar waar je moet overstappen. Het is een plek van verhalen geworden. Je kijkt in de richting van de verhalen.

De brieven beginnen.

Een avond van regen en wind. Je krijgt de berichten. Er is iets met onvermogen.

De nacht drukt een beetje. Er is een afdruk in je huid, stel je vast, en het maakt je rustig.

De andere dag loopt net iets anders dan je had gedacht. Misschien is het ook een kantelpunt. Het lijkt beter zo, denk je. Iets schuift van je af. Je adem kantelt een beetje.

Terwijl je schrijft, komt een ander verhaal naar je toe. Iets stroomt. En iets over het hart. Hier en daar zijn er even niet meer. Je huid wist het, de hele tijd al. Het is mooi, dat wat er is, denk je.

De nacht is anders.

De dag ademt gewoon, en is ook een beetje moe.

En je wilt nog even langs de boekhandel kunnen gaan. Dat ene cadeautje moet nog kunnen vertrekken. Je schuift aan in het postkantoor. Het pakje kan vertrekken.

Weer thuis. Je huid vertelt je iets. Je wist het eigenlijk al.

25 oktober 2020

De brieven


‘Misschien is het wel een goed plan.’
‘Wat?’
‘Dat ik je elke dag een brief stuur. Elke keer een korte, in plaats van af en toe een lange.’
‘Dat zou ik wel heel bijzonder vinden. Waarom zou je dat willen doen?’
‘We zijn nu ver weg, en misschien blijft dat nog wel even zo, en zo kunnen we toch dichtbij zijn. En het is gewoon een mooi ritueel.’
‘Kun je die dingen ook gewoon zeggen? Of gaat dat alleen in een brief?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet. Soms komt er een traag verdriet over me. Ik zie dan de woorden nog niet. Gewoon schrijven, de beweging van mijn hand, de woorden die op het papier verschijnen, dan komen de zinnen wel. Door het schrijven begrijp ik dan wat ik daarvoor nog niet begreep.’
‘Zoals dat verdriet?’
‘Ja.’
‘Het is wel mooi, hoe jij dat doet. Telkens blijven zoeken. Het is alsof je jezelf een beetje uit elkaar haalt en op het gras spreidt. En dat ik daar dan zomaar naar mag kijken, en het aanraken.’
‘Je mag alles van mij aanraken, dat weet je.’
‘Ja, ik weet het.’
‘Het is zo rustig nu. Dit. Alsof er alleen maar dit is. Nu, en hier.’
‘Dat wil ik zo vaak, alleen dit, hier.’
‘Het is zo duidelijk en helder dat we allebei hier willen zijn. Maar wat als dit de enige plek is waar we kunnen zijn, waar wij kunnen zijn?’
‘Ben je daar bang voor?’
‘Soms.’
‘Wat denk je dan?’
‘Er is heel veel liefde. Maar wat als we net daar waar we dichtbij zijn in onszelf zien waar we alleen zijn? Zijn we dan niet nog meer alleen?’
‘Misschien zullen we die vraag nooit kunnen beantwoorden. Misschien moet het ook niet.’
‘Het is iets dat me bezighoudt. Het kwam over me, ergens diep in de nacht. Het is nu zo helemaal stil ’s nachts, dus ik hoorde alleen maar de gedachten in mijn hoofd. En ook mijn hart, ik hoorde het kloppen.’
‘Misschien is wat we doen het enige antwoord op die vraag.’
‘Misschien wel. Misschien wil ik gewoon dat het anders is. Dat ik je op die plek helemaal zou kunnen dragen of zoiets. Al is dragen niet helemaal het juiste woord.’
‘Ik herken wel wat je zegt. Voor mij voelt het soms ook zo. Wat als we elkaar niet echt kunnen bereiken? Wat als het altijd maar een stuk is?’
‘Als we gewoon kijken, naar wat er is, misschien zien we dan hoe we bewegen. Die eerste dans, alsof die er elke keer opnieuw kan zijn. Maar misschien is dat een te groot verlangen.’
‘Het is alleszins een heel mooi verlangen.’
‘Wie weet wordt het wel duidelijker als ik het in die brieven ga schrijven, en dan begrijp ik zelf beter wat ik voel.’
‘Ik denk dat je het wel begrijpt, en ik ook, maar ik wil je brieven wel heel graag lezen.’
‘Ja, dat zal wel.’
‘Ben je bang voor de zinnen die zullen komen?’
‘Ik denk het niet. Het heeft iets te maken met blijven. Vormen van blijven.’
‘Misschien heeft het gewoon te maken met wie wij zijn.’
‘Ja, dat is wel zo, denk ik.’
‘Dan kan er eigenlijk niets fout gaan.’
‘Als jij het zegt, zal het wel zo zijn.’
‘Ik kijk alleen maar naar jou.’

22 oktober 2020

Dingen die je kunt aanraken


De maan in de verte.

De grens tussen hier en daar.

De eerste dans.

De herinneringen van een appel.

De afwezigheid naast je.

Je dromen, te groot.

De omweg.

De klanken in een kerk.

De ogen die je aankijken als je je ogen sluit.

De wind in de boom.

De demonen van soms een nacht in de dag.

Het vertragend uitbollen van alle vorige versies van jezelf.

Een veranderend gelaat, uitgespaard in de lucht voor je.

De naden van de tijd.

Het verlangen, op een onbewaakt moment.

De woorden die je nog niet geschreven hebt.

Niet meer weten waar jouw huid eindigt.

De koele lucht in de morgen die het huis binnenkomt.

De melancholie van een zondag.

De verhalen in het boek, de letters in het woord.

Hoe het huis veranderde, telkens als.

Het kleine houten beeldje, het lichaam dat alles draagt.

De oneindigheid, door een buik.

Het wachten van de toetsen van de piano.

Het landschap in het hout in de kast.

De handen van je grootvader, in de herinnering van het hout.

De stem van de zanger.

Het geheim dat de planten voor je bewaren.

Het gesprek dat je voert, de zinnen die je ziet vertrekken, naar elders.

Wat door je lichaam moet sijpelen, in de tijd die nodig is.

Hoe je kijkt naar de liefde.

De koude die je tegemoet kwam, toen, en wat er daarna gebeurde.

Het falen, zoals altijd.

En dat wat blijft.

De fossielen van een verdriet, leunend in een beweging.

De snijplank, net voor je aan de groenten begint.

Het ritueel, die kleine buiging, voor je je aan de nacht overgeeft.

En de zee.

20 oktober 2020

Het zou


Je hebt nog een heel lijstje, te doen.

Je doet het even niet.

Even alleen maar een zachte leegte.

Je zou zoveel.

Even niet.

Voor nu.

De dingen sijpelen door je heen.

En je wilt alleen maar kijken.

Al het volgende komt later wel.

Morgen al, waarschijnlijk.

Maar nu nog niet, even niet.

Je zag, daar waar je als kind was.

Het licht in die gang.

Iemand keek mee over je schouder.

Fluisterde je iets over de liefde.

Het mag door je heen.

Daarna kun je denken.

Je hoorde iets over je woorden.

Dat ze voorwaardelijk zijn, zouden zijn.

Je zegt iets over harde dingen met zachte woorden.

En dat het allemaal goed is.

Je kijkt naar het landschap.

Je stuurt geheimen, bij een tussenstop.

Je lichaam mag zich uitplooien.

Je zou iets kunnen zeggen.

De woorden komen nu nog niet door je huid.

Die is traag en breekbaar.

Je ademt je tranen.

In uitgestelde bewegingen van het hart.

Je schoot wakker, ergens in een nacht.

Waarna je de eindjes weer verbond.

Voor de dag.

Je kijkt naar je handen.

Ze blijven.

Je volgt de pijlen op de grond.

Je vraagt iets, let op je stem.

Je kijkt naar plekken, nu gevuld met verhalen.

Dat zal nu altijd de weg zijn naar.

Je oog trilt.

De dingen leggen zich neer naast elkaar.

Alles wat je zou, nu even nog niet.

Straks weer wel.

Morgen waarschijnlijk.

De rivier stroomt verder.

18 oktober 2020

Tubax


Je hebt je een beetje moeten haasten met het eten, maar nu ben je op weg naar een concert. Het is tweemaal geprogrammeerd op dezelfde avond. Jij gaat naar de eerste uitvoering.

De drukke dag zit nog in je lichaam. Vooraan.

De vriendelijke mevrouw brengt je naar je stoel. Net achter het mengpaneel.

Je wacht nog even af hoe warm of koud het is. (Wel of niet de jas over de stoel hangen zou moeten gebeuren voor het concert begint.)

Je probeert het programmaboekje te lezen. (Je ogen zijn moe na een hele dag werken, het is een beetje donker in de kerk, de lettertjes zijn klein.) Je kunt dat ene woord niet goed lezen. De andere vier muzikanten bespelen een saxofoon die je herkent in de enigszins vage lettertjes. Het vijfde instrument is een woord van vijf letters, dat zie je. Je denkt dat het tubax is, een woord dat je nog niet kende. Maar misschien lees je het verkeerd. Het is alleszins het grootste instrument, en het kortste woord.

Je lichaam ademt langzaam de plek in. Je zou willen dat iedereen gewoon stil is en wacht, aanwezig in dit hier en nu. Je ziet wat vooraan is, hoe het zich voorbereidt op een overname.

Zo gaat het, weet je, telkens weer. De muziek zal het overnemen, zal je lichaam voorzichtig overnemen. Je moet alleen wachten.

De muzikanten staan of zitten klaar. Ze beginnen te spelen. Dat speciale geluid. Het beweegt door de ruimte van de kerk. Het komt van alle kanten, of het is overal, het is.

(Je kunt het niet verdragen. Mensen die nog zitten te praten. Mensen die nog de hele tijd op hun smartphone bezig zijn. Mensen die rechtop gaan staan om foto’s te maken. Mensen die nog rusteloos heen en weer draaien op hun stoel.)

(Ga gewoon zitten, zwijg, maak het stil, kijk naar de muziek, hoe die beweegt, hoe die je lichaam overneemt, zou je willen roepen, in stilte, zonder te bewegen.)

Hoe wonderlijk het is hier te zijn, denk je. Hoe wezenlijk het voor je is, denk je. Dat je er zomaar zit, dat de muzikanten spelen, dat de muziek beweegt, dat de tijd daarbuiten verdwijnt, dat het zomaar kan. Je bent zo dankbaar.

Je kijkt naar je lichaam, zonder te bewegen. Zoals bij een meditatie, dat gedachten in je hoofd nog even heen en weer hollen. Dat je die met milde aandacht ontvangt en laat bewegen naar de pechstrook, ergens buiten je lichaam. Je moet het enkele keren doen.

Je weet dat onderweg je lichaam ergens zal kantelen, in de muziek. Als je erop let, zul je mogelijk een drempel zien, zul je mogelijk bang worden, zul je aarzelen om jezelf uit handen te geven. Als je er niet op let, zul je het pas merken als je aan de andere kant bent.

(Je moet het haar vertellen, denk je.)

Je kijkt naar Buxtehude. Ziet hoe die muziek beweegt. Het is alsof je de muziek in de ruimte ziet, in een balans tussen horizontaal en verticaal. Je vraagt je af hoe anders Bach eruit zal zien.

(Dit is ook een heiligdom, denk je. Je moet het haar vertellen.)

Later zullen er zinnen naar je toe komen met het woord overgave erin. Je bent aan de andere kant. Ongemerkt heeft je lichaam zich uit handen gegeven.

Je houdt van die heel diepe bas van dat instrument, de tubax dus. Je hebt altijd gehouden van een diepe baslijn. Samen raken de klanken je huid. De basklanken doen iets met je buik.

(Dat ene mag wel in de brief, denk je.)

Je ademt anders ondertussen.

Een stroom, je weet niet meer waar de dingen ophouden of beginnen. (Ook al doet je rug pijn.)

Bach beweegt. Je ziet Bach bewegen.

Telkens opnieuw, als eb en vloed. Je kijkt, je volgt, of niet.

De klanken leggen zich neer, ze hebben de huid van de kerk veranderd, ze hebben je huid veranderd.

Je loopt naar huis in de avond. (Je hebt liever geen slenterende mensen voor je op de kasseien. Je wilt alleen bewegen nu.

(Je ziet zinnen.)

Thuis zoek je de cd op, van toen je hen de vorige keer zag. Op dezelfde plek.

(De woorden, zo verdwijnen ze zeker niet.)

(Je vertelt iets aan de nacht.)

16 oktober 2020

File


Je zag de tijdstraat voor je helemaal vollopen. Er kwamen de hele tijd dingen bij ‘die nog even moeten gebeuren’. Mensen willen je spreken, iets vragen. Je ziet de dingen die je je had voorgenomen. In je hoofd zagen die er netjes afgerond uit, kon je die rustig afwerken. Het loopt net iets anders.

Het is wat het is.

(Wat je zou willen zeggen.)

Je maakt een lijstje met alle dingen. Je neemt je voor daar een nieuw net lijstje van te maken. Waardoor dat ook een ding op je lijstje is: net lijstje maken.

Het verlangen om de dingen na elkaar te doen, niet meer door elkaar, ook als ze daardoor iets verder in de tijd schuiven.

(Je ziet, je kijkt.)

Je wilt ze in je hoofd wel kunnen zien allemaal.

Je zit op het werk, als enige van de hele gang. Misschien zal het wel weer een hele tijd duren eer je nog eens daar zult zitten.

Je puzzelt de dingen bij elkaar, als in een klein bouwwerkje.

(Je bent hier, iets van je is daar. Iets is heel nabij.)

Je kijkt naar je handen.

(Je zegt net iets meer dan je durfde.)

Je ziet verhalen, ze wachten ergens in je huid.

De verhalen wachten op het schrijven.

Je ziet de dagen die komen. De dingen op het lijstje. Dat en dat moet eerst aan kant, voor je aan het volgende kunt beginnen.

(Een beetje verlegen.)

De dingen die je eerst uit je lichaam moet hebben voor je aan die andere kunt beginnen, waar zitten die?
Na die dingen is er die tekst, en daarna die brief.

(Een woord raakt je huid. Het ademt door je heen.)

En ongetwijfeld fietst het leven door elk lijstje heen.

In je hoofd begin je van die brief terug te tellen naar nu. Dat is waarschijnlijk een betere strategie dan omgekeerd.

Aan die en die en die wil je nog vragen hoe het gaat. Je ziet dat je op een andere plek wilt zijn om dat te doen.

(Je bent week, zo week.)

Er lijkt een ingehouden stilte te zijn, alsof de dingen wachten op iets.

Het bouwwerkje is bijna klaar. Nog net voor dat gesprek. Dat had je je voorgenomen, dat het daarvoor klaar zou zijn.

(Daar waar je thuis bent.)

(De beelden bewegen door je heen.)

De man op het scherm. Hij zit ergens in de buurt van New York. Hij vraagt hoe hij je naam moet uitspreken.

If your mem’ry serves you well

Hij vertelt over de school in zijn buurt, en wijst met zijn vinger naar het raam naast hem. Je kijkt met de vinger mee. Je kunt wel niet met je hoofd in het scherm leunen, lukt net niet.

(Je ziet de verhalen. Je ziet woorden die nog zullen aarzelen. Woorden over zinnen.)

Je maakt je bureau netjes leeg, zoals elke keer. Je neemt voor even afscheid van de ruimte.

(Je praat door, de hele tijd, terwijl je naar het station loopt.)

De trein lijkt een soort melancholie met zich mee te dragen.

(Het is alsof je de brief al kunt zien. Als een soort negatief in de ruimte, alsof de woorden er al staan, in hun voorlopige afwezigheid, wachtend op zichzelf. Zoals je handen al weten wat ze zich zullen herinneren.)

Het landschap is er nog.

(Kijk, zie je dat, zou je willen zeggen, hoe het veranderd is.)

Iets is moe. Je loopt door de stad op weg naar huis.

14 oktober 2020

Analoog bewegen


Je hebt het jezelf aangeleerd. Bewegen in de digitale wereld. Met knopjes en apparaten en zo. Maar je hoofd lijkt toch nog wel vrij analoog te reageren.

Misschien heb je gewoon een beetje nood aan mysterie. De tover van de dingen.

Een mail versturen naar iemand die ergens ver weg is. Het blijft je fascineren. Alsof die woorden dan een beetje samengeduwd worden en dan beginnen te hollen door een of andere draad, om dan enigszins uitgeput weer uitgevouwen te worden en op een scherm te kruipen. Dat de woorden die je hier tikt daar zomaar kunnen arriveren, zonder dat je ze met de hand geschreven hebt.

Apparaten kunnen je ook afhankelijk en kwetsbaar maken. Misschien vergeten mensen om gewoon naar hun omgeving te kijken, naar allerlei signalen en tekens die gewoon los in de werkelijkheid bewegen.

Je moet eraan denken terwijl je in de trein zit, op weg naar het hoge noorden van het land. In Mechelen moet je overstappen. (Je weet dat die andere trein best geen vertraging heeft, want dan mis je misschien daarna de bus, waardoor je mogelijk niet op tijd bij je moeder geraakt.) De jonge vrouw op de bank voor je is enigszins in paniek. Ze is ergens onderweg opgestapt, in Haacht of zo. Ze belt naar haar mama, al roepend. Ze heeft blijkbaar geen internet. Ze moet in Mechelen overstappen op een trein naar Antwerpen, en zonder internet is ze dus hopeloos verloren. Vermoedelijk reageert de mama met iets als: “Trek nu toch eens gewoon je plan.” De vrouw roept tegen haar mama dat ze nu even niets moet zeggen en snel moet opzoeken hoe ze moet overstappen. Je denkt dat er toch heel wat schermen zijn met daarop de treinen, hun vertrekuur en het perron. Er zijn die grote gele papieren. En als je de stroom van de mensen die uitstappen gewoon volgt, kun je moeilijk ergens anders terechtkomen dan in een trein naar Antwerpen. Het is fascinerend, hoe die vrouw echt een beetje verloren is. En dat terwijl de dingen zich toch wel een beetje laten lezen.

Jij hebt je de avond daarvoor voorbereid. Enkele scenario’s. (Als die ene trein toch vertraging heeft, via een andere route toch zo dicht mogelijk bij je bestemming komen.) Een papiertje met daarop alle uren, netjes in potlood opgeschreven. Ze zitten allemaal in je hoofd. (Als je zo’n papiertje laat vallen, staan alle uren er nog steeds op, trouwens.) Je kijkt ze onderweg nog wel enkele keren na, voor alle zekerheid.

Na het bezoek waarvoor je naar daar ging, kun je nog net een vroegere trein halen dan je had verwacht. Je vult de pas in, in een soort automatisme. (Normaal doe je dat altijd op het perron of thuis of zo, niet in de trein, dat brengt ongeluk.) Als de treinmeneer langskomt, stelt hij vast dat je een verkeerd cijfer hebt ingevuld. Of het een drie is, vraagt hij. Je ziet dat je per ongeluk een vijf hebt geschreven, en zegt dat het volgens jou een drie is. Je zou hem willen uitleggen – want dat weet je wel zeker – dat het in je hoofd een drie was. Iets heeft ervoor gezorgd – dat ongeluk – dat je een verkeerd cijfer hebt geschreven. Je beseft dat onmiddellijke standrechtelijke executie aangewezen zou zijn. De treinmeneer spreekt je met enige gewichtigheid toe, maar beseft al snel dat je je echt vergist hebt. (Je mag dus nog even blijven leven.) Je weet nooit helemaal zeker hoe je hoofd werkt.

De trein rijdt verder. Je wuift onderweg naar iemand in de verte. Sommige stations of plekken zijn verbonden met verhalen. (Toen waren we hier, deden we dat, hebben we daar dat gezegd, …) Met de trein rijden is als een ritueel. Je beweegt tussen verhalen. Die verhalen telkens weer inademen, laten bewegen, het brengt geluk. (Je stuurt op digitale wijze een berichtje. Iets als: ik ben hier. Het is wel van belang dat het berichtje effectief van die hier wordt verzonden. Ook al kan die ander dat niet controleren, voor de werking van de kosmos is het wel heel belangrijk dat zo’n dingen juist worden uitgevoerd. Misschien doet zo’n berichtje er dan eeuwen over om aan te komen, moet het eerst nog heen en weer naar de maan. Je weet het niet, maar jouw stuk van het ritueel is dan toch volbracht.)

Je komt aan op je werk. Je computer heeft als motto om te ‘vertragen in urgente tijden’. (Het is wel leuk om daarover een diepzinnige column te schrijven, maar als het je computer is, is het wel een beetje vervelend.) Je wilt dat alles netjes klaar is, want straks moet je optreden in een webinar. Alles netjes klaar wil zeggen: (analoog) zorgen dat je bureau netjes clean is, (digitaal) snel even alle mails en berichtjes checken, zodat alles op het papiertje in je hoofd staat, in virtueel potlood. (Tussendoor verstuur je nog een belangrijk bericht. Die verbinding moet eerst gemaakt worden voor je rustig aan de andere kunt beginnen. Iets met een analoge plek en analoge mensen hier, iets met naar je handen kijken, voor je straks die virtuele mensen zult kunnen zien op je scherm.)

Het webinar begint. Mike, een man die ergens in Canada zit, en erg vroeg moest opstaan, praat alles aan elkaar alsof het een spannende talkshow was. (Ben jij wel spannend genoeg, vraag je je af. En nog iets over analoge rimpels, maar warme handen.) Je mag het woord nemen, samen met iemand uit Duitsland, Kenia en Georgië. De mensen die kijken – zo blijkt uit een virtuele poll – bevinden zich op alle continenten. In de trein had je, met potlood, de vragen netjes voorbereid. Je ratelt, op spannende wijze, een eindje door, zet je beste analoge radiostem op en vraagt je af of je gezicht dan door een kabel wordt getransporteerd naar iemand in Peru. Iemand zegt dat wat je zei bijzonder interessant en opwindend (of iets in die aard) was en heeft een vraag. Jouw woorden zijn dus zomaar de wereld rond gegaan. Even later hoor je PING dat er een mail binnenkomt. Blijkt dat iemand die zat te kijken (aan de oostkust van de VS, verneem je later) je gezien heeft. Die heeft je opgezocht op LinkedIn en een bericht gestuurd. Iets als dat jullie dringend vriendjes moeten worden. (Hij heeft Charles.) Ondertussen dartelt Mike lustig verder door het webinar. (Charles wil later op de week nog eens doorpraten met jou over alle spannende dingen die je hebt verteld.) De mevrouw uit Kenia stuurt je die avond nog een mail, ze wil nog enkele dingen weten. (Terwijl ze sprak was de lijn soms een beetje korrelig, maar je betrapte jezelf erop dat je gewoon naar haar stem aan het luisteren was, en zelfs niet altijd hoorde wat ze zei.)

In de vooravond vertrek je weer naar huis. In de trein wordt je lichaam weer een beetje rustiger. De trein als de tussenplek. Je laat de stapel kranten en het tijdschrift met het informatieve artikel over belangwekkende stromende bewegingen op het tafeltje liggen en kijkt naar het landschap. Je denkt aan de verhalen. En in je lichaam is een brief aan het rijpen, die je later in de week zult schrijven. Je ziet nu al hoe de brief eruit zal zien als die klaar is. De lijntjes volgeschreven met de pen. In zwarte inkt. Zwarte inkt is de koning van de analoge woorden.

Je beweegt in woorden, denk je, terwijl je naar je handen kijkt. Je kunt je handen bewegen in de tijd. Zo doen ze iets met de woorden die onderweg zijn.

10 oktober 2020

Trage ogen


De woorden zijn goed.

We zijn veranderd.

De regen is ook gekomen.

Waar het kantelt.

Waar je kunt kijken.

Wachten op verdriet.

De plaats die je toekomt.

De stroom kan groot zijn.

Langzaam terugkeren.

De woorden zijn nodig.

Waar het je beschermt.

Het herkennen.

Weer thuis zijn.

Alleen maar blijven.

En iets midden in de nacht.

Het licht.

Hoe oud je bent.

Wat staat er voor en achter je?

Wie staat er naast je?

Je stem daalt.

Het snijden van de tomaten.

Waar je slaapt.

Alles is goed.

Is het koud?

De dans is mooi.

Vertel alles maar.

Zonder verhalen verdwaal je.

Wat je niet zou durven.

De brief.

Het boek.

Het citroentaartje.

Het lepeltje.

Je bent moe.

Wat zich herhaalt.

En hoe mooi.

Er is nog zoveel.

Waar je eenzaam bent.

Het sluit zich niet.

De ruis.

En.

We zijn er.

Altijd.

09 oktober 2020

Zandbanken


In de trein. Je moet altijd even wachten tot de damp wegtrekt van de glazen van je bril. Misschien is dat een zenoefening.

Het landschap schuift voorbij. Het landschap blijft.

Je voelt de stroom. Stroomverwarring.

Je bent goed op tijd in de zaal waar je een lezing gaat geven. De man die helemaal bovenaan zit, komt naar beneden om je te helpen met de headset. Je kunt vrij bewegen voor het gigantische scherm. De mensen druppelen binnen. Ze verspreiden zich over de eerste rijen. Tijdens je verhaal probeer je de ogen te zien. Je hoort je stem, je denkt aan iemand.

Het slaapwelritueel is belangrijk. Het heeft iets met de kosmos te maken, en de orde der dingen. De woorden die moeten gezegd worden voor de nacht het overneemt. Zoals je buigt, bij het einde van de dag.

De nacht hapert een beetje.

Van de pauze van de thuiswerkdag gebruik maken om even de stad in te gaan. Je geeft de pakjes met de boeken af in het postkantoor. (De mevrouw aan het loket zal de cadeaus in handen geven van de kosmos, in de vorm van een postbode, om ze naar de jarigen te brengen.)  Proactief beleid was nodig om iets te doen aan het relatieve overwicht van het aantal gaten ten opzichte van het aantal sokken en onderbroeken. De mevrouw in de winkel vraagt of je je Loyaltykaart bij je hebt. Je krijgt een bon voor een volgende aankoop. (Zijn er mensen die erin slagen om al die bonnen bij te houden?) Je krijgt ook nog 100 punten extra. En een soort kraslot, dat zij meteen voor je opkrast. Ze heeft daar speciale met titanium versterkte nagels voor. (Misschien zijn die krasdingen gemaakt voor de mevrouwen aan de kassa die zo een zeer lichte opwinding kunnen ervaren bij het krassen.) Beneden in de winkel ga je, in het kader van het verjaardagsbeleid, even kijken bij de nagellak.

Je ziet je vrienden op het scherm. (De combinatie van de lampen naast je bureau en de gele muur zorgt ervoor dat je steeds een wat groenige schijn over je heen krijgt.) Het ontroert je om hen te zien. Iets met samen ouder worden en de verhalen die meegaan.

Je vertelt een verhaal van verwarring, en rust. Je bent verlegen. Je kijkt, herkent.

De volgende ochtend op de tafel van de kinesiste. Soms ben je meer doorwaadbaar dan op andere momenten. Alles ligt dichtbij, precies.

Soms overvalt je een traag maar breed verdriet. Met veel tranen. (Gelukkig ben je alleen op het werk.) Het ademt zichzelf ook weer weg. Het is iets in vertraging, denk je.

Bijpraten met een vriendin, het is al zo lang geleden. Je luistert naar verhalen. Je hoort het verhaal dat je zelf vertelt. (Door het te horen begrijp je het zelf.)

De volgende thuiswerkdag. Vroeg beginnen, meteen een kleine voorsprong op jezelf nemen. (Het wordt een lange dag.)

Je kijkt naar het filmpje dat je was gesuggereerd. Je hoort woorden die nog even in je moeten sudderen, en waarschijnlijk de volgende dag in het stukje zullen komen dat je nog moet schrijven en waarvan je het onderwerp nog niet helemaal zeker weet.

Tijdens het webinar vertelt een mevrouw over het onderzoek naar hergebruik van textiel. De existentiële kwestie van de sokken met gaten (of gaten met sokken) blijkt universeler dan je zelf dacht. (Ze spreekt heel hardnekkig enkele woorden in het Engels steeds verkeerd uit.) Sommige sprekers kunnen heel interessante dingen zeggen terwijl ze nauwelijks met hun gelaat bewegen of hun stem om je heen laten cirkelen.

Je haalt je fiets op. Hij rijdt wel lekker, met die nieuwe band.

Twee vergaderingen. Net na elkaar. Met dezelfde mensen. En een verschillende vergaderlink. (Ze zien er toch ongeveer hetzelfde uit.)

De tweede lezing van de week. Dit keer via het scherm. (Je ziet dat er in de marge van je scherm diverse vormen van pret worden beoefend.)

Iets maalt in de nacht. Dingen dienen zich aan.

Een dag met een strak schema, en dingen die je af moet hebben.

Je schrijft iets over blijven.

Pas net voor je eraan begint, zie je iets over je stukje. Het schrijft zichzelf. (Het is weer een beetje raar, denk je. Met zachte omwegwoorden.) Iets doet je lachen, iets maakt je verlegen, maar het is goed zo. Je wou iets over dankbaarheid zeggen, denk je. Dat woord komt pas helemaal op het einde.

Je loopt door de stad, je kijkt naar de mensen.

Een gesprek in twee stukken, met een vluchtheuvel ertussen. Tussendoor kun je nog snel koken, eten en afwassen. Het gesprek doet iets met je adem. Je bent aanraakbaar.

Je kijkt uit.

04 oktober 2020

Vaststellingen


Het is niet altijd eenvoudig om de wind te fotograferen.

Het kan zijn dat een sok die verdwenen leek zomaar weer opduikt.

Het kan zijn dat je huid pijn doet.

Het is op een bepaald moment tijd om een plant te verpotten.

Het overstijgt je bevattingsvermogen, dat er een winkel komt die als naam Christmas World heeft.

Het is een traag genot, de nieuwe plaat van Spinvis leren kennen.

Het maakt je soms moedeloos, ego’s.

Het is wel een beetje grappig, terug gaan lezen wat je toen op die ene dag geschreven hebt.

Het is zonder twijfel zo dat een pot echt zure pickles de algemene levenskwaliteit verhoogt.

Het blijft zo dat je sommige verschijnselen meteen wilt vertellen aan iemand.

Het is waarschijnlijk toch beter dat die cactus nu terug rechtop staat in de pot.

Het duurt soms even eer je de pieptoon hoort die zegt dat het wasprogramma klaar is.

Het blijft verbazen hoe ingewikkeld dromen kunnen zijn.

Het beweegt maar door, al die herinneringen in je lichaam.

Het is tijd om de sokkenla grondig uit te dunnen, zodat er terug meer sokken dan gaten zijn.

Het valt op, hoe hard de kinderen van de buren helemaal aan de andere kant kunnen schreeuwen.

Het kan zijn dat er een brief in je hoofd wacht.

Het lijkt erop dat die ene straatlamp waarvoor jij een bericht stuurde weer hersteld is.

Het is niet zo dat je altijd goed bent in missen.

Het is een mooi ritueel, die jazzplaten tijdens het poetsen.

Het kan dat je binnen afzienbare tijd de verwarming weer aan zult zetten.

Het blijft overweldigend, dat ene stukje chocolade.

Het vraagt soms een grote adem om een tekst te kneden.

Het ontroert je, het verhaal van de cabaretier over zijn moeder.

Het is een geruststelling dat de eenhoorns steeds naast je waken.

Het zou fijn zijn als sommige mensen zo af en toe enkele dagen zouden zwijgen.

Het is wel lekker, zo’n stapel weekendkranten.

Het galmt een beetje, Sweet Lorraine zingen in de badkamer.

Het is behoorlijk schokkend, de beelden van die overstromingen.

Het is niet altijd zeker wat je handen denken.

Het is belangrijk dat je de verjaardagscadeaus tijdig op de post doet.

Het is nog niet bekend wanneer seizoen 4 van This Is Us op dvd uitkomt.

Het is niet altijd duidelijk wat de kosmos je op zondag wil leren over de liefde.

Het kan zijn, denk je heel even, dat je ooit geen pijn in je rug had.

Het kan zijn dat sommige beelden het ineens van je overnemen op een onbewaakt moment.

Het is misschien nodig nog eens te vertellen over Sophie Scholl.

Het is zo dat gebakken aardappeltjes zich thuis voelen op zondag.

Het is soms gemakkelijk om naar de littekens te kijken.

03 oktober 2020

Kleine dingen


‘Laten we alleen kleine dingen doen.’
‘Misschien zijn we al begonnen.’
‘Alleen dingen waar we echt in zijn, aanwezig zijn. Niet dat een van ons ook afwezig is, of ergens anders in zichzelf.’
‘Jij voelt dat altijd goed aan. Je hebt daar een apart zintuig voor, denk ik.’
‘Ik ben er denk gewoon heel erg gevoelig voor. Het mag nauwelijks waarneembaar zijn, of verward, maar het moet echt zijn. Liever niets dan iets als een stem waarvan ik niet weet of die echt is.’
‘Jij hebt wel iets met die stemmen, je zegt het vaak.’
‘Ja, ik heb dat ook gemerkt bij mezelf. Soms voel je dat een stem niet samenvalt met de persoon die die stem heeft. Soms is een stem als het ware net naast die persoon. En dan is iemand een beetje onbereikbaar of ongenaakbaar. En dan moet je wachten tot de stem terug samenvalt. Soms cirkelen er allerlei stemmen rond iets dat geen centrum heeft. Dan weet je nooit wie die persoon is.’
‘Hoe is het met mijn stem?’
‘Soms moet ik een beetje wachten.’
‘En kijken?’
‘Ja, lang kijken.’
‘Maar je ziet wel alles, denk ik. Dat besef ik telkens weer, als ik bij je ben. Ik moet er zelf een beetje aan wennen.’
‘We kunnen hier gewoon zitten nu, en kijken. Heel lang kijken.’
‘Wil je dat nog wel?’
‘Ja. Ik wil je telkens opnieuw herkennen. En dan komt er een soort lijntje tussen toen en nu, het vorige moment, het huidige moment, en mogelijk het volgende moment.’
‘Ik vind het nooit moeilijk om jou te herkennen. Ik moet me er wel telkens van overtuigen dat je gewoon blijft. Ik zie het wel, en weet het wel, maar ik ben daar precies niet op voorbereid.’
‘Mijn adem verandert. De jouwe ook?’
‘Ja.’
‘Ik luister graag naar jouw adem, en ik kijk graag naar jouw adem. Hiermee.’
‘Dat weet ik. Het voelt heel veilig als je dat doet.’
‘Soms wil ik niet dat het overgaat. Dan voelt het bijna alsof het mag.’
‘Misschien zul je dat ooit wel geloven.’
‘Let hier maar even niet op. Het mag misschien wel. Je ogen zijn veranderd. Toen je binnenkwam, leek je zo moe. Je ogen waren ver weg. Nu is het veranderd, hier en hier. En hier ook.’
‘Zo voelt het ook. De rimpels zijn er nog wel, natuurlijk.’
‘Die zijn mooi. Ze bewegen op een of andere manier tussen aanwezig en afwezig. Soms ontspannen ze, zonder weg te gaan. Dat hoeft ook niet.’
‘Al zou het wel handig zijn soms.’
‘We kijken naar alles wat is, dat was toch de afspraak?’
‘Ja, officieel wel.’
‘Er is nog werk aan dat verlicht zijn.’
‘We kunnen ook het licht uitdoen.’
‘Nee, dat zou ik niet doen. Het is nog te vroeg.’
‘Ben je nog niet uitgekeken?’
‘Nee, nog lang niet. Het heeft ook iets met een verhaal te maken. Mijn lichaam heeft behoefte aan een verhaal. Iets dat ik kan herkennen, dat van a naar b gaat, met een landschap erbij. Je kunt bewegen in dat verhaal. Soms drijft het van je weg, of duwen we het weg. En dan is mijn huid in de war. Als ik dan lang kan kijken, is het alsof het verhaal zich weer neerlegt.’
‘Dat is wel een van de mooie dingen bij jou. Je kunt dat zien, hoe dat is bij jou. Ik stuiter soms maar wat heen en weer, denk ik wel eens. En hier verandert dat dan soms. En dat is goed voor mij.’
‘Kleine dingen dus, nog voor even, heel lang.’
‘Ja.’

02 oktober 2020

Ik ben hier


Soms weet je niet wie of waar je bent, blijkbaar. Stel je vast. Soms wijzen andere mensen je erop wie of waar je bent.

Je bent net aangekomen op het werk. Het vaste ritueel van het uitladen van je spullen uit de rugzak. 

Telefoon. Je herkent de stem van de mevrouw beneden aan het onthaal in het grote gebouw. Ze zegt dat er een stapel kranten ligt bij haar. Ze vraagt: “Is er iemand in het gebouw?” (Eén seconde nadenken.) Je zegt: “Ja, ik ben er.” Ze lijkt aangenaam verrast. Je kijkt even rond en dan naar je eigen lichaam, dat zich duidelijk op de plaats bevindt waar de telefoon ook is. Je zegt dat je naar beneden zult komen om de kranten op te halen. Ze is blij. (In de lift denk je aan hoe het soms is aan de telefoon. Iemand vraagt: “Waar ben je?” Iemand antwoordt: “Ik ben hier.”)

Je denkt aan iemand die een zware dag voor zich heeft. Je hoopt dat je in gedachten iets van haar verdriet mee zult kunnen dragen.

Je had het verwacht, je wist het. Er zou weer een mail zijn van hem. (Het aanduiden van de nieuwe regering zou ongetwijfeld een trigger zijn. De aanwezigheid van die ene mevrouw die hij zo veracht zou ongetwijfeld een dubbele trigger zijn.) Zo ongeveer om de maand krijg je een mail van hem. Het is steeds een opsomming van een lijst van dingen die hij verschrikkelijk vindt aan de Groenen, een lijst die moet bewijzen wat moest bewezen worden. De stijl van de mails is, om het beleefd te zeggen, kwetsend en misprijzend. Je hebt al een paar keer geprobeerd duidelijk te maken dat de toon van zijn bericht niet echt aanzet tot zin in dialoog. Wat meestal niet begrepen wordt. Hij haalt enkel ‘feiten’ aan, heeft een wat pittige stijl van communiceren. Het zal ongetwijfeld geheel aan jou liggen. Hij is er duidelijk echt van overtuigd dat hij werkelijk alles echt beter weet, en dat hij jou erop moet wijzen dat je het misschien wel goed bedoelt, maar dat je eigenlijk een sukkel bent die te veel plaats inneemt in de wereld. Je had je voorgenomen er niet meer op te reageren. Het heeft toch geen zin. De mail is er. Je kunt het niet verdragen dat je vrienden weer eens worden aangevallen als totaal incompetent. En iets triggert jou. Hij stelt dat elke “authentieke Vlaming” zeker tegen deze regering is. Jij voelt je geen ‘verliezer’, maar bent eigenlijk nogal blij en trots op wat jouw vrienden die bij de mailer vooral tot walging aanzetten blijkbaar hebben bereikt. Je antwoordt, dan toch, om je vrienden te verdedigen en om hem mee te delen dat je vaststelt dat je volgens hem dus geen ‘echte’ Vlaming bent en dat je hem niet het recht toekent om uit te maken wie wel of niet tot de ‘echten’ mag gerekend worden. (Het is akelig, iets kruipt onder je huid. Soms vraagt men zich af waar het begint, een cultuur waarin mensen denken dat ze mogen bepalen wie ‘echt’ is en wie niet, wie ‘boven’ is en wie ‘onder’.) Uit zijn antwoord blijkt dat je hem kwaad gemaakt hebt. Eens te meer weet je: dit heeft geen zin. En ook weet je: er zijn lijnen die je moet bewaken. Niet omdat je wilt winnen. Meer als een soort algemene fatsoensgrens, of zo.

(Het heeft iets in je geraakt. Het zal nog even duren eer het is weggesijpeld uit je lichaam. Dat is dan maar zo.)

(En nog iets. Je hebt geen zin om sommige dingen te horen. Even niet. Een volgende dag misschien weer wel.)

Je staat opleiding te geven. Je doet alsof je soepel heen en weer beweegt. Je slalomt soepel tussen de twee talen. Je collega’s, aan wie je de opleiding geeft, zien er allemaal gewoon mooie mensen uit. Ze lijken allemaal authentiek zichzelf. Het zou zelfs kunnen dat de taal die ze spreken, helemaal geen verschil maakt. Je bent veel.

(I contain multitudes)

(Iets raakt je, legt even een zwaarte op je.)

Je prutst verder aan die tekst die je elke vrijdag in elkaar knutselt. Het heeft gewoon de tijd nodig die nodig is. (Eigenlijk ben je moe en wil je naar huis, maar je doet gewoon verder.)

(Je beperkt je, zoals afgesproken met jezelf, tot één stukje chocolade voor de dag. Genot uitstellen blijft een kerncompetentie.)

De meneer die normaal rond komt om de vuilnisbakjes leeg te maken blijkt in zijn eentje in de vergaderzaal te zitten. Zijn smartphone is blijkbaar eindeloos interessant.

Je loopt naar het station. Een verdriet komt over je. Een zwaarte. Je ziet de dingen. Misschien is het wel goed zo. (Het moet ook gewoon door je heen.)

Je loopt naar huis, in de stad. Soms ben je moe, is het alsof je geen zin hebt in zoveel mensen die in allerlei richtingen lopen, onverwachte bewegingen maken, ineens hard roepen, slenteren. Het is gewoon jouw vermoeidheid. Je neemt de binnenweg. Het ritme van je stappen maakt je rustig.

Je denkt. (Kijken naar alles wat is.)

(Je zou het verhaal moeten kunnen vertellen.) Je bent weer waar je was, denk je.

Je denkt aan iemand.

Er is nog een heel lijstje voor het weekend, stel je vast.

(Django speelt lustig door, terwijl je schrijft. Je kunt zijn gitaar voelen.)

En de regen. Die komt. Ongetwijfeld.

27 september 2020

DIt jaar toch ook een brief


Goede vriend Willy

Het is een gewoonte dat ik je elk jaar rond deze tijd een brief schrijf. Dit jaar zijn we niet gaan fietsen samen. Iets met dat virus, je weet wel. Maar misschien zit jij wel te wachten op mijn brief. Dus toch maar gewoon, zoals elk jaar.

Deze namiddag liep ik van het station terug naar huis. Het was autovrije dag hier vandaag in onze stad. Ik zou het nog wel graag gedaan hebben samen met jou. Rondfietsen in de stad en laten zien hoe die verandert. Hoe fietsen elke dag een klein beetje meer de norm wordt. Er is nog gigantisch veel werk te doen, maar we maken vorderingen. Samen met jou een beetje trots zijn op onze dromen, dat zou ik wel zien zitten. We doen het ook voor jou. 

Op de dag van de fietstocht met jouw naam kijk ik altijd goed rond tussen de mensen, om te zien of jij er ook bent. Op een of andere manier fiets je dan met ons mee. Soms zie ik je goed, soms ben je verder weg. Het is raar hoe dat gaat met herinneringen. En waar zou je vandaag gefietst hebben? Misschien wel een klein beetje hier. (En op al die andere plekken waar mensen vandaag dachten dat ze jou voorbij zagen rijden.)

Het is misschien een rare gedachte, maar mee door dat vervelende virus heb ik de voorbije maanden regelmatig aan jou gedacht. Door die longen, denk ik. Die vreselijke ziekte die op jouw weg kwam, maakte de dingen kleiner. Je voelde eerst dat het moeilijker werd om te fietsen, er leek minder lucht over om in te bewegen. En stap voor stap werd jouw wereld ongewild kleiner, samen met de inhoud van je longen. De laatste keer dat ik je aan de telefoon hoorde, moest je stem al vechten om gehoord te worden. Met je adem werd je telkens een stap verder uit het leven weggezogen of zo. Ik was kwaad op die kloteziekte, en ik ben het nog steeds. Ik kon genezen van de ziekte, jij niet, je had geen kans.

Tegenover een vreselijk lot past soms een klein beetje nederigheid. De voorbije maanden zijn wereldwijd zoveel mensen gestorven. Hun adem sloop weg uit het leven. Veel mensen kwamen erdoor, maar zijn mogelijk getekend voor de rest van hun leven. Zoveel verdriet. En soms ook zoveel verdriet dat had kunnen vermeden worden als die mensen toevallig in een ander land hadden gewoond, zonder een gevaarlijke narcistische man als president. Maar aan die adem denk ik vaak. Je zou kunnen zeggen dat de hele natuur, waar wij een deel van zijn, een grote adem is. Net daar geraakt worden, het heeft iets dat moeilijk te dragen is. Nederigheid is niet alleen beseffen dat je een deel bent van de grote adem, maar ook kunnen zien hoeveel geluk (of privilege) je soms hebt. Het leven was de voorbije maanden voor ons allemaal heel moeilijk, maar het was voor sommigen nog moeilijker. Af en toe hoopte ik dat sommige mensen iets meer zouden zwijgen, dat ze met iets meer nederigheid naar hun eigen situatie zouden kijken. Een situatie die vaak nog behoorlijk comfortabel was. Er zijn gradaties van lijden. Niet alles is ondraaglijk lijden. Het gemak waarmee sommige mensen de pijnlijke dood van iemand die haar of zijn adem verliest minimaliseerden of terugbrachten tot een statistiek, omdat die dood nu eenmaal ver uit beeld was of omdat die zogenaamd ‘normaal’ was, deed me vaak pijn. Jij moest, tegen al je levensverlangen in, je hoofd buigen voor die vreselijke ziekte. Het is denk ik goed dat zij die in dit kostbare leven mogen blijven ook af en toe het hoofd buigen en het een beetje stil maken. Om een of andere reden wou ik je dit nog eens zeggen.

Met de jaarlijkse fietstocht vieren we het leven. Dit jaar doen we dat in gedachten, en in de brieven die we naar jou schrijven. Als ik daar zit, aan die tafel waar de mensen aanschuiven om zich in te schrijven, kijk ik graag naar de mensen die er normaal elk jaar weer zijn. Jouw mooie familie. De mensen die een dierbare hebben verloren aan die ziekte en toch elk jaar weer daar staan, voor al die foto’s aan de muur. De mensen die elk jaar komen meehelpen. En de fietsers en wandelaars. Soms is er een groepje fietsers voor iemand die er waarschijnlijk volgend jaar niet meer bij zal zijn. Het leven dat zichzelf in- en uitademt heeft iets van een roekeloos maar o zo breekbaar ritueel. We blijven ademen, met een soort vanzelfsprekende hardnekkigheid, tot het niet meer kan. Uit liefde, denk ik, en omdat we een deel zijn van de grote adem.

Een aantal maanden geleden zat ik samen met een van jouw mooie dochters vooraan in een zaal met mensen die naar onze verhalen luisterden. Het ging over kinderen en stil verdriet. Ik leerde van haar hoe belangrijk het is een naam te noemen. De naam van je kind. Wat ze vertelde en wat ze me leerde over het leven voel ik nog altijd als een heel mooi geschenk. Ik hoop dat je ons gezien hebt toen.

Het doet me ook goed dat ik elk jaar in deze brief jouw naam mag noemen. Het is een mooie gedachte. Zoveel mensen die jou gekend hebben zullen zich enkel al bij het horen van jouw naam kunnen voorstellen dat ze jou voorbij zien fietsen. Misschien kun je tegelijk hevig afwezig zijn in de dood en ook aanwezig zijn in het leven. In kleine rituelen, in het koesteren van onze gezamenlijke adem.

Het ga je goed vriend, en volgend jaar zijn we er weer.