18 december 2020

Waterrimpels

De woorden schrijven zichzelf, stel je vast. Ze verdelen zich over een brief.

De brief even oefenen, en de minuten tellen. Schrappen.

Je probeert snel te antwoorden op elk bericht. Soms weegt je rug.

De trein terug naar huis. Het voelt als een voorrecht. Gewoon zitten en kijken.

Even paniek, over een lijst. Dingen die niet zo bedoeld waren. Wankel.

Er is waarschijnlijk minder reserve, wankelen is mogelijk, is normaal, waarschijnlijk.

Een krampnacht. Iets kan je nog steeds raken.

Je had over iemand gedroomd. En hoe ze daar stond. Lichte verbazing.

Ergens halverwege de voormiddag. Een lichte existentiële crisis.

Het huis lijkt je even niet meer te beschermen. Je wacht tot het overgaat.

De mooie berichtjes die je krijgt tussendoor, ze ontroeren je diep.

Iets is gebleven. Iets is altijd. Je ademt trager.

In etappes proberen te werken. Je bent moe. En ook even weg van jezelf.

Telkens opnieuw het lijstje in je hoofd herschikken.

Ergens tussen het werk, in de ene kamer, en het eten maken, in de andere, tranen.

In de zetel meteen in slaap vallen, later in bed woelen tussen eindeloos veel beelden.

Het mag morgen zijn, denk je, ergens in de nacht.

In de ochtend de dingen doen die nog moeten. Poging tot ordenen van de werkelijkheid.

Het jasje bekijken in de spiegel. Je ziet er zo mager uit, zou iemand kunnen zeggen.

De treinrit die ondertussen als een vertrouwd ritueel lijkt. Nu wel voor het laatst.

Het overstapstation. Die lange jas houdt je helemaal warm.

Je loopt eerst nog naar het ziekenhuis, daar waar, vorige week.

Een doosje truffels. Allemaal verschillende smaken, leg je uit. Extreem lekker.

Iets weegt. Je loopt traag terug naar het station. Wachten op de bus.

Je bent helemaal eerst op de plek waar, straks. De boterhammetjes.

Even in de zaal de dingen regelen. De kist is zo mooi. De bloemen zijn zo mooi.

Je weet niet of je stem goed zal zijn, waarschijnlijk niet, denk je.

Je staat daar. Je woorden zuigen je soms vast, als in modder. Je strompelt. Het is goed zo.

Terwijl je leest, weet je voor welke zinnen je schrik zou moeten hebben. Denk je.

Je staat daar alleen, en je voelt zoveel mensen die achter je staan, als een warme haag.

De andere woorden zijn zo mooi, ze ontroeren je, terwijl je daar zit.

Je kijkt naar de foto’s, ze bewegen vooruit, door een leven.

De aarzelende woorden nadien. Je ziet een machteloos verdriet.

Je vraagt iets over je woorden. Of ze.

De auto’s rijden weg. Je wacht op de bus.

In de trein lees je de berichtjes. Je huid verandert.

Je bent zo moe, denk je. Je zou het verdragen, denk je, aangeraakt te worden.

Je kijkt naar je handen. Je huid ademt anders.

Misschien mag er iets, denk je terwijl je in de winkel staat. Iets dat een beetje zoet is.

Het mag even niets zijn, denk je. Je eet het stukje appelcake.

Als je vandaag nog een beetje werkt, is er kans dat de vakantie eerder komt, probeer je te denken.

Het zou mogen, dat grote niets. Het opschuivende lijstje zit er nog tussenin.

Je legt je neer in de nacht. Je huid jeukt overal.

In de vroege ochtend. De vuilniszak niet vergeten.

Je loopt naar de trein. Je rug zindert.

De nieuwe computer op het werk. Even wil je niet dat er dingen veranderen.

Waarom mag er niet even helemaal niets veranderen, niets moeten?

Je lijstje leegmaken, dat was de bestemming. Ze is al opgeschoven, en het is wel goed, denk je.

Ergens halverwege de voormiddag. Even zonder bodem. Tranen.

De nieuwjaarskaart. De woorden schrijven zichzelf, stel je vast.

Dat zijn de woorden van nu, denk je later. Zo is het goed.

Je wacht op de trein terug. Net nu kun je die vertraging niet verdragen, om een of andere reden.

Of de dingen je gewoon even alleen zouden kunnen laten, denk je, op weg naar huis.

Je zegt iets vriendelijks tegen de mevrouw in de winkel.

Je weet iets niet. Het maakt je rusteloos. Je kijkt naar je handen.

Het huis heeft geduld met jou. Dat is goed.

Geen opmerkingen: