Posts tonen met het label ecologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ecologie. Alle posts tonen

29 april 2025

Vrede sluiten met de zee in ons


Als je aan de rand van de zee gaat staan, kun je het verdriet van de zee voelen. Het is niet zo moeilijk. Je moet gewoon luisteren.

Soms duurt het even. Dat ligt, denk ik, niet aan de zee. Het ligt aan jezelf.

Veel mensen hebben schrik van het verdriet van een ander. Misschien omdat ze schrik hebben van hun eigen verdriet, hun eigen falen.

Als je je opent voor je eigen verdriet, kun je het verdriet van de zee voelen. Het was al die hele tijd in je.

Hoe de zee weent, het is een uitnodiging voor je verbeelding. De zilte tranen van mensenogen zeggen ons dat de zee in ons woont.

De mens is in staat om van de ander een niet-mens te maken, zodat het gemakkelijker is om die te doden of pijn aan te doen. De moderne mens heeft zichzelf verteld dat de rest van de natuur een ander is, en is het ook nog gaan geloven.

Je kunt ook zien dat we deel zijn van generaties. Mijn grootvader, mijn grootmoeder, ze zijn even dichtbij als mijn kleinkinderen. Ze ademen mee. Als we ons losmaken van die rivier, in het nu leven alsof de toekomst er niet toe doet, verliezen we uiteindelijk ook onszelf. Of we goede voorouders zijn, ligt in onze eigen handen.

Om te begrijpen dat je nog niet geboren achterkleinkind zal lijden onder de keuzes die wij vandaag wel of niet maken, moet je het risico van de empathie nemen. Dan zul je voelen dat het kind al de hele tijd in je was.

Jij bent een deel van de zee, de zee is een deel van jou. Als je de zee vernietigt, vernietig je jezelf.

Het is niet zo moeilijk. Je moet gewoon kijken. Naar alles wat is.

Vrede heeft denk ik weinig te maken met niets doen. De zee niet doden, het is even belangrijk als niet toestaan dat anderen het doen. We hebben altijd veel redenen om iets niet te doen. Maar de dingen die we wel doen, die doen ertoe. Vrede heeft denk ik te maken met handelen. Daar rust de actieve hoop.

Om die stilte in de storm te bereiken moet je de moed hebben om vrede te sluiten met de zee die in ons huist, de zee die tegelijk ons huis is. De zee die ons kind is, en ons kind dat de zee is.

In vrede bewegen heeft denk ik iets te maken met de zachtheid die nodig is om tegelijk de lineaire en de cyclische tijd in je lichaam te voelen.

Als moderne mens leerden we om altijd vooruit te kijken, alsof er alleen maar die lineaire tijd is. Maar om ons veilig te voelen in deze wereld, hebben we de seizoenen nodig. In onze oorlog tegen de planeet, waar wij een deel van zijn, hebben we de seizoenen verstoord. En zo organiseerden we onze eigen onveiligheid.

Misschien denk ik daarom dat we Bach nodig hebben om het leven te overleven, en om deze levende planeet, waar wij enkel een deel van zijn, hersteld en geheeld door te geven aan onze kinderen.

Misschien klinkt vrede wel zoals de Goldbergvariaties. Al het verlangen, al het verdriet van de wereld, alles is daar, in die muziek. Ze klinkt als de adem van de zee. Ze beweegt heen en weer. In een eindeloze beweging van steeds hetzelfde en steeds anders. Als de seizoenen in ons lichaam. Die muziek nodigt ons uit om water te zijn. De golf is het verlangen van de zee. Je kunt de golf zien en voelen, maar je kunt niet zien waar de golf ophoudt en de rest van de zee begint.

Misschien moet je vrede sluiten met jezelf, om vrede te kunnen sluiten met de zee. Misschien is dat wel niet zo moeilijk als het lijkt. Bach is als de belofte dat dat mogelijk is.

Jan Mertens

 

Thich Nhat Hanh: "The earth is not just our environment. We are the earth and the earth is us. We always have been one with the earth."

 

 

(Deze tekst werd uitgesproken tijdens het initiatief '12 uur muziek en pleidooien voor vrede', georganiseerd door de Contius Foundation, in de Sint-Michielskerk in Leuven, op zaterdag 26 april 2025.)

28 oktober 2016

De subcultuur van de analoge kussers


Op een transitieconferentie. Een erg dynamische werkgroep, met burgercommissies die nadenken over de circulaire stad Reburg, in 2036. Boeiende discussies. De zaal is als een teletijdmachine, we zijn samen in 2036.

2036. Het lijkt misschien wel de ideale circulaire stad. Niets gaat verloren. Materialen worden opnieuw gebruikt. Gebouwen zijn modulair. Bedrijven in verticale industriegebouwen gebruiken elkaars reststoffen om nieuwe dingen mee te doen. Het hele plaatje. De focus is wel erg technologisch. Alleszins in het beeld dat je als buitenstaander krijgt.

De digitale ontwikkelingen hebben de wereld erg grondig veranderd. Heel veel dingen gebeuren nu virtueel. Mensen zitten soms met van die (ook in 2036 nog steeds onnozele) brillen op of krijgen allerlei dingen rechtstreeks in hun ogen of waar dan ook geprojecteerd. Virtuele gesprekken, virtuele ontmoetingen, virtuele aanrakingen, virtuele seks, alles is mogelijk. Virtueel is voor velen ‘normaal’ geworden.

Op de foto ziet Reburg er erg mooi en clean en afgelikt uit. Dat beeld wil Reburg eigenlijk ook graag van zichzelf geven. Sommige mensen die de voorbije jaren erg wegliepen met het verhaal van de ‘smart cities’ hielden stiekem eigenlijk wel van het idee van controle van alles wat er in die stad gebeurt. Ze namen hun dromen voor werkelijkheid.

Een stad kan alleen maar een stad zijn als er ook dwarsigheid is, als er dissidentie is, als er rafelige plekken zijn, als er lagen zijn in het weefsel van de stad, als er onvoorspelbaarheid is, als er lege plekken zijn  waar je kunt dromen, als waarheden tegen elkaar aanschuren, als er nog een leeg plein is in het hart van de stad waar de ideeën kunnen botsen en waar de politici erop gewezen worden dat in een democratie de stoel van de macht altijd leeg is.

En wie niet goed kijkt, en enkel Reburg ziet zoals het er op de foto uitziet, ziet niet waar de stad schuurt, waar ze niet clean is, waar de scheuren zijn die ook plekken van verzet zijn. Wie wel een beetje moeite doet, komt die andere plekken al snel op het spoor. Want ook in Reburg geldt: als je wilt vinden, zoek dan niet. Het hoort bij de essentie van wat een stad is, dwalen en verdwalen. Jezelf loslaten (een beetje toch) en vinden wat je niet zocht, omdat je niet zocht.

En in die kieren van het stedelijk ecosysteem kun je onder meer de subcultuur van de analoge kussers ontdekken. Het is een groeiende groep van mensen, van alle leeftijden. Ze bewegen voorlopig nog een beetje in de schaduw. Het dwingend geloof in een techno-optimisme dat ondertussen alle domeinen van het leven heeft ingenomen weegt soms te zwaar. De analoge kussers zijn helemaal niet tegen technologie. Ze willen alleen hun autonomie behouden, ze willen een vrijplaats in een soms te overweldigend virtuele wereld. En misschien willen ze dat wel letterlijk.

Ze ontmoeten elkaar op overschotplekken. In andere tijden waren dat nog dingen als ‘de bosjes’, waar je je kon verstoppen en klungelig kon doen met wezens van het andere geslacht. Of hopen zand, waar je met je fietsje op en af kon rijden of waar je naar beneden kon rollen. Of verlaten gebouwen, waar je op ontdekkingstocht kon gaan. In Reburg zijn er nog enkele overschotplekken. Ze zijn trouwens ook wifi- en nog van alles anders vrij gemaakt. Wie daar komt zal geen enkele vorm van data van zichzelf verspreiden. Intelligente telefoons en andere slimme elektronische communicatiemiddelen werken er niet. Je kunt er geen berichtjes krijgen.

De analoge kussers zoeken elkaar daar op. Niemand van hen heeft ook maar enige vorm van zin om een selfie te maken. Niemand wil boodschappen verspreiden die lijken te suggereren dat men geweldig druk of belangrijk bezig is (terwijl de eenzaamheid lonkt). Ze zijn subversief. Ze kiezen voor het analoge lichaam, analoge handen, die geheel analoog een ander aanraken. En ze komen elkaar daar dus kussen. In het echt. Wie er voor het eerst komt, moet soms nog wennen aan die nabijheid. Mensen zijn verlegen daar, en dat is goed. Wie daar is, doet niet aan storytelling, maar vertelt gewoon een verhaal. Of niet. Alles is goed.

De analoge kussers leren elkaar geheime en obscure praktijken, zoals het schrijven brieven. Met een vulpen. Dat is trouwens de enige manier om uitgenodigd te kunnen worden voor een samenkomst van de analoge kussers. Iemand die je een briefje in je hand duwt, dat is wat zij een sociaal medium noemen.

Er gaan verhalen in het rond, via allerlei virtuele platforms, over de analoge kussers. Sommige mensen zijn bang, vrezen ongehoorzaamheid, verstoring van de orde, een vermindering van de waarde van hun huis of een verspreiding van vreselijke ziektes. (De mensen die aan virtuele liefde doen, douchen ondertussen trouwens ook met virtuele Dettol, in een handige spuitbus die je niet moet aanraken maar die geactiveerd wordt via een sensor.) Op straat wordt er soms gefluisterd dat iemand iemand kent die iemand heeft ontmoet die iemand kent die bij de analoge kussers is. Gefluisterd, zodat de data van dat gesprek niet zomaar kunnen worden opgepikt.

De analoge kussers laten het niet aan hun hart komen. In al hun dwarsigheid houden zij van de stad. Ze zoeken de rimpels op, om te voelen dat de stad leeft en trilt. En vooral zoeken ze elkaar op, omdat ze niet willen verleren wat het betekent om mens te zijn, en als mens te bewegen in de zwaartekracht. Ze kijken naar elkaar, raken elkaar voorzichtig aan. Ze kiezen er bewust voor om in de tijd te blijven. Ze laten hun lichaam niet esthetisch upcyclen. Ze laten geen nano-apparaten in hun hersenen plaatsen die ervoor zouden zorgen dat ze superoud worden. Ze zijn alleen zichzelf, gewoon, en dat is hun vorm van verzet.

Sommigen in de stad vinden dat de analoge kussers moeten opgespoord worden om vervolgens verwijderd te worden, omdat ze imagoverlagend zouden zijn. Anderen weten beter, en beseffen dat ze hen net heel erg nodig hebben om samen verdere stappen vooruit te zetten.

Het komt nog wel goed met Reburg, denk ik.

09 juni 2016

De nietmeermeedoenverleiding

Je zit in de zaal tijdens een conferentie. Een bekende Nederlandse prof vertelt met veel flair en humor over de grote veranderingen die ons te wachten staan. Geen tijdperk van verandering, maar een verandering van tijdperk. Hij is erg goed in beeldende woorden. Hij neemt zijn publiek mee op weg in zijn verhaal.

Zijn verhaal raakt een kantelpunt, ergens in je hoofd. Aan de ene kant de wil om met een open geest te kijken naar nieuwe ontwikkelingen, om na te denken over grote maatschappelijke veranderingen, om ‘mee’ te zijn met wat er gebeurt, om flexibel en veerkrachtig mee te drijven met de tijd en er de goede dingen in te zien, om rustig te kijken naar de nieuwe generaties. Aan de andere kant soms een zekere verandermoeheid, een verlangen om in de berm te gaan zitten, watching the river flow, een stiekem verlangen om niet meer mee te moeten doen met al die veranderingen.

En het is zo moeilijk om juist te begrijpen wat dat kantelpunt is. Waar gaat de behoefte om trouw te blijven aan een aantal waarden ongemerkt over in een vorm van nostalgie? Waar gaat een oprechte kritische bekommernis over in iets van angst? Vanaf waar is je gevoel van uitrekken van je vermogen tot veranderen niet meer dan een vermoeidheid? In hoeverre is de weerstand die je voelt gewoon natuurlijk en telkens een tijdelijke vorm van aanpassing?

Je probeert je al die grote transformaties die de spreker uitlegt voor te stellen in je hoofd. Je probeert telkens iets te zien van de maatschappelijke gevolgen van die veranderingen. Allerlei spontane reflexen komen in je op. Je ziet resultaten die je niet wenselijk vindt, op het eerste gezicht. Je denkt aan kwetsbare groepen die het nog moeilijker zullen krijgen. Je ziet voor de zoveelste keer vluchtwegen die het mogelijk moeten maken planetaire grenzen niet te moeten zien. Je ziet het allemaal…

Maar er is meer. Je voelt hoe je verandercapaciteit en je adaptatievermogen worden aangesproken, om maar meteen enkele dure woorden te gebruiken. Je krijgt de hele tijd de boodschap dat we een meer veerkrachtige samenleving moeten maken, dat we niet moeten proberen ontwikkelingen al te zeer te sturen met de instrumenten van het verleden. Het klinkt ook als een persoonlijke oproep. Iets als: omarm de verandering, koester de chaos, zorg dat je soepel mee kunt drijven en je zult overleven.

En iets maakt je bang. Of is het ongerust? Of is het bezorgd? Of is het machteloos? Of is het dom? Je weet het niet goed. Je hebt een probleem met het enorme tempo van de maatschappelijke veranderingen. Langs vele kanten, en als onderdeel van vele agenda’s, wordt die flitsende verandering erg gepromoot. We moeten allemaal nog flexibeler, nog ‘fluïder’ worden, nog mobieler, nog gemakkelijker in staat een nomade te zijn die niet verlangt naar ‘oude’ zekerheden, nog meer in staat te leven als een freelancer. Wie niet mee kan, verliest. Je hebt grote vragen bij die algehele mobilisering. Je bent ervan overtuigd dat veel mensen dat tempo helemaal niet aankunnen. Je denkt dat het veel mensen ‘ontheemd’ achterlaat, waardoor ze gaan verlangen naar eenvoudige waarheden (die dan weer worden vertolkt door de populisten aller landen). Je maakt je  veel zorgen over de identiteitspolitiek die voor velen heel aantrekkelijk wordt. Je ziet nieuwe tweedelingen opduiken.

Het is dus een oprechte bekommernis, denk je. Het gaat ook om een aantal persoonlijke waarden. Zoeken naar een vorm van trouw blijven aan jezelf. Een vorm van soberheid of spiritualiteit waardoor je dichter bij jezelf kunt blijven en hopelijk minder de speelbal wordt van de leegte van een consumptiecultuur. Het is ook een vorm van verzet, of bewust kiezen voor een houding, in alle autonomie, waardoor je ook een stuk vrijheid terugwint. Je denkt voor jezelf iets als: ok, facebook wil ik nog wel doen, maar ik wil geen smartphone en ik wil niet twitteren, want ik wil een stuk autonomie over mijn tijd zelf houden en ik wil dat eindeloze gezeur en dat opbod aan meningen niet over me heen laten gaan. Een verdedigbare keuze, maar hoe lang kun je die volhouden? Want alles blijft maar veranderen.

Je weet niet goed hoe dat juist zit met de boeddhist in jezelf. Is de keuze om niet mee te doen met sommige dingen een goede vorm van iets als ascese? Maar is je verlangen om te kunnen zeggen dat je een beetje afhaakt dan weer een vorm van te veel vasthouden, nog te weinig leeg zijn (leeg in de goede zin van het woord)? Je weet het eigenlijk niet zo goed. Misschien is het ook een vorm van oud worden, en mag het ook gewoon, een beetje afhaken. Maar dan begin je weer te rekenen hoe lang je nog zou kunnen leven.

Je denkt vaak aan je grootvader. Hij was geboren in 1900 en had een groot deel van die eeuw gezien, de grote verandering. Hij kwam uit een wereld die nog erg traag en klein was, maakte twee oorlogen mee, en zag de opkomst van de consumptiecultuur. Je had altijd het gevoel dat hij een soort ‘trage aanloop’ had in zijn hoofd, waardoor die versnelling op het einde gemakkelijker was. Jij kwam op de wereld in 1965, en als adolescent had je al het gevoel dat je geboren was in een tijd die al te zeer in een versnelling zat.

En nu twijfel je soms. Je hebt al zoveel zien veranderen, sinds je een kleine jongen was. Je voelt dat je voor veel van die dingen ook veel moeite moest doen, dat het inging tegen wat je zelf eigenlijk wilde; Het was moeilijk. En soms bleek het nadien helemaal niet zo moeilijk. Zo was het een enorme drempel om dat oude trouwe analoge fototoestel achter je te laten. Gaan werken met een digitaal toestel voelde als een soort verraad. En je mist nog wel het gevoel van dat oude toestel in je handen, en wat het met je deed. Maar je bent ondertussen ook wel gewend aan het andere. Hoe moet je de juiste balans blijven vinden, hoe weet je dat je pogingen om trouw te blijven aan je waarden toch niet een verkapte vorm van ‘oud’ zijn blijken te zijn?

Soms beangstigt het je. Als je terugkijkt, en ziet hoezeer je al veranderde, dan is het idee dat je in de rest van je leven nog eens evenveel zult moeten veranderen je soms te veel. Soms denk je oprecht dat de mens niet gemaakt is voor zoveel snelheid. (Je leerde die gedachte ooit van een techniekfilosoof.) Soms denk je dat het ingaat tegen de natuurlijke en goede behoefte om een plek te hebben, om je ergens veilig te kunnen voelen. Maar misschien zit er in die reflex tegelijk een heel persoonlijke dimensie, die te maken heeft met de onveilige zone in jezelf, een zone die misschien wel nooit anders zal worden.

Soms is er dus een stemmetje in je hoofd dat zegt: mag ik niet gewoon afhaken, en de dingen vanaf nu aan mij voorbij laten gaan? Het voordeel van de leeftijd die je stilaan hebt is dat je dat ook een klein beetje mag gaan doen. Een klein beetje. Je mag een rol van ‘iets oudere’ vervullen tegenover jongeren. Je mag met vertedering en bezorgdheid kijken naar jonge mensen, in het besef dat jij ondertussen op een andere plek in het leven staat. Maar tegelijk is er een verlangen om nog een heel stuk leven op een aangename en voldoende beweeglijke manier te kunnen hebben, samen met mensen die je dierbaar zijn, mensen die je nog vele jaren wilt kunnen bekijken, met wie je nog eindeloos veel gesprekken wilt kunnen voeren. Er is een verlangen om dichter te komen bij een vorm van wijsheid, en wijsheid veronderstelt toch ook een vorm van openheid, van jezelf steeds in vraag stellen. Dus mag je niet echt afhaken, denk je dan. Dus is het nodig dat je telkens opnieuw probeert te begrijpen, probeert te zien wat het grotere plaatje is.

Misschien is er diep vanbinnen een vorm van vermoeidheid die met andere dingen dan verandering te maken heeft. Misschien ook niet. Misschien is er gewoon een vermoeidheid die aangeeft dat het bijna tijd is voor vakantie. Misschien is het niet meer dan de tijdelijke duizeling die je telkens opnieuw voelt in je hoofd als er uitdagende nieuwe ideeën in komen die je verworven zekerheden doen wankelen. Misschien is er dus wel niets aan de hand. En toch…

Het idee van ‘ik doe even niet meer mee, ik laat de stoet aan mij voorbij gaan’ is misschien wel meer een vorm van weerbaarheid dan van falen of tekortschieten. Misschien is twijfelen en in de war zijn en een beetje bang worden en dat observeren wel net een vorm van drijven die goed is.

En wat men je ook wijsmaakt, denk je, je zult altijd graag brieven schrijven, met de hand, en met zwarte inkt. En het idee dat je dat altijd zult doen, dat is al veel. En het idee dat je je nu al kunt voorstellen aan wie je die brieven zult schrijven, ook dat is al veel.

Genoeg gezwalpt in je hoofd dus. Voor nu.

17 april 2016

Wat niet gezegd kan worden

Ingewikkeld… Schroom…

Tijdens het panelgesprek stel je een vraag aan je gasten. Terwijl vraag je je af wat je zelf zou antwoorden, en of je zou durven zeggen wat je werkelijk denkt of voelt.

‘Hoe overleef je zelf mentaal de ecologische crisis?’ Iets in die aard. Eerder in het gesprek ging het over ‘veerkracht’. De nood aan maatschappelijke veerkracht (dus niet individualiseren en niet het mechanische beeld van een metalen veer die netjes terug in de oorspronkelijke stand komt). De wereld is erg complex. En de wereld waarin de klimaatverandering begint te versnellen en mogelijk tot een klimaatchaos zal evolueren als we er niets aan doen. Een wereld waarin, mee daardoor, de ongelijkheid nog wel eens geweldig zou kunnen toenemen. Een ecologische crisis die wel eens ‘out of control’ zou kunnen geraken.

In je vraag verwijs je naar de rol van waarden of spiritualiteit of religie in de persoonlijke houding, het persoonlijk bewaren van een evenwicht, het persoonlijk zoeken naar veerkracht tegenover een wereld die misschien wel op onbekend terrein zal komen.

Eigenlijk zou je graag met je gasten alleen al over die vraag een uur willen spreken. Hoe is het voor hen? Tot waar kun je je wapenen met het denken? Vanaf waar kun je een vorm van veiligheid of energie of weerbaarheid of hoop vinden in iets wat in zekere zin verder gaat dan enkel het denken?

(Het is zo moeilijk, omdat je snel bij ‘grote’ woorden komt. Met het ouder worden wringen ze steeds meer, die grote woorden, schuren ze tegen je huid, terwijl je huid verlangt naar zachtheid. Maar ook zonder grote woorden, het blijven nog wel grote vragen, denk je. En het is goed bij grote vragen stil te staan. Ook al zijn de antwoorden dan klein en heel aarzelend. Dus dan maar met schroom, en een soort preventieve verontschuldiging, voor de woorden die je niet kunt vinden, om te spreken over dingen die moeilijk of niet gezegd kunnen worden, of zoiets.)

Waarom ben je dit eigenlijk gaan doen? Waarom zet je je in (voor iets als een ‘andere’ wereld)? Waar vind je de rust en de energie om het vol te houden en niet cynisch te worden?

(Dat zijn de vragen, denk je. Op een of andere manier denk je dat als we allemaal iets zouden doen met die, of gelijkaardige, vragen, het misschien wel een beetje beter zou gaan met de aarde.)

(Je draait rond de pot, denk je. Je schuift je antwoorden voor je uit, denk je. Zeg het nu maar. Probeer het nu maar, anders mag je het niet aan anderen vragen, of zoiets? Probeer even je schroom van je weg te duwen, voor zo lang het duurt.)

Wat zouden de antwoorden zijn?

Waarom doe je het? Waarschijnlijk zou het antwoord zijn: voor de kinderen. In jouw geval dan de kinderen die je zelf jammer genoeg niet hebt, en vooral ook de kinderen van al wie je lief is, en alle andere kinderen natuurlijk ook. (Ben je nu niemand vergeten?) Het lijkt zo’n cliché, maar als je diep in jezelf kijkt, zie je de kinderen daar. Dat ze je zouden vragen wat jij hebt gedaan. En dat je met gebogen hoofd toch zou kunnen zeggen: ik heb mijn best gedaan, ook al was het niet genoeg waarschijnlijk. (Het is te moeilijk, denk je, om dit antwoord uit te drukken zoals het echt in jou beweegt. Je woorden zijn niet meer dan veilig gestotter.)

Hoe kun je het volhouden? Dan zou je iets uit moeten leggen over je spiritualiteit, denk je, en dat zou ook heel moeilijk zijn. Soms denk je dat het fijn zou kunnen zijn, als je zou kunnen geloven in een of andere god. Stel je voor, dat je het echt zo kunt voelen, in alle rust, dat je op een of andere manier geborgen kunt zijn in de palm of warmte van een instantie die groter is, van een andere orde. Een god die je zou kunnen dragen in dit leven en daarna ontvangen in een volgend leven. Je gunt dat gevoel van harte aan mensen die het wel kunnen geloven, maar het is jou niet gegund.

Je zou iets moeten kunnen uitleggen, andermaal met veel schroom, over hoe het voor jou is. Dat je je een deel voelt van het grote ecosysteem. Dat je je verbonden voelt met de andere wezens en onderdelen van die aarde waar jij ook een deel van bent. Dat het een troostende gedachte is dat je na je dood in wezen weer uit elkaar zult vallen in bestanddelen die nadien weer bouwstenen kunnen worden van ander leven. Misschien ben je zelf iets als een golf op het wateroppervlak, niet meer, niet minder. Het is alsof je iets ziet dat een individu is, de golf is er. Maar de golf is eigenlijk vooral water. En het water blijft. Je zegt altijd, en zo voelt het ook: als ik sterf, verdwijn ik in mijn geliefden. En daar, in hen, zul je misschien ook een soort golf in hun water zijn. Je gaat op een bepaalde manier dus nooit echt verloren. De beweging gaat door, het leven gaat door. Jij was even de vorm waarin dat leven zichtbaar werd, als een golf, tot die weer ging liggen in het water.

Het zijn allemaal vage woorden, je weet het. En je wilt niet dat ze ‘groter’ worden dan dat. Je wilt niet dat ze minder beeld, minder poëzie worden dan dat. Je wilt niet dat er een of andere waarheid aan zou gaan kleven. De woorden zijn enkel een voorzichtig aanraken van wat je diep in je voelt. Ze zeggen niets over wat een ander zou moeten of kunnen voelen, en nog minder zijn ze op welke manier dan ook beter of echter of wat dan ook dan wat eender welke andere mens voelt. Het is alsof je in jezelf iets kunt aanraken dat groter is dan jezelf, maar dat grotere is tegelijk vooral een deelzijn van, misschien van de stroom van het leven.

En hoe dat dan speelt? Het is echt zo, voor jou, denk je, dat je pijn kunt voelen, als je aan de rand van de zee staat. Het is alsof je het verdriet van de zee kunt voelen. Het is alsof de vervuiling, de uitputting, de verstoring, het leegroven, al die dingen, alsof al die dingen aanvoelen als een verdriet, een verdriet dat ook het jouwe is. Verdriet omdat iets dat zo mooi, zo indrukwekkend, zo rijk is, wordt gekwetst. Voor zichzelf dus. Verdriet ook omdat daardoor die kwetsuren ertoe leiden dat zoveel anderen, zoveel anderen die nog zouden moeten geboren worden, of al op deze aarde zijn, niet meer dezelfde kansen zullen krijgen, niet meer zullen kunnen vertrouwen op zuivere lucht. Waar verdriet verontwaardiging raakt. Verdriet om verlies dus, een heel menselijk gevoel.

Dingen doen is een antwoord op die ervaring. Ooit kwam die zin er ineens, in een gedicht dat je schreef. ‘De aarde voelt je verzet wel.’ Die ene zin die je na meer dan 25 jaar ondertussen nog steeds niet kunt uitspreken zonder een traan te voelen. Die ene zin was de sleutel. Ook al duurde het vele jaren eer je die zin begreep. Ook al was er misschien wel de ervaring van die kloteziekte voor nodig om er nog een extra dimensie aan te geven. Dat je ervoor kiest om in verzet te gaan, je niet neer te leggen. Maar dat het feit dat je het doet, dat je doet wat je kunt, met je te korte armen, je te beperkte vermogens, al je falen, al je tekorten, al je littekens, dat dat feit genoeg is. Dat je probeert in waarheid te leven. Dat dat alles genoeg is. Genoeg om je bij het einde van je leven rustig neer te leggen in het gras, of zoiets. (Dat je dat gevoel probeert te bereiken, dus.)

Die diepe verbondenheid die je voelt, ze heeft je een vorm van vrede gegeven, een vorm van innerlijke rust. (Soms toch.) Of je nu nog tien jaar zult leven, of twee maanden, of drie dagen, of veertig jaar, het is goed. Niet zozeer wat je doet, maar dat je het doet. Het mooie van dat deelzijn is dat het je helpt in bescheidenheid, in nederigheid (wat iets heel anders is dan dingen als onderdanigheid of gelatenheid). Is nederigheid een waarde, of is het al spiritualiteit? Het maakt eigenlijk niet uit. Je zou die vragen niet goed kunnen beantwoorden. Heb je het al bereikt? Nee, helemaal niet. Al is het ook een fijn gevoel dat je het nooit zult kunnen bereiken, dat het proberen goed genoeg is. Dat je op een bepaalde manier die nederigheid kunt ‘zien’, als een uitnodiging, het is misschien al een wapen tegen elke vorm van cynisme.

Sommige woorden zijn helemaal te ingewikkeld, ze raken je te diep, om allerlei redenen, die waarschijnlijk ook met de aarde niet zoveel te maken hebben. Het woord ‘helen’ is er zo een. Proberen te helen, of hopen dat je iets zou kunnen doen dat zou kunnen bijdragen tot helen, het zou een antwoord kunnen zijn op het ervaren van het verdriet omwille van een kwetsuur bij anderen, bij het geheel waar jij een deel van bent. Als je het geheel heelt, heel je dus in zekere zin ook een heel klein stukje van jezelf.

(Het is tijd om ermee te stoppen, denk je. Het wordt te moeilijk.)

Als je eerlijk zou zijn, als je het zou durven, dan zouden dat misschien wel je antwoorden zijn. Omtrekkende bewegingen bij dingen die niet gezegd kunnen worden. Dingen die misschien alleen via grote omwegen kunnen zijn, niet benoemd moeten worden, mogen worden. Iets in die aard dus.

Een andermaal falende poging, denk je.

(Over die vragen zouden we het moeten kunnen hebben, soms, denk je, of zoiets…)

04 juni 2015

Is dit een grap of om te huilen

Vanmorgen overkwam het me nog eens. Normaal zit ik rustig tijdens het ontbijt mijn krant te lezen, en pik ik tegelijk de dingen op die op de radio gezegd worden. Terwijl ik me stond te scheren had ik al de aankondiging gehoord dat de Vlaamse milieuminister zou reageren op een groen parlementslid. Het zou gaan over de slechte beurt die ons land andermaal maakt in de internationale klimaatonderhandelingen. Al zes jaar raken federale en gewestelijke ministers het niet eens over een verdeling van lasten voor de klimaatinspanning die aan ons land is opgelegd. In de aanloop van de grote klimaatconferentie in Parijs, eind van dit jaar, moeten de landen nu op tafel leggen wat ze gaan doen. De (overigens voortreffelijke) Belgische klimaatambtenaren zullen moeten uitleggen dat we op een aantal vragen gewoon niet kunnen antwoorden, omdat er geen akkoord is in de nationale klimaatcommissie. Dat dat in grote mate te wijten is aan de onwil van Vlaanderen is een vriendelijke manier van voorstellen.

Ik stond me dus te scheren, en dacht: ik heb geen zin in de Vlaamse milieuminister tijdens mijn ontbijt. Maar goed, ik kon niet meer bellen naar de VRT met de vraag om rekening te houden met mijn levenskwaliteit tijdens het ontbijt. En het overkwam me dus nog eens. Nadat het groene parlementslid op rustige en heldere wijze had uitgelegd dat we met het voorziene Vlaamse beleid de opgelegde doelstellingen niet zullen halen, dat er na 2020 met dit beleid geen uitzicht is op een daling van de emissies en dat het een schande is dat er nog steeds geen akkoord is op Belgisch niveau, kwam de minister aan het woord. Wat overkwam me? Ik begon te roepen tegen de radio. Ik weet het, het is niet eerlijk, die radio kan daar ook niets aan doen. De muren van mijn appartement ook niet. Furieus was ik, om mijn houding op een vriendelijke manier voor te stellen.

Basically kwam de verdediging van de minister neer op een stelling die ze tijdens die enkele minuten wel zo’n vierhonderd keer heeft herhaald: het is niet omdat er nog geen akkoord is dat we geen beleid voeren, we doen al heel veel. Om het heel vriendelijk te stellen: dat zou er nog aan mankeren! Natuurlijk zal er wel een Vlaams beleid zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat dat het goede beleid is. Als je jezelf bij wijze van spreken oplegt om je emissies met 7% te doen dalen, en je ontwerpt je maatregelen in functie daarvan, dan voer je een beleid, en zul je misschien ook wel ‘veel’ doen. Er is dus een beleid, alleen is het volstrekt onvoldoende om ook maar enig reëel effect te hebben op de klimaatverandering. Het is onvoldoende en het is niet rechtvaardig tegenover anderen.

De journalist probeerde vragen te stellen over dat intern Belgisch probleem. Maar het antwoord was andermaal redelijk stuitend. België moet gezamenlijk 15% verminderen tegen 2020. Vlaanderen blokkeert een akkoord op Belgisch niveau, maar zegt wel zelf 15% te willen doen. Klinkt goed misschien, maar is toch wel erg merkwaardig en doorzichtig. Als je op wereldvlak reductiedoelen oplegt, dan is het normaal dat je die inspanningen rechtvaardig probeert te verdelen. Uitgangspunt zou moeten zijn dat wie het meest verantwoordelijk is voor het probleem ook het meest verantwoordelijkheid zou moeten dragen voor de oplossing. Het is niet meer dan logisch dat je van de rijkste landen een zwaardere inspanning vraagt. Als je aan de EU bij wijze van spreken een inspanning van 20% oplegt, dan is het logisch dat je van Duitsland en van Griekenland niet hetzelfde verwacht. Je zou dan mogen verwachten dat Vlaanderen in de Belgische context ook iets gelijkaardigs zou doen. De hele tijd rondtoeteren dat je toch zo graag als ‘autonoom’ beschouwd zou willen worden, pochen dat je zowat de rijkste regio van de wereld bent, en al dat soort onzin, maar als het over het klimaat gaat, dan geldt het ineens niet meer. Dan gaan we vooral niet iets extra’s doen (wat de enige logische houding zou zijn), nee integendeel.

Het akkoord op Belgisch niveau tegenhouden omdat je een  groot stuk wilt van de opbrengst van veiling van emissierechten, het is van een beschamend laag niveau. Vlaanderen wil niet dat er van dat geld iets naar het federale niveau gaat. Dat het federale niveau dat geld mee wilde gebruiken om de internationale klimaatfinanciering te betalen, dat is blijkbaar geen argument. Je zou dan nog denken dat Vlaanderen met dat geld zelf actief aan klimaatfinanciering zou willen doen. Nee hoor, helemaal niet. Het moet volledig naar de ‘bescherming’ van de eigen bedrijven gaan. Het kwam ondertussen al volop in het nieuws. Vlaanderen gaf subsidies aan grootvervuilers als ExxonMobil. Je zou verder verwachten dat Vlaanderen, als het dan toch zo innovatief is, zelf en op het eigen grondgebied de emissies zou terugbrengen. Nee hoor, we proberen nog altijd een deel elders te realiseren.

Een van de knelpunten is de uitstoot die het verkeer veroorzaakt. De journalist herhaalde wat het parlementslid daarover had gezegd. En de minister herhaalde voor de zoveelste keer dat ze dus wel een beleid voert, en dat er dus al ‘veel’ gebeurt. Daarbij ging het dan om het systeem van rekeningrijden voor vrachtwagens dat zal worden ingevoerd. Dat zou er dan op gericht zijn om ‘vrachtwagens die hier niet moeten zijn’ van de weg te krijgen, of zoiets. Ik begon nog harder te roepen tegen de radio. Aan de ene kant zeggen dat je vrachtwagens wilt ontmoedigen, en aan de andere kant de Vlaamsche regio willen promoten als logistieke draaischijf van Europa, en daartoe massaal veel geld willen pompen in nieuwe snelwegen, dat is niet helemaal coherent. (Een iets minder vriendelijke formulering zou hier het woord ‘hypocriet’ gebruiken.) Blijkbaar is die kilometerheffing er niet op gericht in totaal minder vrachtwagens op de weg te krijgen, maar enkel sommige eraf te halen, zodat er meer andere (de ‘goede’, die hier dus wel moeten zijn) kunnen rijden.

Het enige coherente en rechtvaardige dat Vlaanderen zou kunnen doen, is zich ertoe verbinden om meer te doen, niet minder. Meer doen, en wel op het eigen grondgebied. Zelf verantwoordelijkheid nemen, en die niet verplaatsen naar andere stukken van de wereld. De klimaatfinanciering netjes betalen zoals voorzien, namelijk als “new and additional”. Op een correcte en constructieve manier omgaan met de andere beleidsniveaus in dit land, en dus een rechtvaardig akkoord sluiten dat de ander ook iets gunt.

De Vlaamse agenda lijkt er echter meer een van een nationaal egoïsme. Het is een merkwaardige redenering die impliciet een rol speelt in deze discussies. Wie rijk is, kan blijkbaar moeilijker besparen dan wie armer is. Wie ecologisch gulzig is, kan zogenaamd die verworven levensstandaard niet in vraag stellen. Pech voor anderen. Pech voor de andere kant van de planeet, waar de gevolgen van de klimaatverandering nu al keihard toeslaan. Pech voor wie na ons komt.

Het is natuurlijk zo dat de gemakkelijke stukken van de weg hier al zijn afgelegd. Het laaghangend fruit is al voor een deel geplukt. Vooruitgang maken zal nu meer structurele ingrepen vragen. En dat weten we allemaal in wezen goed genoeg. (En onze minister van milieu weet het zeker ook, hoop ik toch.) Gewoon doen wat je zou moeten doen, omdat het zo is afgesproken, zelfs dat is blijkbaar niet ‘haalbaar’. Maar de cruciale vraag is wat er ‘nodig’ is. En dan moet je dus voorbij 2020 kijken. Als je de trends qua uitstoot bekijkt, en het op dit moment aanwezige beleidskader, dan stevenen we keihard op een klimaatchaos af.

In mondiaal perspectief is het misschien gemakkelijker om een deel van de eigen verantwoordelijkheid elders te realiseren, daar waar er nog meer laaghangend fruit is. Dat lijkt een ‘technische’ oplossing, maar neutraal is die allesbehalve. Je ontneemt daardoor ook nog eens de kans aan een ander land, dat in veel gevallen veel minder rijk is, om zelf dat fruit te plukken. Rechtvaardig is anders, om het nog een laatste keer vriendelijk te zeggen.

Laten we even, om haar te plezieren, samen aanvaarden dat de minister ‘een’ beleid voert, en dat ze ook ‘veel’ doet. Daarover is dan officieel geen discussie meer. De vraag waarover het gaat, en het al de hele tijd ging, is of het juiste beleid gevoerd wordt dat ervoor zorgt dat we doen wat nodig is om de klimaatchaos tegen te houden en dat ook nog eens op een rechtvaardige manier.

Een half uur na het interview met de minister, op weg naar het station, was ik nog steeds ziedend. Onderweg kwam ik gelukkig het groene parlementslid tegen dat het had aangedurfd om zomaar dingen te beweren die de minister toch wel een beetje gekrenkt hadden, en dat zo vroeg in de ochtend. Ik feliciteerde hem, en ging verder. Hopend dat er nog ergens anders iemand tijdens het ontbijt tegen de radio had staan roepen.

05 november 2014

Naar een andere welvaart

Regelmatig als ik een lezing ga geven, krijg ik de vraag: maar hoe moet ik mij dat nu allemaal voorstellen? Als je uitlegt dat het pad waarop we zitten volstrekt niet duurzaam is, dan beseft iedereen dat dat zo is. We wegen te zwaar op de planeet, dat valt niet te ontkennen. Maar je voorstellen hoe het dan wel zal zijn, in een maatschappij die niet te zwaar weegt, dat is niet altijd eenvoudig.

De simpelste manier om naar de toekomst te kijken, is het huidige gewoon verlengen tot in de toekomst. Je ziet voor jezelf hoe de gemiddelde norm van welvaart er nu uit ziet, en je gaat ervan uit dat je al die dingen ook in de toekomst zult hebben. Dat is in wezen ook hoe een groot deel van de politiek redeneert. In economische termen wordt dat dan iets als: groei is noodzakelijk, we moeten dus absoluut groei hebben in de toekomst, en hopelijk kan de planeet zich daaraan aanpassen. Het is niet geheel onlogisch. Groei is de basis van het sociaal contract, en als die in het huidig model wegvalt, dan komen allerlei maatschappelijke regelingen in het gedrang.

Het is niet onlogisch dus. Je kunt bij wijze van spreken gemakkelijker verklaren waarom groei nodig is dan je kunt verklaren dat groei mogelijk is op een eindige planeet. Stel dat onze hele maatschappij afhankelijk zou zijn van visvangst, en dus van een elk jaar toenemende visvangst. De sociale vrede rust op het vertrouwen dat er elk jaar meer zal zijn. En ook dat zit allemaal heel logisch in elkaar. Maatschappelijk bereiden we ons niet voor op een ander model. Maar in de feiten betekent dat dat je als het ware tegen de zee staat te roepen: gij zult meer vis leveren. En waarschijnlijk zal de zee na een tijdje zeggen: ik heb alle begrip voor jullie sociaal contract, maar de zee is leeg. En daar zijn we niet op voorbereid.

Het is nu, als je in een mondiaal perspectief kijkt, al volop zo dat de steeds groeiende productie en consumptie, die zo zwaar wegen op de planeet, ervoor zorgen dat heel wat mensen armer worden (terwijl anderen er wel beter van worden). De klimaatverandering richt nu al een menselijke ravage aan die we zo graag uit ons blikveld houden. Onze groeiende honger naar grondstoffen, in een wegwerpeconomie, vermindert dag na dag de levenskansen en het uitzicht op een waardige welvaart voor miljoenen mensen nu en in de toekomst. Een welbepaalde invulling van het begrip welvaart biedt perspectieven voor een deel van de wereldbevolking, maar zal verder een verre droom blijven voor zoveel anderen.

Vasthouden aan hoe het nu is, en dat ten koste van alles willen doorduwen en dus opleggen aan de planeet, het is niet onlogisch, maar het is wel levensgevaarlijk. Een andere manier van naar de toekomst kijken is simpelweg vertrekken van wat de planeet op een duurzame manier aankan, en binnen die grenzen een welvaart uitbouwen die wel voor iedereen haalbaar en houdbaar is. Je vertrekt dus van de hoeveelheid vis die de regeneratiecapaciteit van de zee niet overschrijdt. Je oogst dus de rente, en het kapitaal blijft gelijk. Gewoon doorgaan met wat we kennen en ‘normaal’ vinden zal de ongelijkheid binnen de huidige generaties nog doen toenemen, en zal de levenskansen van de toekomstige generaties drastisch inperken. En dat is fundamenteel onrechtvaardig. Denken binnen de comfortzone van het gangbare maakt dat we twee moeilijke vragen niet moeten stellen: (1) hoe kunnen we rechtvaardige en waardige welvaart gelijk verdelen onder iedereen (en niet hopen op een steeds grotere koek), (2) hoe kunnen we het begrip welvaart zo invullen dat het perfect past binnen de planetaire grenzen. Als we die vragen voor ons uit blijven schuiven, en de groei valt stil, dan is de verleiding groot – blijkbaar – om in het gangbare denken te kiezen voor uitsluiting en verharding.

Hoe zou zo’n andere welvaart eruit kunnen zien? Wat onze voetafdruk betreft, zouden we eigenlijk zo ongeveer terug moeten naar die van de jaren 70. Maar een houdbare welvaart binnen die grenzen zal er helemaal anders uitzien dan in de jaren 70 in een wereld waar tegen 2050 9 miljard mensen zullen wonen. De economie zal er fundamenteel anders uit moeten zien dan wat we nu als groei omschrijven. Die nieuwe economie zal niet statisch of oubollig zijn, integendeel. Ze kan echter alleen houdbaar zijn als ze steunt op een absolute ontkoppeling. We moeten in absolute termen heel wat minder grondstoffen gaan gebruiken, en niet enkel ons gebruik minder snel laten stijgen. Om die voorwaarde kunnen we niet heen, hoe je het ook draait of keert.

Tijd voor een voorbeeld. Het autosysteem. Zelf leef ik heel erg gelukkig zonder auto, wat ik als een grote luxe beschouw. Maar de auto is natuurlijk, naast een vaak handig instrument, een symbool van hoe we vandaag welvaart invullen. Daarom een denkoefening.

Stel je het totaalpakket voor aan autoverplaatsingen die we doen in ons land, en denk daar de meer dan 7 miljoen motorvoertuigen bij, waarvan 5,5 miljoen personenwagens. Stel je voor dat we al die verplaatsingen zouden doen via een autodeelsysteem. Particuliere auto’s zouden deelauto’s zijn. Professionele auto’s zouden in een huursysteem zitten. De auto’s in dat model zouden elektrisch zijn. Ze zouden zo zijn ontworpen dat ze robuust zijn, erg zuinig en volledig modulair. Elk onderdeel zou volledig herbruikbaar zijn. Geen gram metaal zou verloren gaan. De huidige autofabrieken zouden nog wel auto’s bouwen, maar ze zouden vooral leveranciers worden van de dienst auto, niet van het product auto.

Je zou zo in een totaal andere logica komen. Het probleem van de huidige autofabrieken is dat de markt verzadigd is. Men probeert de groei aan de gang te houden door mensen te overtuigen hun auto sneller te vervangen. Men verkoopt nieuwe auto’s op basis van de opties. De wegen zijn al even verzadigd, en daar probeert men op wanhopige wijze die eindeloze file aan de gang te houden door nieuwe wegen, die enkel de executie even uitstellen. Varianten van roepen tegen de zee. Een systeem van diensten is een interessant antwoord voor een verzadigde markt.

Je zou in die andere logica een heel ander model van productie hebben, met een heel ander idee van design en innovatie. Modulaire auto’s, gemakkelijk te bedienen, met een constructie die volledig gericht is op hergebruik en herstelbaarheid en aanpasbaarheid. De werknemers in zo’n fabriek zullen een ander soort competenties moeten leren en hun werk zal er anders uitzien dan vandaag, maar er zal werk zijn. Er zal een ander soort investeringsbeleid zijn, een heel ander idee van wat we nu ‘competitiviteit’ noemen. Er zal een grotere neiging zijn te herlokaliseren dan te delokaliseren.

Als gebruiker zijn er nadelen aan, maar ook veel voordelen. Als je nu een auto hebt, is die vaak net niet wat je nodig hebt. Je auto is misschien goed om die paar keer in de week te gebruiken, maar net te klein om met je familie op vakantie te gaan. Of je auto is net niet aangepast aan die verhuis die je wilt doen voor je zoon die op kot gaat. In een deelautosysteem kies je die auto die je op dat moment nodig hebt. Door het brede aanbod kan men verschillende types elektrische auto’s aanbieden, een met een batterij voor lange afstanden, een aangepast voor korte afstanden, … Van een hoop gedoe zoals zelf een parkeerplaats moeten zoeken, naar de keuring gaan, allerlei verzekeringen en abonnementen bij pechdiensten, … moet je je niets aantrekken.

Alleen al het feit dat je met een deelauto rijdt, en dus meer zult letten op de al dan niet noodzaak om een auto te nemen voor die verplaatsing, zal al leiden tot een forse vermindering van het aantal verplaatsingen. Daarnaast is het ook zo dat een deelauto meer dan 5 individuele privéauto’s kan vervangen. Je hebt dus veel minder parkeerplaats nodig in de stad.

Een deelautosysteem is op zich nog geen garantie dat er geen reboundeffect zal zijn. Rebound is iets als: we hebben een groenere auto, we kunnen er dus meer mee rijden. Je zult dus ook een model van rekeningrijden moeten hebben, en je zult het huidig systeem van bedrijfswagens moeten afbouwen. En naast dat alles is er vanzelfsprekend een ruimer mobiliteitsbeleid nodig dat fors inzet op fietsen en een aantrekkelijk en betaalbaar openbaar vervoer. Op die manier kan het aantal autoverplaatsingen verder dalen.

Die andere logica zou uitzicht kunnen geven op een echte ontkoppeling. Het zou echt mogelijk kunnen zijn om grondstoffen volledig in een kringloop te houden. Wat zou er veranderen? Het idee van ‘merk’ zou heel anders werken, niet zomaar voor het uitzicht van een auto, maar wel voor de kwaliteit van de dienstverlening. Een ‘goede’ auto zou die zijn die superzuinig, superhandig te bedienen, volledig herstelbaar en demonteerbaar, en superveilig is. Reclame zou heel anders zijn. De verkoop van auto’s in lelijke baanwinkels zou verdwijnen, met slimme mobiliteitsdienstencentrales als alternatief. Het idee van ‘mijn auto’ als verbruiksproduct zou zijn waarde verliezen, ten voordele van een idee van gebruiksproduct.

Zou dit alles een fundamentele aantasting zijn van onze welvaart? Nee, eigenlijk niet. Tegenover de huidige logica zou het een revolutie zijn, maar de dienst ‘verplaatsen per auto’ zou evenzeer beschikbaar blijven, met een fundamenteel lagere voetafdruk en binnen een fundamenteel ander business model. Wat nu een niche is, voor velen al een interessant alternatief voor de eigen (tweede) auto, zou dan de norm worden. De schaal is wel essentieel, anders heeft het geen zin.

Het is natuurlijk maar een voorbeeld, en er zal ook technisch nog veel op aan te merken zijn, maar het geeft een richting aan. Het kan een inspiratie zijn om creatief na te denken over de vraag wat achterhoede- en wat voorhoedegevechten zijn. Angstig in de comfortzone van onze huidige mens- en milieuverspillende welvaart blijven is het beste recept voor groeiende ongelijkheid en ecologische catastrofes. Vanuit een andere logica proberen te denken, binnen de planetaire grenzen, kan ons nieuwe wegen tonen uit de crisis die veel fundamenteler is dan we aan onszelf willen toegeven.

22 november 2013

Ik wil het niet weten

Hoe doe je dat? Omgaan met nieuws, met weten, met het gewicht van het weten? Moeilijke vraag, moeilijke antwoorden.

Je zag het vorige week. Iemand die reageerde op de berichten over de immense risico’s van de ontmanteling van de centrales in Fukushima. Iets als: “Ik weet het wel, maar ik kan het niet aan, al die informatie. Ik wil alleen nog dingen lezen waar ik energie  van krijg. Dit soort nieuws verlamt me.”

Heel begrijpelijk. Voor een stuk ook heel logisch. De wil om dingen te doen, om zelf te handelen, het gevoel te hebben dat de dingen die je doet ertoe doen.

En tegelijk ook twijfel. Is dat altijd wel zo, het ‘ik weet het allemaal al’? Hoe vaak betrap je jezelf erop dat je tegen jezelf zegt dat je het wel weet, om het even in je hoofd weg te kunnen schuiven. Omdat het even niet uitkomt. Of ook omdat je weet dat het wel weten je in verwarring of gewetensnood zou kunnen brengen. Je weet het dus helemaal niet, en dat weet je heel goed.

Sommige berichten zijn ook erg ‘groot’. De omvang van wat er zou kunnen gebeuren in Fukushima is zo immens dat het bedreigend is, en je al meteen een machteloos gevoel geeft. Maar wat er is gebeurd in Fukushima is geen vervelend toevallig ‘incident’, het was altijd al wezenlijk verbonden met het soort technologie dat de kernenergie is. ‘We’ wisten het al die tijd, of ‘we’ konden het alleszins weten. Velen hebben er bewust niet aan willen denken, hebben er bewust voor gezorgd dat anderen het niet wisten, hebben het geminimaliseerd, hebben het op een mentale pechstrook gezet om toch maar te kunnen denken dat de risico’s ‘aanvaardbaar en hanteerbaar’ waren, in allerlei varianten. Wat nu gebeurt, komt niet uit de lucht vallen. Net zomin als megastormen aan de andere kant van de wereld. (Al komen die in letterlijke zin natuurlijk wel uit de lucht vallen…)

Is ‘ik wil het niet weten’ een natuurlijke beschermingsreflex (iets als ‘nu even niet, ik moet even bijtanken’), of is het veeleer een buitensluiten van informatie die je bedreigt in je veilige manier van leven die steunt op dingen die helemaal niet veilig of rechtvaardig zijn? In het tweede geval is dat toch een beetje problematisch.
In een aantal gevallen kan een ‘ik wil niet altijd dat slecht nieuws horen’ wel degelijk een strategie van ontkenning zijn. ‘Ik weet wel dat vliegen slecht is, en dat mijn ecologische voetafdruk te groot is, maar ik ga nu eenmaal graag ver op reis, ik heb dat nodig.’ Op zich zelfs heel legitiem, het kan best zijn dat je enorm veel voldoening en plezier en inzicht krijgt door die verre reis, dat je daardoor voor jezelf ‘meer’ wordt of gelukkiger wordt, of wat dan ook. Alleen verandert dat jammer genoeg weinig of niets aan het feit dat die ecologische impact zwaar is. Stel dat er 100 mensen in ons land zouden wonen, en je zou aan alle mensen van die 100 die een auto hebben vragen welke verplaatsingen ze hebben gedaan met die auto. Waarschijnlijk zou je – laten we even optimistisch zijn – in meer dan 90% van de gevallen een verklaring krijgen die perfect logisch of rationeel of verantwoord klinkt. Je kunt daar dan heel veel begrip voor hebben, maar het leidt wel tot een situatie waarin we met zijn allen perfect rationeel of verantwoord naar de afgrond gaan.

En deze gevallen zijn dan eigenlijk nog gemakkelijk. Want het gaat over dingen waar de alternatieven vaak binnen handbereik liggen. Het is, desnoods met een beetje moeite of wennen niet ondoenbaar om je fiets of de bus te nemen, alleszins voor een groot deel van die verplaatsingen. En een keertje niet ver vliegen om aan de andere kant van de wereld op een strand te gaan liggen bakken, maar in plaats daarvan in eigen land in de zon te gaan liggen maakt je niet echt fundamenteel ongelukkiger.

Fukushima is een ander verhaal. Net als de omvang van de klimaatverandering of de grondstoffencrisis die op ons afkomt. Die dingen zijn te ‘groot’, zo lijkt het. Ze vormen een reële bedreiging, die enorme gevolgen kan hebben. Ze zijn niet onoplosbaar, integendeel, maar we weten wel dat ze alleen maar op te lossen zijn als we zelf onze manier van leven fundamenteel veranderen. Dat ze nu zo ‘groot’ zijn, komt door het jarenlang actief ‘niet willen weten’. We zijn al te ver ondertussen. Dat is onrechtvaardig, zeker voor jonge mensen, dat is wraakroepend, dat is om heel kwaad van te worden, maar het is nu wat het is. Misschien is voor veel mensen Fukushima al lang ‘voorbij’, zo van “moeten ze daar nu weer mee afkomen, dat was toch vorig jaar al in het nieuws?” De eerstvolgende duizenden jaren is Fukushima niet voorbij, en als het echt fout gaat daar, zijn wij nog sneller voorbij dan Fukushima. Dat is de pijnlijke werkelijkheid.

De immense ecologische problemen die we nauwelijks in ons hoofd kunnen vatten, en die ons bang maken en machteloos, zijn in grote mate gecreëerde problemen, het gevolg van bewuste keuzes en bewuste negaties van de werkelijkheid. Het antwoord daarop is niet een geforceerd ‘je moet altijd optimistisch zijn’ of ‘je moet geloven in de toekomst en in het menselijk kunnen’. Dat kan immers ook een vorm van zelfgekozen autisme worden.

Leven in waarheid is waarschijnlijk het moeilijkst. Wel willen weten wat er gebeurt, je daardoor door elkaar laten schudden af en toe, je daardoor laten raken, je verdriet en je opstandigheid toelaten, en daarna gewoon weer aan de slag gaan en die dingen doen die binnen jouw vermogens liggen. Dat je af en toe even op adem wilt komen, is alleen maar normaal. Er is geen enkele reden om jezelf te kwellen of bewust pijn te doen. Maar misschien is in volle besef en raakbaarheid leven toch beter voor je innerlijke vrede. Een afgedwongen wapenstilstand is geen echte gedragen vrede.

Proberen te leven in waarheid is waarschijnlijk ook vooral stotteren, strompelen en falen, en het heel vaak niet weten. En het is niet omdat je het probeert, dat je minder bang wordt als je in de krant leest wat er allemaal zou kunnen gebeuren in Fukushima…

31 mei 2013

Lichtjes verbijsterd

Je moest een vragenlijst invullen. Over het nut van bomen. Inderdaad, het nut van bomen. Blijkbaar was er nood aan een soort economische afweging, over de ‘return on investment’.

Als je enkele duizenden bomen zou planten in de stad, als een belangrijk element van een strategie om klimaatneutraal te worden, zou dat dan wel een goede ‘investering’ zijn, zo wilden de vraagstellers weten. Want mensen zouden zich in de eerste plaats de vraag stellen of dat niet ‘duur’ zou zijn. En bovenal, er zijn veel ‘secundaire nadelen’ aan bomen, zoals het verstoren van de weginfrastructuur door oprukkende wortels. Meer zelfs, vallende bladeren zouden voor hinder of zelfs ‘overlast’ kunnen zorgen. Het hele grapje zou dus veel kosten, en weinig ‘opbrengen’.

Er zijn, zo werd gezegd, natuurlijk ook wel enkele voordelen, zoals de luchtzuivering, maar uit de vraagstelling bleek dat die niet opwegen tegen de nadelen.

Zucht.

Je deed je best nog om in economische termen te antwoorden. Dat volgens het TEEB-model dat de waarde van ecosysteemdiensten berekent er wel degelijk heel veel ‘secundaire voordelen’ zijn, en dat die volgens een studie over de klimaatneutraliteit van je stad in de balans er zelfs voor zorgen dat de aanplant van 10.000 bomen ‘winstgevend’ is. Je legde uit dat er studies zijn die bewijzen dat de aanwezigheid van bomen in de omgeving ervoor zorgt dat mensen sneller genezen als ze ziek zijn. Mensen zijn gewoonweg een beetje gelukkiger, door een boom. Winst dus voor de maatschappij, die minder uit moet geven aan ziektekosten.

Je stelde niet echt te denken dat er zoveel mensen zijn die het voorzien van bomen ‘duur’ vinden. Dat er waarschijnlijk vooral veel mensen zijn die graag een boom zouden willen zien, vanuit hun raam.

Maar, nog steeds, zucht.

Je had graag heel uitgebreid willen uitleggen dat bomen verbonden zijn met verhalen. Als er ergens een grote oude boom staat, dan wordt die boom een deel van een verhaal, een deel van mensen dus. Als die boom dreigt te verdwijnen, komt er al snel een actiecomité. Omdat mensen het gevoel hebben dat er in hun leven wordt gesneden als die boom zou verdwijnen.

Maar je hield het toch maar een beetje beperkt. Alsof je die argumenten niet zomaar uit handen wou geven aan deze economische rekenaars. Je zei nog iets over je bedenkingen bij de drang van sommigen naar ‘functioneel groen’. Bij nieuwe bouwprojecten wordt tegenwoordig een ‘groenelement’ voorzien. Dat is een mooi woord voor braaf groen. Groen dat geen streken heeft, ook niet uit streken komt waarschijnlijk, en dat vooral niet onderhevig is aan seizoenen. Groen dat geen bladeren kan verliezen, en alleen zorgt voor een groene vlek of zo, omdat dat conceptueel past in het ontwerp. Want bladeren, die zomaar los de wereld in zouden gaan, die zijn gevaarlijk natuurlijk.

Je had graag heel uitgebreid willen uitleggen (stilaan bijna roepen of razen) dat er toch niets mis is met kinderen die, ook in de buurt van hun huis in de stad, kunnen leren dat er seizoenen zijn. Dat het toch onmisbaar is dat je je zo kunt verbinden met de werkelijke wereld. Nog los van het feit dat het heerlijk is als kind om te ravotten in een hoop herfstbladeren.

Zucht.

Eigenlijk had je liever helemaal niets gezegd. Dat je moest antwoorden op een vraag naar de return on investment van bomen, het maakte je intriest. En opstandig tegelijk.

Eigenlijk was je liever gewoon naar buiten gegaan. Op zoek naar een van die vele mooie bomen met verhalen. Bomen met verhalen. Je voelt het als je in hun buurt komt. Hier hebben mensen verteld dat ze het niet meer zagen zitten, en hier vonden ze troost. Hier hebben mensen verteld dat er in hun hoofd alleen maar plaats leek voor die mooie vrouw, en hier vroegen ze radeloos of ze dat ook moesten vertellen aan haar. Hier zaten mensen stilletjes te kijken en dachten ze aan de jaren die voorbij waren. Hier voelden mensen zich verbonden met al het andere leven, hier voelden ze de hartslag van het andere, hier legden ze hun handen op de schors om even terug thuis te komen.

Eigenlijk had je stiekem willen antwoorden, uiting gevend aan je lichte verbijstering: schamen jullie je niet een heel klein beetje om zo’n vraag te stellen? Maar je deed het natuurlijk niet…

28 april 2013

Positieve praktijken

Een interessant debat tijdens het groene boekenfeest. De Duitse prof Welzer legt uit hoe het idee van groei of voortdurende expansie is verankerd in onze mentale infrastructuren. Hoe het is verweven in onze biografieën. Hij pleit voor een uitwegstrategie via praktijken. Er zijn al heel veel ideeën over wat we zouden moeten doen, er worden al tientallen jaren alternatieven bedacht. Maar ze dringen te weinig door in onze praktijk. Daarom houdt hij zich nu steeds meer bezig met het opsporen van praktijken, van concrete projecten van mensen die het gewoon doen, die zich niet meer willen laten verlammen door al het slechte nieuws over de staat van de planeet.

Het interessante van zijn verhaal is dat het bewijst dat er uitwegen zijn, of minstens manieren om het alternatief niet zozeer te denken, maar wel te zijn. Uit die andere praktijken kunnen dan andere ideeën groeien. Interessant is ook dat het aan de ‘andere’ kant gaat staan van klassieke, en soms nogal steriele discussies over de ‘grote’ macht en de nood aan een even grote tegenmacht. Tegen ‘het’ kapitalisme of tegen ‘de’ grote bedrijven moeten we ‘mobiliseren’, met de grote massa, en dat volgens de ‘juiste’ analyse. Het is voor sommigen een verleidelijke manier van denken, veilig binair, maar in sommige opzichten even machteloos makend als de grote ‘vijand’ die men wilde bestrijden. De vraag is niet alleen hoeveel macht de vijand heeft, het gaat er ook om hoeveel macht je hem toekent. Als je heel dicht bij een muur gaat staan, zie je alleen de muur. Je probeert misschien met alle geweld die muur omver te duwen, wat niet lukt, en wat je machteloos maakt. Maar misschien kun je gewoon een stap achteruit zetten, om dan te zien dat de muur maar enkele meters breed is, en dat je er gewoon omheen kunt wandelen. Je kunt heel erg klagen over de sociale wanpraktijken van RyanAir, je kunt eisen dat er strenge maatregelen komen tegen dit kapitalistische monster, maar je kunt ook gewoon niet vliegen.

In zijn analyse legt Welzer veel nadruk op het hoopvolle karakter van de strategie die hij voorstelt. Het ‘lamento’, het voortdurend catastrofeverhaal over de ecologische crisis helpt niet om gedrag te veranderen. Mensen willen perspectief, willen hoop. Hoe willen we leven in 2050? Die vraag geeft antwoorden die te maken hebben met een levenskwaliteit, en niet zozeer met doemscenario’s.

Dat deel van zijn betoog kan wel gemakkelijk verkeerd worden begrepen. De kreet ‘de mensen willen een positief perspectief’ kan ook een alibi voor het niet willen weten zijn. Krampachtig een werkelijkheid ontkennen kan leiden tot een soort ‘terreur van het positieve’. Als ik een onaangename waarheid liever niet wil weten, kan ik dat gemakkelijk omzetten in een verhaal dat er te veel negatief nieuws is en dat ik dus positieve dingen wil horen. Het is natuurlijk waar dat we als mens een zinvolle richting willen, anders verzanden we in willoosheid en depressie. Maar als dat een oogkleppenpositivisme is, is de waarde daarvan nogal laag.

Of we nu honderd keer of duizend keer roepen dat we positief nieuws willen, de ecologische crisis is een realiteit. De klimaatverandering gaat in versnelling, de hulpbronnen worden tegen een angstaanjagend tempo opgebruikt. Ontsnappen uit de mentale infrastructuur van de consumptiedwang kan niet door een nieuw soort ontkenning in de vorm van een blind positivisme. Misschien is dus een soort zenhouding meer aangewezen. Dat zou een zoeken impliceren naar iets als een illusieloze hoop. Laten we proberen in alle eerlijkheid, kwetsbaar en open, zonder oogkleppen en zonder zelfbegoocheling, te zien wat de ecologische werkelijkheid van de planeet is. Laten we dus onszelf toestaan om de omvang van de klimaatcrisis toe te laten in ons hoofd en lichaam. Als we daarbij ook de pijn en het verdriet toelaten, en gewoon laten stromen zonder het vast te houden, hoeft het besef van de werkelijkheid niet te leiden tot machteloosheid. Integendeel zelfs.

Leven in waarheid is een vorm van leven in praktijken, leven in het hier en nu. Het is een manier van leven die niet kiest voor scheiding in wat we wel en niet willen weten. Welzer wijst erop hoe goede ideeën vaak samengaan met slechte praktijken. Het is inderdaad absurd, en gewoonweg fout, dat je met duizenden per vliegtuig naar een verre stad vliegt om daar in een megaconferentie te gaan vergaderen over hoe je een internationaal akkoord kunt krijgen dat moet leiden tot de vermindering van emissies van, inderdaad, onder meer het luchtverkeer. Het een vorm van slechte praktijken ondanks goede ideeën, van een niet-verankering dus van die goede ideeën. Je zou dat ook kunnen omschrijven als een scheidingsdenken, een soort zelfgekozen dissociatie. We weten dat er te veel emissies de lucht ingaan, we vinden dat ‘er’ iets aan moet gedaan worden, we vinden dat ‘de politiek’ maatregelen moet nemen, we steunen publieksacties voor het klimaat, maar in de vakantie nemen we het vliegtuig om zogenaamd aan ecotoerisme te gaan doen omdat we ‘wereldburgers’ zijn. Jammer genoeg kan het klimaat het onderscheid niet maken tussen verondersteld goede en slechte emissies. Het is helemaal niet zo moeilijk te weten waar het coltan vandaan komt dat nodig is voor onze gsm’s. Alleen geeft dat weten ons een schuldgevoel, en daarom willen we het liever niet weten. Omdat we beseffen dat we anders in een gewetensconflict zullen komen. En om dat te vermijden blijven in ons hoofd een splitsing aanhouden.

Het zijn in wezen heel normale en heel menselijke psychologische mechanismen van zelfbescherming. Eraan ontsnappen door te kiezen voor bevrijdende praktijken moet misschien toch gaan via een weg die ook uitdrukkelijk kiest voor een leven in waarheid. En dat kan dan betekenen om niet meer te scheiden, maar net de tussenschotten open te maken. Toestaan dus dat je in de twijfelzone komt, en je daar laten raken, zonder evenwel die pijn vast te houden. Zo zou je, heel voorzichtig, kunnen komen tot een (spirituele) grondhouding die erin bestaat dat het feit dat je iets doet en de houding waarmee je je vorm van verzet uitvoert in zekere zin belangrijker zijn dan het resultaat dat je er uiteindelijk mee bereikt. In die houding, waarin je zonder illusies naar de werkelijkheid kijkt, wordt het belang van handelen, van positieve praktijken nog groter. Het is een handelen voorbij de machteloosheid, maar ook voorbij de veilige machtsconstellaties van de ‘goeden’ en de ‘slechten’.

Welzer pleit voor een paradigma van cultiveren, en niet van groeien. Het gaat over het herwinnen van een vrijheid. Maar dat is wel degelijk een manier van leven die in absolute termen veel minder zal wegen op de planeet. Jezelf wijsmaken dat we er met positieve praktijken zullen komen zonder dat die effectief ook een deel zijn van een levenswijze die echt uit de tredmolen van de expansie is gestapt is geen uitweg, maar een vluchtweg. In de visie van Welzer zullen de positieve praktijken kunnen leiden tot andere ideeën, andere mentale infrastructuren, en hopelijk ook andere principes die in onze biografieën worden verankerd. Misschien kan een spirituele grondhouding van een leven in waarheid, van het aanvaarden, en daarna ook cultiveren van een illusieloze hoop wel een heel interessante tussenschakel zijn in die strategie.